Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde

Chapter 26

Chapter 264,031 wordsPublic domain

--Onrein! Onrein! klonk het weer onbeschrijfelijk treurig uit den hoek.

Zoo volbracht de arme vrouw haren plicht en gevoelde zij tegelijkertijd, dat de zoo vurig begeerde vrijheid, van verre gezien zoo heerlijk en uitlokkend, een Sodomsappel bleek te zijn. Zij en Tirza waren melaatsch.

Weten onze lezers wat dat insloot? Een melaatsche werd als dood beschouwd. Uit de stad verdreven mocht hij zijne betrekkingen slechts op grooten afstand toespreken. Zijne woonplaats was bij andere melaatschen in spelonken of wildernissen. Zag hij iemand naderen--uit de verte reeds moest hij hem toeroepen: Onrein! Onrein!--Een wezen, dat zichzelf tot afschuw was, en alleen van den dood uitkomst kon verwachten.

Nog herinnerde de moeder zich den dag, waarop zij binnen in hare hand iets vreemds gevoeld had, dat zij, maar tevergeefs, beproefd had weg te wasschen. Eerst hechtte zij er niet veel aan, maar toen ook Tirza hetzelfde aan hare hand opmerkte, werd zij ongerust. Haar dagelijksch rantsoen van water was niet groot, toch gebruikten zij er elken dag een gedeelte van om de aangetaste plek te reinigen. Maar het breidde zich uit, de geheele hand werd ontstoken, het vel barstte op verschillende plaatsen, de nagels vielen af. Zij leden niet veel pijn, maar voelden zich voortdurend onwel. Later verdroogden hare lippen en vielen er kloven in, en toen de moeder op zekeren morgen met angst in het hart Tirza nauwkeurig beschouwde, zag zij haar vreeselijk vermoeden bewaarheid: de wenkbrauwen van haar kind waren geheel wit.

Wat zij toen doormaakte is niet te begrijpen. Sprakeloos en onbewegelijk zat de arme vrouw een poos neder, slechts dat ééne woord bij zichzelve herhalende: melaatsch, melaatsch.

Toen zij weer geregeld denken kon, was haar eerste gedachte het vreeselijke geheim te verzwijgen en Tirza in gelukkige onwetendheid te laten. Zelve hopeloos verdubbelde zij hare zorgen voor Tirza, en slaagde er met de grootste zelfbeheersching in haar onkundig te laten, met betrekking tot den aard harer ziekte, en wist zelfs de hoop bij haar levendig te houden, dat zij van voorbijgaanden aard zou wezen. Zij bedacht raadsels en spelletjes, vertelde geschiedenissen, oude en nieuwe, luisterde met het grootste genot naar de liederen, die zij Tirza herhaaldelijk deed zingen, en hief zelve de psalmen aan van den koninklijken zanger, alles om voor een poos ten minste haar verdriet te verzetten en hare ziel tot God op te heffen, die haar, evenals de wereld, scheen vergeten te hebben.

Langzaam maar zeker nam de kwaal toe. Na eenigen tijd werd het hoofdhaar wit, vielen lippen en oogleden met gaten, werd het geheele lichaam met blaren bedekt. Toen werd de keel aangedaan, werd hare stem heesch, werden de gewrichten stijf. Nog maar weinig tijds, dan zou de ziekte de bloedvaten en de beenderen aantasten--en zoo kon het vele jaren al erger en erger worden, totdat eindelijk de dood haar kwam verlossen.

Een dag van verschrikking was de dag, waarop de moeder het haar plicht rekende aan Tirza den naam harer ziekte mede te deelen, en beiden in wanhoop God smeekten, dat het einde spoedig daar mocht zijn.

Maar men went aan alles. De zwaarbeproefden leerden na verloop van tijd kalm te spreken over hare kwaal. Zij zagen welke vreeselijke verwoestingen de ziekte aanrichtte, en klemden zich niettegenstaande dat aan het leven vast. Eén band bleef haar aan de aarde binden: Juda. Over hem spraken en dachten zij. Zij twijfelden geen oogenblik aan zijne trouw en rekenden er vast op, dat hij even sterk als zij naar eene wederontmoeting verlangde. Zoo vertroostten zij elkander dag aan dag, ook, zooals wij gezien hebben, toen Gesius haar, nadat zij twaalf uren honger en dorst geleden hadden, weder moed kwam inspreken.

De toortsen verlichtten de cel, de bevrijding was daar. God is goed, riep de weduwe dankbaar. Die werkelijk dankbaar is voor een ontvangen gunstbewijs vergeet voor 't oogenblik zijne ellende.

Toen de commandant haar naderen wilde, vloden zij in een hoek, en herinnerde de moeder zich wat haar plicht was. Daarom stootte zij dien akeligen kreet uit: Onrein! Onrein!

Ach, hoeveel kostte haar die plichtsbetrachting! Zelfs in de vreugd over hare bevrijding was zij niet blind voor de gevolgen daarvan. Het oude, gelukkige leven was voor altijd voorbij. Wilde zij de haar zoo dierbare woning gaan opzoeken, dan zou zij reeds bij de poort moeten roepen: Onrein!--De knaap van wien zij voortdurend gedroomd had zou, als hij haar zag, op een afstand moeten blijven staan. Stak hij de handen naar haar uit, dan zou juist hare liefde haar dwingen om hem toe te roepen: Onrein!

De commandant hoorde de waarschuwing. Hij ontstelde, maar bleef staan.

--Wie zijt gij? vraagde hij.

--Twee vrouwen, die van honger en dorst sterven. Maar kom niet bij ons en raak de muren niet aan. De geheele cel is besmet!

--Vertel mij uwe geschiedenis, vrouw. Zeg mij uw naam, en wanneer en door wien en waarom gij hier gevangen zijt gezet.

--In Jeruzalem woonde jaren geleden een vorst, Ben-Hur geheeten, bevriend met vele edele Romeinen, zeer gehecht aan den keizer. Ik ben zijn weduwe, en dit meisje is zijne dochter. Ik kan u niet zeggen waarom wij hier begraven zijn, want ik weet het zelf niet, of het moest wezen omdat wij rijk waren. Valerius Gratus kan u zeggen wie onze vijand was en wanneer onze gevangenschap begonnen is. Ik weet het niet. Zie waartoe men ons gebracht heeft. O, heb medelijden met ons!

De atmosfeer was zwaar verpest, maar in weerwil daarvan riep de commandant een der fakkeldragers tot zich om hem bij te lichten, en schreef haar antwoord woordelijk op. Kort en bondig behelsde het een geschiedenis, een aanklacht, en een bede. Een onbeschaafde vrouw zou zich niet zoo beknopt hebben kunnen uitdrukken. De Romein moest haar zijns ondanks gelooven en beklagen.

--Gij zult terstond geholpen worden, zeide hij. Ik zal u eten en drinken zenden.

--En kleeren, en waschwater, bid ik u.

--Het zal geschieden.

--God is goed, zeide de weduwe schreiend. Moge zijn vrede met u zijn!

--Ik mag u niet wederzien, antwoordde de commandant. Maar tegen den avond zal ik u in vrijheid doen stellen. Gij kent de wet. Vaarwel!

Weinige oogenblikken later brachten een paar slaven een badkuip, de noodige hoeveelheid water, handdoeken, vrouwenkleeren, brood met vleesch, en wijn, zetten het alles bij de opengebroken deur neer en verwijderden zich toen zoo snel mogelijk.

Halverwege de eerste nachtwake bracht men de beide gevangenen naar buiten, en ademden zij vrijelijk de frissche lucht in.

De sterren fonkelden boven haar hoofd, evenals van ouds. Zij verlustigden zich een oogenblik in dien aanblik, maar toen vraagden ze elkander droef te moede: Wat nu? Waarheen?

* * * * *

DERDE HOOFDSTUK.

TERUGKEER.

Ongeveer terzelfder tijd dat Gesius voor den commandant verscheen, beklom een voetreiziger den Olijfberg van de oostzijde. De weg was oneffen en stoffig, alle planten waren bruin verschroeid, want het was in het droge jaargetijde. Gelukkig was hij jong en sterk, en droeg hij een luchtig, ruim gewaad.

Hij vorderde slechts langzaam, en keek dikwijls rechts en links, alsof hij na lange afwezigheid een welbekend landschap wederzag en zich verzekeren wilde, dat alles onveranderd hetzelfde gebleven was.

Toen hij eindelijk nabij den top kwam versnelde hij zijnen stap en liet zich door niets meer ophouden, totdat hij de hoogte bereikt had en verrukt over het schouwspel aan zijne voeten staan bleef.

Die reiziger was Ben-Hur, en wat hem zoo bekoorde was Jeruzalem, de stad Gods.

Hij ging op een steen zitten, maakte den doek los, die zijn hoofd tegen de zonnestralen beschutte, en verdiepte zich in zijne overpeinzingen, den blik op de stad zijner vaderen gevestigd.

De zon neigde ten ondergang. Een oogenblik rustte de vuurbol op de toppen der westelijke bergen, den hemel, de muren eb de torens der stad in gouden glans hullende. Daarop verdween hij. De stilte rondom hem voerde Ben-Hurs gedachten naar de ouderlijke woning. Zijn oog dwaalde af naar een punt ten noorden van den Tempel, daar moest het erfdeel zijner vaderen liggen, als het huis ten minste nog bestond.

De liefelijke rust, de zachte atmosfeer, bleven niet zonder invloed op zijne gevoelens. Alle bittere gedachten, alle eerzuchtige plannen ter zijde stellend, overdacht hij den plicht, die hem naar Jeruzalem gebracht had. Terwijl hij met Ilderim in de woestijn was en als een krijgsoverste het terrein verkende, kwam op zekeren avond een bode tot hem met het bericht, dat Gratus afgezet en Pontius Pilatus in zijne plaats aangesteld was.

Messala was lichamelijk gebroken en hield hem voor dood; Gratus was van zijne macht beroofd, en vertrokken--waarom zou hij dan het zoeken naar moeder en zuster nog langer uitstellen? hij behoefde voor niets meer te vreezen. Werd hem niet toegestaan zelf de gevangenissen van Judea te onderzoeken, dan konden anderen dat toch voor hem doen. Werden de verloornen gevonden, dan zou Pilatus haar zeker in vrijheid doen stellen, want die ten minste had er geen belang bij haar nog langer gevangen te houden. Met geld was in ieder geval veel te doen. Dan zou hij zijne geliefden in veiligheid brengen, om zich daarna met een volkomen hart geheel te wijden aan den Koning, die te komen stond. Zijn besluit was dadelijk genomen. Ilderim keurde het plan goed en gaf hem drie zijner stamgenooten mede, die Ben-Hur te Jericho achtergelaten had met de paarden, terwijl hijzelf te voet de reis voortzette. Te Jeruzalem zou Malluch zich bij hem voegen, en verder zou hij zich door de omstandigheden laten leiden.

Met het oog op zijne plannen zou het geraden zijn zich voor alle mogelijke ambtenaren, inzonderheid de Romeinsche, verborgen te houden, en het voornaamste werk aan Malluch over te laten, die zeer schrander en behoedzaam was.

Vóór alle dingen moest uitgemaakt worden hoe zij de zaak zouden aanpakken. Dat was hem nog niet recht helder. Het liefst zou hij met den burcht Antonia willen beginnen, want hij wist, dat zich onder dit sombere gebouw een doolhof van gevangenissen uitstrekte, juist geschikt om lieden, die men uit den weg wilde ruimen, in zich op te nemen. Daarenboven had hij met eigen oogen gezien hoe de soldaten zijne moeder en Tirza de straat indreven, die rechtuit naar den burcht leidde. Waren zij daar niet meer, dan kon hij er toch inlichtingen krijgen betreffende haar lot.

In het diepst zijner ziel leefde een stille hoop, die hem daarentegen allereerst naar de ouderlijke woning trok. Door Simonides wist hij dat Amrah nog leefde. Haar opzoeken en van haar hooren wat zij wist, moest zoo spoedig mogelijk geschieden. De trouwe slavin had zich, zooals men zich zal herinneren, op dien vreeselijken morgen losgerukt uit de handen der soldaten en was het ledige huis binnen gevlogen, waar zij, met al wat er verder in was, opgesloten werd. Simonides had haar sedert dien tijd van het noodige voorzien, en zij was de eenige bewoonster gebleven van het groote huis, dat Gratus, hoeveel moeite hij er zich ook voor gaf, niet had kunnen verkoopen. De geschiedenis die er aan vast was hield de koopers of huurders terug. Daarenboven had het den naam dat het er spookte, misschien een gevolg van Amrah's ronddwalen door de verschillende kamers, of op het platte dak. Kon hij haar te spreken krijgen, wie weet of zij hem niet eenig licht zou kunnen verschaffen, en daarom had hij besloten nog hedenavond tot haar te gaan.

De avond was gevallen, toen Ben-Hur opstond en van den berg afdaalde. Vlak bij de bedding van de beek Kedron ontmoette hij een herder, die zijne schapen naar de markt bracht. Hij sloot zich bij dien man aan, en trad aan zijne zijde door de Vischpoort de stad binnen.

* * * * *

VIERDE HOOFDSTUK.

EEN ZWARE STRIJD.

Het was reeds geheel donker, toen Ben-Hur van den herder afscheid nam en eene nauwe straat insloeg, die naar het zuidelijk gedeelte der stad voerde. Enkele menschen, die hem tegenkwamen, groetten hem, en nog nooit hadden de welbekende woorden hem zoo liefelijk in de ooren geklonken. De huizen aan beide zijden der straat waren laag en somber. Alle deuren waren gesloten. Het gevoel zijner eenzaamheid, de duisternis, de onzekerheid, waarin hij verkeerde, dat alles stemde hem droevig.

Zoo kwam hij bij het diepe waterbekken, thans bekend als de vijver van Bethesda. Voor hem verhief zich de burcht Antonia als een zwarte dreigende steenklomp. Hij bleef staan. Zoo sterk, zoo hecht en onaantastbaar verhief zich het gevaarte, dat hij het wanhopige van zijn streven gevoelde. Als zijne moeder achter die muren zuchtte, wat vermocht hij dan om haar te redden?... Door geweld niets. Werpspietsen en stormrammen zouden tevergeefs hunne kracht op de rots beproeven; list ... ach, die wordt zoo gemakkelijk verijdeld. En God, de laatste toevlucht van hulpbehoevenden, toeft dikwijls zoo lang met zijne hulp!

Met sombere voorgevoelens in 't hart ging hij verder, de volgende straat in. Een nachtverblijf zou hij zich later wel zoeken in de nieuwe wijk Bezetha, waar een herberg was; nu eerst naar Amrah.

Juist ging de maan op en verspreidde naar zilveren glans over de tot nog toe onzichtbare voorwerpen in het westen, zoodat de hooge torens op den berg Sion helder en klaar tegen den donkeren achtergrond afstaken.

Eindelijk bereikte hij het ouderlijke huis. Voor de noordpoort bleef hij staan en las het aanplakbiljet: Dit is het eigendom des keizers.

Sedert dien vreeselijken dag was niemand door die poort in- of uitgegaan. Zou hij als naar gewoonte kloppen? Hij wist, dat het vergeefsche moeite zou zijn, toch kon hij de verzoeking niet wederstaan. Amrah zou het wellicht hooren en uit een der vensters kijken. Hij raapte een steen van den grond, ging de brede trappen op en klopte driemaal. Slechts de echo antwoordde. Hij klopte nogmaals, en nogmaals, doch bemerkte geen teeken van leven. Hij ging naar den overkant der straat en bespiedde de vensters, doch er was niets te zien. Hij liep het huis om--ook daar was de deur verzegeld en van een opschrift voorzien. Ben-Hur las het en ontstak in woede. Hij rukte het opschrift af, wierp het op den grond en vertrapte het. Toen zette hij zich neder op de stoep en bad dat de nieuwen koning toch spoedig komen mocht. Langzamerhand werd hij kalmer, de vermoeienis na de langen dagreis deed zich gevoelen, hij strekte zich uit en viel weldra in slaap.

Een weinig later kwamen twee vrouwen de straat af van de andere zijde. Angstvallig vervolgden zij haren weg en bleven dikwijls staan om te luisteren. Bij den hoek van het huis gekomen hielden zij stil, en zeide eene van haar met gedempte stem: Dit is het, Tirza!

Tirza zag het huis aan, greep haar moeders hand, boog het hoofd, en begon te weenen.

--Laat ons verder gaan, mijn kind, want zoodra het dag wordt jagen zij ons de stad uit.

--Ach, ik had het bijna vergeten, snikte Tirza. Ik verbeelde mij dat wij naar huis gingen. Maar wij zijn melaatsch en hebben geen tehuis. Wij behooren tot de dooden!

--Kom, Tirza, wij hebben nu niets te vreezen. Kom mee, zeide de moeder troostend.

't Was waar, reeds alleen door het opsteken harer handen zouden zij een geheel leger op de vlucht hebben kunnen drijven.

Met onhoorbaren tred slopen zij, twee spookgestalten gelijk, den hoek om, totdat zij voor de poort kwamen en het opschrift lazen: Dit is het eigendom des keizers.

Toen wrong de moeder in stomme smart hare handen, hief de oogen ten hemel en kermde overluid.

--Moeder, wat scheelt er aan? U doet mij schrikken!

--Ach, kind, hij is dood!

--Wie, moeder?

--Uw broeder! Zij hebben hem alles afgenomen, zelfs dit huis! Nu zal hij ons nooit kunnen helpen!

--Wat moeten wij doen, moeder?

--Morgen, mijn kind, moeten wij aan den weg gaan zitten en bedelen, zooals de melaatschen dat gewoon zijn. Wij moeten bedelen, of--!

--Laat ons sterven, moeder, liever sterven!

--Neen, zeide de moeder op vasten toon. God heeft onzen tijd bepaald, en wij gelooven in Hem. Wij zullen op Hem blijven vertrouwen, ook hierin. Kom!

Al sprekende had zij Tirza's hand gevat en spoedde zich naar de westzijde van het huis, steeds dicht langs den muur loopende. Daar zij nergens iemand zagen, gingen zij door, maar schrikten terug voor het heldere maanlicht, dat de straat bescheen. De moeder hervatte zich echter spoedig, wierp een smartelijken blik op de vensters aan deze zijde van het huis, en stapte moedig vooruit in het licht, Tirza met zich voerend.

Nu kon men eerst recht zien hoe vreeselijk de verwoesting was, die de ziekte had teweeggebracht. Lippen, wangen, oogen, handen droegen er de sporen van, maar het afzichtelijkst was wel het hoofdhaar, dat in lange, stijve, klamme lokken neerhing, en evenals de wenkbrauwen een akelig witte kleur had. Moeder en dochter waren niet van elkander te onderscheiden, beiden waren even onnatuurlijk verouderd.

--Stil, zeide de moeder op eenmaal, daar ligt iemand op de stoep te slapen, een man.

Snel staken zij de straat over en gingen in de schaduw voort, totdat zij tegenover de poort kwamen, waar zij bleven stilstaan.

--Blijf even hier. De man slaapt, ik wil beproeven of de poort dicht is.

Dit zeggende stak zij de straat over en duwde zacht tegen een der deuren, maar juist op dat oogenblik slaakte de vreemdeling een zucht, bewoog zich onrustig in zijn slaap en draaide het hoofd om, zoodat zijn gelaat duidelijk zichtbaar werd. Zij zag hem aan en ontstelde hevig, keek nogmaals, bukte zich een weinig, kwam weer overeind, vouwde de handen en hief de oogen ten hemel in stil gebed. Een oogenblik slechts, toen ging zij ijlings naar Tirza terug.

--Kind, Tirza! dat is mijn zoon, uw broeder! fluisterde zij zacht, greep hare dochter bij de hand en vervolgde: Laat ons hem samen aanschouwen, even slechts, en dan, o God, help dan uwe dienstmaagden!

Onhoorbaar staken zij de straat over. Toen zij vlak bij hem waren gekomen, bleven zij staan. Een van zijne handen was afgegleden en rustte op de stoep. Tirza viel op hare knieën en wilde die hand kussen, maar de moeder trok haar terug. Pas op, kind, vermaande zij, wat woudt gij doen? Onrein! Onrein!

De arme Tirza week verschrikt achteruit, alsof haar broeder de melaatsche was.

Ben-Hur was schoon om aan te zien. Zijn gelaat was verbrand door de zon, mar de lippen waren rood, de tanden wit, en de golvende baard verborg niet den fraaien vorm van kin en hals. Hoe schoon was hij in zijn moeders oogen! Hoe smachtte zij er naar hem in hare armen te nemen en aan haar hart te drukken. Waaruit putte zij de kracht om niet aan dat verlangen toe te geven? Juist uit hare liefde voor hem. Voor niets ter wereld zou zij, de melaatsche, een kus hebben willen drukken op zijne wang. Toch wilde zij hem aanraken. Op hetzelfde oogenblik dat zij hem vond, moest zij voor altijd afscheid van hem nemen, dat, zij wist het, werd van haar geëischt. Bittere, bittere gedachte!

Zij knielde naast hem neder en drukte zacht hare lippen tegen de zool van zijn sandaal, hoe bestoven die ook was; zij kuste die nog eens en nog eens. Haar gansche ziel lag in die kussen.

Daar bewoog hij zich weer en prevelde in zijn slaap: Moeder ... Amrah, waar is ...

Het was bijna te veel voor de arme vrouw. Zij drukte haar gelaat tegen de steenen, om haar snikken te smoren, want haar hart dreigde te breken. Bijna wenschte zij dat hij wakker mocht worden. Hij dacht immers aan haar in den slaap, en mocht hij dan niet weten, dat zij zoo dicht bij hem was? Maar de tijd drong. Zij stonden op ... nog één langen blik, een laatste blik, en weer staken zij de straat over. In de schaduw zetten zij zich neer, wachtend, ja, waarop? Op het een of ander, zij wisten zelf niet wat.

Nog niet lang hadden zij zoo gezeten, of een andere vrouw kwam den hoek van het huis om. Zij zagen haar duidelijk: een kleine vrouw, gebogen van houding, donker van kleur, eenvoudig, maar netjes gekleed. Zij had een mand met eetwaren bij zich.

Toen zij den man op de stoep bemerkte bleef zij staan, bezon zich echter en kwam zachtkens naderbij. Zonder hem aan te raken ging zij naar de poort, en stak hare hand door eene in de linkerdeur aangebrachte opening.

Een van de planken week op zij, de vrouw schoof er de mand door en wilde zelve volgen, toen zij, door nieuwsgierigheid gedreven, nog even staan bleef om een blik op het gelaat van den vreemdeling te werpen.

De toeschouwers van den overkant hoorden een verbaasden uitroep, zagen dat de vrouw haren oogen wreef, alsof zij een droombeeld dacht te zien,--zij zagen haar zich over hem heenbuigen, de hand des slapers vatten en met kussen overdekken ... wat moeder en zuster ook zoo gaarne zouden gedaan hebben, maar niet durfden.

Door die aanraking gewekt trok Ben-Hur zijne hand terug, en zag tegelijkertijd de vrouw aan. Daar sprong hij overeind en riep blijde: Amrah! o Amrah! Zijt gij daar eindelijk?

Zij antwoordde niet, maar viel hem om den hals en snikte luid.

--Goede Amrah, hoorde zijne moeder hem zeggen, wat ben ik blij u te zien; maar zeg mij gauw wat gij van moeder en Tirza weet. Waar zijn zij? Gij hebt haar natuurlijk gezien. Zijn zij thuis?

Maar Amrah schreide slechts te heviger. Tirza maakte een beweging, maar de moeder, haar voornemen radende, hield haar tegen en fluisterde: Ga niet, voor niets ter wereld. Onrein! Onrein!

Neen, al moest haar hart ook breken, haar zoon zou niet worden wat zij waren.

--Woudt gij naar binnen gaan? vraagde Ben-Hur aan Amrah. Kom dan. Ik ga met u mee. De Romeinen, dat 's Heeren wraak hen treffe, liegen. Dat is mijn huis. Kom, Amrah, laat ons naar binnen gaan.

Zij traden binnen en sloten de deur, die nooit meer open zou gaan voor de arme moeder en hare dochter. Zij hadden het offer gebracht. Zij bogen zich diep in het stof. Men vond haar den volgenden morgen, en dreef haar met steenen de stad uit. Weg met u! Gij behoort tot de dooden! Gaat naar de dooden! riep men haar na.

* * * * *

VIJFDE HOOFDSTUK.

AMRAHS TROUW.

Als de hedendaagsche reiziger den Koningstuin bij Jeruzalem bezoeken wil, neemt hij zijnen weg door de bedding der beek Kedron, of langs den Gihon en Hinnom, tot aan de oude fontein Rogel, drinkt dan van het heerlijke water, en staat stil, want hij heeft het uiterste punt bereikt van het bezienswaardige in die richting. Hij werpt een blik op de groote steenen, die de bron omringen, onderzoekt hoe diep zij wel is, glimlacht over de primitieve manier van waterscheppen, en geeft misschien een aalmoes aan de arme ziel, die er de wacht bij houdt. Keert hij zich daarna om, dan rusten zijne oogen op de bergen Moria en Sion ten noorden, den Berg der Ergernis aan zijne rechterhand, en den Berg van den Slechten Raad ter linkerzijde, welke bergen hij, zoo hij ten minste thuis is in de bijbelsche geschiedenis en in de overlevering, met groote belangstelling zal gadeslaan.

De beide laatste bergen zijn vol spelonken en holen, die toen ten tijde, evenals de graven in het dal, tot woonplaats strekten aan de uit de stad verdreven melaatschen.

Op den tweeden morgen na de gebeurtenissen in het vorige hoofdstuk vermeld, begaf Amrah zich naar de bron Rogel, en ging bedaard op een steen zitten. Zij had een waterkruik bij zich en een mandje, waarvan de inhoud met een sneeuwwitten doek bedekt was. Toen zij gezeten was, maakte zij haar hoofddoek los, vouwde de handen om hare knieën en staarde peinzend naar den Akker des Pottenbakkers, later Akeldama genoemd.

Het was nog zeer vroeg, nog niet volkomen dag en zij was de eerste bij de bron. Niet lang daarna echter kwam een man met een touw en een leeren emmer en hield zich gereed om water te putten. Men kon indien men dat verkoos zichzelf helpen, maar anders was hij bereid om voor een kleinigheid de grootste kruiken te vullen.

Amrah bleef stil zitten en bewaarde het zwijgen. Na een poosje vraagde de man, of zij haar kruik soms gevuld wilde hebben, en toen zij antwoordde: Nog niet,--lette hij verder niet op haar. Toen het volkomen dag geworden was, kwamen zijne gewone klanten, zoodat hij zijne handen vol werk had.