Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde
Chapter 25
Thor lachte dat hij schudde. Nog nooit werden tienduizend sestertiën zoo gemakkelijk gewonnen! Een taveerne bij den grooten circus, en dat door een leugen te vertellen zonder een enkelen droppel bloed te vergieten! Geef mij uwe hand, zoon van Arrius, en als gij weer terugkomt in Rome, vergeet dan niet naar de taveerne van Thor den Noorman te vragen, want, bij de bliksems van Wodan! ik zal u het beste voorzetten wat mijn kelder bevat.
Nu werden de kleederen verwisseld, en toen Ben-Hur den jonkman daar zag liggen in zijn eigen Joodsch gewaad, was hij voldaan. De gelijkenis was treffend. Als Thor zijn woord hield zou dit bedrog nooit uitkomen.
Toen alles afgeloopen was tikte de Noor tegen de vleugeldeuren, die opnieuw onhoorbaar geopend werden, en gezamelijk gingen zij naar buiten. Bij het scheiden zeide Thor nogmaals: Mogen de goden u geleiden en behoeden, zoon van Arrius! en verzuim niet bij uw terugkeer in Rome de taveerne van Thor te bezoeken!
* * * * *
Dien avond deelde Ben-Hur zijnen vriend Simonides alles mede wat hem overkomen was in het paleis van Idernee. Zij kwamen overeen, dat na een paar dagen een onderzoek zou worden ingesteld naar den vermisten zoon van Arrius. Tevens zou van het geval afgifte worden gedaan bij Maxentius. Als het geheim niet uitlekte zouden Messala en Gratus gerust en voldaan zijn, en kon Ben-Hur onbevreesd naar Jeruzalem terugkeeren om zijne moeder en zuster te zoeken.
Bij het afscheidnemen zat Simonides in zijn stoel op het terras, en gaf den jongen meester zijn vaderlijken zegen. Esther deed hem uitgeleide tot aan de trap.
--Als ik moeder vind zult gij tot haar gaan en eene zuster voor Tirza wezen, niet waar? vraagde hij en kuste haar tot afscheid. Vervolgens begaf hij zich naar den overkant der rivier, waar Ilderim den vorigen avond zijne tent had opgeslagen, en waar hij den gids zou vinden met de paarden.
--Dit is het uwe, zeide de Arabier.
Ben-Hur keek, en zie het was Aldebaran: de vlugste en verstandigste van Mira's zonen, na Sirius de lieveling van den Sheik. Hij wist dat het hart van den ouden man het geschenk vergezelde.
Dienzelfden avond werd het lijk uit het atrium weggedragen en in stilte begraven, en vertrok een bode van Messala naar Gratus, om dezen de blijde tijding te brengen dat Ben-Hur dood was, ditmaal ontwijfelbaar.
Eene maand later werd bij den circus Maximus eene taveerne geopend met het opschrift:
THOR DE NOORMAN.
* * * * *
BOEK VI.
* * * * *
EERSTE HOOFDSTUK.
DE GEVANGENEN.
Sedert den avond, waarop Ben-Hur Antiochië verliet om den Sheik in de woestijn te volgen, zijn dertig dagen verloopen. Een groote verandering heeft intusschen plaats gevonden--groot, voor zoover het de geschiedenis geldt van onzen held. Valerius Gratus is vervangen door Pontius Pilatus.
Deze verplaatsing kostte Simonides vijf talenten Romeinsch geld, in klinkende munt uitbetaald aan Sejanus, die toen het hoogste toppunt van zijn macht als gunsteling des Keizers bereikt had.
Het doel van de onderhandeling met Sejanus was, dat Ben-Hur zonder groot gevaar voor zichzelven in en bij Jeruzalem naar zijne moeder en zuster zou kunnen zoeken. Op die wijze besteedde de trouwe dienstknecht de gelden van Drusus en zijne makkers. Na het betalen van de weddenschappen was de vriendschap dier jongelieden voor Messala veranderd in vijandschap, omdat zij hem hun ongeluk weten. Wat Messala zelf betreft, het antwoord op de vraag, of hij voor de gewedde sommen mocht aangesproken worden, ja of neen, moest nog uit Rome komen.
Hoe kort Pontius Pilatus aan het bestuur was, de Joden hadden reeds ondervonden, dat de verandering niet in hun voordeel was. De kohorten, die afgezonden waren om het garnizoen van den burcht Antonia te vervangen, trokken des avonds laat de stad binnen, en het eerste wat men den volgenden morgen te zien kreeg was, dat de muren van den ouden burcht rondom versierd waren met borstbeelden van den ouden Keizer en met Romeinsche adelaren.
Een opgewonden menigte trok door de straten, afgezanten werden naar Cesarea gezonden, waar Pilatus nog eenige dagen vertoefde, om hem dringend te verzoeken de gehate voorwerpen weg te nemen. Vijf dagen en nachten hielden zij stand voor de poorten van zijn paleis, waarna hij deed weten dat hij hen in den circus zou te woord staan. Daar liet hij hen door zijne soldaten omsingelen, maar zij boden blijmoedig hun leven aan, indien zij slechts hun doel mochten bereiken. Dat werkte. Pilatus gaf bevel de borstbeelden en adelaren naar Cesarea terug te zenden, waar Gratus ze gedurende de elf jaren zijner regeering had bewaard.
De slechtste mensch kan wel een goede daad verrichten. Zoo ook Pilatus. Hij beval dat alle gevangenissen in Judea zouden nagezien worden, en verlangde een lijst van de namen der gevangenen, met opgaaf van de misdaden, waarvoor zij veroordeeld werden. Waarschijnlijk deed hij dit, om later niet aansprakelijk te zijn voor hem onbekende dingen. Het volk evenwel prees hem en was een tijdlang tevreden.
Wat het onderzoek aan het licht bracht, was ongeloofelijk. Honderde menschen, tegen wie geen beschuldiging was ingebracht, kregen hunne vrijheid weder. Vele anderen, die men lang geleden gestorven waande, kwamen te voorschijn. Nog erger was het, dat men gevangenissen vond, wier bestaan niet alleen aan het volk onbekend was, maar die de tegenwoordige gevangenbewaarders zelfs niet kenden. Eén geval van dien aard moeten wij hier vermelden: een vergeten gevangenis te Jeruzalem.
De burcht Antonia, die zooals men zich zal herinneren twee derden besloeg van de heilige area op den berg Moria, was oorspronkelijk een door de Macedoniërs gebouwd kasteel. Later maakte Johannes Hyrkanus het tot een citadel ter verdediging van den Tempel, die toen ten tijde reeds als onneembaar werd beschouwd. Herodes breidde haar nog verder uit, verbreedde de muren, liet waterputten graven, bouwde tuighuizen, barakken, magazijnen en gevangenissen van allerlei soort. Hij effende het rotsachtige gedeelte van den berg, en liet er diepe kloven in bouwen. Daar bouwde hij overheen. Het geheel verbond hij door een prachtige zuilengang met den Tempel. Zoo verbouwd en versterkt viel de burcht ten laatste in de handen der Romeinen, die hem volkomen wisten te waardeeren en te gebruiken.
Gedurende de regeering van Gratus had de Antonia dienst gedaan als citadel en onderaardsche gevangenis, de schrik voor alle oproerigen. Wee hen, wanneer de kohorten uit de poorten stroomden, om een oproer te dempen! Wee den Jood, die dezelfde poorten als gevangene binnenging!
Na deze korte uitweiding kunnen wij den draad van ons verhaal weer opvatten.
* * * * *
Het bevel van den nieuwen procurator betreffende de gevangenen was op den burcht Antonia ontvangen en stipt uitgevoerd. Twee dagen zijn verloopen sedert de laatste van die ongelukkigen ter ondervraging was voorgebracht. De lijst is zoo goed als gereed en ligt voor den commandant op tafel. Binnen vijf minuten zal zij op weg gaan naar Pilatus, die in het paleis op den berg Sion woont.
Het bureau van den commandant is ruim en koel, en gemeubeld overeenkomstig de waardigheid van den bevelhebber.
Het is de zevende ure van den dag. De commandant is vermoeid. Zoodra de lijst verzonden is, zal hij naar het platte dak van de zuilengang gaan, daar in de open lucht wat beweging nemen, en zich vermaken met naar het gewoel der Joden in de voorhoven des Tempels te kijken. Zijne klerken en onderhoorigen verlangen eveneens heen te gaan.
Daar verschijnt een man in de deur. Hij rammelt met een bos zware sleutels, waardoor hij terstond de aandacht van den overste trekt.
--Zoo, Gesius, kom binnen, zegt deze. Wat is er?
--Commandant, luidt het antwoord, ik durf u bijna niet zeggen wat ik gevonden heb.
--Alweder een vergissing, Gesius?
--Wist ik zeker dat het slechts een vergissing was, dan zou ik niet bang zijn.
--Een misdaad dus? Of nog erger ... een plichtverzuim. Men kan Cesar uitlachen, de goden vloeken, en leven. Een beleediging echter, den adelaren aangedaan, is ... nu, Gesius, gij weet wat er dan volgt. Ga voort.
--'t Is nu ongeveer acht jaren geleden, dat Valerius Gratus mij benoemde tot bewaarder der gevangenissen in den burcht, antwoordde de man ernstig. Ik herinner mij nog zeer goed den morgen, waarop ik mijn ambt aanvaardde. Den vorigen dag was er een klein oproer geweest. De onzen hadden vele Joden neergeslagen, maar wij hadden ook enkele verliezen te betreuren. De aanleidende oorzaak was, zeide men, een moordaanslag op Gratus. Hij werd door een steen aan het hoofd getroffen, zoodat hij van zijn paard viel. Ik vond hem hier op dezelfde plaats zitten, waar gij nu zit, commandant, met een verbonden hoofd. Hij gaf mij deze sleutels, genommerd met de nommers der cellen. Dat waren de teekenen van mijn ambt, ik mocht er mij nooit van scheiden, zeide hij. Op de tafel lag een perkamentrol. Hij maakte ze open en zeide: Hier zijn de kaarten met den platten grond der cellen, die in drie afdeelingen verdeeld, boven elkander gebouwd zijn. Ik vertrouw ze u toe.--Ik nam ze aan, en Gratus vervolgde: Nu hebt gij de sleutels en de platte gronden, ga en doorwandel de geheele inrichting, bezoek elke cel en zie of alles in orde is. Bemerkt gij iets waardoor de veiligheid in gevaar zou komen, stel daar dan naar uw beste weten orde op, want gij zijt hier heer en meester en hebt niemand boven u, dan mij alleen.
Ik wilde heengaan, maar hij riep mij terug en zeide: Daar bedenk ik nog iets. Geef mij den platten grond van de onderaardsche cellen.--Ik gaf hem het verlangde. Hij spreidde de kaart voor zich uit op de tafel, wees met den vinger op cel nommer vijf, en zeide: Hier, Gesius, deze cel. Daar zitten drie mannen gevangen, gevaarlijke lieden, die achter een staatsgeheim hebben weten te komen en hier voor hunne nieuwgierigheid boeten. Tot straf zijn zij van oogen en tong beroofd, en levenslang opgesloten. Zij mogen niets hebben dan water en brood, dat gij hun toereikt door een gat in den muur, dat van buiten gesloten wordt met een schuif. Hebt gij mij goed begrepen, Gesius? Ik antwoordde toestemmend. Het is goed, zeide hij, en keek mij dreigend aan; maar pas op, Gesius, dat gij het niet vergeet. De deur van hunne cel, nommer vijf,--en hij legde er zijn vinger op, om meer nadruk te geven aan zijne woorden,--mag nooit, onder geen enkel voorwendsel, geopend worden. Niemand mag er in of uit, zelfs gij moogt er niet binnengaan. Maar als zij sterven? vraagde ik. Als zij sterven, zei hij, zal die cel hun graf zijn. Zij werden daar opgesloten om te sterven. De cel is met melaatschheid besmet, begrijpt gij?--En daarmee liet hij mij gaan.
Gesius zweeg en bracht uit de plooien van zijn overkleed drie rollen te voorschijn, die hij op tafel uitspreidde, zeggende: Dit is de bedoelde platte grond.
De oogen van alle aanwezigen rustten op den platten grond.
--Precies zoo, commandant, heb ik hem van Gratus ontvangen. Dit is cel nommer V.
--Ik zie het, zeide de commandant. Ga voort. De cel was met melaatschheid besmet, zeidet gij.
--Mag ik u een vraag doen, commandant?
--Ja.
--Moest ik niet gelooven dat de kaart betrouwbaar was?
--Zeker.
--Nu, zij is niet betrouwbaar, want er zijn niet vijf, maar zes cellen. Ik zal u laten zien hoe de platte grond werkelijk is, of liever, hoe ik mij voorstel dat hij is.
Gesius nam een tafeltje en teekende er een losse schets op van zes cellen, die hij den commandant ter hand stelde.
--'t Is goed, zeide de commandant. Ik zal een nieuwen platten grond voor u laten maken. Kom hem morgen bij mij halen.
Meenende dat de zaak hiermede afgeloopen was stond hij op; maar Gesius vervolgde: Hoor mij verder, heer.
--Morgen, Gesius, ik heb nu geen tijd meer.
--Maar, commandant, wat ik u mee te deelen heb kan geen uitstel lijden.
De commandant ging weer zitten.
--Ik zal kort zijn, zeide de gevangenbewaarder. Mag ik nog eene vraag doen? Moest ik niet gelooven wat Gratus mij vertelde van de gevangenen in cel vijf?
--Natuurlijk. In die cel zaten drie gevangenen, staatgevangenen, blind en stom.
--Welnu, commandant, dat was niet waar.
--Niet?
--Hoor, en oordeel zelf, commandant. Zooals mij bevolen was bezocht ik al de cellen, beginnende bij de bovenste en eindigende bij de onderste. Het verbod om de deur van cel V te openen heb ik nimmer overtreden. De drie mannen hebben die acht jaren hun water en brood altijd door het gat in den muur gekregen. Gisteren mocht ik de deur openen op uw bevel, en was zeer nieuwsgierig om de gevangenen te zien, die tegen alle verwachting zoolang geleefd hebben. Het slot van de deur weigerde. Wij trokken wat harder en toen viel de deur op zij. De scharnieren waren door roest verteerd. In de cel vond ik slechts één man, oud, blind, zonder tong, geheel naakt, deerniswaardig om te zien. Ik vraagde hem naar zijne medegevangenen. Hij schudde van neen. Ik doorzocht de geheele cel, maar kon geen spoor van hen ontdekken. De muren en de grond waren geheel droog. Hadden hier drie gevangenen gezeten, en waren twee van hen gestorven, dan zou ik toch hunne beenderen hebben moeten vinden. Van melaatschheid was niet bij den armen afgeleefden grijsaard te bespeuren.
--Gij denkt dus....
--Ik denk, commandant, dat er in die acht jaren slechts één man gevangen heeft gezeten.
De commandant zag Gesius scherp aan en zeide: Wees voorzichtig! Weet gij wel waar gij Gratus van beschuldigt?
Gesius boog het hoofd en zeide: Hij kon zich vergist hebben.
--Neen, riep de commandant heftig, dat kon hij niet. Hebt gij niet zelf gezegd dat gij acht jaren lang water en brood gegeven hebt voor drie personen?
--Gij hebt nog slechts de helft van het verhaal gehoord, commandant. Als gij alles gehoord zult hebben, zult gij mij gelijk geven. Gij weet wat ik met den man deed: ik liet hem een bad geven, haar en baard scheren en aankleeden. Toen bracht ik hem naar buiten en liet hem in vrijheid heengaan. Ik had met hem afgedaan. Een uur geleden kwam hij terug en werd vóór mij gebracht. Door allerlei gebaren, zelfs door tranen, gaf hij zijn verlangen te kennen, om weer naar de cel teruggebracht te worden. Ik gaf het bevel daartoe. Toen zij hem wegleidden keerde hij op eens terug, viel op de knieën voor mij neder en beduidde mij, dat ikzelf hem moest vergezellen. Ik voldeed aan zijn verzoek. De twee geheimzinnige andere gevangenen speelden mij door het hoofd. Ik was er niet gerust op. Nu ben ik blij, dat ik gehoor gaf aan zijn verlangen.
Alle aanwezigen luisterden met gespannen aandacht, doodelijke stilte heerschte in het vertrek.
--Zoodra de gevangene bemerkte dat hij weer in zijn oude cel was, vervolgde Gesius, greep hij mijne hand en geleidde mij naar een gat in den muur, even groot als dat, waardoor wij gewoon waren hem zijn rantsoen te geven. Gisteren was het aan mijne aandacht ontsnapt. Steeds mijne hand vasthoudende legde hij zijn mond voor de opening en gaf een schreeuw. Een zwakke stem antwoordde. Ik was verbaasd, trok hem op zijde, en riep: Hola, wie daar? In het begin kreeg ik geen antwoord. Ik riep nogmaals en hoorde toen deze woorden: O, God, ik dank U! Commandant, het was de stem van een vrouw. Ik vraagde: Wie zijt gij? en het antwoord luidde: Een Israëlitische vrouw. Ik ben hier levend begraven met mijne dochter. Help ons gauw, of wij sterven.
Ik riep haar toe nog even geduld te hebben en spoedde mij tot u, om uwen wil te vernemen.
De commandant stond haastig op. Gij had gelijk, Gesius, zeide hij. Ik begrijp er alles van. De kaart was valsch en het verhaal van de drie gevangenen was een leugen. Er zijn betere Romeinen dan Valerius Gratus.
--Ja, antwoordde de gevangenbewaarder. De oude man gaf twee porties water en brood aan de vrouwen.
--Welaan, zeide de commandant, zich tot zijne klerken wendende, daar hij het niet kwaad vond eenigen tot getuigen te hebben, gaat allen mee. Wij zullen die vrouwen in vrijheid stellen.
Gesius was voldaan. Wij zullen den muur moeten doorbreken, zeide hij. Ik heb de plaats ontdekt waar de deur geweest is. Zij was dichtgemetseld.
--Roep terstond een paar werklieden met de noodige gereedschappen, zeide de commandant tot een der klerken. Haast u, en laat het rapport liggen, want dat zal morgen gewijzigd worden.
* * * * *
TWEEDE HOOFDSTUK.
DE MELAATSCHEN.
Een Israëlitische vrouw. Ik ben hier levend begraven met mijne dochter. Help ons gauw, of wij sterven.
Dat antwoord had Gesius ontvangen uit de cel, die op den verbeterden platten grond als cel VI aangegeven staat.
De lezer heeft zeker terstond begrepen wie die ongelukkigen waren, en zich verheugd dat eindelijk Ben-Hurs moeder en zuster gevonden zijn.
Op den morgen van hare gevangenneming had men haar naar de burcht gebracht, waar Gratus haar dacht op te sluiten. Hij had den burcht gekozen, omdat die meer onmiddellijk onder zijn beheer stond, en cel VI, omdat deze door melaatschheid besmet was. Hij wilde de vrouwen niet alleen opsluiten--hij verlangde dat zij een zekeren, zij het dan ook een langzamen, dood zouden sterven. Dientengevolge werden zij bij nacht naar beneden gebracht, zoodat niemand er iets van bemerkte. Diezelfde slaven metselden daarna de deur dicht, en werden vervolgens naar een afgelegen oord verplaatst, zoodat het geheim een geheim blijven kon. Om voor alle mogelijke gevallen toch den schijn te bewaren, wilde hij de vrouwen niet laten verhongeren, maar plaatste hij bovenvermelde armen gevangene in de cel daarnaast, om haar van brood en water te voorzien.
Zoo wist Gratus, onder voorwendsel van een troep moordenaars te straffen, zich het vermogen der familie Hur toe te eigenen, waarvan geen penning de keizerlijke schatkist bereikte. Ten besluite werd de toenmalige gevangen- bewaarder verplaatst, een nieuwe platte grond ontworpen, en aan den nieuwen bewaarder gegeven. Gratus bereikte volkomen zijn doel: de cel en hare bewoonsters waren der vergetelheid prijs gegeven.
Welk een leven voor moeder en dochter, acht jaren lang; voor haar, opgevoed in weelde, weggerukt uit een werkzaam, liefdevol leven, veroordeeld tot nietsdoen in een onderaardschen kerker, waar slechts een smalle gleuf in den buitenmuur licht en lucht aanbracht!
Treden wij de cel binnen.
De twee vrouwen bevinden zich vlak bij het smalle luchtgat. De eene zit op den grond, de andere leunt half liggende tegen haar aan. Bij het schemerachtig licht zien wij, dat zij zonder eenige bedekking zijn. Van kleeding geen spoor meer. Maar wat haar ook ontnomen werd, de liefde bleef, daarvan spreekt haar geheele houding. Rijkdom vergaat, schoonheid verdwijnt, hoop vervliegt, maar de liefde blijft, want de liefde is uit God.
Waar moeder en dochter neergezeten zijn, is de oneffen bodem geheel glad geworden. Vermoedelijk hebben zij het grootste gedeelte van die lange jaren op deze zelfde plaats gezeten, hare hoop op bevrijding koesterende bij dat zwakke, maar toch vriendelijke licht. Als de lichtstraal naar binnen viel, wisten zij dat het dag was. Als hij verdween, wisten zij dat daarbuiten de nacht aanbrak, die toch nergens zoo lang en zoo stikdonker kon zijn als bij haar. Daarbuiten! O, door die gleuf vlogen hare gedachten de wereld in, om den zoon, den broeder te zoeken. Zij zochten hem op de woelige zee, of op hare eilanden, nu in deze stad, dan in gene, en overal vertoefde hij slechts vluchtig; want hij zocht haar immers met rusteloos verlangen. Telkens en telkens hadden zij elkander moed ingesproken door te zeggen: Hij vergeet ons niet. Zoolang hij leeft is er hoop voor ons!
Bij het flauwe licht dat in de cel heerscht zien wij, dat zij uiterlijk droevig veranderd zijn, een verandering, niet alleen toe te schrijven aan de langdurige gevangenschap. Waren moeder en dochter voorheen schoon van aangezicht, zelfs de liefde zou dat niet meer van haar kunnen getuigen. Het lange, ongekamde haar heeft een zonderlinge witte kleur. De vrouwen zelf zien er vreemd en terugstootend uit ... is het misschien een gevolg van gebrek aan lucht en licht, of van honger en dorst, daar zij sedert het vertrek van haar armen buurman niets te eten of te drinken hebben gehad?
Tirza leunt tegen hare moeder en kreunt smartelijk.
--Stil, kind, zegt de moeder. Zij zullen komen. God is goed. Wij hebben nooit verzuimd tot Hem te bidden, wanneer daarginds in den Tempel de bazuinen geblazen worden. Het moet de zevende ure zijn, want de zon staat nog in 't zuiden. Laat ons op God vertrouwen. Hij is goed.
--Ja, moeder, ik zal mijn best doen, antwoordt Tirza. Uw lijden is even zwaar als het mijne; maar mijn tong brandt en mijn lippen zijn verdroogd. Ach, waar zou Juda toch zijn? Zou hij ons nog ooit kunnen vinden?
Beider stem klinkt ongelooflijk scherp, droog en onnatuurlijk.
--Gisteren zag ik hem in mijn droom, kind, zoo duidelijk als ik u nu zie. Wij moeten gelooven in droomen, dat weet gij wel, omdat onze vaderen het ook deden. Onze God sprak dikwijls tot hen op die wijze. In mijn droom stonden wij in den vrouwenvoorhof bij de Schoone Poort. Vele vrouwen waren daar met ons, en hij kwam en stond achter de poort en zocht ons. Mijn hart klopte hevig. Ik strekte de armen uit, en riep hem luide bij zijn naam. Hij zag mij en hoorde mij, maar herkende mij niet. Een oogenblik later was hij verdwenen.
--Hij zal ons zeker niet herkennen, moeder, als hij ons vindt. Wij zijn zoo veranderd.
--'t Is mogelijk, maar ... de moeder zweeg, die gedachte was al te pijnlijk.
--Ach moeder, riep Tirza, water! al is het maar één droppel.
De moeder werpt een wanhopigen blik in het rond. Het is haar alsof een schaduw over het licht trekt. Zou dat de naderende dood zijn? Bijna werktuigelijk zegt zij: Geduld, Tirza. Zij komen. Zij zullen weldra hier zijn.
Eensklaps meent zij een geluid te hooren bij de opening in de cel van den blinde, door welk gat het verkeer met de menschenwereld daarbuiten gedurende al die jaren had plaats gehad.
Zij had zich niet vergist. Een oogenblik later weerklonk de bekende kreet van haar ongelukkigen landgenoot door de ruimte. Beiden sprongen op en kwamen naderbij. Daar hoorden zij iemand roepen: Hola! Wie daar?
Dat waren de eerste woorden, die na jaren van doodelijke stilte tot haar gesproken werden. Welk een ommekeer! Uit den dood tot het leven teruggekeerd, en dat zoo op eenmaal!
Zij antwoordde luide: Een Israëlitische vrouw, die hier levend begraven is met hare dochter. Help ons spoedig, of wij sterven.
--Houd moed. Ik kom dadelijk terug.
Moeder en dochter barstten in tranen uit. Zij waren gevonden. De hulp was nabij! Vergeten waren, voor het oogenblik althans, pijn, honger, dorst. Opnieuw lachte de hoop haar toe.
Na een korte poos, de tijd dien Gesius noodig had gehad om zijn verslag aan den commandant te doen, drong het geluid van hamerslagen tot de gevangenen door. Ademloos luisterden zij, begrijpende wat dat beteekende. De deur, die zoolang gesloten was geweest, werd opengebroken. De dag der vrijheid brak eindelijk aan.
De handen, die het werk verrichtten, waren sterk en bedreven, en wil was goed. De slagen, eerst dof, werden steeds duidelijker verneembaar; nu en dan viel een steen op den grond. Nu konden zij zelfs de stemmen der werklieden hooren, en, o hoe heerlijk! daar zagen zij door een spleet het schijnsel der toortsen.
--O, moeder, riep Tirza, daar is Juda! Eindelijk heeft hij ons dan toch gevonden!
Weder viel een steen, en nog een, toen verscheidene te gelijk ... en de deur was eindelijk open. Een met stof en kalk bedekte arbeider stapte de cel binnen, een toorts ophoog houdende. Twee of drie volgden, eveneens met fakkels, en stelden zich bij den ingang om den commandant door te laten.
Deze bleef echter staan, want de vrouwen vluchtten naar den uitersten hoek, niet uit vrees, maar uit schaamte. Niet alleen uit schaamte echter, want van uit den donkeren hoek, waar zij zich trachtten te verbergen, werd den mannen een woord toegeroepen, het wanhopigste dat over menschenlippen komen kan: Onrein! Onrein! Kom niet naderbij!
Ontzet zagen zij elkander aan.