Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde

Chapter 24

Chapter 243,929 wordsPublic domain

Nog één dolfijn, nog één bal stonden op de uitstekken. Het begin van het einde was daar.

De Sidoniër beproefde met een laatste krachtsinspanning vooruit te komen. De poging mislukte. De Byzantijner en de Corinthiër probeerden hetzelfde, maar slaagden evenmin; zoodat zij feitelijk afgedaan hadden.

Alle toeschouwers, met uitzondering van de Romeinen, hoopten op Ben-Hur en schreeuwden hem toe: Vooruit, Jood, geef den Arabieren den vrijen teugel! Haal den binnenkant! Nu of nooit! Den binnenkant! Den binnenkant!

Zoo riepen zij hem van alle kanten toe en hingen over de balustrades en staken smeekend de armen uit.

Verstond hij hen niet, of kon hij niet sneller rijden? Reeds naderden zij den tweeden paal en nog was hij in de achterhoede.

Om den laatsten draai te maken begon Messala de teugels van de linkse paarden aan te halen, hetgeen natuurlijk hun vaart een weinig verminderde. Hij was vol moed. Aan meer dan één altaar had hij geloften gedaan. Rome zou ook nu zegevieren. Slechts zeshonderd voet tusschen hem en roem, rijkdom, bevordering, bevrediging van wraakgevoel!

Op dat oogenblik zag Malluch van de galerij hoe Ben-Hur zich voorover boog en de teugels vierde. Hij klapte met zijn lange zweep, en klapte nogmaals en nogmaals. Hoewel hij de verschrikte dieren niet raakte was in dat geluid toch iets, dat hen vooruit deed springen en voortvliegen als een pijl uit den boog. Met één sprong waren zij den Romein op zijde.

Messala, juist genaderd aan het gevaarlijke punt, hoorde iets verdachts, maar durfde het hoofd niet omdraaien ten einde te zien wat Ben-Hur in den zin had. Het roepen en schreeuwen van het volk maakte hem niet wijzer. Boven alles uit hoorde hij ééne stem vlak naast zich, en dat was de stem van Ben-Hur. In het Arameesch, de taal van den Sheik, riep hij zijne Arabieren toe: Voorwaarts Rigel! Vooruit Atair! Hoe nu, Antares! Blijft gij achter? Oho, Aldabaran! Vlugste van allen! Ik hoor het gezang in de tenten! Ik hoor de kinderen zingen van Rigel, Atair, en Antares, van Aldebaran en van de victorie! en het jubelen neemt geen einde.--Goed zoo! Morgen huiswaarts ... naar de zwarte tent ... ons thuis! Voorts Antares! de meester wacht u!... Het is geschied! Haha! Haha! De trotschaard is gevallen. Hij, die ons griefde, ligt in 't stof! Ons de glorie! Ons de roem! Gedaan het werk--soho! halt! ho!

Snel en eenvoudig was alles in zijn werk gegaan, Messala had bijna den draai om den eindpaal volbracht, toen Ben-Hur met zeldzame vaardigheid zijn kunststuk volbracht.

Om den Romein voorbij te komen moest hij de baan oversteken en wel in de kortst mogelijke lijn. Het publiek begreep zijn voornemen. Zij zagen hem het teeken geven, en waren getuigen van het gevolg: de vier vlak naast Messala's buitenste wiel ... Ben-Hurs binnenwiel, die het pakte ... een luid gekraak, zoo luid dat allen in den circus het hoorden en er van ontstelden ... en de wagen van den Romein lag omver, geheel vernield. Messala, in de teugels verward, lag er onder.

Het akelig tooneel werd nog ontzettender, doordat de Sidoniër zijne paarden niet op eens kon inhouden. In volle vaart reden zij over de rampzaligen Messala en zijn wagen heen, op het steigerende slaande vierspan in. Alsof er niets gebeurd was zette Ben-Hur in razende vaart zijn tocht voort, gevolgd door den Corinthiër en den Byzantijner.

Alles stond op, sprong op de banken, en schreeuwde en juichte. Intusschen lag Messala nog steeds onder de hoeven der spartelende paarden, onder den gebroken wagen. Hij lag zoo stil, dat men hem voor dood hield. Slechts enkelen wijdden hem een blik. De meesten volgden Ben-Hur op zijn zegetocht. Zij hadden niet gezien, hoe hij de paarden een weinig naar links stuurde en Messala's wiel met de punt van zijn ijzeren as pakte, zoodat het te gruizel sprong. Maar de plotselinge verandering van zijne geheele persoonlijkheid was hun niet ontgaan, den gloed en de bezieling, die van hem uitgingen, hadden zij gevoeld; begrepen de alles beheerschende toovermacht, waarmede hij op eens door woord en gebaar zijne edele rossen bezielde. Welk een rennen!

Toen de Byzantijner en Corinthiër halfweg waren, had Ben-Hur den eindpaal bereikt en was de zege behaald.

De consul verrees van zijn zetel. Het volk schreeuwde zich heesch. De prefect kwam naar voren en kroonde de overwinnaars.

De gelukkige prijswinner onder de boksers was een blonde reusachtige Noor. Zijn gelaat trok Ben-Hurs aandacht en weldra herkende hij in hem zijn leermeester in het schermen te Rome, wiens geliefde scholier hij geweest was. Van hem hief hij de oogen op naar Simonides en zijn gezelschap. Zij groetten hem met de hand. Esther bleef zitten, maar Iras stond op, lachte hem toe en wuifde met haar waaier--vriendschapsbewijzen, die, zooals wij weten, voor Messala bestemd waren geweest.

Nu vormde de stoet zich, zette zich onder het gejubel der menigte in beweging, en verliet de arena door de Triomfpoort.

De lang verbeide dag was voorbij.

* * * * *

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

EENE NOODIGING.

Ben-Hur en Ilderim waren de rivier overgestoken en toefden daar nog, totdat zij, zooals te voren bepaald was, te middernacht de karavaan konden volgen, die dertig uren geleden reeds op reis was gegaan.

De Sheik was overgelukkig. Hij had zijn jongen vriend vorstelijke aanbiedingen gedaan; maar deze had alles afgeslagen, zeggende dat hij volkomen tevreden was met de vernedering van zijn vijand. De edelmoedige tweestrijd bleef lang onbeslist.

--Bedenk toch, zeide de Sheik, wat gij voor mij gedaan hebt. In elke tent tusschen de Akaba en den oceaan, van den Euphraat tot aan de Scytische zee zal de roem van Mira en hare zonen bezongen worden; en tegelijkertijd zullen zij mijn machtigen arm bezingen. Al de strijdbare mannen, die zonder leidsman omzwerven, zullen tot mij komen en zich onder mij scharen. Gij weet niet wat het zegt heerschappij te voeren over de gansche woestijn, zooals nu voor mij weggelegd is. Ik zeg u het zal mij zware schatting van handeldrijvenden opbrengen en groote voorrechten van koningen bezorgen. Ja, bij Salomo's heerlijkheid! Als ik den keizer om een gunst laat verzoeken, hij zal mijn bede niet afslaan. En gij wilt niets, niets van mij aannemen?

Ben-Hur antwoordde: Neen, Sheik. Ik heb immers een plaats in uw hart! Dat de vermeerdering van uw macht en aanzien den Koning, die wij verwachten, ten goede kome! Wie zal zeggen, of zij u niet tot dat doel gegeven zijn? Waarschijnlijk heb ik uwe hulp noodig bij het werk, dat ik ga ondernemen. Als ik nu voor uwe aanbiedingen bedank, kan ik later te vrijmoediger bij u aankloppen.

Hun gesprek werd afgebroken door de komst van twee boden: Malluch en een onbekende. Malluch werd eerst toegelaten.

De goede man was opgetogen over de behaalde zegepraal. Na eerst zijne blijdschap lucht te hebben gegeven, zeide hij: Mijn goede meester heeft mij opgedragen u mede te deelen, dat sommige der Romeinsche edellieden weigeren aan hunne verplichting te voldoen.

Ilderim sprong op en riep heftig: Wat! Het geheele Oosten moge beslissen, of de zege eerlijk behaald is of niet!

--Bedaar, edele Sheik, zeide Malluch. De prefect heeft den prijs doen uitbetalen.

--Dan is het goed.

--Toen zij aanvoerden, dat Ben-Hur Messala's wiel verbrijzeld heeft, lachte de prefect en herinnerde hun den zweepslag, dien Messala den Arabieren in het begin gaf.

--Weet gij ook iets van den Athener?

--Die is dood.

--Dood? En Messala? Is die ontkomen? Wat loopt dien Romeinschen windbuilen toch altijd alles mee! riep Ilderim.

--Hij is wel ontkomen, antwoordde Malluch, maar het leven zal hem tot een last zijn. De geneesheeren zeggen, dat hij nooit meer zal kunnen loopen.

Ben-Hur zag zwijgend op naar den hemel. In den geest zag hij Messala, evenals Simonides, hulpbehoevend, gedragen in een stoel, afhankelijk van dienstboden. De oude man had een rein geweten, maar hoe zou deze trotsche en eerzuchtige er zich in schikken?

--Sanballat, vertelde Malluch verder, heeft veel last met Drusus en de andere jongelieden, want zij weigerden de groote sommen te betalen, die zij verloren hebben, en brachten de zaak voor den consul. Deze verwees hen naar den Keizer. Messala weigerde eveneens te betalen, maar Sanballat ging, in navolging van Drusus, naar den consul, waar de zaak nog hangende is. De goedgezinden onder de Romeinen zeggen, dat het eereschulden zijn, die betaald moeten worden, en alle andere partijen scharen zich aan hunne zijde.

--Wat zegt Simonides? vraagde Ben-Hur.

--Die lacht en is recht voldaan. Als de Romein betaalt is hij geruïneerd. Weigert hij, dan is hij geschandvlekt. De Keizer zal moeten beslissen. Het Oosten te beleedigen zou niet wijs zijn, met het oog op den veldtocht tegen de Parthen. Sheik Ilderim te beleedigen zou gelijk staan met de woestijn tegen zich in het harnas te jagen, en die heeft Maxentius juist noodig voor zijne krijgsoperatiën. Daarom zeide Simonides, dat gij u niet ongerust behoeft te maken, want Messala zal betalen.

--Dan kunnen wij vertrekken, zeide Ilderim, en wreef zich de handen. Wij kunnen alles gerust aan u overlaten. Ik zal de paarden doen voorkomen.

--Buiten staat nog een bode, zeide Malluch, wilt gij dien zien?

--'t Is waar ook. Ik dacht niet meer aan hem.

Malluch ging heen, en in zijn plaats trad een knaap binnen. Hij boog voor den Sheik en zeide: Iras, de dochter van Balthasar, heeft mij opgedragen den vriend haars vaders, Sheik Ilderim, geluk te wenschen met de behaalde overwinning met zijn vierspan.

--De dochter van mijn vriend is zeer vriendelijk, zeide Ilderim vroolijk. Geef haar met mijn dank dezen ring tot een aandenken.

Hij trok een kostbaren diamant van den vinger en reikte dien den jongeling over.

--Mijne meesteres, vervolgde de knaap, droeg mij ook op u te verzoeken den jongeling Ben-Hur mede te deelen, dat zij met haar vader verblijf houdt in het paleis van Idernee, waar zij den jongeling morgen na de vierde ure verwacht om hem persoonlijk te kunnen geluk wenschen.

De Sheik keek Ben-Hur aan, die met stralende oogen antwoordde: Met uw goedvinden zal ik de schoone Egyptische bezoeken.

Ilderim lachte en zeide: Zou niet een man zijne jeugd genieten?

Toen keerde Ben-Hur zich tot den bode en zeide: Zeg tot haar, die u zendt, dat ik, Ben-Hur, haar morgen bezoeken zal in het paleis Idernee, op het door haar aangegeven uur.

De knaap groette beleefd en ging heen.

Te middernacht reisde Ilderim af, na zijn jongen vriend beloofd te hebben een paard en een gids voor hem te zullen achterlaten.

* * * * *

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

IN DE VAL.

Den volgenden dag begaf Ben-Hur zich op den bepaalden tijd naar het paleis Idernee, dat uitwendig geheel in Griekschen stijl was gebouwd.

Langzaam trad hij binnen en ging de vestibule door. Hij was kalm gestemd. Hij zou in de tegenwoordigheid van Iras komen. Zij wachtte hem met scherts en zang, geestig, afwisselend, grillig, met grimlachjes, die haar zoo lief stonden, met vriendelijke blikken en fluisterende stem. Reeds eenmaal had zij hem doen roepen, dien avond van het roeitochtje op het meer, en nu had zij weder om hem gezonden in dit schoone paleis. Hij voelde zich gelukkig en droomerig gestemd.

Toen hij de lange gang doorgegaan was kwam hij voor een gesloten vleugeldeur, die bij zijne nadering vanzelf openging. Deze bijzonderheid ging echter voor hem verloren, door de verbazing, die hem beving, over hetgeen zich nu aan zijne oogen vertoonde.

Vóór zich zag hij het atrium van een Romeinsch huis, met zeldzame pracht en weelde ingericht. Het vertrek was groot, hoe groot was niet met juistheid te bepalen, want de blik verloor zich in de ruimte. Hij bleef verbaasd staan. De fraai gepolijste mozaïekvloer stelde mythologische onderwerpen voor. Langs de wanden stonden zetels en stoelen, alle verschillend van vorm, en kunstig bewerkt, gebeeldhouwde tafels, gemakkelijke divans, uitnoodigend tot rusten. De zoldering was koepelvormig. In het midden bevond zich een opening, waardoor het licht ongehinderd naar binnen stroomde. Het impluvium was omgeven door een bronzen balustrade. De vergulde pilaren, die de zoldering droegen, schitterden in den zonnegloed, en de weerspiegeling er van in den gepolijsten vloer scheen uit een onpeilbare diepte op te komen. Verder waren er kandelaars van phantastischen vorm, beelden en vazen, alles zoo schoon, dat het uitstekend gepast zou hebben in het huis op den Palatijn, dat Cicero van Crassus kocht, of in die andere villa, nog meer bekend om haar buitensporige pracht: de villa van Scaurus te Tusculum.

Nog altijd in droomerige stemming ging Ben-Hur van het een naar het ander, bekoord door alles wat hij zag. Het hinderde hem niet dat hij een poos moest wachten. Als Iras gereed was zou zij wel komen, of hem tot zich laten roepen. In ieder deftig Romeinsch huis was het atrium de plaats, waar men bezoekers ontving. Twee-, driemaal wandelde hij het vertrek rond, stond stil onder de opening in de zoldering, en keek peinzend naar de blauwe lucht boven zijn hoofd. Leunende tegen een pilaar bestudeerde hij de afwisseling van licht en schaduw, maar nog kwam er niemand. De tijd begon hem eindelijk lang te vallen ... waarom kwam Iras niet? Weer beschouwde hij de mozaïeken op den grond, maar zij boeiden hem niet zooals straks. Gedurig hief hij het hoofd op om te luisteren, langzamerhand begon hij ongeduldig te worden, en ten laatste trof hem de doodelijke stilte, die in het huis heerschte. Deze maakte hem onrustig en achterdochtig. Hij wilde er niet aan toegeven, lachte om zijne dwaasheid, en zette zich nogmaals neer om een kandelaar te bewonderen, zoo sierlijk en kunstig als hij nimmer gezien had. Maar de stilte werd voel- en hoorbaar. Hij luisterde terwijl hij den kandelaar bekeek, hij luisterde of hij niet een stap hoorde ... maar alles bleef stil, het paleis scheen uitgestorven te zijn.

Kon het misschien een vergissing wezen? Neen, de bode had gezegd, dat de Egyptische hem zond, en dit was het paleis Idernee. Nu herinnerde hij zich op eens, hoe geheimzinnig de deur was opengegaan, zoo geruischloos, zoo vanzelf. Dat zou hij eens onderzoeken.

Hij ging er heen. Hoe zacht hij ook liep, toch weerklonken zijne voetstappen. Hij werd er zenuwachtig van. Het slot gehoorzaamde niet bij zijn eerste voorzichtige poging om de deur te openen. Bij de tweede beproefde hij het met alle macht; maar tevergeefs, de deur bleef gesloten. Een voorgevoel van naderend onheil maakte zich van hem meester, en hij bleef besluiteloos staan.

Wie in Antiochië kon hem kwaad willen doen?

Messala!

En dit paleis? De vestibule was Egyptisch, de portiek Grieksch, maar hier, in dit atrium, zag hij Rome. Alles rondom hem verried, dat een Romein de eigenaar was. Plotseling veranderde het schoone atrium voor hem van gedaante. Het was een val.

Links en rechts waren verscheidene deuren, die waarschijnlijk tot slaapkamers leidden. Hij trachtte ze te openen, maar zij waren alle afgesloten. Zou hij kloppen? Neen, hij schaamde zich alarm te maken, en wierp zich op een divan om na te denken.

't Was maar al te duidelijk, hij was een gevangene. Maar met welk doel? En van wien? Had Messala hem dit aangedaan? Hij richtte zich op en lachte smakelijk. Ieder meubel kon hem tot wapen dienen, de rustbanken bij voorbeeld tot stormrammen. Hij was sterk, en woede en wanhoop konden wonderen doen verrichten.

Messala zelf kon niet bij hem komen. Hij zou nimmermeer kunnen loopen; maar hij kon door anderen werken. Die gedachte deed Ben-Hur opspringen. Hij verhief zijne stem en riep om hulp, maar de echo was zoo sterk dat hij er van verschrikte. Weer dwong hij zich tot kalmte en besloot nog een poos te wachten, voordat hij zich met geweld een doortocht maakte.

Zoo verliep een half uur, een eeuwigheid in zijne schatting. Daar gingen de vleugeldeuren plotseling onhoorbaar open, en werden even onhoorbaar gesloten, zoo zacht dat hij er niets van merkte. Het geluid van voetstappen trok allereerst zijne aandacht. Hij sprong op met een gevoel van verlichting ... daar zal Iras eindelijk zijn!

Maar ... het was een zeer zware stap. De vergulde pilaren waren tusschen hem en de deur. Hij hoorde stemmen, zware mannenstemmen, en de taal, die gesproken werd, kende hij niet.

Na een algemeen overzicht van het vertrek genomen te hebben staken zij schuin over, zoodat Ben-Hur de sprekers in 't gezicht kreeg. Het waren twee mannen, forsch van gestalte en met korte tunica's. Zij behoorden klaarblijkelijk niet tot het dienstpersoneel van het huis. Alles wat zij zagen trok hunne aandacht. Zij stonden overal stil en betastten alles. Het atrium was niet voor lieden van hun slag, toch was uit hunne geheele manier van doen te bemerken, dat zij hier met een bepaalde bedoeling kwamen.

Het zal niemand verwonderen dat Ben-Hur een weinig zenuwachtig was geworden; en toen hij nu in de reuzengestalte van den een den Noor herkende, dien hij te Rome gekend had, en die gisteren in den circus gekroond was als prijswinnaar bij het boksen, begreep hij, dat hem een groot gevaar dreigde en hij zich op het ergste moest voorbereiden. Instinctmatig gevoelde hij, dat hier geen sprake was van een toevallig samentreffen, deze twee zochten hem.

De metgezel van den Noor was nog jong, donker van haar en oogen, van de Joodsche type. Beiden hadden het kostuum aan dat boksers van beroep in de arena droegen. Ben-Hur behoefde niet langer te twijfelen: hij was verraderlijk in dit paleis gelokt, om te midden van deze pracht door de hand van den Noor te sterven.

Niet wetende wat te doen volgde hij hunne bewegingen, en in dat laatste stille oogenblik, met den dood voor oogen, herkreeg zijn geest de noodige kalmte. Gisteren had hij Messala naar recht en billijkheid mogen straffen, de God van Israël, die hem had bijgestaan, zou hem ook nu helpen. Stond hij daarenboven niet aan het begin van een nieuw leven? Wachtte hem niet een heilige taak: alles in gereedheid te brengen voor den verwachten Koning? Mocht hij niet alle vrees laten varen?

Hij maakte zijn gordel los, deed zijn hoofddoek af en wierp zijn wit overkleed ter zijde. Gereed naar lichaam en ziel plaatste hij zich, de armen over de borst gevouwen, tegen den pilaar en wachtte bedaard de toekomst af.

Het tweetal had een beeld bewonderd. Toen zij daarmede gereed waren, keerde de Noor zich om, zeide iets in een onbekende taal, en wees op Ben-Hur. Beiden traden op hem toe.

--Wie zijt gij? vraagde hij in het Latijn.

De Noor glimlachte en antwoordde: Barbaren.

--Dit is het paleis Idernee. Wien zoekt gij? Blijft waar gij zijt en antwoordt.

Zijn toon maakte indruk. De vreemdelingen bleven staan en de reus vraagde op zijne beurt: Wie zijt gij?

--Een Romein.

De reus wierp het hoofd achterover en lachte luid. Ik heb veel wonderbaarlijks hooren vertellen, zeide hij, maar nooit dat een Jood een Romein werd.

Toen zijn vroolijkheid wat bedaard was, zeide hij weer iets tot zijn makker en stapte vooruit.

--Halt! riep Ben-Hur. Nog iets!

--Spreek; maar gauw, zeide de reus.

--Gij zijt Thor, de Noorman.

De man zette groote oogen op.

--Gij waart schermmeester te Rome.

--Ja, zeide Thor.

--Ik was uw leerling.

--Neen, zeide Thor hoofdschuddend. Bij Thors hamer, nog nooit is een Jood bij mij gekomen, om zich tot een vechtersbaas te laten maken.

--Ik zal het u bewijzen.

--Hoe dan?

--Gij komt hier om mij te dooden.

--Ja.

--Laat uw makker tegen mij vechten, dan zal ik het u bewijzen aan zijn lichaam.

De reus lachte weer. Hij besprak het met zijn makker, die toestemmend knikte, waarop de Noor zeide: Het zij zoo; maar wacht totdat ik het teeken geef.

Hij schoof een divan aan, strekte er zich gemakkelijk op uit en zeide: Ziezoo, begin.

Zonder aarzelen stapte Ben-Hur op zijn tegenpartij toe, die zich terstond strijdvaardig tegenover hem plaatste.

De vreemdeling, die in statuur en voorkomen sterk op hem geleek, lachte vergenoegd, weinig vermoedende met wien hij te doen had. Beiden wisten dat de afloop van den strijd doodelijk zou zijn.

Ben-Hur deed een schijnaanval met zijn rechterhand. De ander pareerde en stak den linkerarm een weinig vooruit. Voordat hij er op bedacht was greep Ben-Hur hem met een ijzeren greep bij den pols. De overrompeling was volkomen. Zich op zijn tegenstander te werpen, zijn arm om 's mans hals te slaan, diens hoofd tegen zijn rechterschouder te drukken en hem met de linkerhand vlak onder het oor een slag toe te brengen--dat alles was het werk van een oogenblik. Geen tweede slag was noodig. De ongelukkige viel neder, zonder een kreet te slaken. Hij was dood.

Ben-Hur wendde zich tot Thor en zag hem vragend aan.

--Bij alle leugens van Loke! riep deze, dat zou ik u niet kunnen verbeteren.

Opstaande beschouwde hij den jongen man van het hoofd tot de voeten met ongeveinsde bewondering, en vervolgde toen: Dat was mijn handgreep. Gij zijt geen Jood. Wie zijt gij?

--Gij hebt Arrius, den duumvir gekend?

--Quintus Arrius? Ja, hij was mijn schutspatroon.

--Hij had een zoon.

--Ja, ik heb dien knaap gekend, een aardige jongen. Hij had een vorst onder de gladiatoren kunnen worden. De keizer had veel met hem op. Ikzelf heb hem dien handgreep geleerd, en niemand doet het mij na, of hij moet een hand en arm hebben als de mijne. Ik heb er menigen lauwerkrans mee behaald.

--Ik ben die zoon van Arrius.

Thor kwam nader en bekeek hem oplettend. Zijne oogen straalden van voldoening, en de hand uitstekend zeide hij: 't Is wat moois! Hij zei dat ik hier een Jood zou vinden, en dat ik den goden een dienst zou bewijzen, als ik dien Jood doodde.

--Wie zei dat, Thor? vraagde Ben-Hur, de aangeboden hand schuddende.

--Hij, Messala.

--Wanneer?

--Gisteravond.

--En ik dacht dat hij zwaar gewond was?

--Hij zal altijd kreupel zijn, maar ik moest bij zijn bed komen, waar hij lag te kermen van pijn.

Ben-Hur dacht even na. Hij begreep heel goed dat de Romein, zoo hij in leven bleef, hem onverbiddelijk zou blijven vervolgen. Alleen de wraak bleef hem over om het gebroken leven te verzoeten. Vandaar zijn tegenspartelen om zijne schulden met Sanballat te vereffenen. Ben-Hur berekende dit alles vluchtig, ook hoe zijn vijand hem zou kunnen bemoeilijken in het werk, dat hij wilde ondernemen voor de nieuwen koning. Deed hij niet wijs met het voorbeeld van den Romein te volgen? De moordenaar toch, die gehuurd was om hem te dooden, zou zich ook laten huren om den moordenaar onschadelijk te maken. Geld was geen bezwaar. De verzoeking was groot. Reeds half meegesleept zag hij nog eenmaal naar het arme slachtoffer, dat daar bleek en roerloos nederlag. Daar viel hem iets in.

--Thor, wat heeft Messala u gegeven om mij te dooden?

--Duizend sestertiën.

--Gij zult ze hebben, en als gij nu doen wilt wat ik u vraag, zal ik er nog drieduizend bij doen.

De reus dacht overluid: Gisteren heb ik vijfduizend gewonnen, van den Romein duizend, dat is zesduizend.--Geef mij vierduizend, goede Arrius, vierduizend en dan zal ik alles voor u doen, wat gij verlangt. Geef mij vier en ik zal dien bedriegelijken Messala dooden. Ik heb mijn hand maar op zijn mond te houden ... zoo.

Hij verduidelijkte zijn voorstel door zijne hand op zijn eigen mond te drukken.

--Ik begrijp u, zeide Ben-Hur, tienduizend sestertiën is een mooie som. Zij stelt u in staat om naar Rome terug te gaan en een taveerne te openen bij den grooten circus, en daar te leven zooals den beroemsten schermmeester betaamt! 't Zij zoo. Ik zal u vierduizend geven en dat geld kunt gij verdienen zonder uwe handen met bloed te bezoedelen. Luister. Uw vriend leek sprekend op mij, niet waar?

--Ja, men zou zeggen twee appelen van één boom.

--Welnu, ik zal zijn tunica aandoen, en hem mijne kleeren aantrekken. Dan gaan we samen heen, en gij hebt uwe sestertiën.