Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde

Chapter 23

Chapter 233,892 wordsPublic domain

--Ziedaar! zeide hij en overhandigde Messala een blad papier.

Weder las Messala met luide stem:

Antiochië, den 16den Tammuz.

Toonder dezes, Sanballat van Rome, heeft bij mij gedeponeerd vijftig talenten, Romeinsch geld. Simonides.

--Vijftig talenten! Vijftig talenten! riepen de jongelieden verbaasd.

Nu kwam Drusus zijn vriend te hulp. Bij Herkules! riep hij, dat blad liegt, en de Jood liegt. Wie, behalve de keizer, heeft zoo op eens vijftig talenten ter beschikking? Weg met den onbeschaamden Witte!

Hij was driftig en stak ook de anderen aan. Sanballat bleef echter bedaard, en glimlachte weder. Eindelijk zeide Messala: Stil! Een tegen een, vrienden! Een tegen een, ter liefde van onzen ouden Romeinschen naam.

Met dat woord beheerschte hij weder den toestand.

--Welaan, Jood, zeide hij tegen Sanballat, ik wedde zes tegen een, niet waar?

--Ja, antwoordde de ander bedaard.

--Welnu, laat dan aan mij over het bedrag vast te stellen.

--Goed; maar onder beding, dat de som niet te gering zij, antwoordde Sanballat.

--Schrijf dan vijf in plaats van twintig.

--Kunt gij daarover beschikken?

--Bij de moeder der Goden, ik zal u het bewijs geven.

--Niet noodig. Het woord van zulk een dapper Romein is mij genoeg. Maar maak het liever tot een even getal. Zeg zes, en ik zal schrijven.

--Het zij zoo.

Daarop verwisselden zij van tafeltjes.

Sanballat stond op en zag rond. Uitdagende spot was op zijn gelaat te lezen. Beter dan iemand wist hij wien hij voor zich had.

--Romeinen, durft gij nog een weddenschap aan te gaan? Vijf talenten tegen vijf, dat wit winnen zal. Ik daag u allen te zamen uit.

Algemeene verbazing.

--Wat? riep Sanballat luide. Moet morgen in den circus verteld worden, dat een Jood in het paleis geweest is, waar de bloem der Romeinsche edellieden verzameld was, en dat hij vijf talenten inzette, maar dat niemand hem aandurfde? Dat is te erg.

--Genoeg, onbeschaamde! riep Drusus. Schrijf de uitdaging op en leg ze hier op tafel neer. Als morgen blijkt, dat gij werkelijk zooveel geld op een verloren zaak kunt zetten, dan beloof ik, Drusus, u, dat ik de weddenschap aanneem.

Weder schreef Sanballat het vereischte stuk en zeide doodbedaard: Ziehier, Drusus, ik laat het stuk in uwe handen. Als het geteekend is, zend het mij dan, voordat de wedrennen beginnen. Ik heb een plaats vlak bij den consul tegenover de Porta Pompae. Vrede zij u allen!

Hij boog en vertrok, onverschillig voor de spotternijen, die zij hem ten besluite deden hooren.

Dienzelfden avond nog vloog het verhaal van de onzinnige weddenschap als een loopende vuurtje door de stad. Ook Ben-Hur hoorde er van, met bijvoeging, dat Messala's geheele fortuin op het spel stond. Hij had zich met zijn vierspan ter rust begeven en nooit sliep hij beter dan dien nacht.

* * * * *

TWAALFDE HOOFDSTUK.

DE CIRCUS.

De circus te Antiochië stond op den zuidelijken oever der rivier, tegenover het eiland, en was wat den vorm betreft als andere gebouwen van die soort. De spelen waren in vollen zin des woords een geschenk aan het volk, dat wil zeggen: iedereen had vrijen toegang.

Lang voordat de deuren opengingen verzamelde zich in de naburige straten een dichte menigte, want hoe groot en ruim het gebouw ook zijn mocht, ieder wilde de eerste zijn, uit vrees dat hij geen plaats zou krijgen.

Nauwelijks was de morgenschemering aangebroken, of de toegang werd geopend en het volk stroomde naar binnen, om bezit te nemen van de voor hem bestemde plaatsen. Zij hadden hun ontbijt bij zich en brachten de uren, die nog verloopen moesten, voordat de spelen begonnen, slapende en etende door.

De meer aanzienlijken, die besproken plaatsen hadden, kwamen met de eerste uren van den dag, en toen de zonnewijzer van de citadel de tweede ure aangaf, daalde het garnizoen in volle wapenrusting en met vliegende vanen van den berg Sulpius af. Toen de achterhoede over de brug verdween, was Antiochië letterlijk leeggeloopen.

Die geen plaats hadden kunnen krijgen in den circus hadden zich naar de rivier begeven, om den consul, die in het eiland-paleis logeerde, in zijn fraaie bark te zien landen. Toen de groote man aan wal stapte werd hem door het legioen de militaire eer bewezen, waarna de stoet den circus binnentrok.

Met de derde ure kondigde trompetgeschal de opening van het feest aan. Het rumoer verstomt. De oogen van meer dan honderdduizend menschen vestigen zich in gespannen verwachting op een en hetzelfde punt, op de Porta Pompae, waar de autoriteiten en kampspelers in feestelijken optocht zullen binnenkomen.

Daar zijn zij. Eerst de koorzangers en muzikanten, dan de prefect en het stedelijk bestuur, in prachtgewaad en met kransen op het hoofd, vervolgens de beelden der goden, sommige gedragen, andere in prachtig versierde wagentjes, daarna de kampvechters, ieder in zijn bijzonder kostuum. Langzaam gaat de processie voort. Het is een schoon en indrukwekkend gezicht, en lokt een eindeloos gejubel uit.

De ontvangst der athleten is bijzonder luidruchtig, want er is niemand onder de toeschouwers, die niet op hen gewed heeft, al is het nog zoo weinig. Men roept hen bij hunne namen, men werpt hun bloemen en kransen toe. De vierspannen sluiten den optocht. De fiere rossen, de prachtige wagens boeien aller oogen, de menners niet minder. Hunne fijne wollen tunica's, kort en zonder mouwen, zijn van de hun toegewezen kleuren. Een man te paard begeleidt iederen wagen, behalve dien van Ben-Hur. Deze had om de eene of andere reden, misschien uit wantrouwen, voor die eer bedankt. De andere menners dragen een helm, hij niet.

De toeschouwers staan op van hunne zitplaatsen, men juicht, men jubelt, en een regen van bloemen daalt neer op de paarden, de wagens, de menners.

Alle aanwezigen, mannen, vrouwen en kinderen, dragen een strikje op de borst, of in het haar, de kleur van een der menners, maar ofschoon alle kleuren vertegenwoordigd zijn, voeren wit, en rood met goud, den boventoon. De oorzaak hiervan is te zoeken in het nationaliteitsgevoel. De buitenlieden: Syriërs, Joden en Arabieren, hopen den Jood te zien zegepralen. De burgers van Antiochië en de Romeinen rekenen er op den Romein als overwinnaar uit het strijdperk te zien treden. De Grieken zijn verdeeld tusschen den Corinthiër en den Athener. De steden Byzantium en Sidon zijn schaars vertegenwoordigd.

Naarmate de stoet voorttrekt neemt de geestdrift toe. Messala! Messala! Ben-Hur! Ben-Hur! weerklinkt het luider en luider, en toen men eindelijk de arena door de Porta Pompea verliet, wist Ben-Hur dat zijn gebed verhoord was. Het Oosten wachtte in spanning den uitslag af van zijn strijd met Messala.

* * * * *

DERTIENDE HOOFDSTUK.

DE AFRIT.

Te drie uur des namiddags volgens onze tijdrekening was het grootste gedeelte van het programma afgeloopen. De wedren alleen moest nog gehouden worden. Maar eerst zou er een pauze zijn, opdat de toeschouwers zich wat zouden kunnen verfrisschen. De deuren werden geopend, de meerderheid stroomde naar buiten, om zich in de nabijgelegen winkels van het noodige te voorzien. Zij, die liever bleven zitten, praatten, geeuwden, rekten zich uit, raadpleegden hunne tafeltjes, en bespraken hun verlies of winst.

Diegenen van de burgerij, welke om verschillende redenen verkozen hadden alleen den wedren bij te wonen, maakten van de pauze gebruik, om zich naar de voor hen besproken plaatsen te begeven. Door dit uur te kiezen trokken zij het minst de aandacht en gaven niemand aanstoot.

Tot deze klasse behoorden Simonides en zijn gezelschap, die hunne plaatsen hadden bij den hoofdingang tegenover den consul.

Toen vier bedienden den koopman in zijn stoel naar binnen droegen, staken allen de hoofden bij elkander. Iemande noemde zijn naam, en weldra ging hij van mond tot mond. Allen bogen zich over de leuning om den man te zien, van wiens rijkdom en treurig lot verschillende praatjes in omloop waren. Ook Ilderim werd door velen herkend en met warmte begroet; maar niemand wist te zeggen wie Balthasar en de twee dicht gesluierde vrouwen waren, die hen vergezelden. Toen zij gezeten waren zag de eene, Esther, verlegen voor zich en trok haar sluier dichter voor 't gelaat; maar de andere, Iras, liet hem afglijden, en keek vrijmoedig om zich heen.

Een weinig later kwamen eenige werklieden en spanden een met wit krijt bestreken touw dwars over de arena, vóór den eersten eindpaal. Terwijl zij daar nog mee bezig waren, traden zes mannen door de Porta Pompae binnen en stelden zich voor de zes stallen. Nu ontstond een algemeen fluisteren en wijzen.

--Kijk, de groene gaat naar nummer vier, daar is dus de Athener.

--En Messala is in nummer twee.

--De Corinthiër ...!

--O, zie eens naar de witte! Kijk, hij gaat naar nummer een.

--Neen, daar blijft de zwarte staan, de witte moet naar nummer twee.

--O ja, gij hebt gelijk.

Deze deurwachters droegen tunica's van de kleuren der mededingende menners; zoodat, toen zij hunne plaatsen innamen, iedereen wist in welken stal zijn uitverkoren held het sein tot den afrit verbeidde.

--Hebt gij Messala wel eens gezien? vraagde Iras aan Esther.

--Neen, antwoordde zij, en huiverde op het hooren van dien gevreesden naam.

--Hij is schoon als Apollo, hernam Iras.

--Zou hij dan zóóveel schooner zijn dan Ben-Hur, dacht Esther.

Een oogenblik later hoorde zij Ilderim tot haren vader zeggen: Ja, zijn stal is nummer twee, links van de Porta Pompae,--en begrijpende, dat zij over den jongen meester spraken, keek zij naar dien kant. Ook slechts even, toen hulde zij zich nog dichter in haar sluier, en zond een innig smeekgebed tot God omhoog.

Nu voegde Sanballat zich bij hen.

--Sheik, zeide hij, ik ben even in den stal geweest. De paardjes bevinden zich in den besten welstand.

Ilderims oogen glinsterden van voldoening, maar hij antwoordde bedaard: Mochten zij het onderspit delven, dan hoop ik dat dit voor een ander dan Messala zal zijn.

--Zie, zeide Sanballat, zich tot Simonides wendende, hier is iets dat u belang zal inboezemen. Ik deelde u reeds mede, dat ik gisteren een weddenschap met Messala heb aangegaan, en het aanbod tot een tweede achterliet, die mij, zoo het aangenomen werd, hedenmorgen moest bezorgd worden. Hier is zij,... en dit zeggende overhandigde hij Simonides een tafeltje.

Simonides nam het en las het memorandum met aandacht.

--In orde, zeide hij. Van morgen lieten zij mij vragen, of het waar was, dat gij over zooveel geld te beschikken hadt. Bewaar het tafeltje goed. Verliest gij, welnu, gij weet waar gij u vervoegen kunt. Wint gij--O mijn vriend! als gij wint, pas dan op. Laat niet toe, dat zij u ontsnappen. Dwing hen u tot den laatsten penning te betalen. Zij zouden het ons ook doen.

--Verlaat u op mij, antwoordde Sanballat.

--Wilt gij niet bij ons komen zitten? vraagde Simonides.

--'t Is heel vriendelijk van u, maar als ik niet bij den consul blijf wordt jong Rome te overmoedig.

De pauze was afgeloopen. Trompetgeschal riep de afwezigen naar hunne plaatsen terug. Tegelijkertijd verschenen eenige bedienden in de arena, klommen op den scheidsmuur, gingen naar een uitstekje bij den tweeden paal aan het westeinde en legden er zes houten ballen op. Vervolgens keerden zij terug naar den eersten paal en legden op een dergelijk uitstekje zes houten dolfijnen.

--Wat beteekenen die ballen en die visschen, Sheik? vraagde Balthasar.

--Hebt gij nog nooit een wedren bijgewoond?

--Neen, dit is de eerste maal.

--Wel, daar telt men mede. Na iederen rondgang wordt een bal en een visch weggenomen.

De voorbereidingen waren afgeloopen. Een trompetter stond gereed om op het bevel van den prefect het signaal te blazen. Het gejoel en gepraat verstomde. In gespannen verwachting keerden alle hoofden zich naar de nog gesloten stallen, waar de zes mededingers wachtten.

De ongewone kleur op het gelaat van Simonides toonde duidelijk, dat hij alles behalve kalm was, terwijl Ilderim onrustig in zijn baard woelde.

--Let nu op den Romein, zeide Iras tot Esther, die met een kloppend hart naar Ben-Hur uitzag.

Een kort schril trompetgeschal, en de zes opzichters traden naar voren om, zoo de paarden wild mochten zijn, hulp te kunnen verleenen. Weer werd de trompet geblazen, en tegelijkertijd werden de deuren der stallen opengeworpen.

Eerst verschenen de bereden begeleiders der mededingers, vijf in getal, want Ben-Hur had zooals wij weten voor die eer bedankt. Het witte touw werd neergelaten om hen te laten voorbijgaan, daarna weer omhoog gehaald. De vijf ruiters waren prachtig uitgedost, maar bijna niemand lette op hen. De open stallen hielden aller aandacht geboeid.

Het touw werd nogmaals neergelaten, en als een stormwind vlogen de zes vierspannen naar buiten. De onafzienbare menschenmassa verrees van hare zitplaatsen en deed de lucht weergalmen van haar gejuich. Dit was het oogenblik, waar zij zoo geduldig op gewacht hadden, waar zij dagen lang over gesproken hadden.

--Daar is hij! riep Iras en wees op Messala.

--Ik zie hem, antwoordde Esther, maar haar blik volgde Ben-Hur. Zij had haar sluier weggeslagen en begreep op dat oogenblik hoe men, onder het bewonderend oog der menigte, zelfs den dood onvervaard leert trotseeren.

De deelnemers waren thans voor alle toeschouwers goed te zien, maar toch was de wedren nog niet begonnen. Eerst moesten zij het witte touw veilig achter zich hebben.

De lijn was gespannen om den afrit volkomen gelijktijdig te doen plaats vinden. Om er niet door tegengehouden te worden, en zoodoende reeds bij het begin tot de achterblijvers te behooren, moesten zij er zijn, juist op het oogenblik, dat de lijn viel. Maar dan nog was de groote vraag, wie op de baan aan de binnenzijde naast den scheidsmuur kwam. Dat was het doelwit van aller streven. De gelukkige, die zich deze plaats wist te veroveren, had van den beginne iets voor boven de anderen.

Dat streven, de daaraan verbonden gevaren en gevolgen waren bij de toeschouwers zeer goed bekend, en daarom wachtten allen dan ook ademloos op den uitslag.

De arena baadde in licht, maar de menners lieten zich niet verblinden. Strak was hun oog gevestigd op het touw en op den begeerden binnenkant.

Zoo renden dan alle zes in pijlsnelle vaart naar een en hetzelfde punt en scheen een botsing onvermijdelijk.

De tot aan het touw af te leggen baan was ongeveer tweehonderdvijftig voet lang. Hier werden een scherp oog, een vaste hand, een kalme geest vereischt. Eén blik ter zijde en het was gedaan.

De mededingers naderden het touw gelijktijdig. Daar werd het signaal geblazen, het touw viel neer en geen minuut te vroeg, want reeds sloeg, toen het viel, de hoef van een van Messala's paarden er tegen. Volstrekt niet verschrikt vierde de Romein de teugels en met een luiden jubelkreet nam hij de veelbegeerde baan naast den muur in bezit.

--Jupiter met ons! Jupiter met ons! schreeuwden de Romeinen, buiten zichzelven van vreugde.

Toen Messala inreed greep de bronzen leeuwenkop aan het einde van zijne as den voorpoot van het bijdehandsche paard des Atheners, zoodat het tegen zijnen buurman viel. Beide wankelden, steigerden en versperden daardoor den weg. De duizenden hielden ontzet den adem in, alleen van de tribune, waar de consul zat, herhaalde zich het vreugdegejuich.

--Jupiter met ons! riep Drusus zoo hard hij kon.

--Hij wint, hij wint! Jupiter met ons! schreeuwden zijne makkers, toen zij Messala vooruit zagen schieten.

De zoo ongelukkig opgehouden Athener had nu alleen nog den Corinthiër aan zijne rechterhand en wilde zijn vierspan daarheen sturen, maar het ongeluk vervolgde hem. Het wiel van den Byzantijner, die ter linkerzijde reed, trof het achterste rad van zijn wagen, zoodat hij kantelde. Een luid gekraak, een kreet van woede en smart, en daar lag de arme Cleanthes onder de hoeven zijner eigene paarden! 't Was een ijzingwekkend schouwspel. Esther bedekte zich het gelaat met de handen.

Voort vlogen de Corinthiër, de Byzantijner, de Sidoniër. Sanballat zag naar Ben-Hur en wendde zich toen tot Drusus en zijne vrienden.

--Honderd sestertiën op den Jood! riep hij.

--Aangenomen! antwoordde Drusus.

--Nog eens honderd sestertiën op den Jood! riep Sanballat weder.

Niemand scheen hem te hooren. Zij hadden al hunne aandacht noodig voor hetgeen in de renbaan gebeurde en riepen tot heesch wordens toe: Messala! Messala! Jupiter met ons!

Toen Esther zich vermande om weer op te zien, waren eenige mannen bezig met het wegvoeren van de paarden en het gebroken wagentje. Andere droegen den gewonde uit de arena, terwijl de aanwezige Grieken zich luid beklaagden en om wraak riepen. Daar zag Esther op eenmaal Ben-Hur met den Romein samen op één lijn. Hen volgden op den voet de drie overigen: de Sidoniër, de Corinthiër, en de Byzantijner. De wedren was in vollen gang. De duizenden hingen in gespannen verwachting over de balustrades.

* * * * *

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

DE WEDREN.

Zooals wij gezien hebben was Ben-Hur, bij het begin van den strijd om de plaatsen, aan de buitenzijde. Was hij voor een oogenblik als de anderen half verblind door het schelle licht, het gelukte hem toch zijn tegenstander te herkennen. Beiden waren met dezelfde gevoelens bezield, beiden waren vastbesloten om den prijs te winnen. Beiden zouden zij zich tot het uiterste inspannen om elkander te vernederen. Toch was het geen blinde hartstocht, die het bloed van den Jood in beweging bracht. Hij had een vast plan, en vertrouwend op zijn goed recht en vaste hand zette hij zich tot taak, nooit beter daartoe gestemd dan nu. Met groote behendigheid wist hij bij Cleanthes' val het dreigend gevaar te ontkomen, en door een prachtige zwenking naast Messala te komen, zij het ook aan de buitenzijde.

Dat kunststuk was de scherpe blikken der toeschouwers niet ontgaan, en de circus daverde van het herhaalde applaus. Toen vouwde Esther de handen in dankbare verrukking. Sanballat bood, maar tevergeefs, trotsch glimlachend opnieuw honderd sestertiën aan, en de Romeinen vreesden reeds dat Messala zijn gelijke, misschien wel zijn meester gevonden had!

Zoo naast elkander voortrennend naderden die beiden den tweeden paal. Hier was een kromming in de baan, en dien draai naar de eischen der kunst te maken was een punt van eer voor de menners. De belangstelling van het publiek was zoo groot, dat overal in den circus de diepste stilte heerschte, en men voor het eerst een geratel der wagentjes duidelijk hoorde. Nu scheen Messala op eens Ben-Hur te herkennen, en terstond openbaarde zich de onbeschaamdheid van den Romein op ongehoorde wijze.

--Weg met Eros! Leve Mars! riep hij luide, zijn lange zweep zwaaiend. Eros! Mars! herhaalde hij, en bracht Ben-Hurs fiere paarden een slag toe, zooals zij nog nooit gevoeld hadden.

Allen hadden het gezien. De verbazing was algemeen. De stilte werd hoorbaar. Op de tribune van den consul hield zelfs de overmoedigste den adem in, wachtend op hetgeen volgen zou. Slechts één oogenblik ... toen barstte een storm van verwijten los.

Het vierspan was verschrikt vooruitgesprongen. Niemand had ooit anders dan in liefde de hand op hen gelegd,... wat konden de fijngevoelige dieren onder zulk een onwaardige behandeling anders doen dan vluchten, alsof de dood hen op de hielen zat?

Ondervinding is de beste leermeesteres. Dat bleek ook nu. Vanwaar had Ben-Hur zijn gespierde hand, zijn machtigen greep, die hem nu zoo goed te stade kwamen? Had hij die niet te danken aan de roeispaan, waarmede hij drie lange jaren de golven had doorsneden? En wat beteekende het geweldige schokken van den wagen voor hem, die op de schuimende baren gezwalkt had, nu eens hemelhoog opgeheven, dan weder neergesmakt in de diepte?

Onbeweeglijk bleef hij stand houden, gaf het vierspan den teugel, sprak hen bemoedigend toe, en trachtte hen voorzichtig den gevaarlijken draai te doen nemen. Voordat het volk van zijne verontwaardiging bekomen was, was hij zijne paarden weer volkomen meester. Dat niet alleen. Bij den eersten paal was hij Messala opnieuw ter zijde gekomen en had zich de bewondering en genegenheid van alle niet-Romeinen veroverd. Zoo duidelijk gaven zij lucht aan deze gevoelens, zoo heftig hadden zij hunne afkeuring getoond, dat Messala, hoe onbeschaamd ook, zich wel wachtte zijn euveldaad te herhalen.

Toen de wagens om den paal zwenkten zag Esther, dat Ben-Hur wat bleeker was dan voorheen, maar overigens kalm en bedaard.

Zoodra de eerste rondtoer volbracht was klom een man op het uitstek aan het westeinde en nam een van de houten ballen af. Datzelfde geschiedde aan den overkant met de dolfijnen.

Voort renden de twee, en op gelijke wijze verdwenen de tweede bal en de tweede dolfijn. Toen de derde. Driemaal waren zij dus rond geweest. Messala had zijn plaats aan den binnenkant nog steeds kunnen behouden, nog vloog de Jood naast hem voort, nog volgden de drie anderen als te voren. Het scheen een van die dubbelwedrennen te zijn, die later in Rome zoo geliefd waren--Messala en Ben-Hur in den eersten, de Corinthiër, Sidoniër en Byzantijner in den tweeden.

Bij den vijfden rondgang gelukte het den Sidoniër Ben-Hur op zijde te komen, doch slechts voor een oogenblik. De zesde rondgang begon in de gewone orde. Langzamerhand was de snelheid toegenomen. Menners en paarden gevoelden dat de eindbeslissing naderde.

Hadden van den aanvang de Romein en de Jood het meest de belangstelling gaande gemaakt, thans begon men voor den laatste te vreezen.

--Honderd sestertiën op den Jood! riep Sanballat tegen de jonge Romeinen, maar hij kreeg geen antwoord.

--Een talent, vijf talenten, tien talenten, zooveel gij wilt! riep Sanballat uittartend.

--Kom maar hier, zeide een Romeinsche jonkman.

--Doe het niet, waarschuwde een vriend.

--Waarom niet?

--Omdat Messala zijn grootste snelheid heeft bereikt. Zie hoe hij over den rand van zijn wagen buigt en de teugels viert. En let dan eens op den Jood. Ik vertrouw het niet.

--Bij Herkules! antwoordde de ander droevig, als de goden onzen Messala niet bijstaan zal de Jood winnen. Maar neen, nog niet! Jupiter met ons!

Die kreet werd door de andere Romeinen overgenomen, totdat de lucht er van daverde.

Als het waar was dat Messala zijn uiterste snelheid bereikt had, één voordeel had hij behaald, dat was zeker. Hij was Ben-Hur vooruit gekomen. Zijne paarden hielden de koppen gebogen, van de tribune gezien schenen zij met den buik den grond te raken, hunne neusgaten waren bloedrood, hunne oogen sprongen bijna uit de kassen. Ja, de dieren deden hun best. Hoelang zouden zij het kunnen volhouden? Zij waren eerst aan het begin van den zesden rondgang.

Voort vlogen zij. Toen zij den tweeden paal naderden stuurde Ben-Hur zijn wagen vlak achter dien van Messala. De vreugde der Romeinen kende geen mate. Zij schreeuwden, zij schaterden, zij wuifden met hunne roodgouden sjerpen. Sanballat had druk werk om hunne weddenschappen op te schrijven.

Malluch, die op de galerij tegenover den Triomfboog zat, begon ongerust te worden. De wenk, hem door Ben-Hur gegeven, om vooral te letten op de zwenking bij de westelijke pilaren, was hem in het hoofd blijven hangen, en daar had hij luchtkasteelen op gebouwd. Dit was de laatste rondgang en nog was er niets gebeurd! Nog steeds volgde Ben-Hur den Romein op den voet.

Het gezelschap van Simonides zat doodstil, alleen Iras scheen vroolijk en opgewekt te zijn.

Zoo naderden de twee den eersten paal. Messala, bevreesd om zijn eigen plaats te verliezen, ging bijna rakelings langs den muur, op gevaar af van zijn wagen te pletter te slaan.

Toen zij de kromming omgereden hadden was slechts één wagenspoor te zien, zoo juist had de Jood den Romein gevolgd.

Esther merkte op dat Ben-Hurs gelaat nog bleeker was dan straks, en Simonides zeide tot Ilderim: Ik zou mij zeer moeten vergissen, goede Sheik, als onze jonge vriend niet iets in het schild voert. Ik zie het aan zijn gezicht;--en Ilderim antwoordde: Zaagt gij hoe frisch mijn paarden er uitzien? Alsof zij pas van stal komen! Het echte rennen moet nog beginnen! Maar nu opgelet!