Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde
Chapter 22
--Arm kind, zeide haar vader deelnemend; maar hij kon niet meer zeggen, want ook zijne stem beefde.
--Dat doet mij goed, Simonides, zeide de jonkman. Men draagt een hard lot beter, als men weet, dat iemand mede lijdt. Laat mij voortgaan.... Ik wilde zeggen, dat ik geen andere keus heb, dan het werk te aanvaarden, dat gij mij aanwijst; en daar een roemlooze dood mij wacht als ik hier blijf, zoo zal ik terstond aan het werk gaan.
--Zullen wij onze overeenkomst op schrift brengen? vraagde Simonides als man van zaken.
--Uw woord is mij voldoende, antwoordde Ben-Hur.
--En mij ook, zeide Ilderim.
Op deze eenvoudige wijze werd het verbond gesloten, dat een volslagen ommekeer zou brengen in Ben-Hurs leven. Hij voegde er dus onmiddellijk bij: Zoo zij het dan!
--Moge de God van Abraham onze hulp zijn! riep Simonides vurig.
--En nu nog iets, mijne vrienden, zeide Ben-Hur op vroolijker toon, met uw goedvinden zal ik mij vrij houden tot na de feesten. Hoogstwaarschijnlijk zal Messala geen plannen tegen mij smeden, voordat hij antwoord heeft ontvangen van den procurator. Dat kan hij op zijn vroegst hebben zeven dagen na de verzending van den brief: Hem in den circus te ontmoeten is een genoegen, dat ik voor niets ter wereld zou willen missen.
Ilderim stemde dadelijk toe en Simonides zeide: Heel goed, want dat oponthoud zal mij tijd geven om u een dienst te bewijzen. Ik hoorde u spreken over uwe erfenis van den edelen Arrius. Bestaat die in roerende of onroerende goederen?
--Een villa bij Misenum en huizen in Rome.
--Dan stel ik u voor die bezittingen te verkoopen en de gelden veilig te beleggen. Geef mij opgave en volmacht, dan zal ik terstond een zaakgelastigde afzenden. Wij zullen ditmaal ten minste de keizerlijke roovers vóór zijn.
--Morgen zult gij opgaaf en volmacht hebben.
--Dan is ons werk voor hedenavond afgeloopen, zeide Simonides, en Ilderim voegde er bij: En goed ook!
--Geef ons nu wat te eten, Esther, zeide haar vader. Sheik Ilderim zal ons het genoegen doen van tot morgen bij ons te blijven. En gij, meester?
--Laat de paarden voorkomen, zeide Ben-Hur. Ik keer naar het Palmbosch terug. Als ik nu ga zal mijn vijand er niets van merken, en uwe Arabieren, Sheik, zullen blij zijn als zij mij terugzien.
Bij het aanbreken van den dageraad stapten Ben-Hur en Malluch voor de deur der tent af.
* * * * *
NEGENDE HOOFDSTUK.
BEN-HURS BESLUIT.
Den volgenden avond stond Ben-Hur met Esther op het terras van het groote pakhuis. Op de aanlegplaats beneden hen heerschte groote drukte met opladen van balen en kisten. Tal van sjouwers liepen af en aan, die bij het licht der flikkerende toortsen aan de dienende geesten uit phantastische sprookjes deden denken. Een galei werd geladen om binnen weinige oogenblikken te vertrekken. Simonides was nog op zijn kantoor, waar hij den bevelhebber de laatste bevelen gaf, om zonder oponthoud naar Ostia, de zeehaven van Rome, te zeilen, daar een passagier af te zetten, en dan bedaarder op de Spaansche stad Valencia aan te houden. Die passagier is de agent, die het landgoed en de huizen van Arrius zal verkoopen. Als de ankers gelicht zijn en de galei zee heeft gekozen, zal Ben-Hur onherroepelijk gebonden zijn aan het werk, dat hij den vorigen avond aanvaardde. Nog kan terugtreden, indien hij spijt gevoelt over de afspraak. Hij is de meester, en heeft slechts te spreken.
Misschien doorkruiste een dergelijke gedachte zijn hoofd, toen hij daar met de armen over elkander het drukke tooneel gadesloeg. Jong, schoon, rijk, nog kort geleden verkeerende in de beste kringen van Rome, zou het niet te verwonderen geweest zijn, zoo hij weinig lust gevoelde om zich te begeven op de doornige paden, waar plicht of eerzucht hem mochten roepen, en waar zoovele gevaren dreigden. Wij kunnen ons zelfs voorstellen welke beweegredenen zich aan hem opdrongen: het onvruchtbare van tegen den Keizer te strijden, de onzekerheid die alles wat den Koning en zijne komst betrof omgaf, het gemak, de eer, de hooge staat, die hem toelachten, en het sterkst van alles het heerlijke gevoel van een tehuis gevonden te hebben, met vrienden om het leven aangenaam te maken.
Slechts zij, die langen tijd eenzaam rondgedoold hebben, kunnen de kracht van dit laatste begrijpen. Zonder het te bedoelen kwam Esther deze aanvechtingen versterken.
--Zijt gij wel eens te Rome geweest? vraagde hij haar.
--Neen, luidde het antwoord.
--Zoudt gij er niet eens heen willen?
--Neen, liever niet.
--Waarom niet?
--Ik ben bang voor Rome.
Hij zag haar oplettend aan. In het schemerlicht kon hij haar gelaat niet goed onderscheiden; maar zij herinnerde hem Tirza. Plotseling beving hem een gevoel van teederheid. Op dien vreeselijke morgen had zijne arme zuster juist zoo naast hem gestaan. Ach, waar was zij? Ja, Esther deed hem aan Tirza denken, en hoe zou hij haar dan als zijn lijfeigene kunnen beschouwen?
--Ik kan niet aan Rome denken, vervolgde zij, als aan een stad van paleizen en tempels, vol met vroolijke menschen. Zij is voor mij een monster, dat zich meester heeft gemaakt van een schoon land en de inwoners met dood en verderf bedreigt, een monster, dat niet te overwinnen is, een verscheurend dier, dat zich met bloed voedt. Waarom ... zij aarzelde en zweeg.
--Ga voort, zeide Ben-Hur vriendelijk.
--Waarom, vraagde zij, wilt gij Rome tot uwe vijandin maken? Waarom niet liever vrede gesloten en rust hebben? Gij hebt veel verdriet gehad en alles verdragen. Gij zijt aan de hinderlagen, u door uwe vijanden gelegd, gelukkig ontkomen. Uw jeugd is door smart en leed verduisterd; waarom zoudt gij er uw verdere levensdagen door laten vergiftigen?
Haar stem klonk overredend. Hij ontroerde en vraagde: Wat woudt gij dan, dat ik deed?
Zij antwoordde met een wedervraag: Is uw villa bij Misenum heel mooi?
--O ja. Het is een paleis te midden van fraaie tuinen, met fonteinen en beelden in schaduwrijke lanen; heuvels bedekt met wijngaarden, en zoo hoog gelegen dat men een heerlijk uitzicht heeft op Napels en den Vesuvius en de blauwe zee. De Keizer heeft niet ver vandaar ook een villa; maar algemeen word gezegd, dat de villa van Arrius de mooiste is.
--En is het leven daar rustig?
--Als er geen bezoekers kwamen heerschten er rust en stilte. Nu mijn weldoener gestorven is en ik hier ben wordt de stilte door niets gebroken, dan door het gefluister der bedienden of het tjilpen der vogels, of het ruischen der fonteinen. Bloemen verwelken en nieuwe bloemen ontluiken, het zonlicht maakt plaats voor de schaduwen van den nacht, dat is de eenige afwisseling. Dat leven, Esther, was voor mij te stil. Het maakte mij rusteloos, door mij altijd levendig te doen gevoelen, dat ik, die zooveel te doen heb, langzamerhand lui werd, en mij liet binden door zijden koorden, en aan het einde van mijn leven niets zou hebben om op terug te zien. Maar waarom vraagdet gij dat?
--Goede meester....
--Neen, Esther, dat niet. Noem mij vriend, of broeder, als ge wilt. Ik ben uw meester niet, en wil het niet zijn. Noem mij broeder.
De duisternis belette hem den blos van vreugde op haar gelaat en de glans in hare oogen te zien. Na een oogenblik vervolgde zij: Ik kan niet begrijpen, dat gij de voorkeur geeft aan een leven van--van--
--Geweld, en misschien van bloedvergieten, zeide hij, den zin voltooiend.
--Ja, antwoordde zij, in plaats van het rustige leven op de schoone villa.
--Esther, gij vergist u. Van voorkeur geven is geen sprake. De Romein is niet zoo vriendelijk. Ik ga uit nooddwang. Hier blijven wil zeggen sterven. En ga ik naar Misenum, dan is het einde hetzelfde: een vergiftigde drank, de dolk van een sluipmoordenaar, of een door een meineed verkregen vonnis. Messala en de procurator Gratus hebben zich verrijkt met mijn vaders bezittingen. Het geroofde te behouden is voor hen van het grootste belang. Een vreedzame schikking is ondenkbaar, omdat zij een bekentenis zou insluiten. En dan--ach Esther, al was dat ook mogelijk, ik geloof niet, dat ik er in zou bewilligen. Voor mij geen vrede, neen, zelfs niet in de koele boschjes der lieve oude villa. Voor mij geen vrede, zoolang mijne moeder en zuster niet gevonden zijn. En als ik haar vind, moet ik dan het haar aangedane leed niet wreken? Zoo zij door geweld zijn omgebracht, moeten dan de moordenaars niet gestraft worden? Ja, want zij zouden mij in mijne droomen vervolgen. Zelfs de heiligste liefde met al hare vindingrijkheid zou mijn geweten niet in slaap kunnen wiegen.
--Is het zoo erg? vraagde zij bevend. Kan niets daartegen gedaan worden?
Ben-Hur nam hare hand in de zijne: Houdt gij zooveel van mij?
--Ja, antwoordde zij eenvoudig.
Op eenmaal dacht hij aan de Egyptische, zoo geheel anders dan Esther, zoo uitdagend, zoo geestig, zoo schoon, zoo betooverend. Hij bracht het handje naar zijne lippen en liet het toen weder los.
--Gij zult eene tweede Tirza voor mij zijn, Esther.
--Wie is Tirza?
--Het zusje, dat de Romein mij ontstal, en dat ik zoeken en vinden moet, vóórdat ik aan rust of geluk kan denken.
Op dat oogenblik viel een lichtstraal schuin over het terras. Zich omkeerende zagen zij, dat een bediende Simonides in zijn rolstoel naar buiten bracht. Zij voegden zich bij hem, en lieten het spreken grootendeels aan hem over.
Intusschen lichtte de galei het anker en zette onder het gejubel van vroolijke matrozen koers naar de zee. De teerling was geworpen. Ben-Hur had zich verbonden aan de zaak van den koning, die te komen stond.
* * * * *
TIENDE HOOFDSTUK.
HET PROGRAMMA.
Daags voor de spelen werden Ilderims paarden en wagens naar de stad gebracht en dicht bij den circus gestald. Maar daar bleef het niet bij. De tenten werden afgebroken, paarden en kameelen gezadeld en bepakt, en toen verliet de gansche karavaan, het vee voor zich uitdrijvende, het schaduwrijke plekje in het Palmbosch. Werd Ilderim, zooals hij vermoedde, bespied, wat nood? Weldra zou alles, wat hij aan waarde met zich had genomen, op weg naar de woestijn zijn, buiten bereik van wien ook.
Noch hij noch Ben-Hur overschatten den invloed van Messala. Zij waren van oordeel, dat hij eerst na afloop van den wedren tegen hen zou optreden. Delfde hij het onderspit, en wel door toedoen van Ben-Hur, dan konden zij zich op het ergste voorbereiden. Waarschijnlijk zou hij dan niet eens den raad van Gratus afwachten.
Met het oog hierop hadden zij hunne plannen gemaakt, en alles voorbereid tot een overhaast vertrek.
Welgemoed reden zij naast elkander voort, vol vertrouwen op den dag van morgen. Onderweg kwamen zij Malluch tegen. De brave man verraadde door woord noch blik, dat hij de verhouding van den jongen man tot Simonides kende of van hun verbond kennis droeg. Hij groette als naar gewoonte, en reikte den Sheik een papier over, zeggende: Hier heb ik het programma van de spelen. Het is zooeven uitgekomen. Gij zult uwe paarden aangekondigd zien voor den wedren, ook de volgorde van de vermakelijkheden.
Terwijl de Sheik het papier inzag, zeide Malluch tot Ben-Hur: Ik wensch u geluk, zoon van Arrius. Morgen zult ge met Messala in het strijdperk treden. Aan alle verplichtingen is voldaan. De ondernemer heeft het mij zelf gezegd.
--Heb dank, Malluch, zeide Ben-Hur.
--Uwe kleur is wit, vervolgde de ander. Die van Messala rood en goud. Het is reeds overal bekend, want de jongens op straat bieden al lintjes en strikjes te koop aan. Morgen zal iedere Arabier en iedere Jood met wit versierd zijn. In den circus zult gij zien dat wit en rood met goud, gelijkelijk op de galerijen gedragen worden.
--Op de galerijen, ja--maar niet op de tribune tegenover de Porta Pompae.
--Neen, daar zal rood met goud overheerschend zijn. Maar als wij winnen,--Malluch lachte smakelijk bij die gedachte,--hoe zullen die heertjes dan sidderen. Zij gaan natuurlijk aan 't wedden. In hunne minachting voor alles wat niet Romeinsch is zullen zij twee, drie, vijf zetten tegen een op Messala. Het past eigenlijk niet voor een Jood van goeden naam zijn geld er aan te wagen; maar ik wil u in vertrouwen zeggen, dat ik een vriend achter den zetel van den consul plaatsen zal, om weddenschappen aan te nemen van drie, vijf, of tien tegen een, hoe hoog zij ook in hunne verdwaasdheid mochten willen gaan. Ik heb hem tot dat doel een wissel van 6000 sikkel gegeven.
--Neen, Malluch, een Romein wedt alleen met Romeinsch geld. Zoek uw vriend nog van avond op en stel zooveel sestertiën tot zijne beschikking, als gij noodig oordeelt. En, Malluch, zeg hem vooral dat hij weddenschappen moet zien aan te gaan met Messala en diens vrienden, Ilderims vierspan tegen dat van Messala.
Malluch dacht even na.
--Dat zal de aandacht van allen op u vestigen.
--Dat is juist wat ik verlang.
--Ik begrijp het, jawel!
--Als gij mij een genoegen wilt doen, Malluch, tracht dan het publiek opmerkzaam te maken op den wedstrijd tusschen Messala en mij.
--Daar zie ik wel kans toe, antwoordde Malluch. Ik zal buitengewoon hooge sommen inzetten. Worden zij aangenomen, zooveel te beter.
Malluch zag Ben-Hur onderzoekend aan, terwijl deze half tot zichzelven zeide: Zou ik mij niet schadeloos stellen voor den aan mij gepleegden roof? Zulk een gelegenheid komt misschien nooit meer terug. En als ik niet alleen zijn trots fnuikte, maar hem daarenboven geheel te gronde kon richten, dan ...! Onze vader Jakob zou daar niets tegen kunnen hebben. Ja, het moet. Luister, Malluch. Bepaal u niet tot sestertiën. Jaag hen op tot talenten. Als zij durven vijf, tien, twintig talenten, desnoods vijftig, als gij met Messala zelf kunt laten wedden.
--Dat zijn verbazende sommen. Dan zou ik borg moeten kunnen stellen.
--Goed. Ga naar Simonides en vraag hem die zaak voor mij in orde te brengen. Zeg hem, dat ik er mijn hart op gezet heb mijn vijand te vernietigen, en dat zich nooit betere gelegenheid kan voordoen. De God onzer vaderen zij met ons! Ga, beste Malluch. Laat de gelegenheid u niet ontsnappen.
Vol vuur wilde Malluch zich verwijderen, maar bedacht zich intijds en zeide: Nog iets, heer. Ik kon niet dicht genoeg bij Messala's wagen komen, daarom heeft iemand anders de maat voor mij genomen. Hij zeide, dat de as een handbreed hooger van den grond was dan de uwe.
--Een handbreed! Zooveel? riep de jonkman vroolijk en fluisterde toen Malluch in het oor: Daar gij een zoon van Juda zijt en trouw voor uwen stamgenoot, moet gij zorgen, dat gij een plaats krijgt vooraan op de galerij tegenover den triomfboog. Let dan maar goed op telkens als wij daar den draai maken. Let goed op, want als het geluk mij dient zal ik ... maar neen, ik zeg verder niets. Zorg maar dat gij daar komt te zitten.
Op dat oogenblik uitte Ilderim een kreet van verbazing.
--Ha! Wat is dat! Lees! riep hij tot Ben-Hur.
Deze nam het blad, dat, door den prefect der provincie onderteekend, zooveel was als ons hedendaagsch programma, en uitvoerig de verschillende vermakelijkheden beschreef. Eerst zou een luisterrijke optocht gehouden worden, gevolgd door de gewone eerbewijzen aan den god Consus, daarna wedloopen, springen, worstelen, boksen. De namen der deelnemers met opgave van nationaliteit en leerschool waren alle aangegeven, benevens hunne vroegere overwinningen. Dit gedeelte van het programma zag Ben-Hur vluchtig door; maar toen hij aan de beschrijving van den wedren kwam las hij die bedaard en rustig. Zij begon met de mededeeling, dat de liefhebbers een zeldzaam genot wachtte, vermeldde daarna, dat de prijs zou bestaan uit 100,000 sestertiën en een lauwerkrans, en ging toen tot bijzonderheden over. Zes vierspannen waren ingeschreven, die, om den strijd te belangwekkender te maken, alle te gelijk zouden afrijden. Daarop volgde eene beschrijving van de vierspannen.
I. Een vierspan van Lysippus den Corinthiër--twee schimmels, een vos en een bles. Verleden jaar te Alexandrië en te Corinthe den prijs behaald. Menner: Lysippus. Kleur: geel.
II. Een vierspan van Messala den Romein--twee witte, twee zwarte. Verleden jaar prijswinners bij de Circensische spelen in den Circus Maximus. Menner: Messala. Kleur: rood en goud.
III. Een vierspan van Cleanthes den Athener--drie schimmels, een vos. Verleden jaar prijswinners bij de Istmische spelen. Menner: Cleanthes. Kleur: groen.
IV. Een vierspan van Dicaeus den Byzantijner--twee zwarte, een schimmel, een vos. Prijswinners te Byzantium. Menner: Dicaeus. Kleur: zwart.
V. Een vierspan van Admetus den Sidoniër--alle schimmels. Driemaal prijswinners te Cesarea. Menner: Admetus. Kleur: blauw.
IV. Een vierspan van Ilderim, Sheik der woestijn--alle vier vossen, eerste renners. Menner: Ben-Hur, een Jood. Kleur: wit.
Menner: Ben-Hur, een Jood!
Waarom dien naam opgegeven in plaats van Arrius?
Ben-Hur zag den Sheik vragend aan. Nu begreep hij de reden van Ilderims uitroep. Beiden kwamen tot dezelfde slotsom: dat had Messala gedaan!
* * * * *
ELFDE HOOFDSTUK.
DE WEDDENSCHAPPEN.
Den avond voor de feesten heerschte in Antiochië groote drukte. Een dichte menschenmassa bewoog zich door de straten, voornamelijk langs de Kolonnade van Herodes. Men kon zich dan ook moeilijk iets denken, dat meer geschikt was om wandelaars te lokken, dan die breede overdekte paden, met hunne sierlijke marmeren bogen. Overal brandde licht, overal heerschte vroolijkheid: gezang, gelach, gedruisch van stemmen.
Schier alle nationaliteiten waren vertegenwoordigd in hunne verschillende kleederdrachten, hetgeen niet weinig bijbracht tot verlevendiging van het tooneel.
Eéne bijzonderheid zou onze aandacht zeker getrokken hebben, en wel dat bijna iedereen de kleur van een der zes menners droeg, hetzij in de vorm van een sjerp of rozet, of een veer op de muts. Men behoefde niet lang rond te zien om te bemerken, dat drie kleuren den boventoon voerden: groen, wit, en rood met goud.
Wij willen ons thans niet buiten ophouden, maar een kijkje nemen in het paleis op het eiland.
De vijf groote kroonlichten branden. Het gezelschap, dat wij in de zaal vinden, in nagenoeg hetzelfde als dat, waarmede wij den vorige keer kennis maakten. Op den divan liggen ook nu slapers en mantels, en op de tafels rollen weder de dobbelsteenen. Het meerendeel der aanwezigen doet echter niets. Men wandelt op en neer, men gaapt, men zegt nietsbeteekende aardigheden. Eigenlijk vervelen zij zich. Hun voornaamste werk is gedaan, zij hebben hun tafeltjes volgeschreven met weddenschappen op het hardloopen, het worstelen, het boksen, op alles, behalve op den wedren, en wel om de eenvoudige reden, dat niemand een enkelen denarie met hen verwedden wil tegen Messala.
Allen dragen zijne kleuren. Dat hij de nederlaag zou kunnen lijden wordt niet mogelijk geacht. Hij heeft immers de beste school doorgemaakt! Zijne paarden hebben den prijs behaald in den Circus Maximus! En, bovenal, hij is immers een Romein!
Messala zelf zit gemakkelijk in een hoek van den divan, het middelpunt van een groep bewonderende vrienden. Zij hebben het natuurlijk druk over den dag van morgen.
Daar komen Drusus en Cecilius binnen. De eerste valt naast Messala op den divan, met den uitroep: Bij Bacchus, ik ben moe!
--Waar zijt gij geweest? vraagde Messala.
--Overal. Wat een menigte menschen is er op de been! Het zal morgen in den circus ongenaakbaar zijn.
--Hebt gij ook iets bijzonders gezien?
--Neen.
--Zoo? zeide Cecilius. Gij vergeet dien optocht van Witten.
't Is waar ook. Wij kwamen een langen stoet Witten tegen met een banier. Maar ... hahaha!
--Ga voort, zeide Messala. Wat verder?
--Och, 't was een partijtje Arabieren, en wat Joden uit Jeruzalem. Dat was alles.
--Neen, Messala, zeide Cecilius. Drusus is bang om uitgelachen te worden, maar ik niet alzoo.
--Welnu, spreek gij dan.
--Wel, wij hielden den troep staande, en--
--En vraagden of zij een weddenschap met ons wilden aangaan, viel Drusus zijn vriend lachend in de rede. Een jongen stapte naar voren, en zei ja. Ik nam mijn tafeltje en zeide: Op wien woudt gij wedden? Op Ben-Hur, den Jood, antwoordde hij. Toen zeide ik: Om hoeveel zullen wij wedden? Hij antwoordde ... hahaha! O, Messala, ik moest zóó lachen, 't was zoo gek, hahaha!
Messala keek Cecilius vragend aan, en deze zeide: een sikkel;--welke mededeeling een luid en algemeen gelach veroorzaakte.
--En wat deed Drusus? vraagde Messala.
--Natuurlijk bedankte hij voor de eer.
Bij de deur ontstond eenig rumoer, dat al sterker en sterker werd en zelfs Cecilius deed opstaan, om te gaan zien wat de reden kon zijn. Luide kreten van: Een witte! een witte! klonken hem tegen.
Hierheen, hierheen! riepen sommigen.
De spelers verlieten hun spel, de slapers ontwaakten, wreven zich de oogen uit, haalden hunne tafeltjes voor den dag en naderden den kring, die zich om den vreemdeling gevormd had.
--Ik bied u....
En ik....
--Ik ... schreeuwden zij door elkander.
De persoon, die zoo stormachtig begroet werd, was niemand anders, dan de Jood van Cyprus, door wien Ben-Hur allereerst van Simonides gehoord had. Hij was in het wit gekleed, en trad beleefd groetend vooruit. Langzaam en statig ging hij naar de middeltafel, zette zich neder en wuifde met de hand. Een kostbaar juweel aan zijnen vinger bracht niet weinig bij tot het verkrijgen van de gewenschte stilte.
--Romeinen, edele Romeinen, ik groet u, zeide hij.
--Die is leuk! zeide Drusus. Wie is hij?
--Een Jood--Sanballat heet hij, leverancier aan het leger, woont in Rome, geducht rijk geworden door leveranciers, die hij nooit levert. Hij zint altijd op kwaad, maar ditmaal zullen wij hem in zijn eigen strikken vangen.
Messala stond op, terwijl hij dit zeide, en voegde zich bij de anderen.
--Ik hoorde op straat, zeide Sanballat, zijn tafeltje ter hand nemend, dat men in het paleis ontevreden is, omdat niemand tegen Messala wil wedden. Gij ziet mijne kleur. Ter zake dus. Wat biedt gij mij? Eerst kansen, daarna de som.
Zijne stoutmoedigheid overblufte de jonge Romeinen.
--Kom, hernam hij, ik heb niet veel tijd. De consul wacht mij bij zich.
Dat werkte.
--Twee tegen een, riep een half dozijn stemmen.
--Hoe nu? vraagde Sanballat verbaasd. Twee tegen een? En gij wedt op een Romein?
--Drie dan!
--Niet meer dan drie? Een Romein tegen een Jood! Zeg vier!
--'t Is goed, vier! riep een knaap, door dien spot getergd.
--Vijf. Zeg vijf, liet Sanballat er onmiddellijk op volgen.
Diepe stilte heerschte in de zaal.
--De consul wacht op mij. Ik heb niet veel tijd meer.
De stilte werd benauwend.
--Zeg vijf. Voor de eer van Rome vijf.
--'t Is goed, laat het vijf zijn, zeide Messala.
Sanballat glimlachte en deed alsof hij wilde gaan schrijven. Als de keizer morgen sterft, zeide hij, behoeft Rome niet verlegen te staan. Hier is ten minste nog een, die moed bezit. Zeg zes!
--Goed. Zes, antwoordde Messala, en werd met een stormachtig applaus beloond.
--Zes tegen een dus, herhaalde Messala. Zes tegen een. Het onderscheid tusschen een Romein en een Jood. Schrijf het bedrag op. Maar vlug. De consul mocht u laten roepen en dan was ik mijn winst kwijt.
Sanballat liet hem lachen, schreef, en bood zijn tafeltje aan Messala.
--Lees, lees! riepen zijne vrienden.
Messala las met luide stem:
Mem. Wedren met wagens. Messala van Rome wedt met Sanballat, eveneens van Rome, dat hij Ben-Hur den Jood zal verslaan. Bedrag der weddenschap: twintig talenten. Kansen: Zes tegen een.
Getuigen: ............
Sanballat.
Doodelijke stilte alom. Als aan den grond genageld stonden de jongelieden. Messala staarde op het memorandum, de oogen van de anderen rustten op hem. Hij voelde die blikken en overlegde wat te doen. Zoo kort geleden nog had hij op deze zelfde plek den meester gespeeld over zijne makkers. Weigerde hij te teekenen, dan was hij van zijn voetstuk gevallen. Toch kon hij niet teekenen, want hij bezat geen honderd talenten, nauwelijks een vijfde van die som. Alles schemerde hem voor de oogen. Hij stond sprakeloos en werd doodsbleek. Daar viel hem iets in.
--Gij Jood, zeide hij, zoudt gij twintig talenten bezitten? Bewijs!
Een fijne glimlach speelde om Sanballats lippen.