Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde

Chapter 21

Chapter 214,025 wordsPublic domain

--Gij hebt gelijk, zoon van Hur, begon Simonides, de papieren ontrollende, laat ons elkander goed begrijpen. Dat verzoek voorziende, heb ik alles in orde gebracht en leg ik u hier een opgaaf voor hetgeen tot een volkomen begrip noodig is. Zij omvat twee zaken: het vermogen en onze onderlingen verhouding. Wat hier geschreven staat zal u alles duidelijk maken. Wilt gij het nu lezen?

Ben-Hur nam de rol aan en zag naar Ilderim.

--Neen, zeide Simonides, laat de tegenwoordigheid van den Sheik u niet weerhouden. Bij de verrekening is een getuige noodig. Aan het slot, op de plaats waar zulks behoort, zult gij zijn naamtekening vinden. Hij weet alles. Hij is uw vriend. Alles wat hij voor mij geweest is zal hij voor u zijn.

Ilderim knikte en zeide ernstig: Gij hebt het gezegd.

Ben-Hur antwoordde: Ik heb zijne vriendschap reeds mogen ondervinden, maar moet mij die nog waardig betoonen. Sta mij toe, Simonides, die papieren later rustig na te zien. Neem ze voor het oogenblik terug en als het u niet te veel vermoeit, deel mij dan kort den inhoud mede.

Simonides nam de rol weder tot zich.

--Kom hier, Esther, zeide hij, en neem blad voor blad van mij over, opdat zij niet verward raken.

Zij zette zich naast hem en leunde zacht tegen zijn schouder, zoodat vader en dochter te zamen rekening en verantwoording schenen te doen.

--Dit, zeide Simonides, het eerste blad ontrollende, doet u zien welke som gelds ik voor uwen vader beheerde,--het kapitaal dat ik uit de handen der Romeinen redde. Van de overige bezittingen kon ik niets redden dan het geld. Dank ons Joodsch wisselsysteem konden de roovers daar niet aan komen. De geheele som bestond uit gelden, die ik in Rome, Alexandrië, Carthago en andere steden had uitstaan, en bedroeg 120 talenten.

Hij gaf het blad aan Ester en nam een volgend. Met die 120 talenten, zeide hij, begon ik handel te drijven. Hoor nu de verantwoording.

Aan schepen 60 talenten. " goederen in voorraad 110 " " cargo's in transport 75 " " pakhuizen 10 " " kameelen, paarden, enz. 20 " " in te vorderen gelden 54 " " los geld 224 "

553 talenten.

Voeg nu bij die 553 talenten winst het kapitaal, dat ik van uwen vader onder mij had, en gij krijgt 673 talenten, alles rechtens het uwe. Dat maakt u, zoon van Ithamar, tot een van de rijksten onder de rijken.

Hij nam de papieren van Esther over, rolde ze met uitzondering van één weder op en bood ze Ben-Hur aan.

De kwalijk verborgen trotsch in zijne manier van doen was niet beleedigend, maar alleszins verklaarbaar, en kwam voort uit het gevoel van een wèlvolbrachten arbeid.

--En nu, zeide hij zachter, is er niets, nee niets, dat gij niet doen kunt.

Dit oogenblik was een zeer gewichtig oogenblik voor allen. Simonides kruiste nogmaals de handen over de borst. Esther keek verlegen voor zich, Ilderim bewoog zich zenuwachtig.

Met de rol in de hand stond Ben-Hur op van zijn zetel, en met moeite zijn aandoening bedwingende, sprak hij: Deze mededeelingen zijn voor mij als een lichtstraal uit den hemel na een langen bangen nacht, zóó lang dat hij mij eindeloos toescheen, en zóó donker dat ik alle hoop had opgegeven. Mijn eerste dank zij aan God gebracht, die mij niet verlaten heeft, en mijn tweede aan u, Simonides. Uwe trouw weegt tegen de wreedheid van anderen op, en herstelt mijn geloof in de menschheid. Gij zegt: er is niets dat ik niet doen kan? Zoo zij het! Zal iemand mij in zulk een gewichtig oogenblik overtreffen in grootmoedigheid?... U roep ik tot getuige, o Sheik! Hoor mijne woorden en onthoud ze! En gij, Esther, goede engel van deze goeden man, uw vader, luister gij ook!

Hij strekte de hand, waarin hij de rol hield, naar Simonides uit en vervolgde: Alles wat in deze papieren opgeschreven staat: de schepen, huizen, kameelen, paarden, gelden, dat alles geef ik u, Simonides, terug. Het is voor u en de uwen, voor altijd.

Esther glimlachte door hare tranen heen. Ilderims oogen glinsterden van aandoening. Simonides alleen bleef kalm.

--Met ééne uitzondering echter en op ééne voorwaarde, hernam Ben-Hur. De 120 talenten, die mijne vader toebehooren, wensch ik terug te hebben. Vervolgens roep ik uwe hulp in bij het zoeken naar mijne moeder en zuster, waartoe gij, indien het noodig mocht zijn, uw fortuin beschikbaar stelt, evenals ik het mijne.

Simonides was diep bewogen. Hij strekte de hand uit en zeide: Ik begrijp u, zoon van Hur, en ik dank God dat Hij u zóó tot mij gezonden heeft. Zooals ik uwen vader, en later zijne nagedachtenis, gediend heb, zal ik ook u dienen. Maar op uwe voorwaarde kan ik niet ingaan. Hier is nog een blad. Neem het en lees. Lees overluid.

Ben-Hur nam het blad en las: Opgave van de lijfeigenen van Hur, ingeschreven door Simonides, rentmeester van het vermogen:

1. Amrah, de Egyptische, huisbewaarster te Jeruzalem. 2. Simonides, rentmeester te Antiochië. 3. Esther, des rentmeesters dochter.

Nooit was het Ben-Hur, wanneer hij Simonides als zijn dienstknecht beschouwde, in het hoofd gekomen, dat volgens de wet de dochter de dienstbaarheid des vaders deelde. Dacht hij aan de schoone Esther, dan was het als mededingster van Iras. Die onverwachte mededeeling deed hem onaangenaam aan. Verward, verlegen keek hij haar aan, en verlegen sloeg zij de oogen neer. Toen zeide hij: De eigenaar van 600 talenten is inderdaad rijk en mag doen wat hem behaagt; maar zeldzamer dan het geld, kostbaarder dan de bezitting is de geest, die den schat vergaarde, is het hart, dat onbedorven bleef bij zooveel rijkdom. O Simonides, en gij, schoone Esther, vreest niet! Sheik Ilderim zal mij opnieuw tot getuige zijn. In hetzelfde oogenblik, waarop ik u als mijne dienaren leer kennen, spreek ik u vrij. Wat ik hier mondeling verklaar zal ik schriftelijk bevestigen. Is dat voldoende? Kan ik nog meer doen?

--Zoon van Hur, zeide Simonides, waarlijk gij maakt ons het dienen licht. Ik vergiste mij. Er zijn dingen die gij niet kunt doen. Gij kunt ons niet vrij maken voor de wet. Ik ben levenslang uw dienstknecht, omdat ik op zekeren dag uwen vader naar de deurpost volgde. Mijn oor draagt nog het litteeken van den priem.

--Deed mijn vader dat?

--Veroordeel hem niet, riep Simonides. Hij deed het op mijn verzoek, en nooit heeft die stap mij berouwd. Het was de prijs, dien ik voor mijne Rachel betaalde, de moeder van mijn kind. Zij wilde de mijne niet worden, tenzij ik werd wat zij was.

--Was zij dan eene lijfeigene?

--Ja.

Ben-Hur liep, zijne onmacht diep gevoelende, de kamer op en neer. Ik was reeds rijk, zeide hij, dank de goedheid van den edelen Arrius. Nu komt dit vorstelijk vermogen er bij benevens de geest, die het verzamelde. Heeft God daar niet een bedoeling mee? Raad mij, Simonides. Doe mij zien wat recht is in dezen. Help mij mijn naam waardig te zijn.

Simonides' gelaat straalde van geluk.

--O zoon mijns meesters, ik zal meer doen dan u helpen. Ik zal u dienen met hart en ziel. Mijn lichaam is, helaas, te gronde gericht in uwen dienst, maar met mijn verstand en hart wil ik u dienen. Stel mij daarom wettig aan tot datgene, wat ik mijzelven gemaakt heb.

--Spreek! riep Ben-Hur blijde.

--Benoem mij tot rentmeester van uw vermogen, opdat ik het recht hebbe om er voor te zorgen.

--Gaarne. Beschouw u van dit oogenblik als mijn rentmeester. Of wilt gij het schriftelijk hebben?

--Uw woord is mij genoeg. Zoo was het met den vader, zoo zij het met den zoon. En nu, indien wij elkander goed begrepen hebben....

--Ik voor mij, ja, zeide Ben-Hur.

--En gij, dochter van Rachel, spreek! zeide Simonides. Een oogenblik stond Esther besluiteloos. Toen trad zij op Ben-Hur toe en zeide onbeschrijfelijk lieftallig: Ik ben niet beter dan mijne moeder, en daar zij is heengegaan, bid ik u, laat mij voor mijnen vader mogen zorgen.

Ben-Hur nam haar bij de hand, geleidde haar naar haren vader en zeide: Gij zijt een goede dochter. Uw wensch zal geschieden.

* * * * *

ACHTSTE HOOFDSTUK.

HET NIEUWE KONINKRIJK.

Simonides was de eerste, die het stilzwijgen verbrak. Hij herinnerde zich dat hij de gastheer was. Esther, zeide hij, het is reeds laat in den avond. Voordat wij verder gaan moest gij ons wat ter verfrissching voortzetten.

Zij schelde, waarop een dienstmaagd brood en wijn bracht en het gezelschap aanbood. Toen allen bediend waren, zeide Simonides tot Ben-Hur: Meester, ons leven zal in het vervolg zijn als twee stromen, die elkander ontmoetten, samenvloeiden, en zoo vereenigd hun weg vervolgen. Daarom is noodig dat geen wolkje onzen horizon verduistere. Ik liet u den vorigen keer vertrekken in de meening, dat ik uwe aanspraken niet liet gelden. Toch was dat niet zoo. Esther kan getuigen, dat ik u terstond herkende. Dat ik u niet aan uw lot overliet, daarvan is Malluch het bewijs.

--Malluch! riep Ben-Hur.

--Die aan zijn stoel gebonden is moet vele en vèrreikende handen hebben. Zoo heb ik er verscheidene en Malluch is een van de beste. Soms ook roep ik de hulp in van goede vrienden, zooals Sheik Ilderim den edelmoedige. Hij kan u zeggen, of ik u vergat of verloochende.

Ben-Hur zag den Arabier aan en zeide: Hebt gij dus hier gehoord wie ik ben, goede Sheik?

Ilderim knikte toestemmend.

--Meester, vervolgde Simonides, hoe kunnen wij een mensch beoordeelen, dan door hem te beproeven? Ik herkende u terstond. Gij waart het evenbeeld uws vaders; maar ik wist niet tot welke soort van menschen gij behoordet. Voor sommigen is rijkdom een vloek. Waart gij een van die? Dat moest Malluch voor mij uitvinden. Duid hem dat niet ten kwade. Hij bracht mij niets den goed van u over.

--Neen, ik neem het hem niet kwalijk, zeide de jonkman hartelijk. Er was wijsheid in uwe goedheid.

--Die woorden doen mij goed, zeide de koopman aangedaan. Alle vrees voor misverstand is verdwenen. Nu mogen de rivieren te zamen haren loop vervolgen, waarheen God ze leidt.

Na een oogenblik zwijgens ging hij voort: Als ik terugzie op de vervlogen jaren, zeg ik, evenals gij, meester: Ik zie Gods hand. Wat is zijn bedoeling?... Want het vermogen is in mijne handen vertienvoudigd, en ik was dikwijls verbaasd over dien wasdom. Ik zag, dat een ander oog dan het mijne over mijne ondernemingen waakte. De _samoems_, die schrik der woestijnen, spaarden mijne karavanen. De stormen, die zoovele schepen te gronde richtten, dreven de mijne slechts te sneller de veilige haven binnen. En het opmerkelijkste is, dat ik, gebondene, zoo afhankelijk van anderen, nooit schade leed door mijne agenten, nooit. De elementen dienden mij, en al mijne onderhoorigen waren getrouw.

--Ja, dat is opmerkelijk, zeide Ben-Hur.

--Daarom vraag ik: Wat kan God er mede bedoelen, vervolgde de grijsaard. Jarenlang reeds wacht ik op een antwoord. Ik geloofde, dat Hij mij op zijn tijd het antwoord zou geven. Ik geloof, dat Hij het gedaan heeft. Vele jaren geleden vertoefde ik te Jeruzalem en zat op zekeren avond met mijne vrouw buiten aan den weg, dicht bij de graven der koningen, toen drie vreemdelingen op witte kameelen naderden en bij ons stilhielden. Een van hen vraagde mij: Waar is de geboren Koning der Joden? Want wij hebben zijne ster in het oosten gezien en zijn gekomen om hem te aanbidden.--Ik begreep hem niet, maar volgde hem tot aan de Damascuspoort, en aan ieder, dien zij tegenkwamen, deed hij dezelfde vraag. Later vergat ik deze ontmoeting, hoewel er in die dagen veel over gesproken werd, alsof de komst van de Messias ophanden was. Helaas, helaas, wat zijn zelfs de verstandigsten onder ons nog kinderen. Als God over de aarde wandelt zijn zijne voetstappen soms eeuwen van elkander verwijderd. Hebt gij Balthasar reeds ontmoet?

--Ja, hij heeft mij zijne geschiedenis verteld, antwoordde Ben-Hur.

--Een wonder, een waar wonder, zeide Simonides. Toen hij het mij vertelde scheen ik het antwoord te hooren, waarop ik zoo lang had gewacht. Gods doel werd mij op eenmaal duidelijk. Arm zal de Koning zijn, als hij komt, arm en zonder vrienden, zonder gevolg, zonder leger, zonder steden of burchten. Zijn koninkrijk zal nog moeten gesticht worden en Rome zal moeten gefnuikt en vernietigd worden. Zie, meester, gij, toegerust met kracht, geoefend in den krijg, overladen met rijkdommen, zie, welke gelegenheid God u geeft! Zal zijn doel niet uw doel zijn? Kan iemand tot heerlijker werk geroepen worden?

--Maar het Koninkrijk? vraagde Ben-Hur. Balthasar zegt, dat het uit zielen zal bestaan.

Fier hief Simonides het hoofd op. Een spottende glimlach speelde om zijne lippen. Zijn nationaaltrots ontvlamde.

--Balthasar is getuige geweest van vreemde dingen, dat is waar, en als hij spreekt luister ik eerbiedig, want hij heeft ze gezien en gehoord. Maar--hij is een zoon van Egypte. Hij is niet eens een proseliet. Wij kunnen niet aannemen, dat hij meer dan een ander weten zou van Gods plannen met ons volk. De profeten ontvingen hun licht rechtstreeks uit den hemel, hij ook, dat is zoo; maar zij zijn velen in getal, hij staat alleen. Jehova blijft altijd dezelfde. Ik moet de profeten gelooven. Breng mij de Tora, Esther.

Terwijl zij het verlangde ging halen, vervolgde hij: Mag het getuigenis van een geheel volk veronachtzaamd worden, meester? Al reist gij van Tyrus, dat in het noorden bij de zee ligt, tot de hoofdstad van Edom, die in het zuiden in de woestijn ligt, gij zult niet één zoon van Abraham vinden, die u zeggen zal, dat het koninkrijk, hetwelk de Koning voor ons, kinderen des Verbonds, komt oprichten, niet voor deze wereld zou zijn. Neen, het zal een koninkrijk zijn van onzen vader David. En hoe komen zij aan dat geloof, denkt gij? Wij zullen zien.

Esther kwam terug met een aantal rollen, in bruin linnen omslagen gewikkeld. De namen der profeten waren er met gouden letters op gestikt.

--Houd ze voor mij vast, kind, en geef mij die, waar ik om vraag, zeide Simonides, en zich tot Ben-Hur wendende, vervolgde hij: Gelooft gij de profeten, meester? Ik weet, dat gij ze gelooft, evenals uwe ouders.--Esther, geef mij het boek van den profeet Jesaja.

Met luide stem las hij: Het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien, en die gezeten waren in het land der schaduwen des doods, dengenen is een licht opgegaan. Want een kind is ons geboren en een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij zal op zijn schouder zijn.... Der grootheid dezer heerschappij en des vredes zal geen einde zijn op den troon van David en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen, en dat te sterken met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid toe.--Gelooft gij de profeten, meester?... Esther, geef mij nu de woorden van den profeet Micha.

En wederom las hij overluid: En gij, Bethlehem Efrata, zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda, uit u zal mij voortkomen die een heerscher zal zijn in Israël.... Meester, dat is het kindeke, dat Balthasar gezien heeft en aangebeden in de spelonk.

Hij las verder: Ziet, de dagen komen, spreekt de Heer, dat ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken, die zal koning zijnde regeeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde. In zijne dagen zal Juda verlost worden, en Israël zeker wonen ... hoort gij wel, meester, als een koning zal hij heerschen! Gelooft gij de profeten ... Esther, geef mij nu het boek van den profeet Daniël.

Hij deed de rol open en las: Ziet, er kwam één met de wolken des hemels, als eens menschen zoon, en hem werd gegeven heerschappij, en eere, en het koninkrijk, dat hem alle volken, natiën en tongen eeren zouden. Zijne heerschappij is eene eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en zijn koninkrijk zal niet verdorven worden. Gelooft gij de profeten, meester?

--'t Is genoeg, riep Ben-Hur. Ik geloof!

--Welnu, als de koning komt, arm en aan alles behoefte hebbende, zal dan mijn meester hem niet uit zijn overvloed helpen?

--Ja, zeker, tot mijn laatsten penning en tot mijn laatsten ademtocht. Maar waarom zegt gij, dat hij in armoede zal komen?

--Esther, geef mij de profetie van Zacharia. Luister, meester: Verheug u zeer, gij dochter Zions, zie, uw Koning komt, rechtvaardig, en hij is een Heiland; arm en rijdende op eenen ezel, en op een veulen, een jong der ezelinnen.

Ben-Hur wendde de blik af.

--Wat ziet gij? vraagde Simonides.

--Rome, antwoordde hij somber. Ik zie Rome met hare legioenen. Ik heb met hen in hunne legerplaatsen verkeerd, ik ken hen!

--O zoo, zeide Simonides. Welnu, gij zult de aanvoerder zijn van de legioenen des Konings, en uit millioenen kunnen kiezen.

--Millioenen?

--Bekommer u niet over zijne macht, zeide de grijsaard nadenkend. Gij steldet u zooeven den koning voor, komende tot het zijne in nederigheid. Gij zaagt hem, om het zoo uit te drukken, aan den éénen kant, en gij vraagdet: Wat kan hij doen?

--Ja, dat waren mijne gedachten.

--O, meester, ging Simonides voort, gij weet niet hoe sterk ons Israël is. Gij stelt u ons volk voor als een oud man, weenende bij de rivieren van Babylon. Maar ga met het volgende Paaschfeest naar Jeruzalem, naar den tempel, en zie rondom u. De belofte van God aan onzen vader Jakob, komende van Paddan Aram, was een wet, waaronder ons volk niet heeft opgehouden zich te vermenigvuldigen, zelfs niet in de ballingschap. Wij vermeerderden onder den druk der Egyptenaren. Rome's overheersching is weldadig voor ons geweest. Wij zijn in waarheid tot een volk, tot eene groote menigte geworden. En dat niet alleen, meester. Om waarlijk de kracht van Israël te leeren kennen, hetgeen hetzelfde is als te berekenen wat de koning doen kan, moet gij niet alleen stilstaan bij de natuurlijke vermenigvuldiging, maar ook de verspreiding van het geloof in het oog houden, dat zich nu tot over de geheele wereld heeft verspreid. Voorts, men is gewoon van Jeruzalem te spreken alsof dat Israël was, en Jeruzalem is toch slechts als een steen van den tempel, of als het hart in een lichaam. Zie af van de legioenen, hoe sterk zij ook zijn mogen, en tel de menigte der getrouwen, die op den ouden alarmkreet wachten: naar uwe tenten, o Israël!... Tel de overgeblevenen in Perzië, kinderen van hen, die niet mede wilden terugkeeren; tel de broederen, die de markten van Egypte en Afrika vullen; tel de Hebreeuwsche kolonisten, die in het Westen handel drijven, in Lodinum en in de koopsteden van Spanje; tel hen en hunne proselieten in Griekenland en op de eilanden, in Pontus, en ook hier in Antiochië, en mijnentwege ook hen, die daar nederliggen in de schaduw der onheilige muren van Rome zelf. Tel de aanbidders van den Heer onzen God, die hunne tenten hebben opgeslagen in de woestijnen, hier in onze nabijheid, zoowel als in de woestijnen van Egypte, en in de streken langs de Kaspische zee, en in de oude landen van Gog en Magog; voeg er hen bij, die jaarlijks giften zenden aan den tempel. En als gij ophoudt met tellen, meester, beschouw dan het heirleger van strijdbare mannen, dat u wacht ... een koninkrijk, gereedgemaakt voor hem, die recht en gerechtigheid zal uitoefenen op aarde, zoowel in Rome als in Zion. Dan hebt gij het antwoord op uwe vraag. Wat Israël doen kan, dat kan de koning doen.

Simonides had met vuur gesproken. Op Ilderim werkte die taal als bazuingeklank. O, dat ik weder jong was! riep hij en sprong op van zijn stoel.

Ben-Hur bleef een oogenblik in gedachten verzonken, toen zeide hij: Toegegeven dat de koning komen zal en dat zijne heerschappij zijn zal als die van Salomo; onderstelt ook, dat ik bereid ben om mijzelf en al het mijne aan hem en zijne zaak te wijden; toegegeven zelfs, dat Gods leidingen met mij, en uw zeldzaam welslagen daarmede in verband staan--hoe dan verder? Zullen wij bouwen als blinden? Zullen wij wachten totdat de koning komt? of totdat hij om mij zendt? Gij, die zooveel ouder zijt en zooveel meer ondervinding hebt, licht mij voor!

Simonides antwoordde: Wij hebben geen keus. Deze brief (hij hief Messala's brief omhoog) dwingt ons tot handelen. Wij zijn niet sterk genoeg, om aan de voorgestelde verbintenis tusschen Messala en Gratus het hoofd te bieden. Daartoe missen wij den noodigen invloed te Rome, en de vereischte kracht hier. Zij zullen u dooden, als wij afwachten. Zie mij aan en oordeel over hunne barmhartigheid.

Hij huiverde bij de vreeselijke herinnering. Na zich bedwongen te hebben, vervolgde hij: Goede meester, hoe sterk zijt gij--in het willen?

Ben-Hur begreep hem niet.

--Ik weet nog zoo goed hoe mij de wereld toelachte, toen ik jong was, zeide Simonides.

--En toch waart gij in staat om een groot offer te brengen, zeide Ben-Hur.

--Ja, uit liefde.

--Zijn er niet nog andere, even sterke drijfveeren?

Simonides schudde ontkennend het hoofd.

--Wraak dan?

Dat was de lont in 't kruit. De oogen van den grijsaard flikkerden. Zijne handen beefden. Hij antwoordde snel: Op wraaknemen heeft de Jood recht. De wet gebiedt het.

--Zelfs een kameel onthoudt het onrecht, dat hem aangedaan werd, riep Ilderim opgewonden.

--Er is een werk, zeide Simonides, een werk voor den koning, dat gedaan moet worden vóór zijne komst. Wij mogen niet in twijfel trekken, dat Israël zijne rechterhand zal zijn; maar helaas, die rechterhand is een hand des vredes, ongeoefend in den krijg. Onder al die millioenen is niet één geoefende kohorte, niet één aanvoerder. De huurlingen der Herodianen tel ik niet mee, want zij moeten slechts dienen om ons te onderdrukken. De toestand is juist zooals de Romeinen dien verlangen. Hunne staatkunde heeft goede vruchten gedragen voor hunne tirannie. Een ommekeer is echter ophanden. De herder zal zich aangorden tot den strijd, en zal naar speer en zwaard grijpen. Het weiden der schapen moet plaats maken voor den kamp tegen leeuwen. De koning, mijn zoon, moet iemand aan zijne rechterhand hebben. Wie zal dat zijn? wie anders dan hij die het werk goed verstaat?

Ben-Hurs gelaat gloeide bij dat vooruitzicht. Toen zeide hij: Jawel, maar verklaar u nader. Een werk te moeten verrichten, en de wijze waarop, zijn twee verschillende zaken.

Simonides nam een teug wijn en hervatte: De Sheik en gij, meester, zult de hoofdleiders zijn, ieder met een bepaalde opdracht. Ik blijf hier, om te zorgen, dat de bron niet opdroogt. Gij gaat naar Jeruzalem, van daar naar de woestijn, en telt de strijdbare mannen, verdeelt hen in afdeelingen en kiest hoofdlieden over tien en hoofdmannen over honderd, oefent de manschappen in den wapenhandel, brengt in geheime bergplaatsen wapens bijeen. Voor dit doel, ja voor alles, zend ik u telkens het noodige geld. Gij begint te Perea, gaat vervolgens naar Galilea, vanwaar gij Jeruzalem gemakkelijk bereiken kunt. In Perea hebt gij de woestijn achter u liggen, en Ilderim vlak bij u. Hij bewaakt de heirwegen, zoodat niets geschiedt zonder uwe voorkennis. Hij zal u op velerlei wijze van dienst zijn. Tot op het oogenblik van handelen zal niemand weten wat hier besproken is. Ik werk achter de schermen. Met Ilderim heb ik de zaak reeds besproken. Wat is uw antwoord?

Ben-Hur zag den Sheik aan.

--'t Is zooals hij zegt, zoon van Hur, antwoordde de Arabier. Ik heb mijn woord gegeven en daarmede is hij tevreden; maar ik zal mijzelven met al de strijdbare mannen van mijnen stam onder eede aan u verbinden.

Simonides, Ilderim en Esther zagen Ben-Hur in gespannen verwachting aan.

Op droevigen toon begon hij: Voor iedereen staat een vreugdebeker geschonken, dien hij vroeger of later aan de lippen zet--voor iedereen, behalve voor mij. Ik zie, Simonides, en edelmoedigen Sheik, ik zie waarheen dat voorstel leidt. Neem ik het aan en volg ik dien weg, dan zeg ik den vrede vaarwel met alle hoopvolle verwachtingen, die zich daaraan vastknoopen. Ga ik die geopende deur binnen, dan sluiten de poorten van het rustige leven zich voor altijd achter mij, want Rome bewaakt ze. Ik ben vogelvrij verklaard. Men zal mij overal vervolgen. In de graven nabij de steden, in de eenzame spelonken zal ik moeten wonen, zal ik mijn brood eten en mijn hoofd nederleggen.

Een gesmoord snikken onderbrak zijn woorden. Allen zagen Esther aan, die haar gelaat in de handen verborg.