Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde

Chapter 20

Chapter 204,008 wordsPublic domain

--Ja, aan haarzelve begaan. Nenehofra groeide op onder mijne oogen en maakte mij deelgenoot van al hare geheimen, onder anderen, dat zij Barbec, den zoon van haar vaders tuinier, beminde. Met die liefde in het hart kwam zij tot u, o koning. Aan die liefde sterft zij.

--Waar is de zoon van dien tuinier?

--In Essouan.

De koning ging naar buiten en gaf twee bevelen. Tot een zijner dienaren zei hij: Ga naar Essouan en breng mij een jongeling, genaamd Barbec. Gij zult hem vinden in den tuin van den vader der koningin.

En tot de anderen dienstknecht zeide hij: Verzamel eenige werklieden en gereedschap en maak op het meer Chemnis een eiland, dat, voorzien van een tempel, een paleis, een lusthof met vruchtdragende boomen, een wijngaard, drijven kan waarheen de winden waaien. Laat het gereed zijn tegen afnemende maand.

Tot de koningin zeide hij: Schep moed. Ik weet alles en heb om Barbec gezonden.

Nenehofra kuste zijne handen.

--Gij zult hem hebben, vervolgde Oretes, en hij u, en niemand zal u storen, een geheel jaar lang.

Zij viel aan zijne voeten. Hij hief haar op en kuste haar, en de rozen keerden weer op hare wangen, en de lach kwam terug op hare lippen.

* * * * *

Een geheel jaar woonden Nenehofra en Barbec, de tuinier, op het drijvend eiland. Geen oord zoo bekoorlijk. Een geheel jaar zonder iemand te zien, opgaande in elkander. Toen keerde Nenehofra naar het paleis te Memphis terug.

--Welnu, van wien houdt gij het meest? vraagde Oretes.

Zij kuste hem op de wang en zeide: Neem mij terug, goed koning, want ik ben genezen.

Oretes lachte hartelijk in weerwil van zijne honderdveertien jaren.

--Dan is dus waar wat Menopha zeide! Hahaha! 't Is waar. Liefde wordt door liefde genezen.

--Zoo is het, zeide zij.

Plotseling veranderde hij van houding. Zijn aangezicht was vreeselijk om te zien.

--Zoo heb ik het niet bevonden, zeide hij.

Nenehofra deinsde verschrikt achteruit.

--Misdadige, zeide de koning. De beleediging Oretes, den man, aangedaan, kan hij u vergeven; maar de beleediging Oretes, den koning, aangedaan, moet gestraft worden.

Zij wierp zich voor zijne voeten.

--Stil! zeide hij. Gij zijt dood.

Hij klapte in de handen ... een akelige processie trad binnen, parschieten of balsemers, ieder met een attribuut van zijne afschuwelijke kunst in de hand.

De koning wees op Nenehofra, en zeide: Zij is dood. Doet uw werk.

* * * * *

Nenehofra, de schoone, werd na tweeënzeventig dagen naar de crypt gedragen, een jaar te voren voor haar uitgekozen, en daar bij hare koninklijke voorgangsters neergelegd. Maar er werd geen plechtige ommegang ter harer eere gehouden op het heilige meer.

* * * * *

Toen Iras zweeg zeide Ben-Hur, die zich aan hare voeten had neergevlijd: Menopha had ongelijk.

--Hoezoo?

--Liefde leeft door lief te hebben.

--Dan zou er dus geen middel tegen zijn?

--Jawel. Oretes heeft het gevonden.

--Welk dan?

--De dood.

--Gij zijt een goed hoorder, zoon van Arrius.

Onder meer dergelijke gesprekken en verhalen vlogen de uren voorbij. Toen zij eindelijk aan wal stapten zeide zij: Morgen gaan wij naar de stad.

--Maar gij komt bij de wedrennen?

--Zeker.

--Ik zal u mijne kleur zenden.

Daarmee scheidden zij.

* * * * *

VIERDE HOOFDSTUK.

DE BRIEF IS ONDERSCHEPT.

Ilderim keerde den volgende dag tegen de derde ure naar den dowar terug. Toen hij van zijn paard steeg, trad een zijner mannen naderbij en zeide: Sheik, mij is opgedragen u dit pak te overhandigen met verzoek het dadelijk te lezen.

Ilderim nam het pakje aan en zag dat het zegel reeds verbroken was. Het opschrift luidde: Aan Valerius Gratus te Cesarea.

--Lucifer hale hem! bromde de Sheik, toen hij zag, dat de brief in het Latijn geschreven was. Grieksch en Arabisch schrift kon hij lezen; maar van dezen brief in Romeinsche letters kon hij alleen den naam: Messala, ontcijferen.

--Waar is de jonge Jood? vraagde hij.

--Naar het veld, met de paarden, antwoordde een bediende.

De Sheik deed den brief in den omslag, stak het pak tusschen zijn gordel, en steeg weer te paard. Op dat oogenblik verscheen een vreemdeling, die oogenschijnlijk van de stad kwam.

--Ik wilde gaarne Sheik Ilderim, den Edelmoedige, spreken, zeide hij.

Taal en kleeding verrieden den Romein.

Al kon hij het schrift der Romeinen niet lezen, hunne taal kon hij spreken. Dus antwoordde de Arabier op waardigen toon: Ik ben Sheik Ilderim.

--Ik heb gehoord, dat gij een menner zoekt voor de wedrennen, zeide de vreemdeling.

--Ga uws weegs. Ik ben reeds voorzien, sprak de Sheik, en maakte zich gereed om weg te rijden; maar de man draalde nog en zeide: Sheik, ik ben een liefhebber van paarden. Men zegt dat de uwe alle andere in schoonheid overtreffen.

De oude man was getroffen. Hij trok den teugel aan, alsof hij op het punt stond van voor de vleierij te zwichten; maar na korte weifeling hernam hij: Niet vandaag, niet vandaag. Op een anderen keer zal ik ze u laten zien. Ik heb het nu te druk.

Hij reed naar het veld, terwijl de vreemdeling glimlachend naar de stad terugkeerde. Hij had zijne opdracht vervuld.

Iederen volgende dag, tot aan den dag der wedrennen, kwam een man, soms twee of drie, tot den Sheik in het Palmbosch, onder voorwendsel van zich als menner te willen verhuren.

Op deze wijze hield Messala de wacht over Ben-Hur.

* * * * *

VIJFDE HOOFDSTUK.

BEN-HUR LEEST DEN BRIEF.

Den Sheik wachtte bedaard, totdat Ben-Hur na volbrachten arbeid de paarden een oogenblik rust gaf.

--Van avond, Sheik, heb ik met Sirius afgedaan. Morgen zal ik den wagen nemen, zeide de jonkman.

--Dan reeds? vraagde Ilderim.

--Ja, met zulke schrandere dieren is men spoedig zeker van zijne zaak. Deze hier, Aldebaran, is de vlugste. Antares is de langzaamste. Toch zal hij winnen; want, Sheik, hij kan den ganschen dag rennen en tegen zonsondergang zijn grootste snelheid ontwikkelen.

--Dat is zoo, zeide Ilderim.

--Eén ding echter vrees ik. In zijne begeerte om de zege te behalen schroomt een Romein niet de eer te bevlekken. Bij al hunne spelen zijn zij volleerd in streken en niet het minst bij wedrennen met wagens. Als zij paarden, menner, of wagen kunnen benadeelen of beschadigen, zullen zij het niet laten. Daarom, goede Sheik, zie wel toe! Laat, totdat de wedrennen gehouden zijn, uwe paarden aan geen enkel vreemdeling zien. Wilt gij volkomen veilig wezen, laat hen dan geen minuut alleen. Volgt gij mijn raad, dan behoeven wij ons over den uitslag niet te bekommeren.

Bij de deur der tent stegen zij af.

--Uw wens zal geschieden, zoon van Arrius. Niemand zal hen genaken behalve mijne getrouwen. Dezen nacht zal ik wachten uitzetten. Maar zie eens hier en help mij met uw Latijn.

Hij gaf den brief en noodigde hem naast zich op den divan. Daar, zeide hij, lees, en lees overluid. Vertaal het in de taal uwer vaderen. Latijn is mij een gruwel.

Ben-Hur gevoelde zich zeer opgewekt en begon zonder erg te lezen: Messala aan Gratus.... Hij hield op. Een bang voorgevoel deed hem koud om 't hart worden. Ilderim merkte zijne ontroering op.

--Hoe nu? Ik wacht.

Ben-Hur verontschuldigde zich en begon opnieuw.

De lezer heeft reeds begrepen, dat een der door Messala afgezonden koeriers aangehouden was en het duplicaat van den brief aan Gratus zich thans in handen van Ben-Hur bevond.

Toen hij aan de zinsnede gekomen was, waar Messala het geheugen van Gratus zocht te hulp te komen, beefde zijne stem. Tot tweemalen zelfs moest hij ophouden om zijne zelfbeheersching te herwinnen. Met inspanning van alle krachten las hij verder: Voorts herinner ik u de wijze maatregelen, die gij genomen hebt, om ons doel te bereiken: het stilzwijgen en een zekeren maar natuurlijken dood van de betrokken personen.

Hij kon het niet langer uithouden. De brief viel op den grond en hij bedekte zijn gelaat met beide handen.

--Zij zijn dood ... dood. Ik alleen ben overgebleven, steunde hij.

De Sheik had hem zwijgend en met deelneming gadegeslagen. Nu stond hij op en zeide: Zoon Van Arrius, ik moet u om vergeving vragen. Lees den brief voor uzelf. Als gij u sterk genoeg voelt om mij het overige mede te deelen, doe het mij dan weten, en ik zal terugkeeren.

Zoodra hij alleen was wierp Ben-Hur zich op den divan en gaf zich aan zijne droefheid over. Toen hij wat bekomen was nam hij den brief weder ter hand en hervatte de lezing. Gij zult u herinneren, zoo luidde het verder, welke straf gij de moeder en de zuster van den booswicht hebt opgelegd, en indien ik nu vriendelijk verzoek van u te mogen vernemen, of zij nog leven, dan wel of zij gestorven zijn ... Ben-Hur sprong op, of zij dood zijn! Hij weet het niet! Gezegend zij de naam des Heeren! Nog is er hoop.--Bemoedigd las hij den brief ten einde. Zij zijn niet dood, zeide hij eenige oogenblikken peinzens, zij zijn niet dood, anders zou hij er van gehoord hebben.

Een tweede lezing bevestigde hem in zijne meening. Daarna zond hij om den Sheik.

--Toen ik in uwe gastvrije tent kwam, zeide hij, zoodra zij weder te zamen waren, had ik mij voorgenomen niet meer van mijzelven te vertellen, dan noodig was om u te doen zien, dat gij mij uwe paarden gerust kondt toevertrouwen. Maar nu ik, op eene voor mij onverklaarbare wijze, dezen brief in handen moest krijgen, voel ik mij gedrongen u met mijn verleden bekend te maken. Ik word in dit voornemen versterkt door den inhoud van dit schrijven, waaruit ik zie dat dezelfde vijand ons beiden bedreigt. Wij zullen ons gezamelijk tegenover hem moeten stellen. Ik zal u den brief voorlezen en verklaren. Dan zal u duidelijk worden waarom ik straks mijne zelfbeheersching verloor, en mij in uwe oogen misschien kinderachtig aanstelde.

De Sheik bewaarde het stilzwijgen en luisterde aandachtig, totdat Ben-Hur aan de zinsnede kwam, die hèm betrof: Gisteren zag ik den Jood in het park van Daphne, en als hij daar op dit oogenblik niet is, dan is hij toch zeker in de buurt, om mij gemakkelijk te maken hem in 't oog te houden. Ja, indien gij mij vraagdet: waar denkt gij dat hij is? dan zou ik uit volle overtuiging zeggen: Hij is in het Palmbosch, in de tent van Sheik Ilderim, den verrader.

--Verrader!... Ik? riep de oude man opstuivende.

--Nog even geduld, Sheik. Dat is Messala's gevoelen. Hoor zijn bedreiging: in de tent van Sheik Ilderim, den verrader, die ons niet veel langer moet mogen trotseeren. Laat het u niet verwonderen, indien Maxentius, als eerste krijgsoperatie, den Arabier inscheept naar Rome.

--Naar Rome! Mij? Ilderim ... Sheik van tienduizend gewapende ruiters! Mij naar Rome inschepen!

Hij sprong van zijne zitplaats op en riep in ziedenden toorn: Wanneer, o wanneer zal aan deze onbeschaamdheid een einde komen? Ik ben een vrij man. Vrij is mijn volk. Moeten wij als slaven sterven? Of erger nog, moet ik als een hond aan mijn meesters voeten kruipen? Moet ik zijne hand likken uit vrees voor slaag? Wat het mijne is zou het mijne niet zijn? Ik zou een Romein moeten danken, dat ik mag adem halen? O, dat ik nog jong was! O, kon ik twintig jaren van mijn leeftijd afdoen ... of tien ... of vijf!

Knarsetandend en met de handen zwaaiend liep hij heen en weer, bleef toen eensklaps voor Ben-Hur staan, en vatte hem met sterken greep bij den schouder.

--Indien ik in uwe plaats was, zoon van Arrius, even jong als gij, even sterk, even geoefend in den krijg, had ik een drijfveer, die mij tot wraak aanzette, een beweegreden als de uwe, die wraak tot een heiligen plicht maakt--weg met alle geheimzinnigheid tusschen u en mij! Zoon van Hur, zoon van Hur, ik zeg....

Bij het hooren van zijn waren naam stolde Ben-Hur het bloed in de aderen. Ontzet, verbaasd, zag hij den Arabier aan.

--Zoon van Hur, ik zeg u, indien ik was als gij, indien ik zulk een groot onrecht had te wreken en zulke herinneringen met mij moest omdragen, ik zou niet willen, niet kunnen rusten. Bij al mijn eigen grieven zou ik die van de geheele wereld voegen, en mijzelven aan de wraak wijden. Van land tot land zou ik trekken om de menschen wakker te schudden. Geen vrijheidsoorlog, waar ik niet deel aan nam. Geen strijd tegen Rome, waarbij ik niet in de voorste rijen stond. Ik zou mij desnoods bij de Parthen aansluiten. Indien het mij aan soldaten ontbrak, ik zou het toch niet opgeven--hahaha! Bij den luister van Salomo! ik zou tot de wolven gaan! Van leeuwen en tijgers zou ik vrienden maken, in de hoop dat ik ze tegen den gemeenschappelijken vijand zou kunnen aanvoeren. Ik zou mij van ieder wapen bedienen. Ik zou geen kwartier vragen en geen kwartier geven! Alles wat Romeinsch was zou ik met vuur verdelgen. Al wie Romein van geboorte was zou ik met het zwaard dooden. Des nachts zou ik de goden bidden, de goede en de kwade evenzeer, mij hunne verschrikkingen bij te zetten: stormen, droogte, hitte, koude, en al de namelooze vergiften, die zij in de lucht loslaten, al de duizend oorzaken, waardoor de menschen ter zee en te land omkomen. O, ik zou niet kunnen slapen. Ik ... ik....

De Sheik hield op uit gebrek aan adem. Ben-Hur had, om de waarheid te zeggen, slechts met een half oor geluisterd naar die hartstochtelijke ontboezemingen. Voor de eerste maal in vele jaren had de jongeling zich bij zijn waren naam hooren toespreken. Eén mensch kende hem dus. Eén ten minste geloofde hem zonder naar bewijzen te vragen, en die eene was een Arabier uit de woestijn!

Hoe kwam de man aan deze wetenschap? Door den brief? Die sprak wel is waar iets van de wreedheden, waardoor zijn geslacht te gronde was gericht, die verhaalde van zijne geschiedenis, maar de Sheik was in een veel te opgewonden stemming geweest om de gevolgtrekking te hebben kunnen maken. Neen, iemand anders moest hem hebben ingelicht. Uitwendig kalm vraagde hij: Goede Sheik, zeg mij, hoe komt gij aan dezen brief?

--Mijne lieden bewaken de wegen tusschen de steden, antwoordde Ilderim. Zij ontnamen hem een koerier, die van Antiochië kwam.

--Weet men, dat zij in uw dienst zijn?

--Neen, in de oogen der wereld zijn zij roovers, die ik te vangen en te dooden heb.

--Sheik, gij noemdet mij zoon van Hur, mijn vaders naam. Ik wist niet dat iemand hier mij kende. Vanwaar kent gij mij?

Ilderim antwoordde niet dadelijk. Eindelijk zeide hij: Ik ken u, maar ik heb voor 't oogenblik geen vrijheid om u meer te zeggen.

--Geen vrijheid? Is er dan iemand, die u dat verhindert?

De Sheik zweeg en wilde heengaan; maar toen hij Ben-Hurs teleurstelling zag, keerde hij terug en zeide: Laat ons hier voorloopig over zwijgen. Ik ga naar de stad. Als ik terugkom mag ik misschien ronduit met u spreken. Geef mij den brief.

Ilderim rolde den papyrus zorgvuldig op, deed hem weder in den omslag, en werd plotseling weer een en al ijver. Wat is uw antwoord? vraagde hij. Ik zeide u wat ik doen zou, als ik in uwe plaats was, maar gij hebt mij geen antwoord gegeven.

--Ik was van plan, Sheik, om u te antwoorden en ik zal het ook doen. Al wat gij gezegd hebt neem ik over, voor zoover de uitvoering in mijn vermogen ligt. Sedert lang reeds heb ik mijzelf aan de wraak gewijd. Vijf jaren lang was dat mijn eenige gedachte. Ik heb mij geen rust gegund. De genoegens der jeugd heb ik niet gekend. Ik heb mij door Rome zelf laten leeren, hoe ik mij wreken moet. Ik bezocht er de beroemste leeraren, niet die in de redekunst of wijsbegeerte, helaas! daar had ik geen tijd voor. In alles wat voor een krijgsman onmisbaar is heb ik mij laten onderrichten. Ik sloot mij aan bij de kampvechters in den circus. De schermmeesters van het Romeinsche kamp namen mij als hun leerling aan en waren trotsch op mij. Ja, Sheik, ik ben soldaat, maar de dingen waarvan ik droom eischen, dat ik bevelhebber word. Daarom sloot ik mij aan bij den veldtocht tegen de Parthen. Is die afgeloopen en spaart God mij leven en krachten, dan ... dan zal ik een geduchte, door Rome zelf gevormde krijger zijn. Dan zal Rome mij met Romeinsche levens betalen voor hetgeen zij mij heeft doen lijden. Dat is mijn antwoord, Sheik.

Ilderim omhelsde en kuste hem, en zeide op hartstochtelijken toon: Indien uw God u niet bijstaat, zoon van Hur, dan leeft hij niet meer. Maar weet dit, om uw doel te bereiken kunt gij vrijelijk beschikken over al wat ik heb: manschappen, paarden, kameelen, en de woestijn tot legerplaats. Ik zweer het u. Voor het oogenblik genoeg. Vóór den nacht zult gij mij zien, of van mij hooren.

Kort daarop reed hij af en sloeg den weg in naar Antiochië.

* * * * *

ZESDE HOOFDSTUK.

EENE OPROEPING.

De onderschepte brief was op vele punten van groot belang voor Ben-Hur. De schrijver toch bekende met zoovele woorden dat hij medegewerkt had om de familie Hur uit den weg te ruimen, dat hij de plannen goedgekeurd had, dat hij zijn aandeel had ontvangen van de verbeurd verklaarde goederen, dat hem de onverwachte verschijning van den hoofdpersoon in het drama zeer ongelegen kwam en hij er niet veel goeds van verwachtte, en dat hij, om een waarborg voor de toekomst te hebben, bereid was tot alles wat zijn medeplichtige in Cesarea hem zou aanraden te doen.

Toen Ilderim de tent verliet had Ben-Hur dus rijke stof tot overpeinzing. Hier moest dadelijk in voorzien worden. Zijne belagers waren sluw en machtig. Indien zij bevreesd waren voor hem, hij had nog veel meer reden om hen te vreezen. Hij trachtte den toestand rustig onder de oogen te zien, maar hij kon niet. Telkens werd hij door zijn gevoel overstelpt. Zijne moeder en zuster leefden nog, dat geloofde hij zeker. Het was hem, alsof de ontdekking voor de hand lag. Ja, God zelf zou hem te hulp komen, hem paste geduldig te wachten. Dat geduldig wachten zou hem echter gemakkerlijk vallen, als hij grond had gehad om te hopen, dat zijne geliefden in even gunstige omstandigheden verkeerden als hijzelf, maar wat wist hij daarvan?

Om zich een weinig te verzetten wandelde hij het bosch in, waar de lieden druk bezig waren met het inzamelen van dadels, niet zoo druk echter, of zij konden wel een praatje met hem maken en van hunne vruchten aanbieden. Bij het meer toefde hij het langst, en die zachte kabbelende golfjes brachten hem de schoone Iras te binnen. Van haar vlogen zijne gedachten naar Balthasar en den Koning der Joden.

Met Balthasars denkbeelden omtrent dat koninkrijk kon hij zich echter niet vereenigen. Een rijk dat uit zielen zou bestaan kwam hem zeer onwaarschijnlijk, bijna onmogelijk voor. Een koninkrijk Judea daarentegen--dat had bestaan, en kon dus weer in 't leven geroepen worden. Hij stelde zich dat gaarne voor en dan liefst nog machtiger en rijker dan het eerste koninkrijk, onder een nieuwen koning, wijzer en machtiger nog dan Salomo, een koning, onder wiens vanen hij zou kunnen dienen en zijne wraak aan Rome kunnen koelen.

In die stemming keerde hij naar den dowar terug. Na het middagmaal gebruikt te hebben deed Ben-Hur den wagen buiten brengen, om hem te keuren. Geen enkel deel liet hij ongemoeid. Met groot genoegen zag hij dat het een Grieksch model was, in zijn oog verkieslijker boven het Romeinsche, breeder tusschen de wielen, lager en sterker. De meerdere zwaarte zou ruimschoots vergoed worden door de zeldzame eigenschappen van het vierspan.

Nu bracht hij de paarden uit, spande ze voor den wagen en reed naar het veld, waar hij verscheidene uren bleef. Toen hij 's avonds terugkeerde had hij zijne opgeruimdheid herkregen en stond zijn plan vast om de zaak Messala te laten rusten, totdat hij als overwinnaar of overwonnene uit het strijdperk zou komen. Hij wilde onder geen beding het genoegen missen van zijn tegenstander voor aller oog te vernederen. Aan de mogelijkheid, dat nog andere mededingers konden optreden, scheen hij niet te denken. Zijn vertrouwen in den uitslag was onwankelbaar. Hij rekende op zijne bekwaamheid en op de onovertroffen paarden. De Romein mag oppassen, niet waar Antares, brave Aldebaran? niet waar goede Rigel, en gij vorstelijke Atair? hij mag oppassen! zoo sprak hij in de rusturen het vierspan toe, en zij verstonden hem.

Toen het donker werd zat Ben-Hur in de deur der tent op Ilderim te wachten. Hij was volstrekt niet ongeduldig of onrustig. De Sheik zou in ieder geval van zich doen hooren. Of die kalmte toe te schrijven was aan de beweging in de open lucht, of aan het daarna genomen bad, of aan het smakelijke maal, waaraan hij alle eer bewezen had, of aan de reactie, die gewoonlijk op diepe neerslachtigheid volgt, weten wij niet. Hij had een gevoel, dat zijne zaak in Gods hand rustte en daar was zij veilig. Eindelijk hoorde hij een ruiter naderen, en weldra stond Malluch voor hem.

--Zoon van Arrius, zeide hij vroolijk, ik breng u de groeten van Sheik Ilderim. Hij verzoekt u naar de stad te komen. Hij wacht u.

Ben-Hur onthield zich van vragen, en ging naar de paarden. Aldebaran kwam hem te gemoet, als om zijne diensten aan te bieden. Ben-Hur liefkoosde hem in het voorbijgaan, maar koos een ander paard. Het vierspan moest voor de wedrennen bewaard blijven. Een kwartier later waren beide mannen op weg naar Antiochië.

Op korten afstand van de Seleucische brug staken zij met een veerschuit de rivier over, reden langs den rechteroever voort, gingen daarna door middel van een andere schuit naar den linkeroever terug en reden de stad van de westzijde binnen. De omweg was lang, maar Ben-Hur begreep dat Malluch goede redenen had voor dien voorzorgsmaatregel. Zij vervolgden hunnen weg tot aan de werf van Simonides. Daar hield Malluch zijn paard in en zeide: Hier moeten wij zijn!

Ben-Hur herkende de plaats en vraagde: Waar is de Sheik?

--Ik zal u tot hem brengen. Ga maar mee, luidde het antwoord.

Een bediende nam de paarden over, en nog voordat Ben-Hur tot bezinning gekomen was, stond hij voor de deur van het huis op het pakhuis, was hij binnengegaan, en hoorde hij de stem, die hij zich nog zeer goed herinnerde, zeggen: Kom binnen en wees welkom!

* * * * *

ZEVENDE HOOFDSTUK.

ERKEND.

Malluch geleidde hem niet verder dan tot aan de kamer. Ben-Hur trad alleen het vertrek binnen. Het was hetzelfde, waar Simonides hem den vorigen keer ontvangen had. Alles was onveranderd gebleven, alleen stond nu dicht bij den armstoel een fraaie, zeer hooge metalen standaard met zes armen, die zes helder brandende zilveren lampen droegen. Drie personen bevonden zich in de kamer: Simonides, Ilderim, Esther.

Ben-Hur zag van den een naar den ander ... wat moest dat beduiden? Wat verlangde men van hem?

Daar verbrak Simonides de stilte: Zoon van Hur, zeide hij langzaam en duidelijk, ik groet u met den vrede van den God onzer vaderen.

De grijsaard liet, terwijl hij sprak, zijne doordringende zwarte oogen op den jongen rusten en kruiste toen zijne handen over de borst. Houding en groet konden niet worden misverstaan.

--Simonides, zeide Ben-Hur ontroerd, dien vrede neem ik aan. Als een zoon tot zijnen vader sprekende, bid ik hem u ook toe. Dit eene echter verzoek ik: laat ons elkander volkomen begrijpen.

Op deze kiesche wijze trachtte hij de verhouding van heer tot dienstbare op zijde te zetten, en daarvoor in de plaats een hoogere en heiligere te stellen.

Simonides liet zijne handen weder op de deken rusten en zeide tot Esther: Een zetel voor den meester, mijn kind!

Haastig schoof zij een lagen stoel aan en wachtte op nader order, onzeker waar hem te plaatsen.

Ben-Hur trad naderbij, zette hem aan Simonides' voeten en zeide: Hier wil ik zitten.

Zijne oogen ontmoetten de hare, slechts een oogenblik, doch die blik deed beiden goed. Hij had hare dankbaarheid, zij zijne edelmoedigheid begrepen.

Simonides boog het hoofd, slaakte een zucht van verlichting en zeide: Geef mij nu de papieren, Esther.

Zij opende een der paneelen in den muur, nam er een rol uit, en gaf die haren vader.