Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde

Chapter 2

Chapter 23,890 wordsPublic domain

De Egyptenaar en de Hindoe zagen elkander aan; de eerste wenkte met de hand, de ander boog ten teeken van goedkeuring en begon: Onze broeder heeft goed gesproken, mochten mijne woorden even verstandig zijn. Mijn naam, broeders, is Melchior. Mijne taal is, zoo al niet de oudste op aarde, dan toch de eerste, waarbij men zich van de schrijfkunst bediende; ik bedoel het Sanskriet van Indië. Ik ben Hindoe van geboorte. Mijn volk heeft van oudsher de paden der wetenschap betreden en blijven bestaan, want zij zijn de bronnen van den godsdienst en van alle nuttige kennis.

Ik ben een geboren Brahmaan. Voorschriften regelden bijgevolg mijn leven tot in de minste daad, tot in zijn laatste uur. Ik kon niet wandelen, eten, drinken, of slapen, zonder gevaar te loopen van een der regelen te overtreden. En de straf, mijne broeders, de straf zou mijne ziel treffen. Van den aard der overtreding hing het af, of mijne ziel opgenomen kon worden in den hemel, zij het ook den laagsten, dien van Indra, of teruggedreven zou worden om te leven in een worm, een vlieg, een visch, of een wild dier. De belooning voor volmaakte gehoorzaamheid is de Zaligheid, een opgaan in het Brahma, hetgeen niet zoozeer een zelfstandig bestaan, als wel een volkomen rust is.

Toen mijn studietijd voorbij was en ik tot de tweede orde kon toegelaten worden, dat wil zeggen, toen ik in het huwelijk mocht treden en een eigen gezin hebben, begon ik naar alles een onderzoek in te stellen, zelfs naar het Brahma; want voor het oog mijns geestes was een schemerschijn van licht opgegaan, en mijne ziel smachtte er naar dat licht van nabij te beschouwen. Eindelijk, na lange jaren zwoegens, stond ik in het volle licht en aanschouwde den grondslag van het leven, het ware beginsel van den godsdienst, den band tusschen de ziel en God: de Liefde.

Het ingevallen gelaat van den grijsaard schitterde van innerlijk geluk en hij vouwde de handen tot een dankgebed.

--De liefde is slechts gelukkig wanneer zij bezig is, zoo vervolgde hij. Aan hetgeen men bereid is voor anderen te doen, kan men haar toetsen. Ik kon niet rusten. Brahma had zooveel ellende over de wereld gebracht.

Ik maakte mij op en reisde langs den Ganges tot waar de heilige stroom zich in den Indische Oceaan uitstort. Ik hoopte rust te vinden in de schaduw van den tempel aan Kapila gewijd, om mij daar met zijne jongeren in het gebed te vereenigen. Maar tweemaal 's jaars kwamen gansche scharen bedevaartgangers die plek bezoeken. Hunne ellende vuurde mijne liefde aan. In het begin legde ik mijzelven met geweld het zwijgen op, want één woord tegen het Brahma zou mij in het verderf storten, één vriendschapsdienst aan de uitgeworpen Brahmanen bewezen, die zich naar het verzengende strand sleepten om daar te sterven, één zegenbede, één beker water--zou mij tot een van hen maken, verloren voor familie, land, voorrechten, kaste.

Maar de liefde overwon. Ik sprak tot de tempelbewoners, zij dreven mij uit. Ik sprak tot de pelgrims, zij verjoegen mij met steenen. Op de wegen trachtte ik te prediken, mijne hoorders ontvluchtten mij, of zochten mij te dooden. Nergens in Indië kon ik ten slotte vrede of veiligheid vinden--zelfs niet onder de uitgeworpenen; want hoewel zij gevallen waren, zij bleven toch gelooven in het Brahma. Tot het uiterste gebracht zocht ik een eenzame plek, waar ik voor allen, behalve voor God, verborgen kon zijn. Ik volgde den Ganges tot aan zijne bronnen. Zoo kwam ik in het Himalayagebergte. Mijn weg voerde mij langs duizelingwekkende afgronden, over gletschers, nu in de hoogte, dan in de diepte, totdat ik het wonderschoone meer Tao bereikte, aan den voet van een drietal rotsen gelegen, die hare met eeuwigen sneeuw bedekte kruinen hemelhoog in de lucht verheffen. Daar sloeg ik in volslagen eenzaamheid mijne tent op, om er met God te verkeeren en mijn laatste uur te verbeiden.

Op zekeren avond wandelde ik langs het meer en riep overluid: Wanneer zal God verschijnen en mij vrij maken? Is er dan geen verlossing? Toen vertoonde zich plotseling een lichtvonk op den donkeren waterspiegel. Weldra verrees een ster, die nader en nader kwam, totdat zij boven mijn hoofd bleef staan. Haar glans verblindde mij. Ik viel ter aarde en toen ik daar lag hoorde ik een stem, zeldzaam liefelijk, die tot mij zeide: Uwe liefde heeft gezegepraald. Gezegend zijt gij, zoon van Indië! De verlossing is nabij. Met twee anderen, komende van de uithoeken der aarde, zult gij den Verlosser zien, en van zijne komst getuigen. Maak u op in den morgenstond, en ga hun te gemoet. Stel al uw vertrouwen in den Geest die u zal geleiden.

Van dat oogenblik is het licht bij mij gebleven ten teeken dat de Geest met mij was.

Met het krieken van den dageraad aanvaardde ik den terugtocht langs denzelfden weg, dien ik gekomen was. In een bergkloof vond ik een steen van groote waarde, dien ik te Hurdwar verkocht. Ik reisde over Lahor, Kabul en Yezd naar Ispahan. Daar kocht ik den kameel en toog naar Bagdad. Zonder op een karavaan te wachten, zette ik onbevreesd alleen mijne reis voort, want de Geest was en is nog met mij. Welk een eere wacht ons, mijne broeders, wij zullen den verlosser zien--met hem spreken--hem aanbidden!--Ik heb gezegd.

* * * * *

VIJFDE HOOFDSTUK.

BALTHASAR.

De levendige Griek barstte los in betuigingen van blijdschap en gelukwenschen, waarna de Egyptenaar met zijn gewonen ernst zeide: Gij hebt veel geleden, mijn broeder, en ik verheug mij in uwe overwinning. Wilt mij nu beiden uwe aandacht schenken, dan zal ik u mijn wedervaren vertellen.

Mijn naam is Balthasar. Ik ben te Alexandrië geboren uit een vorstelijk en priesterlijk geslacht, en ontving eene mijnen rang passende opvoeding. Al heel vroeg werd ik ontevreden. Mij was geleerd, dat na den dood de ziel van voren af moet beginnen, van den laagsten trap opwaarts, onverschillig hoe men zich gedurende zijn aardsche bestaan gedragen heeft. Die gedachte verontrustte mij. Hoe? Word dan geen onderscheid gemaakt tusschen boozen en goeden? Maar mij was niet verborgen gebleven wat vele honderden jaren geleden in mijn land gebeurd was met het volk der Hebreën, die als slaven onder ons woonden, en die beweerden den eenigen waren God te dienen; hoe zij na vele wonderen en teekenen uitgeleid werden, en hoe de Pharao, die hen met zijn leger achterna zette, met allen, die hem vergezelden, den dood vond.

Die God was niet onder ons vergeten, en hoe langer ik over alles nadacht, des te dieper vatte de overtuiging post in mijne ziel, dat de goden van mijn volk niets waren in vergelijking met den God der Hebreën. Maar als die God, volmaakt rechtvaardig volgens hunne leer, over het lot van levenden en dooden te beschikken heeft, dan behoefde ik mij niet langer ongerust te maken, dan moest bij het sterven, wanneer de scheiding plaats heeft tusschen ziel en lichaam, de ziel van den booze verloren gaan, die van den goede echter tot een hooger leven ingaan, niet het nirvana van den Boeddist, noch de negatieve rust van het Brahma, o Melchior, noch in dien toestand, o Caspar, waarvan uwe priesters leeren, maar tot een leven, een heerlijk, werkzaam, eeuwig leven--een leven met God.

Dat eenmaal vastgesteld zijnde, werd de begeerte in mij wakker, anderen deelgenoot te maken van dat goede nieuws.

Op zekeren dag begaf ik mij naar de aanzienlijke en meest bezochte wijk van Alexandrië en sprak tot de menigte over God, de ziel, het goed en het kwaad, en over den hemel, die den deugdzame wacht. U, Melchior, steenigden zij; _mijne_ toehoorders lachten mij uit. Ik beproefde het nogmaals, zij wierpen mij puntdichten naar het hoofd, bespotten mijnen God en mijnen hemel. Lang dacht ik na over de oorzaak van het mislukken mijner poging, eindelijk vond ik haar.

Een dagreize van de stad verwijderd ligt een dorp, uitsluitend bewoond door herders en tuiniers. Daarheen begaf ik mij en verzamelde in den avond het volk rondom mij, mannen en vrouwen, de armsten onder de armen. Hun verkondigde ik hetzelfde wat ik in de stad verkondigd had. Zij lachten niet. Den volgenden avond sprak ik weder, en zij namen mijne prediking met blijdschap aan en brachten haar op hunne beurt aan ieder, dien zij ontmoetten. Toen keerde ik naar de stad terug en onder een heerlijken sterrenhemel kwam ik tot de overtuiging: Die een hervorming wenscht tot stand te brengen beginne niet bij de rijken en grooten; maar ga liever tot hen, die niets bezitten, tot de armen en geringen.

Nu ontwierp ik mijne plannen voor de toekomst. Allereerst verzekerde ik mijne uitgestrekte bezittingen zóó, dat het inkomen vaststond en ten allen tijde aangewend kon worden ten bate van hulpbehoevenden. Dat volbracht zijnde begon ik mijne zwerftochten langs den Nijl, in de dorpen, onder alle stammen; en predikte den Eénen waren God, een leven in gerechtigheid, met den Hemel als belooning. Ik heb veel goed gewerkt, hoeveel betaamt mij niet te zeggen. Ik weet dat velen bereid zijn Hem te ontvangen, dien wij nu gaan zoeken.

Hier zweeg de Egyptenaar een oogenblik stil, daarna vervolgde hij: In die jaren, mijne broeders, kwelde mij ééne gedachte: Wat zou er van de goede zaak worden, als ik heengegaan was? Zou zij met mij ophouden te bestaan? Ik droomde van een organisatie, als de kroon op mijn werk. Ik heb het beproefd, maar mocht niet slagen. Neen, de toestand der wereld is van dien aard, dat, om het oude Egyptische geloof te herstellen, een hervormer noodig is met meer dan menschelijke macht bekleed; hij moet niet alleen komen in Gods naam, hij moet zijn woord met bewijzen kunnen staven. Aarde en lucht zijn zoo vol van valsche godheden, dat een terugkeer tot den Eénen waren God alleen kan plaats vinden langs bloedige paden, dat wil zeggen: de bekeerlingen moeten liever willen sterven, dan hun geloof prijsgeven. En wie anders kan in deze eeuw den mensch tot zulk eene hoogte opvoeren, dan God alleen? Om het menschengeslacht te redden moet Hij zichzelven wederom openbaren, moet Hij persoonlijk komen.

Nu begrijpt gij waarom ik niet slaagde met mijne organisatie. Ik miste de bekrachtiging uit den hooge. Diep ternedergeslagen begaf ik mij in de woestijn, om in de eenzaamheid, ver van alle menschen, Gods aangezicht te zoeken.

Steeds verder reisde ik, tot in het hart van Afrika. Langer dan een jaar woonde ik in een spelonk, aan den oever van een groot meer. De vrucht van den palmboom strekte mijn lichaam tot voedsel, het gebed mijne ziel.

Op zekeren avond worstelde ik in het gebed met God. In het heldere water weerspiegelden de sterren. Eene van die scheen hare plaats te verlaten. Hooger en hooger steeg zij, stralend en vonkelend, totdat zij boven mijn hoofd bleef staan. Ik viel neder en verborg mijn aangezicht. Een stem, niet van de aarde, zeide: Gij hebt overwonnen. Gezegend zijt gij, de verlossing is nabij. Met twee anderen, gekomen van de uiterste deelen der aarde, zult gij den Zaligmaker zien en van hem getuigen. Maak u op in den morgenstond en reis hun te gemoet. En wanneer gijlieden de stad Jeruzalem zult bereikt hebben, vraag dan aan het volk: Waar is de geboren Koning der Joden? want wij hebben zijne ster gezien in het Oosten en zijn gekomen om hem te aanbidden. Stel al uw vertrouwen in den Geest, die u zal geleiden.

En het licht werd een innerlijke verlichting en bleef mij bij als leidsman en gids. Het voerde mij naar Memphis, waar ik mijn kameel kocht, vervolgens over Suez en Kufileh door de landen van Moab en Ammon. God is met ons, broeders!

Door innerlijken drang gedreven, reikten zij elkander de hand.

--Mogen wij niet in dit alles een goddelijke bestiering zien? vraagde de Egyptenaar. Wanneer wij den Heer gevonden hebben, zullen alle volken Hem met ons aanbidden. En als wij van elkander scheiden, om een iegelijk zijnen weg te gaan, dan zal de wereld een nieuwe les geleerd hebben--dat de hemel veroverd kan worden niet door het zwaard, niet door menschelijke wijsheid, maar door geloof, Liefde en Goede Werken.

Nu traden zij naar buiten. Alles rondom hen sprak van rust. De zon neigde ten ondergang, de kameelen sliepen. Een oogenblik beschouwden zij zwijgend de schoon gekleurde lucht, toen keerden zij terug, bergden de overblijfselen van het maal op, braken de tent af, bestegen hunne kameelen en zetten de reis westwaarts voort onder aanvoering van den Egyptenaar.

De zilveren maan had de taak der dagvorstin overgenomen en bescheen hunnen weg, toen eensklaps in de lucht vóór hen, ongeveer ter hoogte van een heuveltop, een schitterend licht verscheen, dat zich samentrok tot een stralend punt. Hunne harten klopten hoorbaar, en tot in het diepst der ziel ontroerd, riepen zij als uit éénen mond: De ster! de ster! God is met ons!

* * * * *

ZESDE HOOFDSTUK.

JOZEF EN MARIA.

In de westzijde van den muur, die Jeruzalem omringt, is de Bethlehem- of Joppe-poort. De open ruimte, die er heen voert, is een van de merkwaardigste punten bij de stad. Lang voordat David Sion met begeerige oogen aanzag, stond daar een citadel, en bovengenoemde poort was er een overblijfsel van. In Salomo's tijd werd dat plein als markt gebruikt; kooplieden uit Egypte, Tyrus en Sidon boden er hunne waren aan. Bijna 3000 jaren zijn voorbijgegaan, en nog steeds kan men zich daar ter plaatse van het noodige voorzien. Een speld of een pistool, een komkommer of een kameel, een woning of een paard, een dadel of een tolk, de reiziger kan zich aan de Joppe-poort van al deze dingen voorzien. Soms kan het er zoo levendig toegaan, dat men onwillekeurig uitroept: Wat moet die oude markt wel geweest zijn in de dagen van Herodes den Bouwmeester!

Welnu, ons verhaal voert ons juist naar die dagen en naar die markt.

Volgens de Hebreeuwsche tijdrekenkunde viel de ontmoeting van de drie wijzen, die wij in het vorige hoofdstuk beschreven, in den namiddag van den 25sten December, in het 35ste regeeringsjaar van Herodes den Groote, het 4de vóór het begin der Christelijke jaartelling. Daar bij de Joden de dag met zonsopgang begon, was reeds in dat vroege uur alles leven en beweging. Ja, zóó bezet was de markt, dat vele handelaars met hunne uitstallingen een plaats hadden moeten zoeken aan de stadszijde der poort.

Het is intusschen de derde ure van den dag geworden. Velen zijn reeds naar huis gegaan; maar het is of de toevloed van menschen niet vermindert. Onder de nieuw aangekomenen trekt een groep, bestaande uit een man, een vrouw en een ezel, vooral onze aandacht. De man hield het dier bij den toom en leunde op zijn staf. Zijne kleeding was als die der andere Joden en scheen nieuw te zijn. Zijn gelaat was kalm, dat van een vijftigjarige; zijn zwarte baard begon te grijzen. Hij bezag het gewoel rondom hem met den half nieuwsgierigen, half starenden blik van den vreemdeling en provinciaal. Zijne gezellin, op den rug van den ezel in een zadelkussen gezeten, droeg een ruim overkleed van donkere wollen stof, terwijl een witte sluier haar hoofd bedekte. Nu en dan lichtte zij den sluier even op, om te zien wat in hare omgeving voorviel; maar zoo weinig, dat haar gelaat onzichtbaar bleef. Ten langen laatste werd de man aangesproken:

--Zijt gij niet Jozef van Nazareth?

--Dat is mijn naam, luidde het antwoord, en gij? ah--ik zie het al. De vrede Gods zij met u, mijn vriend, Rabbi Samuel!

--En met u. De Rabbi hield op, zag de vrouw even aan en voegde er bij: met u en al de uwen. Dit zeggende drukte hij zijn rechterhand tegen zijn borst en groette de vrouw met een hoofdknik.

Zij had haar sluier een weinig ter zijde geslagen, genoeg om te doen zien, dat zij nog zeer jong was.

--Naar de frischheid uwer kleeding te oordeelen, zeide de Rabbi, zou ik denken, dat gij hier in de stad overnacht hebt.

--Neen, antwoordde Jozef, wij konden gisteren niet verder komen dan Bethanië, en zijn hedenmorgen vroeg vandaar vertrokken.

--Hebt gij een lange reis in 't vooruitzicht? Naar Joppe misschien?

--Wij zijn op weg naar Bethlehem.

Het gelaat van den Rabbi betrok. Begrepen, zeide hij. Gij zijt in Bethlehem geboren en gaat er nu met uwe dochter heen, om u volgens het keizerlijk bevel te laten beschrijven. Hoe zijn de machtigen gevallen!

--Dat is mijne dochter niet, zeide Jozef.

De Rabbi lette niet op die aanmerking, hij vervolgde zijn eigen gedachtengang en zeide: Wat doen de Zeloten in Galilea?

--Ik ben timmerman, en Nazareth is een kleine plaats, antwoordde Jozef voorzichtig. Ik heb geen tijd om deel te nemen aan twistvragen.

--Maar gij zijt een Jood, vermaande de Rabbi, en nog wel uit het geslacht van David. Het kan u onmogelijk behagen andere schatting te betalen dan die, welke volgens onze wet aan Jehova toekomt.

Jozef zweeg.

--Ik zeg niets over het bedrag der schatting, vervolgde zijn vriend. Dat is niet hoog, o neen. Maar dat zij ons schatting opleggen, dat is schande. Zeg eens, is het waar, dat Judas zich voor den Messias uitgeeft? Gij woont te midden van zijne volgelingen.

--Ik heb zijne volgelingen hooren beweren dat hij de Messias is.

Op dit oogenblik sloeg de vrouw haren sluier geheel weg, zoodat de Rabbi haar vol in 't gelaat kon zien. Haar zeldzamen schoonheid en de uitdrukking harer oogen troffen hem.

--Uwe dochter is schoon, zeide hij nauw hoorbaar.

--Zij is mijne dochter niet.

Nu was de nieuwsgierigheid van den Rabbi opgewekt, waarom Jozef vervolgde: Zij is de dochter van Joachim en Anna van Bethlehem, daar gij misschien wel van gehoord hebt, want zij waren zeer gezien.

--Zeker, antwoordde de Rabbi. Dat herinner ik mij best. Zij stamden in rechte lijn van David af. Ik heb hen zelfs goed gekend.

--Beiden zijn overleden, te Nazareth. Joachim was niet rijk; maar hij liet toch een huis met hof na aan zijne twee dochters. Dit is zijn jongste dochter, Maria. Om haar erfdeel te kunnen aanvaarden, moest zij volgens de wet eene harer naaste verwanten huwen. Zij is thans mijne vrouw.

--En gij waart--

--Haar oom.

--O zoo; en daar gij beiden te Bethlehem geboren zijt, moet gij er beiden heen om u te laten inschrijven. De Rabbi vouwde de handen en zag verontwaardigd ten hemel op. Nog leeft de God van Israël! Zijn is de wrake! riep hij. Toen hij dat gezegd had keerde hij zich om en ging heen zonder te groeten.

Een nabijstaande Jood, Jozefs verbazing opmerkende, zeide: Rabbi Samuel is een Zeloot. Judas zelf kan het hem niet verbeteren.

Daar Jozef niet geneigd was een gesprek te beginnen, deed hij alsof hij het niet hoorde, zag den buikriem van den ezel na, en gaf hem nog wat te eten. Zoodra het dier naar behooren gevoederd was, begaf het gezelschap zich weder op weg, en sloeg den weg naar Bethlehem in. Jozef wandelde naast den ezel voort en wees Maria in het voorbijgaan op enkele merkwaardigheden van den weg; maar het scheen alsof hare gedachten elders waren. De zon steeg intusschen hooger aan den hemel en noopte de jonge vrouw haren sluier op te slaan, ten einde wat meer lucht te krijgen. Van deze gelegenheid willen wij gebruik maken om kennis met haar te maken.

Zij was niet ouder dan vijftien jaar. Haar gelaat, een zuiver ovaal, was fijn van kleur, de neus onberispelijk, de kleine mond vol uitdrukking, de oogen diep blauw, waren fraai van vorm. Het weelderige goudblonde haar golfde vrij over hare schouders en reikte tot aan haar zadelkussen. Voeg bij deze uiterlijke bekoorlijkheden een onbeschrijfelijke reinheid en liefelijkheid, en gij hebt het beeld van haar, die ons door de overlevering met de schoonste kleuren wordt geschilderd. Meer dan eens sloeg zij de oogen ten hemel en bewogen zich hare lippen in stil gebed, menigmaal hief zij het oog op en luisterde, alsof een onzichtbare tot haar sprak.

Zoo togen zij over de uitgestrekte vlakte en naderden de hoogte Mar Elias, vanwaar zij Bethlehem konden zien liggen. Hier hielden zij een oogenblik stil om te rusten, en daalden daarna af in de vallei, naar de wel, eenmaal het tooneel der wonderbare daden van Davids sterke mannen. In het dal wemelde het van menschen en dieren, zoodat Jozef reeds begon te vreezen, dat er geen plaats meer voor hen zou te krijgen zijn in de _khan_, of herberg. Hij zette den ezel tot meerderen spoed aan, en hield zich geen enkelen keer op om wien ook te groeten, totdat hij de voor de poort gelegen herberg bereikt had.

* * * * *

ZEVENDE HOOFDSTUK.

TE BETHLEHEM.

Om volkomen te begrijpen wat Jozef bij de herberg wedervoer, moeten wij wèl bedenken, dat er een groot verschil is tusschen de Europeesche herbergen en die van het Oosten. Die herbergen werden _khans_ genoemd, een Perzisch woord, en waren, in haar eenvoudigsten vorm, niet anders dan omheinde ruimten, dikwijls zonder huis of bedekking; maar altijd gunstig gelegen wat water, schaduw en veiligheid betreft. Zoo waren de herbergen waar Jakob een onderkomen vond, toen hij zich eene vrouw ging zoeken in Padan-Aram, en nog kan men ze heden ten dage precies zoo vinden op de halten in de woestijn. Daarentegen kon men, vooral op de heirwegen tusschen groote steden, zooals Jeruzalem en Alexandrië, uitnemende inrichtingen aantreffen, van alle gemakken voorzien; maar gewoonlijk waren de herbergen niet veel meer dan het hoofdkwartier van een Sheik, een gelegenheid voor bijeenkomsten, voor handel, enz., en eerst in de laatste plaats een toevluchtsoord voor reizigers of zwervelingen. Een andere eigenaardigheid, die den westerling zeker het meest zal verbazen, was het volslagen gemis aan bediening. Geen waard of waardin, geen zaakwaarnemer, geen kok, geen keuken. Een deurwachter aan den ingang was het eenig zichtbaar bewijs van privaat eigendom. Was een vreemdeling eenmaal toegelaten, dan kon hij er blijven zoolang hij verkoos, zonder iemand rekenschap te geven. Een gevolg van die inrichting was, dat iedere gast zijn eigen voedsel en kookgereedschap medebrengen, of zich bij de in de khan aanwezige kooplieden van het noodige voorzien moest. Datzelfde beginsel gold voor zijn nachtleger en het voeder voor zijne lastdieren. Water, rust, onderkomen, bescherming, was alles wat hij van den eigenaar verlangde, en die verkreeg hij om niet. Mocht de vrede wel eens door twistgierigen verstoord worden in een synagoge--in een khan nimmer. Men hield ze, en niet ten onrechte, in hooge eere.

Een stadje als Bethlehem bezat slechts één Sheik, bijgevolg ook één khan, en hoewel Jozef in Bethlehem geboren was, had hij door zijn jarenlange afwezigheid geen enkelen bekende meer, niemand wiens gastvrijheid hij kon inroepen. Daarenboven kon het weken, ja maanden duren, eer het werk der inschrijving afgeloopen was; de langzaamheid toch van Romeinsche beamten was spreekwoordelijk geworden, zoodat Jozef, al had hij zich tot iemand kunnen wenden, toch bezwaarlijk voor onbepaalden tijd huisvesting had kunnen vragen voor zich en zijne vrouw. Op de herberg was dus zijne hoop gevestigd.

Naast den ingang van het gebouw zat de deurwachter op een boomstronk, zijn speer tegen den muur, zijn hond naast zich.

--De vrede van Jehova zij met u, zeide Jozef, hem groetend.

--Datzelfde wensch ik u in ruime mate toe, antwoordde de man ernstig, zonder van houding te veranderen.

--Ik ben een Bethlehemiet, vervolgde Jozef. Is er nog plaats voor mij?

--Neen, alles is bezet.

--Misschien hebt gij mij wel hooren noemen--Jozef van Nazareth. Dit is mijn vaderstad. Ik ben uit Davids geslacht.