Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde

Chapter 18

Chapter 183,885 wordsPublic domain

Kon God zijn uitverkorene niet iets beters bereiden? Wilt gij het wezen der zaak, waarover wij spreken, vatten, zie dan hooger op, bid ik u! Vraag liever waarvan hij, dien wij verwachten, koning zal zijn; want dat is de sleutel van de verborgenheid, die niemand begrijpen zal zonder dien sleutel. Er is een koninkrijk op aarde, ofschoon het niet van de aarde is, een koninkrijk grooter in omvang dan de aarde, grooter dan de zee en de aarde. Zijn bestaan is een feit, en wij doorwandelen het zonder het te zien. Niemand zal dit rijk aanschouwen, voordat hij zijn eigen ziel heeft leeren kennen; want het koninkrijk is niet voor hem, maar voor zijne ziel. De heerlijkheid, die ons in dat rijk wacht, is zoo groot, dat wij haar ons niet kunnen voorstellen--eenig en onvergelijkelijk.

--Uwe woorden, vader, zijn mij een raadsel, ik heb nooit van zulk een koninkrijk gehoord.

--Ik ook niet, verzekerde Ilderim.

--En ik mag er niet meer van zeggen, zeide Balthasar, de oogen ootmoetig neerslaande. Wat het is, waartoe het dient, hoe men er komen kan, zal niemand vernemen, voordat het kind komt, om er als zijn eigendom bezit van te nemen. Hij brengt den sleutel van de onzichtbare poort, die hij ontsluiten zal voor zijne uitverkoornen, waartoe allen zullen behooren, die hem liefhebben, want dezulken alleen zullen de verlosten zijn.

Een lange pauze volgde. Daar niemand een opmerking maakte zeide Balthasar ten laatste: Goede Sheik, morgen of overmorgen ga ik voor eenigen tijd naar de stad. Mijne dochter verlangt de toebereidselen voor de feesten te zien. Het uur van mijn vertrek hoop ik u nader op te geven. U, mijn zoon, zal ik zeker nog zien. Ik wensch u beiden vrede en goeden nacht.

Zij stonden allen van tafel op. De Sheik en Ben-Hur zagen den Egyptenaar na, totdat hij buiten de tent was.

--Sheik Ilderim, zeide de jongeling, ik heb van avond vreemde dingen gehoord. Sta mij toe, bid ik u, een weinig langs het meer te wandelen, opdat ik ze rustig overdenke.

--Ga, ik volg u straks.

Zij wieschen hunnen handen, waarna een bediende Ben-Hur zijne sandalen bracht.

* * * * *

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

OVERDENKINGEN.

Op een kleinen afstand van den dowar stond een groep palmen, die hunne schaduw half over het water, half over het land wierpen. Een nachtegaal zong in de takken zijn lied. Ben-Hur bleef er staan naar luisteren. Op ieder ander oogenblik zou het gezang van den vogel afleiding aan zijne gedachten gegeven hebben; nu niet, want de meedeelingen van den Egyptenaar lagen hem als een pak op het hart. Er was voor hem zelfs in de liefelijkste muziek geen muziek, zoolang lichaam en geest niet tot rust gekomen waren.

De nacht was stil. Geen enkel golfje brak op het oeverzand. De hemel was bezaaid met sterren, al de oude bekenden op haar gewone plaats.

Ben-Hur liep onrustig heen en weer. Zijn levendige verbeelding voerde hem in gedachten naar de zuidelijke streken, waar Balthasar als kluizenaar geleefd had. Het meer met zijn onbeweeglijken spiegel verplaatste hem in den geest naar de oevers van den Nijl, waar de wijze man in het gebed verzonken was, toen de Geest zich aan hem openbaarde. Indien het wonder zich eens herhaalde--en wel aan hem? Hij vreesde, nochtans wenschte, ja zelfs verwachtte hij de verschijning.

Toen zijn opgewondenheid eindelijk wat bedaarde, kwam er orde in zijne gedachten.

Zijn levensdoel kennen wij. Als hij zijne toekomst overdacht was hij telkenmale op een gaping gestuit, die hij niet bij machte was aan te vullen, een gaping zoo wijd, dat hij den overkant slechts flauw kon onderscheiden. Naar welk doel zou hij streven, als hij eindelijk tot bevelhebber bevorderd was? Een opstand tegen de Romeinen lag natuurlijk in zijn plan, maar om de lieden daartoe te bewegen, moest hij een goede reden of een voorwendsel kunnen aanvoeren, en hen op een betere toekomst kunnen wijzen. Die een onrecht te herstellen heeft, strijdt in den regel goed; maar oneindig beter hij, wien het geleden onrecht tot drijfveer is, om naar een betere toestand te streven, een toestand, waarin hij balsem vindt voor zijne wonden, loon voor zijn dapperheid, dank voor zijne moeite, en bij zijnen dood een roemrijk gedenken.

Vóór alle dingen zou Ben-Hur, wilde hij op aanhangers kunnen rekenen, en dat zouden natuurlijk zijne landgenooten zijn, oorzaak en gevolg van den opstand moeten verklaren. Allen zuchtten onder hetzelfde juk, dat af te schudden was een heilige, bezielende plicht.

Reden tot opstand was er dus; maar de gevolgen, welke zouden die zijn? De uren en dagen, die hij aan de overdenking van dit deel zijner plannen gewijd had, waren talloos vele, en altijd was hij tot dezelfde onbevredigde slotsom gekomen: een onbestemde, nevelachtige, algemeene voorstelling van nationale vrijheid. Was dat voldoende? Hij kon niet zeggen: neen; want dat zou zijn hoop den genadeslag hebben toegebracht; hij huiverde om ja te zeggen, omdat zijn verstand wel beter wist. Evenmin kon hij zich wijsmaken, dat Israël in staat zou zijn, om geheel alleen Rome te bestrijden. Hij kende de hulpmiddelen van dien machtigen vijand. Een verbond van alle volken zou iets kunnen uitrichten, maar, helaas! dat was onmogelijk, tenzij--en hoelang had hij niet over die mogelijkheid nagedacht, tenzij uit een der onderdrukte volken een held mocht voortkomen, wiens krijgsverrichtingen de gansche aarde met zijn roem vervullen zouden. Welk een glorie voor Judea, indien dat het Macedonië van den nieuwen Alexander zou blijken te zijn! Helaas, onder de rabbijnen was dapperheid wel mogelijk, maar tucht niet te verwachten. En dan het verwijt van Messala in den tuin van Herodes: Wat gijlieden in zes dagen wint, verliest gij den zevenden dag.

Zoo kwam het dat hij geen licht in de zaak had gezien. God alleen wist óf de verwachte held komen zou. Vandaar dat hij Malluchs verslag van Balthasars wederwaardigheden met een zekere voldoening had aangehoord --de moeilijkheid was opgelost, de held uiteindelijk gevonden, en nog wel een zoon uit den stam van Juda, een Koning der Joden! En achter den held, de wereld onder de wapenen!

Ben-Hurs hart had sterker geklopt toen hij zich voor een oogenblik Jeruzalem als hoofdstad der wereld dacht, en Sion de zetel van de overheerscher. Hoe bevoorrecht had hij zich geacht, dat hij den man, die den koning gezien had, in Ilderims tenten zou ontmoeten. Hij zou hem zien, hem hooren, en van hem alles vernemen wat hij wist van de ophanden zijnde verandering, voornamelijk het tijdstip, waarop het geschieden zou. Indien het ophanden was, zou hij van den veldtocht met Maxentius afzien, en voorbereidingen treffen om de stammen onder de wapenen te brengen, opdat Israël gereed mocht zijn, wanneer de groote dag der wrake aanbrak.

Nu had, zooals wij weten, Ben-Hur het verhaal van Balthasar zelven vernomen. Was hij voldaan?

Een schaduw, donkerder dan die der palmen, rustte op hem--de schaduw der onzekerheid, die meer het koninkrijk gold, dan wel den koning.

Hoe moet ik mij dat koninkrijk voorstellen? Hoe zal het zijn? vraagde Ben-Hur zichzelven gedurig.

--Hoe zal dat koninkrijk zijn?

Ons, lezer, heeft het kind zelf geantwoord; maar Ben-Hur moest zich vergenoegen met de woorden van Balthasar: Op aarde, nochtans niet van de aarde; niet voor menschen, maar voor hunne zielen, en toch een heerschappij van onbeschrijfelijken luister.

Was het wonder, dat die woorden den jonkman zeer raadselachtig voorkwamen?

--Dat is geen menschenwerk, zeide hij half wanhopig. De koning van zulk een rijk heeft geen menschen noodig; geen raadslieden, geen soldaten. De aarde zou geheel vernieuwd moeten worden, en nieuwe grondbeginselen zouden de plaats van de tegenwoordige moeten innemen. Niet door geweld van wapenen,... maar door wat dan?

Nogmaals, lezer, wat voor ons vaststaat kon hij nog niet zien. De macht, die in de Liefde gelegen is, was den menschen toen nog niet bekend. Nooit had iemand hun verkondigd, dat liefde machtiger is dan geweld.

Te midden van die overleggingen voelde hij een hand op zijn schouder.

--Ik heb een woord aan u, zoon van Arrius, zeide Ilderim, één woordje en dan keer ik naar mijne tent terug, want het is laat in den nacht.

--Ik luister, Sheik.

--Wat de dingen aangaat, die gij zooëven gehoord hebt, zeide Ilderim, geloof alles, behalve datgene wat de Egyptenaar zeide over het nieuwe koninkrijk. Laat dat rusten, totdat gij Simonides gehoord hebt, een goed man uit Antiochië, met wien ik u in kennis zal brengen. De Egyptenaar gaf u zijne droomerijen ten beste. Simonides is verstandiger. Hij zal u de uitspraken uwer profeten voorleggen, waaruit hij onwederlegbaar kan aantoonen, dat de verwachte feitelijk koning der Joden zijn zal--koning zooals Herodes was, alleen beter en luisterrijker. En dan, gij begrijpt mij, zullen wij het zoete der wraak smaken. Ik heb gezegd. Vrede zij u!

Ben-Hur staarde hem na en zeide bitter: Alweder Simonides! Simonides hier, Simonides daar; dan door den een, dan door den ander! Het schijnt alsof ik aan den leiband van mijn vaders dienaar zal mogen loopen. Die weet ten minste vast te houden wat het mijne is. Daarom is hij in ieder geval rijker, zoo niet verstandiger, dan de Egyptenaar. Bij hem zal ik zeker niet ter schole gaan!--Maar, wat is dat? Daar wordt gezongen ... een vrouwenstem. Het komt hierheen.

Langzaam keerde een bootje terug van een roeitochtje op het meer. De zangster in het kleine vaartuig deed haar liefelijke stem over de stille wateren klinken. Weldra kon hij de woorden verstaan. Het was een Grieksch lied, een lied van verlangen, aangrijpend en innig.

Toen het bootje voorbijgevaren was slaakte Ben-Hur een diepen zucht. Dat moest den dochter van Balthasar zijn, zeide hij zacht. Wat zingt zij heerlijk! En wat was zij schoon!

Zijn hart begon sneller te kloppen; maar tegelijkertijd verrees voor zijn geestesoog een ander gelaat, jeugdiger en even bevallig--kinderlijker en zachter, hoewel niet zoo hartstochtelijk.

--Ester! zeide hij glimlachend. Ik wenschte een ster te zien, en zij is mij gezonden.

Hij keerde zich om en ging langzaam naar zijne tent terug.

In dat hart, zoo vol van het geleden onrecht en van wraakzuchtige plannen, was geen plaats voor liefde geweest. Was dit misschien het begin van eene verandering ten goede? En van wie ging die invloed uit?

Ester had hem een beker aangereikt.... De Egyptische eveneens.

En beiden waren hem gelijktijdig onder de palmen verschenen!

Wie van de twee zal het zijn?

* * * * *

BOEK V.

* * * * *

EERSTE HOOFDSTUK.

GRATUS WORDT GEWAARSCHUWD.

's Morgens na de bacchanaliën in de zaal van het paleis lagen de jonge patriciërs hun roes uit te slapen op den divan. Al stapte Maxentius heden aan wal, al liep alles in de stad uit om den veldheer te ontvangen, al kwam het legioen in groot tenue van den Sulpius, al zou van Nymphaeum tot Omphalus een pracht ontwikkeld worden, die alles wat men tot hiertoe gezien had overtrof, zij zouden blijven liggen zooals zij neergevallen, of door de dienaren neergelegd waren.

Eén maakte echter een uitzondering. Toen het volkomen dag geworden was stond Messala op, nam den krans van zijn hoofd, ten teeken dat het feest beëindigd was, wikkelde zich in zijn mantel, wierp een laatsten blik op zijne makkers, en begaf zich zonder een woord te spreken naar zijn kwartier. Cicero zou niet meer deftigheid de Senaatskamer hebben kunnen verlaten.

Drie uren later traden twee koeriers zijne kamer binnen, en ontvingen uit zijne hand een verzegeld pakje, duplicaten van een brief aan Valerius Gratus, den procurator, die nog steeds in Cesarea woonde. Dat de brieven een spoedige en zekere bezorging vereischten blijkt uit dien maatregel.

De inhoud was als volgt:

Messala groet Gratus.

Ik heb u een wonderlijke geschiedenis te verhalen, die, ofschoon zij gedeeltelijk nog slechts een vermoeden is, ongetwijfeld uwe belangstelling in hooge mate zal opwekken.

Vergun mij, voordat ik verder ga, uw geheugen een weinig te hulp te komen. Gij herinnert u wellicht vele jaren geleden te Jeruzalem het gezin van een aanzienlijk man, uit het aloude geslacht Hur. Mocht uw geheugen u soms in de steek laten, dan hebt gij, wanneer ik mij niet vergis, een litteeken aan uw hoofd, dat u alles wel weer voor den geest zal kunnen brengen.

Maar ter zake. Tot straf van den aanslag op uw leven--mogen ter wille van onze gewetensrust alle goden verhoeden, dat het ooit blijkt een ongeluk geweest te zijn!--tot straf dan werd het geheele gezin in hechtenis genomen, werden korte metten met hen gemaakt, en hunne bezittingen verbeurd verklaard. En daar deze strafdoening onder goedkeuring van onzen keizer geschiedde, die even rechtvaardig was als wijs,--mogen zijne altaren altijd met bloemen versierd zijn! --behoeven wij ons niet te schamen over de sommen, die ons uit die bron toevloeiden, iets, waarvoor ik u nooit dankbaar genoeg zijn kan, gewis niet zoolang ik in het vrije bezit blijf van het aandeel, dat mij werd toegewezen.

Voorts herinner ik u de wijze maatregelen, die gij genomen hebt om ons doel te bereiken: het stilzwijgen, en een zekeren maar natuurlijken dood van de betrokken personen.

Gij zult u herinneren welke straf gij de moeder en de zuster van den booswicht hebt opgelegd, en indien ik nu vriendelijk verzoek van u te mogen vernemen, of zij nog leven, dan wel of zij gestorven zijn, ben ik te zeer van uwe welwilligheid overtuigd, mijn Gratus, om aan de toezending van een antwoord uwerzijds te twijfelen.

Als meer onmiddellijk in verband staande met de zaak, die mij bezighoudt, neem ik intusschen de vrijheid u te herinneren, dat de misdadiger zelf levenslang tot de galeien werd veroordeeld; zoo luidde het bevel. Met eigen oogen las ik het ontvangbewijs van zijn lichaam, geteekend door den bevelhebber van de galei, die hem opnam.

Schenk mij nu uw onverdeelde aandacht, voortreffelijke Gratus!

Den gewonnen levensduur van een tot de galeien veroordeelde in aanmerking genomen, moest de rechtvaardig gestrafte op zijn minst reeds vijf jaren dood zijn, of beter gezegd, moest een van de drieduizend Oceaniden hem tot echtgenoot genomen hebben. En als gij een oogenblik zwakheid door de vingers wilt zien, o deugdzaamste der menschen, daar ik hem in zijne jeugd beminde en daar hij schoon van aangezicht was (ik had de gewoonte hem mijn Ganymedes te noemen), had hij eigenlijk de allerschoonste dochter van die uitgebreide familie in de armen moeten vallen.

In de meening verkeerende dat hij dood was, heb ik volle acht jaren ongestoord genoten van het fortuin, dat ik hem in zeker opzicht te danken heb. Ik erken dat, zonder daarmee evenwel mijne verplichting jegens u te willen verkleinen.

Maar hoor nu verder. Toen ik gisteravond een feest leidde van eenige jongelieden, pas van Rome gekomen, vernam ik een zonderlinge geschiedenis. Maxentius, de consul, wordt, zooals gij weet, vandaag hier verwacht, om een veldtocht tegen de Parthen te openen. Onder de eerzuchtigen, die hem wenschen te vergezellen, bevindt zich een zoon van den overleden duumvir Quintus Arrius. Ik had aanleiding om nauwkeurig onderzoek naar hem te doen. Toen Arrius uittoog om de zeerovers te tuchtigen, wier vernietiging hem in hoog aanzien bracht, had hij geen familie. Toen hij van dien tocht terugkeerde, bracht hij een erfgenaam met zich mede. Blijf nu bedaard, gelijk den eigenaar betaamt van zoovele talenten zilvers in gangbare munt ... de zoon en erfgenaam van wien ik spreek is hij, dien gij naar de galeien zondt. Dezelfde Ben-Hur, die reeds lang geleden op de roeiersbank had moeten bezwijken, keerde terug als een man van fortuin, aanzien, misschien zelfs als Romeinsch burger, om zich te ... ziet ge, gij zit te vast om bezorgd te moeten zijn; maar ik, mijn Gratus, ik ben in gevaar ... onnoodig u te zeggen van wat. Wie zou het weten, als gij het niet weet?

Zegt gij tot dit alles: o-ho?

Toen Arrius, de vader, met de zeerovers slaags raakte, zonk zijn schip. Van de geheele bemanning ontkwamen slechts twee: Arrius zelf, en de bovengenoemde, zijn erfgenaam. Hunne redders verklaarden, dat de jeugdige metgezel van den tribuun het kostuum van een galeislaaf droeg.

Mij dunkt dit is overtuigend; maar opdat gij niet weder o-ho! zoudt zeggen, deel ik u mede, dat ik gisteren toevallig den geheimzinnigen zoon van Arrius van aangezicht tot aangezicht gezien heb, en ik verklaar u bij dezen, dat, hoewel ik hem eerst niet herkende, hij dezelfde Ben-Hur is, die jaren geleden mijn speelmakker was, dezelfden Ben-Hur, die, als hij een mannenhart in de borst heeft, in ditzelfde uur op wraak zint, (dat zou ik in zijne plaats ook doen) wraak, die met niets minder dan het leven genoegen neemt; wraak voor zijn vaderland, moeder, zuster, zichzelf en--ik noem 't het laatst, ofschoon gij wellicht zoudt meenen, dat het 't eerst moest genoemd worden--voor zijn verloren fortuin.

En nu, mijn weldoener en vriend! mijn Gratus, in aanmerking nemende, dat uwe sestertiën in gevaar verkeeren, wier verlies het ergste is wat iemand van uwen hoogen staat kan overkomen, geloof ik, dat gij niet langer o-ho! zult zeggen, maar ernstig zult gaan overleggen hoe wij hierin hebben te handelen. Ik stel mij, dat spreekt vanzelf, onder uwe bescherming en wacht uwe aanwijzingen.

Ik verlustig mij, als ik mij voorstel, hoe gij dezen brief zult ontvangen. Ik zie hoe gij hem eerst met een zeer ernstig gelaat, dan glimlachende, doorloopt, om ten slotte zonder aarzelen kort en bondig uw oordeel uit te spreken.

Het is nog vroeg in den morgen. Over een uur zend ik twee boden uit, ieder met een verzegeld afschrift van dezen brief. Een zal over land gaan, de ander over zee. Zoo belangerijk acht ik het, dat gij zoo spoedig mogelijk onderricht zoudt zijn aangaande de verschijning van onzen vijand in dit gedeelte der Romeinsche wereld.

Ik zal uw antwoord afwachten.

Ben-Hurs gaan en komen zal natuurlijk afhangen van zijn meester, den consul, die, al spant hij zich nog zoo in, niet binnen de maand gereed zal komen. Gij weet wat het zeggen wil een leger te verzamelen en uit te rusten, dat werkdadig op moet treden in een onherbergzaam, woest oord.

Gisteren zag ik den Jood in het Park van Daphne, en als hij daar op het oogenblik niet is, dan is hij toch zeker in de buurt, om mij gemakkelijk te maken hem in 't oog te houden. Ja, indien gij mij vraagdet: Waar denkt gij dat hij is? dan zou ik met volle overtuiging zeggen: hij is in het Palmbosch, in de tent van Sheik Ilderim, den verrader, die ons niet veel langer moet mogen trotseeren. Laat het u niet verwonderen, indien Maxentius als eerste krijgsoperatie den Arabier inscheept naar Rome.

Ik treed zoo in bijzonderheden omtrent de verblijfplaats van den Jood, omdat het u, verheven man, van nut kan zijn bij het nemen van een besluit ten zijnen opzichte. Zooveel weet ik toch wel, dat bij ieder plan drie gewichtige zaken in het oog moeten gehouden worden: tijd, plaats en middelen.

Indien gij oordeelt, dat hier de plaats is, aarzel dan niet de zaak toe te vertrouwen aan uwen hartelijk liefhebbenden vriend, die uw bekwaamste leerling zou wenschen te zijn. Vaarwel! XII. Kal. Jul. Antiochië.

* * * * *

TWEEDE HOOFDSTUK.

VOORBEREIDING.

Ongeveer op hetzelfde oogenblik, dat de koeriers met de brieven Messala's woning verlieten, trad Ben-Hur Ilderims tent binnen. Hij had een bad genomen in het meer, vervolgens ontbeten, en verscheen nu in een korte Romeinsche tunica zonder mouwen.

De Sheik groette hem van den divan.

--Vrede zij u, zoon van Arrius, zeide hij, terwijl zijn oog met bewondering op den jongeling rustte, die in het volle bewustzijn van kracht en macht voor hem stond. De paarden zijn gereed. Ik ben gereed. En gij?

--Den vrede, dien gij mij toewenscht, bid ik u wederkeerig toe, goede Sheik. Ik dank u voor zooveel welwillendheid. Ik ben gereed.

Ilderim klapte in zijn handen.

--Ik zal de paarden hier laten komen. Zet u neder.

--Zijn zij reeds opgetuigd?

--Neen.

--Vergun mij dan, Sheik, dat ik het zelf doe. Het is noodig, dat ik kennis maak met uwe Arabieren. Ik moet ze bij name kennen, zoodat ik tegen ieder in 't bijzonder spreken kan. Ook moet ik hun aard leeren kennen, daar het met hen is als met de menschen: zijn zij overmoedig, niets beter dan een bestraffing; zijn zij schuchter, niets beter dan lof en aanmoediging. Laat de dienaren mij het tuig brengen.

--En den wagen? vraagde de Sheik.

--Vandaag niet. Geef mij liever een vijfde paard. Het moet even vlug zijn als de andere.

Ilderim keek hem verwonderd aan; maar zonder opheldering te vragen riep hij een der slaven.

--Laat hen het tuig voor de vier brengen, en den teugel voor Sirius, beval hij.

Toen stond de Sheik op en zeide tot Ben-Hur: Sirius is mijn lieveling en ik ben de zijne, zoon van Arrius. Sedert twintig jaren zijn wij kameraden --in de tent, in den strijd, op alle pleisterplaatsen der woestijn. Ik zal hem u laten zien.

Hij ging naar het gordijn, schoof het weg, en liet Ben-Hur binnentreden. De paarden kwamen gezamelijk tot hem. Een van hen, met een kleinen kop, levendige oogen, sierlijk gewelfden nek, breede borst, manen als vrouwenlokken zoo zacht en golvend, hinnikte vroolijk, zoodra hij Ilderim zag.

--Goed dier, zeide de Sheik, den donkerbruinen kop streelend. Goed dier, goeden morgen!--en zich daarop tot Ben-Hur keerende, voegde hij er bij: Dat is Sirius, de vader van de vier anderen. Mira, de moeder, wacht op onze terugkomst, daar zij te kostbaar is om aan de gevaren der reis te worden blootgesteld. Daarenboven betwijfel ik zeer, zoon van Arrius, of de stam hare afwezigheid zou kunnen verdragen. Zij is hun trots. Zij vereeren haar. Indien zij over hunne lichamen wilde galoppeeren zouden zij lachen. Tienduizend ruiters, zonen der woestijn, zullen vandaag vragen: Hebt gij ook iets van Mira gehoord? en op het antwoord: Zij is welvarend, zullen zij zeggen: God is goed! God zij geloofd!

--Mira, Sirius, namen van sterren, is het zoo niet, Sheik? vraagde Ben-Hur, terwijl hij eerst de vier en toen den vader liefkoosde.

--En waarom niet? antwoordde Ilderim. Hebt gij wel eens een nacht in de woestijn onder den blooten hemel doorgebracht?

--Neen.

--Dan kunt gij ook niet beseffen hoe wij, Arabieren, van de sterren afhankelijk zijn. Uit dankbaarheid geven wij hare namen aan onze lievelingspaarden. Al mijne voorvaderen hadden hunne Mira's, zooals ik de mijne heb. Deze kinderen doen eveneens aan sterren denken. Die daar is Rigel, en deze is Antares; ginds is Atair, en die, waar gij juist naar toe gaat, is Aldebaran, de jongste van de kroost; maar wie ooit het onderspit mocht delven, niet hij! Tegen den wind in zou hij u dragen, totdat gij duizelt. Hij zal gaan waar gij dat verlangt, zoon van Arrius, ja, bij de heerlijkheid van Salomo! indien gij het zoudt durven bestaan, hij zou u brengen tot in de kaken van den leeuw.

Het tuig werd gebracht. Met eigen hand legde Ben-Hur den paarden het gebit in den mond. Met eigen hand leidde hij hen buiten de tent, en ordende de teugels.

--Breng mij Sirius, zeide hij.

Met één sprong zat hij op den rug van het paard. Een Arabier zou hem dat niet hebben kunnen verbeteren.

--En de teugels!

Men gaf ze hem.

--Goede Sheik, zeide hij, ik ben gereed. Laat een gids voor mij uit gaan, om mij het veld te wijzen, en zend eenige mannen met water.

Het afrijden geschiedde zonder eenige moeite. De paarden waren niet schrikachtig. Het scheen alsof een stilzwijgende overeenkomst bestond tusschen hen en den nieuwen menner, die met de grootste kalmte en zekerheid optrad.