Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde

Chapter 17

Chapter 173,966 wordsPublic domain

--Zij zullen u zeggen, de lasteraars, mogen hunne dagen verkort worden, sprak de Sheik heftig, zij zullen u zeggen, dat onze paarden afkomstig zijn van de Niseïsche velden in Perzië. God gaf den Arabier een onmetelijke zandvlakte, met eenige kale bergen en hier en daar een bron van bitter water, en zeide tot hem: Zie uw land! En toen de arme man klaagde, erbarmde de Almachtige zich over hem en zeide: Wees goedsmoeds! want Ik zal u zegenen boven anderen. De Arabier hoorde het, dankte, en ging vol vertrouwen den beloofden zegen zoeken. Eerst reisde hij langs de grenzen, maar tevergeefs. Toen maakte hij zich een pad door de woestijn en ging voort, altijd verder, totdat hij in het hart der wildernis een vruchtbaar eiland vond, liefelijk om te zien, en op dat eiland graasden een kudde kameelen en een kudde paarden! Hij nam ze vroolijk tot zich en verzorgde ze met de grootste oplettendheid, als de beste gave Gods. En van dat groene eiland stammen alle paarden, die op aarde te vinden zijn, ook die van de Neseïsche weilanden. Zelfs naar het Noorden verspreidden zij zich, tot aan de vreeselijke valleien, die voortdurend geteisterd worden door stormwinden uit de zee. Twijfel niet aan de waarheid van dit verhaal. Is het niet waar, moge dan geen enkele amulet meer van kracht zijn voor een Arabier. Maar wacht, ik zal u de bewijzen voorleggen.

Hij klapte in de handen.

--Breng mij de registers van den stam, zeide hij tot den binnentredenden slaaf.

Onder het wachten speelde hij met de paarden, liefkoosde hen, streek hunne manen glad, en gaf ieder van hen een bewijs zijner gunst. Weldra verschenen zes mannen met zes cederhouten kisten, die zij voor den Sheik nederzetten.

--Neen, zeide Ilderim, dat bedoelde ik niet. Alleen het stamboek van de paarden,--deze kist. Open die en zet de andere weg.

De kist werd geopend. Haar inhoud bleek te bestaan uit een massa ivoren tafeltjes, door ringen van zilverdraad bijeengehouden, en daar de tafeltjes zoo dun waren als glas, hield iedere ring verscheidene honderdtallen.

--Ik weet, mijn zoon, zeide Ilderim, met welke zorg de schriftgeleerden in den tempel van de Heilige Stad de namen der jonggeboornen opschrijven en bewaren, opdat ieder Israëliet zijn geslachtslijst kan narekenen, al klom zij ook op tot voor den tijd der patriarchen. Mijne vaderen, moge hun aandenken altijd groen blijven! oordeelden het niet zondig dat denkbeeld over te nemen en op hun stomme dienaren toe te passen. Bezie die tafeltjes!

Ben-Hur nam een der ringen, en spreidde de tafeltjes uit. Zij waren vol met Arabische hiëroglyphen, die er met de gloeiende punt van een metalen staafje ingebrand waren.

--Kunt gij ze lezen, zoon van Israël?

--Neen. Wil mij hare meening verklaren.

--Weet dan: ieder tafeltje draagt den naam van een rasveulen, en wel van een, dat vele eeuwen geleden in onzen stam geboren werd, benevens de namen van zijne ouders. Bezie ze nauwkeurig en let er op hoe oud zij zijn, des te gemakkelijker zal het u vallen te gelooven wat ik zeg.

Sommige tafeltjes waren bijna afgesleten, alle waren geel van ouderdom.

--In die kist bewaar ik de geschiedenis van dit viertal. Ik kan u met de stukken bewijzen uit welken stam zij gesproten zijn; zie, hoe die eene uwe aandacht zoekt te trekken en om een liefkoozing vraagt! Zooals deze thans tot ons komen, kwamen hunne vaders vele eeuwen her tot mijne vaderen in hunne tent, om uit de hand hunner heeren hunne maat gerst te ontvangen en toegesproken te worden als kinderen, en op eigenaardige manier hun dank te betuigen. En nu, zoon van Israël, geloof mij vrij, ben ik een vorst der woestijnen, zij zijn mijne eerste dienaren! Ontneem ze mij en ik word een zieke gelijk, door de karavaan achtergelaten om te sterven. Aan hen dank ik mijn onverminderd gezag op de groote heirwegen; en dat zal stand houden, zoolang ik de kracht bezit om mij van hen te bedienen. Ik zou u wonderen kunnen verhalen, door hunne voorzaten verricht. Misschien doe ik het later wel eens; voor het oogenblik zij u genoeg, dat zij bij een terugtocht nooit werden achterhaald, bij een vervolging altijd slaagden. Vergeet echter niet, dat was in de woestijn en onder 't zadel;... hoe het komt weet ik niet, maar mijn hart klopt onrustig om hunnentwil. Zij zijn voor het eerst in 't gareel geweest en wat is niet noodig om den prijs te behalen! Eerzucht, snelheid, volharding bezitten zij. Vind ik iemand voor hen, dien zij als meester kunnen erkennen, dan zullen zij den prijs behalen. Zoon van Israël, als gij die man zijt, dan zweer ik u, dat gij den dag, die u hier bracht, gelukkig zult noemen. Spreek nu voor uzelven.

--Nu begrijp ik, zeide Ben-Hur, waarom een Arabier na zijne kinderen zijne paarden het liefst heeft, en ik begrijp ook waarom de Arabische paarden van alle de beste zijn; maar, goede Sheik, ik wil niet dat gij mij alleen naar mijne woorden beoordeelt, want gij weet het: beloften van menschen kunnen falen. Stel mij morgen op de proef en laat mij uw vierspan probeeren.

Ilderims gelaat straalde van genoegen. Hij wilde spreken, maar Ben-Hur vervolgde: Nog een woordje, goede Sheik. Laat ik u dit mogen zeggen: In Rome heb ik veel geleerd, waarvan ik niet dacht dat het mij ooit te pas zou komen. Geloof mij, al zijn deze uwe zonen der woestijn ieder afzonderlijk als de wind zoo vlug, zij zullen het onderspit delven, zoo zij niet geleerd hebben gezamelijk in het gareel te loopen; want bedenk dit, Sheik, van ieder viertal is een de vlugste en een de langzaamste. Zoo was het vandaag. De menner kon den vlugste der vier niet krijgen tot een verstandig samenwerken met den traagsten. Mijn proefneming zal misschien niet beter uitvallen; maar in dat geval zal ik het u zeggen. Kan ik er hen echter toe krijgen zich naar mijn wil te voegen, zoodat de vier als één loopen, dan zijn de sestertiën en de lauwerkrans voor u, de wraak voor mij. Wat dunkt u?

Ilderim had aandachtig geluisterd. Glimlachend zeide hij: Ik denk beter van u, zoon van Israël. Wij hebben een spreekwoord: als gij het eten met woorden kookt beloof ik u een oceaan van boter.--Morgen zult gij de paarden hebben.

Op dat oogenblik was er beweging aan de achterdeur der tent. Ons avondeten, zeide de Sheik, en mijn vriend Balthasar, met wien gij kennis zult maken. Hij heeft eene geschiedenis te vertellen, die voor een Israëliet allerbelangrijkst is.

Tot de knechts zeide hij: Neemt de kist weg, en brengt de paarden naar hun vertrek.

En zoo geschiedde het.

* * * * *

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

ILDERIMS GASTMAAL.

Als de lezer zich den maaltijd van de drie wijzen in de woestijn nog herinnert, zal hij zich gemakkelijk de toebereidselen in Ilderims tent kunnen voorstellen. Het eenige verschil was: meer gerechten en betere bediening.

Op het karpet voor den divan weren drie kleedjes gelegd en een gedekte tafel neergezet. Tegen een der zijwanden werd een draagbare oven geplaatst, onder toezicht van eene slavin, wier taak het was het gezelschap van heete koeken te voorzien.

Intusschen was Balthasar naar den divan geleid, waar Ilderim en Ben-Hur hem staande opwachtten. Hij droeg een ruim zwart overkleed en was langzaam en statig in zijne bewegingen.

--Vrede zij u, mijn vriend, zeide Ilderim, vrede en welkom.

De Egyptenaar antwoordde: de zegen van God Almachtig, den eenigen waren God, zij met u en de uwen.

Zijne manier van spreken maakte diepen indruk op Ben-Hur.

--Deze jonkman, Balthasar, zeide de Sheik, zijn hand op Ben-Hurs arm leggend, zal hedenavond brood met ons breken.

De Egyptenaar zag den jonkman onderzoekend aan, waarop de Sheik vervolgde: Ik heb hem beloofd, dat hij mijne paarden mag probeeren, en als het goed gaat zal hij er in den circus mee optreden.

Balthasar staarde Ben-Hur zwijgend aan.

--Hij kwam met goede aanbevelingen, ging Ilderim voort, die niets van dat zwijgen begreep. Overeenkomstig die aanbevelingen stel ik hem u voor als den zoon van Arrius, den edelen Romeinschen duumvir, hoewel hijzelf zich een Israëliet noemt uit den stam van Juda, en, bij mijn baard, ik geloof wat hij zegt.

--Weet dan, edelmoedige Sheik, zeide Balthasar, dat mijn leven vandaag in gevaar geweest is en ik hier niet zitten zou, zoo niet een jonkman, het evenbeeld van dezen uwen gast, tusschenbeide getreden was en mij gered had, toen alle anderen vloden.

Toen wendde hij zich tot Ben-Hur en vraagde: Waart gij dat niet?

--Wat zal ik u zeggen, zeide Ben-Hur bescheiden. Ik ben degeen die de paarden van den onbescheiden Romein tot staan bracht, toen zij bij de bron Castalia op uw kameel instormden. Uwe dochter gaf mij dezen beker.

Uit de plooien van zijn tunica bracht hij den beker te voorschijn en overhandigde hem aan Balthasar.

Een glans van blijdschap kwam over het gelaat van de Egyptenaar. De Heer heeft u vandaag tot mij gezonden, eerst bij de bron en nu hier, zeide hij bewogen en reikte Ben-Hur de hand. Ik dank Hem, en dank gij Hem ook, want door zijne genade kan ik u naar verdienste beloonen. De beker is de uwe. Behoud hem.

Nu verhaalde Ben-Hur in antwoord op Ilderims vragenden blik het voorval bij de bron.

--Wat! zeide de Sheik tot zijn jeugdigen gast. Daar hebt gij mij niets van verteld, terwijl gij mij geen betere aanbeveling hadt kunnen brengen. Ben ik niet een Arabier en Sheik van mijn stam van honderdduizenden? En is Balthasar niet mijn gast? zoodat hetgeen gij aan hem gedaan hebt, hetzij goed of kwaad, aan mij gedaan is? Waar zoudt gij belooning zoeken, anders dan hier? En wiens hand moet u die geven, zoo niet de mijne?

--Goede Sheik, ik bid u, spaar mij. Ik kwam niet om eene belooning, en opdat zelfs de schijn niet op mij ruste, zoo weet dat ik uw geringsten slaaf ter hulpe zou gesneld zijn, indien zulks noodig was geweest.

Hoe is uw naam ook weer? vraagde Balthasar. De Sheik noemde een Romeinsche naam, niet waar?

--Arrius, de zoon van Arrius den duumvir.

--En toch zijt gij geen Romein?

--Mijn familie was Joodsch.

--Wat, zegt gij? Leven zij niet meer?

De vraag was eenvoudig en natuurlijk; maar gelukkig voorkwam Ilderim het antwoord.

--Komt, zeide hij, de maaltijd is gereed.

Een oogenblik later zaten zij aan tafel, op Oostersche manier. Dienaren brachten water en handdoeken, zij waschten zich de handen, toen gaf de Sheik een teeken, en de Egyptenaar bad op plechtigen toon: Vader van allen, God! Wat wij hebben is van U; neem onzen dank aan en zegen ons, opdat wij mogen voortgaan met Uwen wil te doen.

De tafel was rijkelijk van het noodige voorzien: luchtige koeken, heet van het vuur, groenten uit den moestuin, vleesch in verschillenden vorm, geitenmelk, honing en boter, alles gebruikt zonder de toevoegselen der hedendaagsche gewoonten: messen, vorken, lepels. Gedurende dit gedeelte van den maaltijd werd weinig gesproken, want zij hadden honger. Maar toen het dessert op tafel kwam werd het anders, en zij waren weldra in een ernstig gesprek verdiept.

Onder zulk een gezelschap: een Arabier, een Jood, en een Egyptenaar, allen geloovende aan éénen God, kon in die dagen slechts één onderwerp van gesprek zijn; en wie van de aanzittenden moest als spreker optreden, zoo niet hij, wien de Godheid bijna persoonlijk verschenen was, die haar in de ster had leeren kennen, die hare stem had gehoord, en zoo wonderbaar door den geest Gods geleid was? En waarvan zou hij spreken, zo niet van datgene, waarvan hij geroepen was te getuigen?

* * * * *

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

GEHEIMENISSEN.

De zon was ondergegaan. De bergen wierpen een donkere schaduw over het Palmbosch en lieten geen plaats voor de zachte violettinten, die bij den overgang van dag op nacht het oog zoo liefelijk kunnen streelen. De nacht viel vroeg en snel in. Om het duister in de tent te verdrijven brachten de slaven vier bronzen kandelaars, één op elken hoek der tafel. Iedere kandelaar had vier armen, en iedere arm droeg een zilveren lamp. Bij het schijnsel van dit licht zaten de dischgenooten nog geruimen tijd te praten in de Syrische taal, die in die streken algemeen gebruikelijk was.

De Egyptenaar verhaalde aan Ben-Hur zijne ontmoeting met de twee vrienden, en berekende met den Sheik, dat het in December achtentwintig jaar geleden was, dat hij en zijne metgezellen met haast het Joodsche land verlaten en in zijne tent gewoond hadden.

Ben-Hur luisterde met groote belangstelling, als naar een openbaring van het hoogste belang voor de geheele wereld, en bovenal voor het volk Israël.

De lezer bedenke, dat de jonge Israëliet sedert zijn vroegste jeugd van den Messias gehoord had. In de school had hij de profetieën dienaangaande hooren voorlezen. De komst van den langverwachte was het onderwerp van veler gesprekken. In de synagogen, in den Tempel, op feest- en vastendagen, in het openbaar en in de stille binnenkamer verkondigden de Joodsche leeraars den Messias, totdat alle kinderen Israëls, waar zij zich ook bevonden, naar Hem uitzagen. De groote vraag was: Wanneer zal Hij komen? Want dàt Hij komen zou als Koning der Joden, als wereldsch koning, als hun koning, dit stond vast. Door hen zou Hij de wereld veroveren, en haar ten hunnen bate en in den naam van God voor altijd aan zich onderwerpen.

Maar wat was de reden dat Israël geen oog had gehad voor dat kind van Bethlehem? Hoe kwam het dat hij er nooit van gehoord had? Balthasar moest hem opheldering geven: Waar was dat kind nu? En wat moest het doen?

--Kon ik u dat maar zeggen, antwoordde Balthasar. Wist ik maar waar hij zich ophoudt, ik zou mij dadelijk opmaken en tot hem gaan. Zeeën noch bergen zouden mij kunnen weerhouden.

--Hebt gij getracht hem te vinden? vraagde Ben-Hur.

--Zeker. Zoodra ik afscheid genomen had van mijn vriend Ilderim stelde ik een onderzoek in, om te vernemen wat van het kind geworden was. Een jaar was echter voorbijgegaan, en ik wilde niet zelf naar Judea terugkeeren, omdat Herodes nog steeds op den troon zat, even bloeddorstig als altijd. Bij mijn terugkomst in Egypte vond ik eenige vrienden, die mijn verhaal van de dingen, die ik gezien en gehoord had, aanhoorden en geloofden, eenige weinigen, die zich met mij verheugden over den Verlosser, ons geboren. Een paar van hen gingen in mijne plaats naar Judea, om persoonlijk een onderzoek in te stellen. Zij gingen eerst naar Bethlehem en vonden de herberg en de grot, maar de deurwachter, hij die ons naar de spelonk gebracht had, was er niet meer. De koning had hem opontboden, niemand in Bethlehem had meer van hem gehoord.

--Maar zij vonden toch zeker getuigen van het gebeurde?

--Ja, bloedige getuigen. Een stadje in rouw, moeders treurend om hare kinderkens. Want gij moet weten dat Herodes, toen hij bemerkte dat wij stil vertrokken waren, soldaten naar Bethlehem zond, om al de jonggeboornen te dooden. Geen enkel ontkwam. Mijne vrienden waren in hun geloof versterkt geworden, maar zij brachten mij de tijding, dat het kind vermoord was met de andere.

--Dood! riep Ben-Hur, dat is verschrikkelijk! 't Is dus dood?

--Neen, mijn vriend, dat heb ik niet gezegd. Ik zeide dat mijne vrienden die tijding meebrachten. Ik geloofde het toen niet en ik geloof het nog niet.

--Hebt gij dan een bijzondere openbaring ontvangen?

--Dat juist niet. De Geest zou ons geleiden tot de plaats, waar het kind zich bevond. Toen wij uit de grot kwamen was de ster verdwenen. De laatste aanwijzing, die wij ontvingen, was die, welke ons langs een anderen weg deed terugkeeren, zoodat wij bij Sheik Ilderim kwamen.

--Ja, dat hebt gij mij toen ook verteld, bevestigde deze.

--Al heb ik geen bijzondere aanwijzing, zeide Balthasar, zoo heb ik toch veel over deze dingen nagedacht, en mijn geloof, dat verzeker ik u, is op dit oogenblik nog even sterk, als toen de Geest mij beval de reis naar Jeruzalem te aanvaarden. Indien gij wilt zal ik u zeggen waarom ik geloof dat het kind nog leeft.

De Sheik en Ben-Hur bogen toestemmend en luisterden met hun gansche aandacht.

--Wij drieën gelooven in God, en Hij is de Waarheid. De heuvelen mogen tot stof verwaaien, en de zeeën opdrogen, maar Zijn Woord blijft bestaan, omdat het de Waarheid is. De stem, die tot mij sprak bij het meer, was Zijne stem en zeide: Gezegend zijt gij, zoon van Mizraïm. De verlossing is nabij. Met twee anderen van het uiterste der aarde zult gij den Verlosser zien!--Ik heb den Verlosser gezien, maar de verlossing moet nog komen. Begrijpt gij het nu? Als het kind gedood werd is er niemand, die de verlossing kan aanbrengen; dan moet de belofte onvervuld blijven. Het kind werd geboren om de wereld te verlossen, en zoolang die belofte niet vervuld is, kan niets, zelfs de dood niet, hem van zijn werk scheiden. Ziedaar de eerste grond van mijn geloof. Nu mijn tweede.

--Wilt gij niet een teug wijn nemen? vraagde de gastheer.

Nadat Balthasar zich verfrischt had, vervolgde hij: De Verlosser, dien ik gezien heb, was van eene vrouw geboren, van nature ons gelijk, en dus onderworpen aan alle kwaad, ook aan den dood. Beschouwen wij nu het werk, dat hem wachtte. Was het niet een taak alleen voor mannenkracht berekend? voor een wijs, sterk, verstandig man? Om dat te worden moest het kind opgroeien, zooals wij. Denk nu eens aan de gevaren, die hem in dien tusschentijd konden bedreigen. De bestaande regeering was hem vijandig. Herodes was zijn vijand, en wat zou Rome voor hem zijn? En Israël ... dat Israël hem niet zou aannemen was de reden, waarom Herodes alle kinderen te Bethlehem liet dooden. Begrijpt gij het nu? Was er zekerder weg om zijn hulpelooze jonkheid te behoeden, dan door hem verborgen te houden? Daarom zeg ik telkens tegen mijzelven: Hij is niet dood, maar houdt zich stil, en daar zijn werk nog niet volbracht is, zal hij wederkomen. Ziedaar de gronden voor mijn geloof. Is er iets tegen te zeggen?

Ilderims oogen fonkelden en Ben-Hur zeide vroolijk: Door mij zeker niet. Wat verder?

--Is dat niet genoeg, mijn zoon? Wachten moet onze leus zijn. Hij leeft en bewaart vooralsnog zijn geheim, hetzij als veelbelovende bloesem, of als rijpende vrucht. Maar, vasthoudende aan de belofte staat mijn geloof onwankelbaar vast,--hij leeft.

--Waar denkt gij, dat hij is? vraagde Ben-Hur aarzelend.

--Eenige weken geleden zat ik in mijn huis aan den Nijl, in gedachten verzonken. Ik zeide tot mijzelf: Een dertigjarige man moet zijn arbeidsveld bebouwd en beplant hebben, want daarna komt de zomer en nadert de tijd, waarin gemaaid moet worden. Het kind, dacht ik verder, is nu bijna dertig jaar. Zijn tijd om te zaaien is daar. Ik stelde mijzelven dezelfde vraag, die gij mij zooeven deedt, en tot antwoord maakte ik mij op en kwam hierheen, om in de nabijheid te zijn van het land, dat God aan uwe vaderen gegeven heeft. Want waar anders zal hij verschijnen dan in Judea? In welke stad zal hij zijn werk beginnen, zoo niet in Jeruzalem? Wie moeten de eersten zijn om de zegeningen te ontvangen, die hij zal aanbrengen, zoo niet de kinderen Abrahams, Izaäks en Jakobs? Als mij bevolen werd: Ga, zoek hem,--dan zou ik alle gehuchten en dorpen langs de hellingen der bergen van Judea en Galilea tot aan het Jordaandal doortrekken. Daar moet hij zich ophouden. Daar heeft hij wellicht dezen zelfden avond, staande voor een eenvoudige woning of op een heuveltop, de zon zien ondergaan met de gedachte, dat hij weder een dag nader was gekomen aan den tijd, waarop hijzelf het licht der wereld zal worden.

Balthasar zweeg. Niet alleen de gastheer en Ben-Hur, maar ook de dienaren hadden, door zijn geestdrift opgewekt, het gevoel alsof de onzichtbare in hun midden was. Eindelijk verbrak Ben-Hur de stilte.

--Ik zie, goede Balthasar, zeide hij, dat gij buitengewoon begunstigd zijt. Ik zie ook, dat gij inderdaad een wijs man zijt. Ik kan u niet zeggen hoe dankbaar ik ben voor hetgeen gij ons verhaald hebt. Gij hebt mij op groote dingen voorbereid. Voltooi het werk, bid ik u, en deel mij alles mede wat gij weet aangaande de zending van hem, dien gij verwacht, en dien ook ik van nu als een geloovig zoon van Juda verwachten zal. Hij zal een Verlosser zijn, zegt gij, zal hij ook niet koning der Joden wezen?

--Mijn zoon, antwoordde Balthasar, zijne zending is vooralsnog een verborgenheid Gods. Wat ik daaromtrent denk ontleen ik aan hetgeen de stem tot mij sprak in verband met de gebeden, waarop zij een antwoord was. Zullen wij dat nog eens nader beschouwen?

--Gaarne, mijn vader.

--De reden van mijn onrust, begon Balthasar, die mij drong in Alexandrië en in de dorpen langs den Nijl te prediken, en die mij ten laatste in de eenzaamheid dreef, was de rampzalige toestand van het menschdom, veroorzaakt, naar ik geloof, door het verlies van de kennis Gods. Ik was bedroefd over de ellende van mijn geslacht, niet van een enkele klasse, maar van allen. Zoo diep zijn zij gevallen, dat, naar mij voorkwam, geen verlossing mogelijk was, tenzij God zelf die ter hand wilde nemen, en ik bad tot Hem: O God, openbaar U aan mij!--Uwe goede werken heb ik overwonnen. De Verlossing komt, gij zult uw Verlosser zien. Aldus sprak de stem, en met dat antwoord reisde ik goedsmoeds naar Jeruzalem. Maar wie moeten verlost worden? De geheele wereld. En hoe zal dat geschieden? Wees sterk, zoon van Arrius! Ik weet wat de menschen zeggen: dat geen geluk mogelijk is, zoolang Rome niet verwoest is. De ellende zou dus niet uit onkunde met betrekking tot God, maar uit het wanbestuur der vorsten voortkomen? Neen, neen! de Verlossing kan niet voor een staatkundig doel zijn, kan niet ten oogmerk hebben machten en tronen omver te werpen, alleen opdat anderen hunne plaatsen zouden innemen. Als dat het doel moest zijn, zou de wijsheid Gods niet langer ondoorgrondelijk zijn. Ik zeg u, al spreek ik misschien slechts als een blinde tot een blinde, hij die komt zal een Verlosser zijn van zielen. Verlossing wil zeggen, dat God weder op aarde wonen zal en de gerechtigheid heerschen, opdat zijn verblijf mogelijk zij.

Ben-Hur kon zijne teleurstelling niet verbergen. Hij boog het hoofd, en ofschoon hij niet overtuigd was, voelde hij zich niet dadelijk in staat om de zienswijze van den Egyptenaar te bestrijden. Ook Ilderim schudde ongeloovig het hoofd. Na een oogenblik zwijgens zeide de eerste: Vader, naar wien moest gij aan de poorten van Jeruzalem vragen?

--Ik moest aan het volk vragen: Waar is de geboren Koning der Joden?

--En gij zaagt hem in de grot te Bethlehem?

--Wij zagen en aanbaden hem en boden hem geschenken aan: goud, wierook, myrrhe.

--Wanneer gij de feiten bespreekt, mijn vader, dan is u te hooren en te gelooven één; maar wat uwe zienswijze aangaat kan ik niet begrijpen welk soort van Koning gij van het kind wilt maken. Ik kan den koning niet scheiden van zijne macht en plichten.

--Mijn zoon, antwoordde Balthasar, gij ziet nu slechts den titel: Koning der Joden. Vestigt gij echter uwen blik op de daarachter liggende geheimenis, dan zal de steen des aanstoots verdwijnen. Over den titel één woord. Uw volk, Israël, heeft betere dagen gezien, dagen waarin God uw volk zijn volk noemde, en door de profeten met hen verkeerde. Welnu, indien Hij hun in die dagen den Verlosser beloofde, dien ik gezien heb, hem beloofde als Koning der Joden, dan moet de verschijning ook gelijk zijn aan de belofte. Begrijpt gij nu de beteekenis van mijne vraag aan de poort?--Ja, gij begrijpt haar, en ik behoef er niets meer van te zeggen. Misschien denkt gij aan de waardigheid van het Kind; als dat zoo is, denk dan even na--moest het de opvolger van Herodes zijn?