Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde
Chapter 16
Zonder zich om iemand of iets te bekommeren maakte hij voor zich en zijne makkers plaats, en toen hij eindelijk in het midden der zaal bleef stilstaan en zijn blik over de spelers liet gaan, keerden zij zich allen tot hem en begroetten hem met een luiden juichtoon: Ha! Messala! Messala!
De meer verwijderden hoorden den kreet en namen hem over. Dadelijk werden de groepjes ontbonden, de dobbelsteenen neergeworpen, en snelden allen naar het midden der zaal.
Messala nam die eerbewijzen als vanzelf-sprekend aan. Weldra zou blijken waaraan hij deze populariteit te danken had.
--Uwe gezondheid, Drusus, mijn vriend, zeide hij tot den speler aan zijne rechterhand, uwe gezondheid. Laat mij uw tafeltje[2] eens zien.
Hij nam de wassen blaadjes, zag de aanteekeningen vluchtig door en wierp ze op de tafel.
--Denaries, enkel denaries, muntstukken voor sjouwers en waterdragers, zeide hij met een hoonenden lach. Bij de doos van Pandora, waar gaat Rome heen, wanneer een Cesar geheele nachten zit te spelen in de hoop dat Fortuna hem een armzalige denarie in den schoot zal werpen!
De telg der Drusussen bloosde tot achter de ooren, maar zijne makkers overschreeuwden zijn antwoord door hun geroep: Messala! Messala!
--Mannen van den Tiber, zeide hij, een der jongelieden de dobbelsteenen uit de hand nemend, wie is de meest door de goden bevoorrechte? De Romein. Wie stelt den volken de wet? De Romein. Wie is dus rechtens beheerscher der wereld?
De gemakkelijk tot geestdrift op te winden jeugdige krijgers namen hem het woord uit den mond en schreeuwden om het hardst: De Romein! De Romein!
--En toch, en toch, zeide hij langzaam, om hunne nieuwsgierigheid te prikkelen, toch is er een, beter dan de besten van Rome.
Trots wierp hij het hoofd achterover, en toen geen antwoord volgde ging hij voort: Hoort gij? Er is een beter dan de besten van Rome.
--Hercules! riep een.
--Of Bacchus! schreeuwde een ander.
--Neen, Jupiter! Jupiter! donderde de menigte.
--Noem hem dan! riepen allen.
--Dat wil ik, zeide hij, zoodra er wat stilte gekomen was. Hij, die bij Rome's volmaaktheid de volmaaktheid van het Oosten gevoegd heeft; hij, die aan het zegevierende Westen de Oostersche kunst heeft toegevoegd.
--Bij Apollo, zijn beste is ten slotte toch de Romein, riep een, en daarop lachten allen en klapten in de handen.
--In het Oosten, vervolgde Messala, hebben wij geen andere goden, dan wijn, vrouwen, en goed geluk, en de uitnemendste van deze drie is goed geluk. Daarom voeren wij tot motto: Wie durft wat ik durf?--zoowel in den Senaat, als in den krijg. Bovenal echter past het bij hem, die het beste zoekt en voor het ergste niet terugdeinst.
Thans sloeg hij een gemoedelijken, vertrouwelijken toon aan, zonder echter zijne overmacht prijs te geven, en zeide: In de groote kast in de citadel heb ik vijf talenten gereed geld liggen. Hier is het bewijs.
Uit zijn toga bracht hij een perkamentrol te voorschijn, wierp die op de tafel en vervolgde onder diep stilzwijgen, terwijl de oogen van allen op hem rustten: Dat is de som die ik durf wagen. Wie van u durft hetzelfde te doen?... Gij zwijgt? Is het te veel? Ik zal er een talent afnemen, slechts drie!... Om twee dan ... Niet?... Een dan ... een ten minste ... een ter eere van de rivier, aan wier oevers gij geboren werdt! Rome in het Oosten tegen Rome in het Westen! De barbaarsche Orontes tegen den heiligen Tiber!
Hij schudde de dobbelsteenen en wachtte even.
--De Orontes tegen den Tiber! herhaalde hij luider en met klem.
Niemand bewoog zich. Toen wierp hij de dobbelsteenen op de tafel en nam lachend het bewijs weer tot zich. Bij Jupiter! riep hij, nu weet ik waarom gij naar Antiochië zijt gekomen: om uw fortuin te maken of te verbeteren. Hier, Cecilius!
--Present! riep een stem achter hem.--Hier ben ik.
--Ga, beval Messala, en laat de dienaren de kannen en bekers en drinkschalen hier brengen. Hebben deze onze landslieden geen beurzen, ik wil zien of zij beter gezegend zijn met magen. Haast u!
Toen keerde hij zich met een luiden lach tot Drusus en zeide: Vergeef het mij, mijn vriend; ik wilde deze fraaie jonge vogels van ons oude Rome slechts op de proef stellen. Kom, Drusus, kom!
Hij nam de steenen weer op en schudde ze vroolijk.
--Hier! Voor welke som gij wilt. Beproef uw geluk.
De noodiging was vriendelijk, innemend. Drusus kon haar niet wederstaan.
--Bij de nimfen, ja, zeide hij lachend. Ik zal met u spelen, Messala, om ... een denarie.
Een zeer jeugdigen knaap keek Messala van de overzijde der tafel aandachtig aan. Plotseling keerde deze zich tot hem en vraagde: Wie zijt gij?
De knaap trok zich snel terug.
--Neen, bij Castor en Pollux! Zoo meende ik het niet. Het is onder mannen gewoonte, als zij zaken doen, aanteekeningen te houden. Ik heb een klerk noodig. Wilt gij dien post vervullen?
De jongeling nam dadelijk zijn tafeltje ter hand, gereed om op te schrijven.
--Wacht even, Messala, zeide Drusus. Het is misschien niet goed door eene vraag de dobbelsteenen op te houden, maar daar schiet mij iets te binnen, en ik moet het wagen, al sloeg Venus mij met haar gordel.
--Ik zal gooien en de steenen zoolang bedekken, dan kan het geen kwaad; en de daad bij het woord voegende vervolgde hij: Voor den dag met uwe vraag!
--Hebt gij een zekeren Quintus Arrius wel eens gezien?
--De duumvir?
--Neen, zijn zoon.
--Ik wist niet dat hij een zoon had.
--Weet gij waarom ik het vraag? Omdat Pollux niet sterker gelijken kan op Castor, dan Arrius op u.
--Ja, dat is zoo! riepen tien, twintig stemmen te gelijk. Zijn oogen, zijn gelaat!
--Wat een dwaasheid, zeide een ander geërgerd. Messala is een Romein, Arrius een Jood.
--Daar hebt gij gelijk in, merkte een derde op. Hij is een Jood, of Momus leende zijne moeder het verkeerde masker.
Het gesprek dreigde in twist te ontaarden, maar Messala kwam tusschenbeide.
--De wijn is nog niet gekomen, Drusus, zeide hij. Wat Arrius betreft, ik zal gelooven wat gij zegt. Vertel mij dus wat gij van hem weet.
--Wel, hij moge dan Jood of Romein zijn, en bij den grooten Pan, met allen eerbied voor uwe gevoelens, Messala, deze Arrius is schoon, dapper, en verstandig. De keizer bood hem zijne gunst en bescherming aan, maar hij weigerde die aan te nemen. Zijn optreden was zeer geheimzinnig, en hij houdt zich op een afstand, alsof hij zich voor beter of voor slechter houdt, dan wij anderen. In het worstelperk was hij onovertroffen. Hij speelde met de blauwoogige reuzen van den Rijn en de hoornlooze stieren van Sarmatië, alsof het wilgetakken waren. De duumvir heeft hem zijn geheele vermogen vermaakt. Hij heeft zich met waren hartstocht in den wapenhandel geoefend en is vervuld van den oorlog. Maxentius nam hem op in zijn gevolg, en hij zou met ons zijn scheep gegaan, maar wij verloren hem te Ravenna. In weerwil daarvan is hij in welstand hier aangekomen. Wij hebben hedenmorgen van hem gehoord. In plaats van naar het paleis of de citadel te gaan, heeft hij zijn bagage achtergelaten in de herberg en is wederom verdwenen.
Messala, die eerst slechts ten halve geluisterd had, werd langzamerhand nieuwsgierig. Toen Drusus zweeg hief hij zijne hand op en riep: Hallo, Caius, hoort ge dat?
Een jongeling, die schuin achter hem stond, zijn Myrtilus, of metgezel bij de dagelijksche oefeningen in de renbaan, antwoordde, verheugd over de eer hem aangedaan: Deed ik dat niet, mijn Messala, dan was ik niet waard uw vriend te zijn.
--Herinnert gij u den man, die u van middag in het stof heeft doen bijten?
--Bij Bacchus! Is mijn schouder niet bont en blauw om het mij in gedachtenis te doen blijven?
--Wees dan het Noodlot dankbaar, want ik heb uw vijand gevonden. Let maar op.
Hierop keerde hij zich tot Drusus: Vertel ons meer van hem; van hem, die zoowel Jood als Romein is, bij Phoebus, eene vereeniging die een centaur aanminnig zou maken! Hoe kleedt hij zich, Drusus?
--Als een Jood.
--Hoort gij het, Caius? zeide Messala, de knaap is jong, dat is één. Hij heeft het gelaat van een Romein, twee. Hij draagt het liefst kleeren van een Jood,--drie. En in het worstelperk behaalt men roem en fortuin door het omverwerpen van een paard, of het doen kantelen van een wagen, al naar dat verlangd wordt--vier. Drusus, help mijn vriend verder. Ongetwijfeld spreekt deze Arrius verscheidene talen, anders kon hij niet vandaag Jood, morgen Romein zijn. Maar kan hij zich ook in de schoone taal der Atheners vloeiend uitdrukken?
--Die spreekt hij zoo zuiver, Messala, dat hij er gerust als redenaar in zou kunnen optreden.
--Hoort gij het wel, Caius? die knaap kan op zijn Grieksch een vrouw begroeten, dat is dus vijf. Wat zegt gij er van?
--Gij hebt hem gevonden, mijn vriend, antwoordde Caius, of ik ben Caius niet.
--Vergeef mij, Drusus, dat ik dus in raadselen spreek, zeide Messala op zijn gewone innemende manier. Bij alle goden, ik zou uwe nieuwsgierigheid niet willen spannen tot brekens toe; maar help mij nu tot aan het einde. Gij vondt, geloof ik, iets geheimzinnigs in het optreden van dien zoon van Arrius. Vertel mij daar wat van.
--Och, niets bijzonders, zeide Drusus, een kindersprookje. Toen Arrius, de vader, uitzeilde om de zeerovers te straffen, bezat hij vrouw noch kind. Hij keerde terug met een jongeling ... hem van wien wij spreken, en nam hem den volgenden dag tot zoon aan.
--Tot zoon aan? herhaalde Messala. Bij alle goden! Drusus, dat is een belangwekkend geval. Waar vond de duumvir den knaap? En wie was hij?
--Wie kan u daar het antwoord op geven, wie dan de jonge Arrius zelf? In de hitte van de strijd verloor de duumvir, toen nog tribuun, zijn galei. Een terugkeerend schip vond hem en den knaap, de eenig overgeblevenen van de commandantsgalei, drijvende op een en dezelfde plank. Ik geef u het verhaal zooals ik het van de redders hoorde, dat in ieder geval nooit tegengesproken is. Zij beweren dat de metgezel van den duumvir een Jood was.
--Een Jood! herhaalde Messala.
--En een galeislaaf.
--Hoe dat, Drusus, een galeislaaf?
--Toen die beiden opgehaald werden, had de duumvir zijn wapenrusting aan, de ander het kostuum van een roeier.
Messala richtte zich op in zijn volle lengte. Een galeislaaf, herhaalde hij op peinzenden toon.
Op dit oogenblik brachten eenige slaven groote kannen wijn, schalen met vruchten en confituren, en weer anderen bekers van allerlei model, het grootste gedeelte van zilver. Dat gezicht bracht Messala weer op dreef. Hij sprong op een stoel. Mannen van den Tiber, riep hij met luide stem, laat ons het wachten op onzen veldheer veranderen in een feest ter eere van Bacchus. Wien kiest gij tot voorzitter?
Drusus stond op. Wien anders dan den gastheer zelf? vraagde hij. Spreekt, Romeinen.
Een luid gejuich was het antwoord.
Messala nam den krans van zijn hoofd, reikte hem aan Drusus over, die op de tafel sprong, en hem ten aanschouwe van allen weer plechtig op het hoofd van Messala zette, waardoor hij hem tot voorzitter kroonde.
--Te gelijk met mij, zeide hij, zijn eenige vrienden in de kamer gekomen, die juist van tafel waren opgestaan. Breng volgens oud gebruik dengene hier, die het meest door den wijn bevangen is.
Eenige stemmen antwoordden: Hier is hij! Hier!
En van den grond, waar hij neergezegen was, werd een knaap opgebeurd, zoo schoon van gelaat, dat hij voor den wijngod zelven kon doorgaan, maar de kroon zou hem van 't hoofd zijn gevallen, en de staf uit zijne hand.
--Zet hem op de tafel, beval de voorzitter.
Men gehoorzaamde, maar de knaap zakte ineen.
--Ondersteun hem, Drusus!
Drusus nam de slaper in zijn armen en hield hem overeind.
Nu sprak Messala onder diep stilzwijgen tot den bezwijmde: O Bacchus, grootste der goden, wees ons hedennacht goedgunstig. In mijnen naam en in dien mijner metgezellen beloof ik dezen krans aan uw altaar in het Park van Daphne.
Hij maakte een diepe buiging, zette den krans weer op, ontblootte de dobbelsteenen, bekeek ze, en zeide lachend: Ziehier Drusus, bij den ezel van Silenus, de denarie is voor mij!
Een oorverdoovend gejubel deed de zaal op hare grondvesten daveren, ... het drinkgelag nam een aanvang.
Noot: [2] Dun houten blaadje, met was bestreken, waar men met een stift op schreef.
* * * * *
DERTIENDE HOOFDSTUK.
IN DE TENT.
Sheik Ilderim was een te gewichtig man om met een klein gevolg te reizen. Hij had, als de aanzienlijkste en oudste onder de vorsten der woestijn, den naam van zijnen stam weten op te houden. In de steden gold hij voor een der rijkste grondbezitters, en daar hij werkelijk zeer rijk was in geld, zoowel als in slaven, kameelen, paarden en groot en klein vee, voerde hij gaarne een hoogen staat, die hem niet alleen in aanzien deed stijgen bij vreemden, maar zijne ijdelheid streelde en hem allerlei gemakken aanbracht.
Al spraken wij van zijne tent in het Palmbosch, in werkelijkheid had hij er een _dowar_, dat wil zeggen, hij had drie groote tenten: eene voor zich, eene voor bezoekers, eene voor zijne meestgeliefde vrouw en hare bedienden; en zeven kleinere voor zijne slaven en zijne lijfwacht, sterke dappere mannen, goed vertrouwd met boog, speer en paarden.
Hoewel hij in het Palmbosch natuurlijk veilig was, had hij, daar men wijs doet met zich aan de gewone orde te houden, de door de tenten begrensde ruimte voor zijne koeien, kameelen en geiten bestemd, en voor zulke bezittingen, die een leeuw of een dief in verzoeking konden brengen.
Overal en ten allen tijde volgde Ilderim de gebruiken van zijn volk tot in de kleinste bijzonderheden; dientengevolge was zijn leven in het Palmbosch eene voortzetting van zijn leven in de woestijn, een echt aartsvaderlijk leven--het herdersleven van het oude Israël.
Op den morgen zijner aankomst in het Palmbosch had Ilderim de karavaan doen stilhouden en een speer in den grond gestoken, zeggende: Hier, sla hier mijne tent op. De opening naar het Zuiden, het meer vóór ons, en deze kinderen der woestijn tot een beschutting boven ons hoofd, als wij bij zonsondergang de avondkoelte willen genieten.
Bij deze laatste woorden ging hij naar drie zware palmboomen en klopte tegen hun bast, zooals hij zijne paarden op den nek geklopt zou hebben.
Wie anders dan de Sheik had het recht om der karavaan: halt toe te roepen, of van de tent te bevelen: hier worde zij opgeslagen?--De speer werd uit den grond gerukt, en in de gemaakte opening de eerste paal voor de tent geplant, het middenschot voor de groote voordeur. Vervolgens werden acht andere palen ingeslagen, in het geheel drie rijen palen, telkens drie op een rij. Toen werden de vrouwen en kinderen geroepen, om het tentedoek te ontpakken. Niemand anders dan de vrouwen mochten dat doen, want waren zij het niet, die de bruine geiten der kudden geschoren, het haar tot een draad gesponnen, dien draad tot doek geweven, en de doeken aaneengenaaid hadden, om tot een dak te dienen, donkerbruin, in werkelijkheid maar op een afstand zwart als de tenten van Kedar? Hoe vroolijk spande ten besluite het gezamenlijk dienstpersoneel van den Sheik het tentedoek van paal tot paal, de pinnen inslaande en de koorden vastmakende, daar waar het behoorde! En als eindelijk de matten wanden opgericht en bevestigd waren, in welke angstige spanning werd dan het oordeel van den meester afgewacht! Hoe gelukkig waren zij, toen hij, na alles van binnen en van buiten bekeken te hebben, goedkeurend knikte en vriendelijk zeide: Goed gedaan! maakt nu den dowar in orde naar uw beste weten en hedenavond zullen wij het brood met arak besproeien, en de melk met honing verzoeten, en aan iederen haard zal een bokje gebraden worden. Wij zullen geen gebrek hebben aan zoet water, want het meer is onze bron; de lastdieren en de kudde zullen niet hongeren, want hier is overvloed van groen gras. God zij met u, kinderen! Gaat aan 't werk.
Vroolijk trok de troep af, om hunne eigene tenten op te slaan. Een paar bleven achter om de tent van den Sheik te meubileeren: de mannen spanden een gordijn langs de middelste palenrij, waardoor de tent in tweeën gedeeld werd, de eene helft voor den Sheik, de andere voor zijn paarden, de afstammelingen van Salomo's renners. Tegen den middelsten paal werd het wapenrek opgesteld, en met speren, bogen, pijlen en schilden behangen; bovenop het zwaard van den meester, welks gevest schitterde van edelsteenen. Aan het eene eind van het rek hingen zij de tuigen der paarden, aan het andere de kleederen van den meester: zijn wollen en linnen gewaden, tunica's en broeken, en zijn vele kleurige tulbanden.
Intusschen hielden de vrouwen zich onledig met het ontpakken van den divan. In den vorm van een hoefijzer, de opening naar de deur gekeerd, stelden zij hem op, bedekten hem met kussens en peluwen, en hingen er gordijnen om. Rondom den divan legden zij een karpet, en in de binnenruimte evenzoo, tot aan de deur der tent. Toen vulden zij de kannen en kruiken met water en hingen de lederzakken met arak op. Welk Arabier zou Sheik Ilderim niet gelukkig prijzen in zijne tent bij het zoetwatermeer, onder de schaduw der palmen van zijn erfdeel!
In de hier beschreven tent hebben wij Ben-Hur verlaten.
De bedienden stonden reeds gereed om de bevelen des meesters te volgen. Een van hen ontbond zijne sandalen, een ander die van den bezoeker. Vervolgens hielpen zij de beide ruiters zich ontdoen van hunne bestoven kleeren, en een frisch wit linnen gewaad aantrekken.
--Kom mede en rust, zeide de gastheer hartelijk in het Hebreeuwsch, en geleidde hem naar den divan.
--Ik ga hier zitten, en mijn gast daar, zeide hij tot eene dienstmaagd, die zich aanstonds beijverde de kussens op te schudden en goed te leggen, waarna de beide mannen op den divan plaats namen en zich de voeten lieten wasschen met frisch water uit het meer.
--Een onzer spreekwoorden in de woestijn luidt, dat een goede eetlust de belofte is van een lang leven, zeide Ilderim. Hoe staat het met den uwe?
--Daarnaar berekend, goede Sheik, zal ik honderd jaar kunnen leven. Ik ben een hongerige wolf aan uwe deur, antwoordde Ben-Hur.
--Welnu, ik zal u niet als een wolf wegzenden. Ik zal u het beste van mijn kudde voorzetten.
Ilderim klapte in de handen, waarop een bediende binnentrad.
--Ga naar den vreemdeling in de bezoekerstent en zeg, dat ik, Ilderim, hem toebid, dat zijn vrede bestendig moge zijn, als het stroomen der wateren.
De man boog zich.
--Meld hem verder, vervolgde de Sheik, dat ik nog een gast heb meegebracht om brood mede te breken. Als Balthasar, de wijze, het maal met ons wil deelen, zullen wij met ons drieën wezen, en het deel der vogelen zal er niet kleiner om zijn.
De man ging heen.
--Laat ons thans rust nemen, zeide de Sheik en maakte het zich gemakkelijk op den divan. Ben-Hur volgde zijn voorbeeld, en toen hij gereed was, vervolgde de Sheik op ernstigen toon: Dat gij mijn gast zijt, van mijn wijn gedronken hebt, en straks met mij eten zult, mag mij niet verhinderen u te vragen: Wie zijt gij?
--Sheik Ilderim, zeide Ben-Hur, kalm den onderzoekenden blik van den grijsaard doorstaande, ik bid u, meen niet dat ik uw billijke vraag ontwijken wil; maar was er in uw leven nooit een tijd, waarin de beantwoording van zulk een vraag een misdaad zou geweest zijn jegens uwe ouders?
--Bij Salomo's heerlijkheid, ja, antwoordde Ilderim. Zelfverraad is in sommige gevallen even laag, als het verraden van een geheelen stam.
--Dank, goede Sheik! Nooit kwam er beter antwoord uit uwen mond. Nu weet ik, dat gij slechts de zekerheid verlangt te hebben, dat gij uw vertrouwen niet aan een onwaardige zult schenken en dat die zekerheid van meer belang voor u is, dan mijne levensgeschiedenis.
De Sheik boog het hoofd. Ben-Hur haastte zich van deze stemming partij te trekken en zeide: Voor alle dingen wil ik u mededeelen, dat ik geen Romein ben, zooals mijn naam u zou doen denken.
Ilderim zag zijnen gast oplettend aan.
--Vervolgens dat ik een Israëliet ben uit den stam van Juda. Dat niet alleen. Ik ben een Jood en koester een wrok tegen Rome, waarbij de uwe slechts kinderspel is.
De grijsaard plukte zenuwachtig aan zijn baard en trok de wenkbrauwen samen.
--Nog meer; ik zweer u, Sheik Ilderim, ik zweer u bij het verbond, dat de Heer met mijne vaderen gemaakt heeft, als gij mij helpen wilt de wraak te nemen, die ik zoek, dan zullen de uitgeloofde prijs en de eer bij de wedrennen de uwe zijn.
Ilderim hief het hoofd op, zijn oogen straalden; men kon zien dat het voorstel hem toelachte.
--Genoeg, zeide hij. Als aan den wortel uwer tong een leugen verborgen ligt, zou Salomo zelf niet veilig voor u geweest zijn. Dat gij geen Romein zijt, dat gij als Jood een wrok tegen Rome hebt en wraak wil nemen, geloof ik. Maar hoe staat het met uwe vaardigheid? Welke ondervinding hebt gij in wedrennen met wagens? En de paarden--kunt gij ze aan uwen wil onderwerpen, zoodat zij u kennen, zoodat zij komen als gij ze roept, loopen, rennen als gij het beveelt, met inspanning van alle krachten tot bezwijkens toe, om hen dan in het beslissend oogenblik te bezielen tot een laatste inspanning, de krachtigste van alle, die tot overwinning voert? Die gave, mijn zoon, is niet ieder gegeven. Ik heb een koning gekend, die over millioenen menschen heerschte, maar zich niet de achting van een paard kon verwerven. Begrijp mij wel, ik spreek niet van gewone dieren, wier taak is te slaven voor slaven; wier bloed verbasterd werd, wier geheele uiterlijk het innerlijk teekent: geestelijk dooden. Neen, ik spreek van renpaarden als de mijne, koningen in hunne soort, wier stamboom opklimt tot in de stoeterijen van den eersten Pharao, mijne makkers en vrienden, medebewoners van mijne tent, die door een langdurig verkeer met mij opgevoerd zijn tot een ongekende hoogte, wier instinct aan eens menschen verstand gelijk is geworden, wier zintuigen met onze ziel gelijk staan, die evenals wij eerzucht, liefde, haat, tegenzin kennen; helden in den krijg, kinderen in vertrouwen. Hallo, hier!
Een bediende trad naar voren.
--Laat mijn Arabieren binnenkomen!
De man trok het gordijn in het midden der tent open, waardoor een groepje paarden zichtbaar werd, die een oogenblik aarzelden en staan bleven, alsof zij niet zeker waren van de noodiging.
--Komt, zeide Ilderim, waarom blijft ge staan? Wat heb ik dat niet het uwe is? Komt, zeg ik.
Zij kwamen langzaam nader.
--Zoon van Israël, zeide hun meester, uw Mozes was een groot man; maar, ha, ha, ha! ik moet lachen wanneer ik bedenk, dat hij uwe vaderen toestond den trekos en den ezel te gebruiken, maar hun verbood paarden in eigendom te bezitten. Denkt gij, dat hij dat gedaan zou hebben, als hij dezen en dien, en dien daar gezien had?
Zoo sprekend legde hij zijne hand op den naastbijstaanden Arabier en liefkoosde hem met onbeschrijfelijke teederheid.
--Dat is een misverstand, Sheik, een misverstand, zeide Ben-Hur levendig. Mozes was een krijgsman, zoowel als de van God beminde wetgever, en zou hij dan geen paarden gehad hebben?
Een welgevormde kop met groote zachte oogen, zacht als die eener ree, half verborgen door de dikke voorhoofdlokken, vlijde zich bijna tegen hem aan, neusgaten en bovenlip in gestadige beweging, alsof zij vragen wilde: Wie zijt gij?
Ben-Hur herkende een van het vierspan uit het renperk en stak het schoone dier zijn open hand toe.