Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde

Chapter 15

Chapter 153,992 wordsPublic domain

--De stamboom van dezen Sheik klimt tot in de grijze oudheid op, zeide Malluch. Al zijne voorvaders waren Sheik. Een van hen heeft eenmaal een vervolgden koning het leven gered. Het verhaal gaat, dat die Sheik den koning duizend ruiters leende, die hem nu hier dan daar in de wildernis verborgen, totdat zich eene gelegenheid aanbood om hem te wreken, zijne vijanden te verslaan, en den koning troon en rijk terug te geven. De koning vergat de bewezen diensten niet, maar noodigde den Sheik uit om zijne tent in deze streek op te slaan, en gaf hem het meer en de boomen en het land tusschen de rivier en de naastbijgelegen bergen tot eene erfelijke bezitting.

--En heeft niemand hem ooit die bezitting betwist?

--De verschillende overheerschers hebben het verstandig geoordeeld op goeden voet te blijven met den stam, die door den Heer gezegend is met strijdbare helden en paarden en kameelen en rijkdommen, zoodat zij meester zijn van vele heirwegen tusschen de groote steden, en den handel naar welgevallen kunnen belemmeren of beschermen. Zelfs de prefect in de Citadel is blijde, wanneer de Sheik met zijne vrouwen en kinderen en zijn ganschen stoet de eenzaamheid der woestijn verlaat, om voor een poos in dit heerlijk oord zijne tenten op te slaan.

--Maar hoe komt het dan, dat de Sheik straks het uur vervloekte, waarin hij een Romein zijn vertrouwen geschonken had? Als de keizer hem gehoord had, zou hij zeker gezegd hebben: zulk een vriend begeer ik niet. Weg met hem!

--Ja, wat dat betreft, Ilderim heeft een grief tegen Rome, zeide Malluch met een glimlach. Drie jaren geleden trokken de Parthen langs den weg van Bozra naar Damascus en vielen een karavaan aan, die onder anderen de schatting van een in de buurt gelegen district vervoerde. Zij sloegen alle gevangenen dood, hetgeen de beambten te Rome hadden kunnen vergeven, indien slechts de keizerlijke schatten behouden en naar Rome gezonden waren. De pachters, die voor de slachting aansprakelijk waren, beklaagden zich bij den keizer. Deze veroordeelde Herodes in de kosten, en Herodes verhaalde de schade op Ilderim, wien hij van plichtverzuim beschuldigde. De Sheik kwam in hooger beroep bij den keizer; maar deze gaf een antwoord, waar niemand wijs uit kon worden. De oude man heeft zich dat sterk aangetrokken en wacht slechts op een gelegenheid om zich te wreken.

--Hij kan toch niets doen, Malluch.

--Dat is te zeggen.... Maar zie, de gastvrijheid begint reeds. De kinderen spreken u aan.

De kameelen bleven stilstaan en Ben-Hur zag, dat eenige kleine meisjes hem mandjes met dadels aanboden. Hij nam ze met vriendelijken dank.

Toen zij weer verder reden zeide Malluch: Ik ben zeer bevriend met den koopman Simonides, en zoo heb ik ook kennis gemaakt met zijne vrienden, waaronder Sheik Ilderim een eerste plaats bekleedt. Ik heb hem meermalen ontmoet. Een paar weken geleden bracht hij Simonides een bezoek. Ik was in de kamer, en daar hij zeer opgewonden scheen, wilde ik mij verwijderen; maar hijzelf verbood het, zeggende: Gij zijt een Israëliet, blijf dus hier en luister, want ik heb een vreemde geschiedenis te verhalen.--Vele jaren geleden kwamen drie reizigers bij hem, een Hindoe, een Griek en een Egyptenaar. Zij reden op kameelen, de mooiste die hij ooit gezien had, en alle drie wit. Zij bleven die nacht bij hem. Den volgenden morgen vertelden zij hem wie zij waren en vanwaar zij kwamen. Alle drie hadden zij eene ster gezien en eene stem gehoord, die hun beval naar Jeruzalem te gaan, en te vragen naar den jonggeboren Koning der Joden. Zij gingen, en de ster geleidde hen van Jeruzalem naar Bethlehem, waar zij in een spelonk het pasgeboren kind vonden, dat zij aanbaden en geschenken gaven. Zij gingen niet naar Herodes terug, het was Herodes de Groote, overtuigd dat die hen dooden zou, maar kwamen bij Sheik Ilderim, die hen in zijne tenten verborg, totdat zij de terugreis durfden aanvaarden.

--Dat is zeker een vreemde geschiedenis, zeide Ben-Hur. Maar waar zegt gij dat zij te Jeruzalem naar vragen moesten?

--Zij moesten vragen: Waar is de geboren Koning der Joden?

--Was dat alles?

--Er was nog wat bij; maar dat herinner ik mij niet meer.

--En vonden zij het kind?

--Ja, en aanbaden het.

--'t Is vreemd, Malluch.

--Ilderim is een ernstig man, al is hij ook, evenals alle Arabieren, licht ontvlambaar. Een leugen uit zijn mond is ondenkbaar.

--Heeft Ilderim nooit meer van die drie mannen gehoord?

--Wel, dat was het juist wat hij Simonides kwam vertellen bij dat laatste bezoek. Den vorigen avond was de Egyptenaar onverwacht weer bij hem gekomen.

--Herkende hij hem dan?

--Ja, aan zijn manier van spreken en doen, en hij bereed denzelfden witten kameel, en gaf denzelfden naam op: Balthasar, den Egyptenaar.

--Wat zegt gij? Dien naam gaf de oude man aan de bron mij ook op! En de jonkvrouw was zijne dochter.

Een oogenblik later zeide hij: Zij moesten dus vragen naar hem, die de Koning der Joden zou zijn?

--Neen, antwoordde Malluch, zij moesten naar den geboren Koning der Joden vragen. Die woorden heeft de Sheik altijd onthouden en hij wacht op de komst van dien Koning. Niets kan zijn geloof aan het wankelen brengen, dat hij komen zal.

--Hoe ... als Koning?

--Ja, om Rome's macht te fnuiken.

Ben-Hur bleef in gedachten verzonken en zeide toen: De Sheik is een uit velen, die onrecht hebben te wreken; maar het is immers onmogelijk, Malluch, dat iemand anders dan een Herodes Koning der Joden zou zijn, zoolang Rome Rome is?... Maar om op het verhaal terug te komen; wat antwoordde Simonides?

--Simonides is een wijs man. Ik luisterde, en hij zeide ... maar hoor! daar komt iemand ons achterop.

Paardengetrappel weerklonk, het kwam nader en nader, en zie, daar was de Sheik zelf met zijn gevolg, ook de vier Arabische paarden en de wagen. Zoodra hij hen zag riep den grijsaard: welkom en vrede!... Ha! Zijt gij het, mijn goede vriend Malluch? Welkom! Brengt gij mij tijding van mijn vriend Simonides? Moge de God zijner vaderen hem nog lang bij het leven bewaren! Volgt mij, opdat ik u verfrisschingen voorzette.

Zij volgden hem tot aan de deur zijner tent, waar hij hun een verkoelenden drank aanbood.

Zoodra zij naar binnen waren gegaan nam Malluch den Sheik ter zijde, om iets met hem te bespreken, waarna hij tot Ben-Hur terugkeerde en zeide: Ik heb den Sheik over u gesproken, hij is uw vriend, het verdere laat ik dus aan u over. Ik moet nu naar de stad, waar ik hedenavond gewacht word. Morgen kom ik terug en hoop dan bij u te blijven tot na den afloop der feesten.

Met wederzijdsche zegenbeden scheidden zij en vertrok Malluch.

* * * * *

ELFDE HOOFDSTUK.

MALLUCHS RAPPORT.

Het was laat in den avond. Het maanlicht bescheen de gebouwen op den berg Sulpius, en twee derden van Antiochië's inwoners zochten op de platte daken der huizen koelte en verfrissching. Ook Simonides had zich naar het terras laten brengen en liet den blik rusten op de rivier en de ten anker liggende schepen. De muur achter hem wierp een breede schaduw op het water. Esther stond voor hem met een blad, dat zijn eenvoudig avondeten bevatte: luchtig gebakken koeken, wat honig en een kom melk.

--Malluch is laat, zeide hij, en verried alzoo waar zijne gedachten toefden.

--Zou hij nog komen? vraagde Esther.

--Als hij niet op zee of in de woestijn is, zal hij komen, antwoordde Simonides beslist.

--Hij zou kunnen schrijven.

--Als hij vèr weg moest, zou hij mij dat dadelijk gemeld hebben; daar hij dat niet gedaan heeft, weet ik dat hij komen zal.

--Ik hoop het, zeide zij zacht.

Iets in haar toon trof hem. Hij keek op en zei: Zou het u genoegen doen, als hij kwam?

--Ja vader.

--Waarom? vertel mij dat eens.

--Omdat ... omdat de jonge man....

--Onze meester is. Woudt ge dat zeggen, Esther?

--Ja vader.

--En gij vindt, dat ik hem niet moet laten gaan zonder hem te zeggen, dat hij komen kan als het hem behaagt, om ons met alles wat wij bezitten tot zich te nemen; alles, Esther: de schepen, het geld, de slaven, het huis, en het machtig krediet, dat als een mantel van fijn goud en zilver voor mij geweven werd door den grootsten beschermengel der menschen: welslagen.

Zij antwoordde niet.

--Laat het u koud? vraagde hij met iets bitters in zijn toon. Ach, kind, ik weet bij ondervinding, dat wat van te voren ondragelijk scheen doorstaan kan worden, als men er maar eerst vóór staat, zelfs het ergste, zelfs de pijnbank. Dat zal met den dood waarschijnlijk ook wel het geval zijn. En volgens die beschouwing kan de slavernij, waarin wij ons gaan begeven, na een poos liefelijk worden. 't Is mij nu reeds een aangename gedachte, dat onze meester een gunsteling der fortuin blijkt te zijn. Zijn vermogen heeft hem niets gekost, geen zorg, geen droppel zweet, niet eens een gedachte. Onverwacht valt het hem voor de voeten. En, Esther, wat mijn ijdelheid niet weinig streelt, hij krijgt wat hij voor geen schatten kon koopen, hij krijgt u, mijn lieveling, mijn parel, u, bloempje van mijn gestorven Rachel.

Hij trok haar tot zich en kuste haar tweemaal; de eerste kus gold haarzelve, de tweede hare moeder.

--Spreek zo niet, vader, zeide zij, laat ons beter van hem denken. Hij weet wat droefheid is en zal ons de vrijheid geven.

--Gij hebt een fijn instinct, Esther, en gij weet dat ik dikwijls op uw oordeel af ga;... hoor, daar komt iemand; heb ik het u niet gezegd? daar is Malluch! Nu zullen wij zien wat wij van onzen jongen meester te wachten hebben.

--Vrede zij u, meester Simonides, zeide Malluch diep buigend, en ook u, voortreffelijkste der dochters.

Simonides beantwoordde den groet en vraagde toen: Wat hebt gij mij van den jongen man te vertellen?

Eenvoudig en zakelijk gaf Malluch een verslag hoe hij den dag had doorgebracht. Simonides luisterde aandachtig en liet hem ongestoord vertellen.

--Dank, hartelijk dank, Malluch, gij hebt uitstekend gehouden, zeide hij, toen het verhaal uit was. Niemand zou het kunnen verbeteren. En tot welk volk meent gij dat hij behoort?

--Tot het volk van Israël, meester, tot den stam van Juda.

--Weet gij het zeker?

--Zeer zeker.

--Hij schijnt u niet veel van zijn leven verteld te hebben.

--Hij heeft geleerd voorzichtig te zijn. Eerst na zijn optreden bij de Castaliabron werd hij vertrouwelijk.

--Een vervloekte plaats, die bron. Waarom ging hij er heen?

--Ik zou zeggen uit nieuwsgierigheid; maar toen hij er was, toonde hij niet de minste belangstelling. Goede meester, de jonge man heeft een verborgen kommer, en hij ging naar het Park, denk ik, zooals wij naar het graf gaan met onze dooden--hij ging zijn kommer begraven.

--Niet onmogelijk, Malluch; maar de vloek van dezen tijd is verspilzucht ... hebt gij daar iets van gemerkt? Pronkte hij met geld? Met Romeinsche of Joodsche munten?

--Neen, meester.

--Maar Malluch, op de plaats die zooveel gelegenheid tot dwaasheid geeft,... ik bedoel waar zooveel te eten en te drinken is, heeft hij u zeker wel een en ander aangeboden?

--Hij heeft niet gegeten of gedronken, voordat wij in Ilderims tent waren.

--Kondt gij uit wat hij zeide of deed opmaken wat zijn geheime drijfveer is?

--Hoe bedoelt gij dat? vraagde Malluch.

--Wel, gij weet dat wij voor ons spreken en handelen, vooral bij gewichtige aangelegenheden, een beweegreden hebben. Wat hebt gij te dien opzichte bij hem opgemerkt?

--Daarop, meester Simonides, kan ik met zekerheid antwoorden. Hij wil zijne moeder en zuster opsporen, dat allereerst. Dan heeft hij een wrok tegen Rome, en daar die Messala van wien ik u vertelde iets met het hem aangedane onrecht te maken heeft, wil hij niet rusten voordat hij hem vernederd heeft. De ontmoeting bij de bron bood hem de gelegenheid, maar hij liet die voorbijgaan, omdat ze hem niet publiek genoeg was.

--Die Messala heeft veel invloed, zeide Simonides.

--Ja, maar de volgende ontmoeting zal in den circus plaats vinden.

--Zoo ... en dan?

--De zoon van Arrius zal winnen.

--Hoe weet gij dat?

Malluch glimlachte en zeide: Ik oordeel naar wat hij zegt.

--Naar dat alleen?

--Neen, ook naar den geest, die hem bezielt.

--Inderdaad? Maar Malluch, beperkt hij zijn wraak tot de enkelen, die hem onrecht aandeden, of tot het geheele volk? Meer nog, is die wraaklust slechts een gril van een gevoeligen knaap, of is hij de ingewortelde dorst naar wraak voortkomende uit een vertrapt mannenhart? Gij weet, Malluch, het zinnen op wraak, dat alleen in den geest wortel heeft geschoten, is een ijdele droom, die bij den eersten helderen dag verdwijnt, terwijl de wraak, tot hartstocht geworden, een ziekte is, die opklimt naar de hersenen, en zich met hart en geest beiden voedt.

Simonides had snel en met saamgeknepen handen gesproken, alsof hij de kwaal, die hij beschreef, bij ondervinding kende.

--Goede meester, zeide Malluch, dat ik den jonkman voor een Israëliet houd is allereerst om zijn gloeienden haat. Hij bedwong zich, maar toch zag ik hem opvlammen, eerst toen hij weten wilde wat Ilderim tegen Rome heeft, daarna toen ik hem van de drie mannen verhaalde, die den geboren Koning der Joden zochten.

--Wat zeide hij dan? Zijn eigen woorden, Malluch!

--Hij wilde precies weten wat zij gezegd hadden: De Koning, of de geboren Koning. Daar maakte hij onderscheid tusschen. Toen vertelde ik hem wat Ilderim gezegd had: dat de koning komen zou om Rome te verdelgen.--Het bloed steeg hem naar de wangen en hij zeide: Wie anders dan een Herodes kan koning zijn, zoolang Rome Rome blijft?

Simonides zag een poos zwijgend voor zich en zeide toen: 't Is goed, Malluch. Laat u wat te eten geven en maak u gereed om morgen naar het Palmbosch te gaan. Gij moet den jongen man helpen zijn plan te volvoeren. Ik zal u een brief aan Ilderim meegeven. Misschien, voegde hij er zachtjes bij, zal ikzelf bij de wedrennen in den circus verschijnen.

Malluch vertrok. Simonides dronk van de melk en scheen verruimd van zin en opgewekt te zijn.

--Zet dat maar weg, Esther, en kom dan weer hier.

Het meisje gehoorzaamde.

--Wat is God goed voor mij, zeide hij op innigen toon. Zijn weg is in het duister; maar somtijds staat Hij ons toe iets van zijne wegen te begrijpen. Ik ben oud, lieve, en maak mij gereed om heen te gaan; maar zie, ter zelfder ure, toen ik alle hoop had opgegeven, zendt Hij mij een lichtstraal, die mij geheel opvroolijkt. Ik zie waarom ik dien bepaalden weg heb moeten gaan. Een omstandigheid zoo groot, dat zij een wedergeboorte voor de geheele wereld zal zijn, maakt het mij duidelijk. Ik begrijp waarom mij zoo groote rijkdom geschonken werd, ik zie waartoe hij bestemd is. Waarlijk, mijn kind, ik begin weer op te leven.

Esther vlijde zich tegen hem aan, alsof zij zijne gedachten weder bij het tegenwoordige wilde bepalen.

--De koning is geboren, vervolgde hij op droomerigen toon, en moet volwassen zijn. Balthasar zegt, dat hij een zuigeling was op moeders schoot, toen hij hem zag en zijne geschenken aanbood, en Ilderim beweert, dat het in December achtentwintig jaar geleden was, dat Balthasar met zijne vrienden in de woestijn tot hem kwam. Lang zal de koning dus niet meer toeven te komen. Vandaag, morgen kan het gebeuren! Heilige vaders van Israël, welk eene gedachte! 't Is mij als hoor ik oude muren kraken, als hoor ik het gejoel van een volslagen ommekeer; o! en om alles te kronen scheurt de aarde vaneen, om Rome op te slokken. En de volkeren zien het en lachen en zingen: Rome is gevallen en wij zijn er nog!

Hij zweeg even, lachte genoegelijk en zeide: Wel, Esther, wat zegt gij daarvan? Voorwaar, de geestdrift eens zangers komt over mij, de bezieling van Mirjam en David. Mijne gedachten die zich bezig moesten houden met cijfers en teekens, zijn vol van het geschal der cymbalen, van harptonen, en het vreugdegejubel eener groote menigte, staande rondom een nieuw opgerichten troon. Ik wil daar voor 't oogenblik niet langer aan denken, alleen dit nog, lieve, als de koning komt zal hij geld en mannen noodig hebben, want daar hij, evenals wij allen, van eene vrouw geboren is, zal hij ten slotte een mensch zijn als wij, onderworpen aan de menschelijke natuur, zooals gij en ik. Ziet gij nu den weg, dien ik en de jonkman, onze meester, moeten loopen? Die weg voert ons tot roem en wraak.

Esther bleef zitten en zweeg. Toen herinnerde Simonides zich, dat niet alle menschen zich over hetzelfde verheugen kunnen,--hij herinnerde zich dat hij tegen eene vrouw sprak.

--Waar denkt ge aan, Esther? vraagde hij op zijn gewonen toon. Als uwe gedachten den vorm hebben van een wensch, zeg het mij dan, mijn kind, terwijl ik nog de macht bezit om hem te vervullen. Want zij is wispelturig, de macht, en houdt hare vleugelen altijd uitgebreid om zóó weg te kunnen vliegen.

Zij antwoordde met bijna kinderlijken eenvoud: Laat hem halen, vader, laat hem nog van avond halen, en laat hem niet naar den circus gaan.

--Aha! zeide hij op gerekten toon, en staarde op de rivier, waar de schaduwen steeds donkerder werden, sedert de maan achter den Sulpius gezonken was en de verlichting der stad overgelaten had aan het twijfelachtig schijnsel der sterren. Zullen wij het zeggen, lezer? Simonides was ijverzuchtig. Zou zij liefde hebben opgevat voor den jongen meester? Neen, o neen, dat kon niet. Zij was nog te jong. Maar de gedachte liet hem niet los, die mogelijkheid maakte hem koud en stil. Zij was zestien jaar. Hij wist het heel goed. Op haar laatsten verjaardag had zij hem begeleid naar de scheepstimmerwerf, waar een nieuwe galei van stapel zou loopen, en op de gele vlag, die zoo lustig in den wind wapperde, stond de naam Esther. Zoo hadden zij dien dag samen gevierd. Zestien jaar, hij wist het heel goed, en toch trof het hem als iets nieuws. Er zijn van die dingen, die ons, als wij ze goed nadenken, pijnlijk aandoen, bij voorbeeld dat wij oud worden, dat wij sterven moeten. Zulk een onbestemde pijnlijke gewaarwording maakte zich thans van hem meester en ontlokte hem een diepen zucht. Alsof het niet genoeg was, dat zij een lijfeigene werd, zou zij ook haren meester gevoelens toedragen, wier innigheid en teederheid hij zoo goed kende, omdat zij tot heden onverdeeld aan hem waren gewijd. De demon, wiens taak het is ons met vrees en bittere gedachten te martelen, doet zelden zijn werk ten halve. Door de smart van 't oogenblik vergat de moedige grijsaard zijne plannen voor de toekomst en den wondervollen koning, die er het middelpunt van was. Met een geweldigen krachtinspanning, wist hij zich echter te bedwingen en vraagde kalm: Niet naar den circus laten gaan, waarom niet, kind?

--Het is geen plaats voor een zoon van Israël, vader.

--Rabbijnsche opvattingen, Esther! Is dat alles?

Zijn toon was onderzoekend en drong door tot haar hart, dat luid begon te kloppen, zoo luid, dat zij niet dadelijk kon antwoorden.

--De jonkman zal het vermogen hebben, zeide Simonides vriendelijk, hij zal de schepen hebben en het geld, alles, Esther, alles. In weerwil daarvan voelde ik mij net arm; want ik behield u en uwe liefde, die mij zoo mijne gestorven Rachel herinnert. Zeg mij, zal hij die ook hebben?

Zij boog zich neder en leunde met het hoofd tegen hem aan.

--Spreek, Esther, ik zal sterker zijn, als ik het weet. Onzekerheid maakt zwak.

Zij richtte zich op en sprak op vasten toon: Wees getroost, lieve vader, ik zal u nooit verlaten. Al moest ik hem liefhebben, ik zal altijd uwe dienstmaagd blijven. Ja, vader, hij is schoon in mijne oogen, en zijne manier van spreken trok mij aan. Ik beef als ik denken moet, dat gevaren hem dreigen. Ja, vader, ik zou meer dan blijde zijn, als ik hem wederzag. Maar onbeantwoorde liefde kan nooit volmaakte liefde zijn; daarom wil ik geduldig wachten, en niet vergeten dat ik uwe en moeders dochter ben.

--Een zegen des Heeren zijt gij, Esther! Een zegen om mij rijk te doen blijven, al moet ik ook al het andere verliezen. En bij zijn heiligen Naam en het eeuwige leven zweer ik, dat u geen leed zal aangedaan worden.

Een weinig later liet hij een dienaar roepen, die den stoel naar binnen rolde. Daar zat hij nog een poos na te denken over de komst des konings, terwijl Esther hare legerstede opzocht en spoedig den slaap der onschuld sliep.

* * * * *

TWAALFDE HOOFDSTUK.

EEN ROMEINSCH DRINKGELAG.

Het paleis, schuins tegenover Simonides' woning aan den anderen oever der rivier gelegen, was volgens de overlevering door den vermaarden Epiphanes gebouwd, en beantwoordde geheel aan de eischen, die men zulk eene woonplaats stellen mag. De muur, die over het geheele eiland langs den waterkant opgetrokken was en dienen moest tot beschutting tegen den stroom en beveiliging tegen mogelijke invallen, heette het paleis ongeschikt te maken tot voortdurende bewoning, zoodat de legaten zich een ander paleis lieten bouwen op de westelijke helling van den Sulpius. Het ontbrak echter niet aan lieden, die ronduit beweerden, dat die verhuizing niets te maken had met gezondheidsmaatregelen, maar dat de ware reden gezocht moest worden in de onmiddellijke nabijheid der groote citadel, die den legaten een gevoel van veiligheid gaf. Die opvatting scheen wel de ware te zijn, want onder meer merkte men op, dat het oude paleis steeds in bewoonbaren staat gehouden werd, en dat, wanneer een consul, een generaal, een vorst, of eenig ander machthebbende Antiochië bezocht, hem het eiland-paleis als verblijf werd aangewezen.

Daar wij slechts met één vertrek in het oude gebouw te doen hebben, mag de lezer zich het overtollige voorstellen naar eigen believen en staat het hem vrij de tuinen, baden, buiten- en binnenpleinen, vertrekken en paviljoenen, alles zoo weelderig mogelijk ingericht, op eigen gelegenheid te doorwandelen.

Het vertrek, waarheen wij ons thans begeven, zou in dezen tegenwoordigen tijd een zaal genoemd worden. Het was zeer ruim en met gepolijst marmer bevloerd. Kunstige pijlers, in den vorm van Atlasgestalten, droegen de zoldering, en langs de muren was een met Indisch zijde overtrokken divan aangebracht. Het meubilair bestond uit tafels en zetels in Egyptischen stijl. Vijf reusachtige bronzen kronen verspreidden een zee van licht.

Een honderdtal personen is in deze zaal vergaderd. Sommigen zitten bij de tafels, anderen loopen heen en weder, weder anderen hebben het zich op den divan gemakkelijk gemaakt. Zij zijn allen jong, sommigen ternauwernood de kinderschoenen ontwassen.

Dat zij allen Italianen en voor het grootste gedeelte Romeinen zijn lijdt geen twijfel. Zij spreken zuiver Latijn, en zijn naar Romeinsche gewoonte gekleed, in tunica's met korte mouwen en korten schoot, welke kleedij juist geschikt is voor het klimaat van Antiochië en in de overmatig warme zaal volkomen op hare plaats is. Hier en daar liggen op den divan toga's en mantels, waaronder met purper omzoomde, achteloos neergeworpen. Ook ziet men er slapende gasten in gemakkelijke houding uitgestrekt; of de hitte en de vermoeienis hen zoo hebben aangegrepen, of dat Bacchus er schuld aan heeft, zullen wij maar niet onderzoeken.

Er wordt druk en luid gepraat, uitbundig gelachen, hartstochtelijk gespeeld.

Het meerendeel dier jongelieden behoorde tot het militaire gevolg van den consul en moest hier zijne komst afwachten.

Laat in de nacht trad een nieuw gezelschap de zaal binnen, en begaf zich, eerst onopgemerkt, naar de middentafel. Men kon hun aanzien dat zij juist van een slemppartij kwamen. Sommigen konden zich slechts met moeite op de been houden. De aanvoerder droeg een krans om het hoofd, ten teeken dat hij de koning van het feest, misschien wel de gastheer was geweest. De wijn had geen bijzondere uitwerking op hem gehad, of het moest zijn om zijn mannelijk schoon te verhoogen. Met hooger gekleurde wangen en stralende oogen stapte hij fier vooruit, ofschoon zijne houding en de manier, waarop hij de ruime witte toga om de schouders had geplooid, wel wat theatraal was voor iemand in volkomen nuchteren staat.