Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde
Chapter 14
De proclamatie verwekte veel beweging. Vóór den nacht zou zij zeker alom in Antiochië besproken worden. Ben-Hur keek besluiteloos van den heraut naar den Sheik. Malluch dacht dat hij zich aan zou melden, en voelde zich werkelijk verlicht, toen de jonkman zich tot hem keerde met de vraag: Waar nu heen?
Malluch antwoordde lachend: Indien gij als anderen wilt doen, die het Park voor de eerste maal bezoeken, dan laat u vóór alle dingen waarzeggen.
--Waarzeggen? Dat klinkt wel wat heidensch; maar 't zij zoo. Laat ons naar de godin gaan.
--Neen, zoon van Arrius, deze Apollodienaars hebben een betere manier dan dat. In plaats van een samenspraak met een Pythia of Sibylle, verkoopen zij u een gewoon papyrusblad, slechts even gedroogd. Dat laten zij u in het water dompelen van een zekere bron, waarna gij er, in een versje, uwe toekomst op voorspeld vindt.
Ben-Hur, die eerst met belangstelling geluisterd had, antwoordde op somberen toon: Sommige menschen behoeven zich niet over hunne toekomst te bekommeren.
--Wilt gij dan liever naar de tempels gaan?
--De tempels zijn Grieksch, niet waar?
--Zoo noemt men ze ten minste.
--De Grieken zijn meesters in de schoone kunsten, maar in de bouwkunst hebben zij de afwisseling opgeofferd aan strakke schoonheid. Hun tempels zijn alle volkomen hetzelfde. Hoe heet de bron waar gij van verteldet?
--Castalia.
--O, die! Ja, die is over de gansche aarde beroemd. Daarheen dus.
Malluch sloeg, onder het gaan, zijn metgezel in stilte gade, en bemerkte dat zijn opgewektheid voor het oogenblik althans verdwenen was. Voor de wandelaars had hij geen oog; de wonderwerken, die zij voorbijgingen, ontlokten hem geen enkelen uitroep van verbazing. Zwijgend, ja gemelijk vervolgde hij zijnen weg.
Die verandering van stemming was aan de onverwachte verschijning van Messala te wijten. Het verledene stond hem op eens zoo levendig voor den geest. Het scheen hem nauwelijks een uur geleden, dat men hem met geweld van zijne moeder wegrukte, nauwelijks een uur geleden, dat de Romein zijn ouderlijk huis liet dichtspijkeren. Hij herdacht de drie vreeselijke jaren op de galeien, waarin hij behalve zijn werk weinig anders te doen had, dan van wraak te droomen, waarvan Messala het middelpunt was. Gratus, was hij gewoon tot zichzelven te zeggen, mocht desnoods ontsnappen; maar Messala--nooit! Want wie, zoo vraagde hij telkens weer opnieuw, wees ons aan, toen de vervolgers het huis binnendrongen? En toen ik smeekte om hulp, niet voor mijzelf, wie bespotte mij toen en ging lachend heen?... En altijd weer eindigden die overleggingen met de bede: Ten dage dat ik hem ontmoet, o God van Jakob, help mij dan! Help mij een gepaste wraak te vinden!
En nu was de ontmoeting nabij! Misschien zou Ben-Hur er anders over gedacht hebben als hij Messala arm en lijdend had teruggevonden; maar dat was niet het geval. Hij vond hem op het toppunt van glorie, van aanzien en macht.
Wat Malluch dus voor een voorbijgaande neerslachtigheid hield, was ernstig overleg wanneer hij zich tegenover Messala zou kunnen stellen en op welke wijze hij die ontmoeting tot een onvergetelijke zou kunnen maken.
Na een poosje kwamen zij aan een breede eikenlaan, druk bezocht door groepjes wandelaars, paardrijders, vrouwen in draagstoelen. Aan het einde der laan daalde de weg zacht glooiend af in een groene vlakte, die aan de eene zijde door een steilen rotswand afgesloten was. Hier bevond zich de beroemde bron Castalia.
Ben-Hur baande zich een weg door de menigte, die zich rondom de bron verdrong. Een zwart marmeren bassin ving het water op, dat met kracht uit de rots stroomde, om na veel borrelen en schuimen als door een trechter te verdwijnen.
Naast het bassin zat onder een rots uitgehouwen afdak een priester. De lange baard, en de kap, die zijn hoofd bedekte, gaven hem het voorkomen van een kluizenaar. Uit de gedragingen der omstanders kon men moeilijk opmaken wat hier eigenlijk het aantrekkingspunt was, de altijd vlietende bron, of de altijd aanwezige priester. Hij hoorde, zag, werd gezien, maar sprak nooit. Bij tijd en wijle bood een bezoeker hem een geldstuk aan, waarvoor de priester een papyrusblad in ruil gaf. De kooper haastte zich dan om het blad in het bekken te doopen, hield het vervolgens tegen het licht, om weldra beloond te worden met de verschijning van eenige dichtregelen, en al had die poëzie meestal weinig verdienste, de goede naam der bron leed er niet onder.
Voordat Ben-Hur echter het orakel kon raadplegen naderde een nieuw gezelschap, welks verschijning de algemeene nieuwsgierigheid opwekte.
Een groote witte kameel, geleid door een drijver te paard, droeg op den rug een buitengewoon breede, rijk met goud versierde zonnetent. Twee andere ruiters, met lange speren in de hand, volgden de kameel.
--Wat een mooi dier! zeide iemand.
--Zeker een vreemde vorst, zeide een ander.
--Neen, een koning.
--Een koning zou op een olifant zitten!
--Bij Apollo, vrienden, zeide een vijfde, 't zijn geen koningen of vorsten, 't zijn twee vrouwen!
Terwijl de lieden er zich nog druk over maakten, hadden de vreemdelingen de bron bereikt. De kameel beantwoordde van nabij gezien volkomen aan de verwachting. Nog nooit had een der aanwezigen prachtiger dier aanschouwd. Wat groote zwarte oogen, wat fijn wit haar, wat goed gevormde pooten, zoo onhoorbaar van stap en toch zoo krachtig!... zijns gelijke was er niet. Hoe goed pasten die gouden franjes en kwasten en die rinkelende zilveren belletjes bij hem!
Maar wie waren die man en die vrouw onder de tent?
De oogen van allen waren op hen gevestigd.
De man was zeer oud, de vrouw nog jong en zeer schoon. Zij was gehuld in kanten sluiers van zeldzaam fijn weefsel. Boven den elleboog droeg zij armbanden, in den vorm van slangen, door fijne gouden kettinkjes aan de armbanden om den pols verbonden. De kleine handen waren met kostbare ringen versierd. Op het hoofd droeg zij een netje van gouddraad met bloedkoralen doorregen, en rondom afgezet met muntstukjes, zoodat zij aan den voorkant op haar voorhoofd rustten. Van haar hoogen zetel zag zij kalm en tevreden op het volk neer, oogenschijnlijk zóó bezig met het te bestudeeren, dat zij niets merkte van de nieuwsgierigheid, die zijzelve opwekte. Tegen alle gewoonte in, daar aanzienlijke vrouwen zich nimmer in het openbaar met ongedekt gelaat vertoonden, zat zij daar met weggeslagen sluier.
Het was een mooi ovaal gezichtje, donker en toch doorschijnend van tint. De half geopende lippen lieten twee rijen blinkend witte tandjes zien.
Nu wendde zij zich tot den drijver, een forsch gebouwd Ethiopiër, die den kameel tot vlak bij het bassin leidde en hem deed neerknielen. Zij reikte den man een beker toe, om dien aan de bron te vullen.
Op datzelfde oogenblik werd de door hare komst veroorzaakte stilte verbroken door het geluid van wielen en paardengetrappel. Met luide kreten van schrik stoven allen links en rechts.
--Pas op, de Romein is van plan er op in te rijden! waarschuwde Malluch en vloog op zij.
Ben-Hur keek om en zag Messala, die met zijn vierspan regelrecht op het volk aankwam. Ditmaal kon hij hem duidelijk in 't gelaat zien.
Het uiteenstuiven van de menigte bracht den kameel in groot gevaar. Reeds waren de paarden vlak bij hem en nog lag hij met gesloten oogen te rusten en te herkauwen, zich veilig voelend bij zijn meester. De Ethiopiër wrong de handen in wanhoop. De grijsaard in de tent rees overeind, als dacht hij aan vluchten; maar behalve dat de stramheid zijner leden hem dat belette, kon hij toch in de ure des gevaars zijne waardigheid niet vergeten. En wat zijne dochter betreft, voor haar was het in ieder geval te laat om nog aan ontkomen te denken.
Ben-Hur stond er het dichtst bij en riep Messala toe: Halt! Zie dan toch wat gij doet! Terug! Terug!
De patriciër lachte hartelijk, en ziende dat hem geen keus bleef sprong Ben-Hur toe, greep de twee bijdehandsche paarden in den teugel, en rukte hem met inspanning van alle krachten op zij. Vervloekte Romein! riep hij Messala toe, bekommert gij u dan zoo weinig om het leven van een ander?!
De twee paarden steigerden en trokken de andere mee. De wagen dreigde te kantelen. Messala hield zich slechts met de grootste moeite staande, terwijl zijn goedhartige Myrtilus achterover tuimelde in het gras. Toen zij zagen dat het gevaar geweken was lachten al de omstanders den Romein van harte uit.
Messala toonde zich thans in grenzenlooze onbeschaamdheid. Zich van de teugels losmakend sprong hij uit den wagen, liep om den kameel heen, keek Ben-Hur in het voorbijgaand achteloos aan en zeide toen tot de twee vreemdelingen: Vergeeft het mij, bid ik u. Ik ben Messala, en bij onze moeder aarde zweer ik u, dat ik u en den kameel niet zag. Wat deze goede lieden betreft, ik rekende misschien te veel op mijne behendigheid, ik wilde mij ten hunnen koste vermaken, en zie, het lachen is aan hen. Moge het hun goed bekomen!
De onverschillige blik en handbeweging, die deze woorden vergezelden, pasten er uitstekend bij. Om te hooren wat hij nog verder mocht te zeggen hebben, hielden de lieden zich bedaard. Messala gaf zijn metgezel een wenk om den wagen te verwijderen en wendde zich vervolgens vrijmoedig tot het meisje.
--Gij zijt waarschijnlijk verwant aan den eerwaardigen grijsaard, wiens vergiffenis, zoo zij mij nu nog onthouden wordt, ik later met te grooter ijver zal trachten te verwerven; zijne dochter misschien?
Zij gaf geen antwoord.
--Bij Pallas, gij zijt schoon! Wees voorzichtig, opdat Apollo u niet voor zijn verloren liefje houde! Ik zou gaarne willen weten welk land zich beroemen mag uw vaderland te zijn? Neen! wend u niet af! Vergeef het mij! De zon van Indië straalt mij toe uit uwe oogen; Egypte heeft op uwe lippen zijn zegel gedrukt. Keer u niet af, schoone jonkvrouw, voordat gij mij genade geschonken hebt. Zeg mij ten minste, dat gij mij vergiffenis schenkt.
Zonder Messala verder een blik te gunnen, wenkte zij Ben-Hur tot zich en vraagde met een vriendelijk lachje: Zoudt gij zoo goed willen zijn om dezen beker met water te vullen? Mijn vader heeft dorst.
--Uw gehoorzaame dienaar, antwoordde Ben-Hur.
--O vreemdelinge, gij zijt even wreed als schoon, zeide Messala, haar met de hand toewuivende. Als Apollo u niet weghaalt, zult gij mij weerzien. Daar ik uw vaderland niet ken, kan ik u niet aan de gunst zijner goden aanbevelen, daarom beveel ik u aan de gunst van--mijzelven aan!
Dit gezegd hebbende ging hij naar den wagen terug, die hem stond te wachten. Het meisje zag hem na, en wat ook in haar oog te lezen heeft mogen staan, geen misnoegen.
Ben-Hur bracht haar den beker en nadat de grijsaard gedronken had, bracht zij dien zelve aan haar lippen en bood hem daarna met onnavolgbare gratie Ben-Hur aan. Behoud hem, bidden wij u, zeide zij. Hij is vol zegenwenschen, alle voor u!
Nu deed de Ethiopiër den kameel opstaan; maar op het punt van vertrekken riep de grijsaard Ben-Hur toe: Wacht even! Ik moet u spreken.
Ben-Hur trad nader.
--Gij hebt den vreemdeling een grooten dienst bewezen. Er is slechts één God. In zijn heiligen naam dank ik u. Ik ben Balthasar de Egyptenaar. In het groote Palmbosch, aan gene zijde van de Daphne gelegen, heeft Sheik Ilderim de Edelmoedige zijn tenten opgeslagen. Wij zijn zijne gasten. Bezoek ons daar. Gij zult ons zeer welkom zijn.
Ben-Hur boog eerbiedig voor den grijsaard en staarde vader en dochter nog geruimen tijd na.
* * * * *
NEGENDE HOOFDSTUK.
PLANNEN VAN WRAAK.
In den regel is er geen zekerder middel om iemands tegenzin op te wekken, dan uit te blinken waar hij zich laf gedroeg. Malluch maakte hierop gelukkig een uitzondering. Wat hij gezien had deed Ben-Hur in zijne achting rijzen. Moed en wellevendheid bezat hij ongetwijfeld. Kon hij nu slechts een blik slaan in het verleden van den jongen man, dan zou meester Simonides tevreden kunnen zijn over dien eersten dag.
Zooveel wist hij reeds; Ben-Hur was een Jood en de aangenomen zoon van een Romein. Verder begreep de slimme man, dat er tusschen Messala en den zoon van den duumvir iets was. Maar wat? Hoe kon hij achter de waarheid komen?
In deze moeilijkheid kwam Ben-Hur zelf hem te hulp. Hij legde de hand op Malluchs arm en voerde hem met zich uit het gedrang der menigte, die zich weer om den priester en de bron verzameld had.
--Goede Malluch, zeide hij, mag een man zijne moeder vergeten?
Op die vraag was Malluch allerminst voorbereid. Hij keek Ben-Hur aan, om te zien wat hij bedoelde. Hij zag niets dan een gloeiende plek op iedere wang en onderdrukte tranen in de sombere oogen. Beslist antwoordde hij: Neen; nooit. Als hij een Israëliet is, nooit! Mijn eerste les in de synagoge was het gezegde van den zoon van Sirach: Eer uwen vader met uw gansche ziel en vergeet nooit wat gij uwe moeder gekost hebt.
Ben-Hurs oogen fonkelden.
--Die woorden, Malluch, roepen mijne jeugd in mijne herinnering terug, en bewijzen dat gij een echte Jood zijt. Ik geloof dat ik u vertrouwen kan.
Hij liet Malluchs arm los en drukte de hand op zijn hart, alsof hij pijn gevoelde. Mijn vader, zeide hij, was een man van aanzien, met eere bekend in Jeruzalem, waar hij woonde. Mijne moeder was bij zijn dood in de kracht van haar leven. Woorden kunnen niet uitdrukken hoe goed en hoe schoon zij was. Iedereen roemde haar om de goede werken, die zij deed. Een vriendelijke toekomst lachte ons tegen. Ik had een jongere zuster, en wij waren zoo gelukkig, dat ik volkomen instemde met het woord van den Rabbijn: God kon niet overal wezen, daarom schiep Hij moeders.--Op zekeren dag overkwam aan een hooggeplaatst Romein een ongeluk, juist toen hij ons huis voorbijreed. Zijne soldaten vlogen naar binnen en grepen ons. Sedert heb ik mijne moeder en zuster niet meer gezien. Ik weet niet of zij dood zijn, of nog leven. Ik weet niet wat van haar geworden is. Maar, Malluch, die Romein, die met zijn vierspan lachend op het volk kwam inrijden, was tegenwoordig bij onze scheiding. Hij leverde ons over aan onze vijanden. Hij hoorde mijne moeder om genade smeeken voor hare kinderen en hij lachte, toen zij haar wegsleurden. Het is moeilijk te zeggen wat het diepst in de herinnering gegrift blijft, liefde of haat. Vandaag herkende ik hem reeds in de verte, en, Malluch, hij kent en bewaart het geheim, waarvoor ik mijn leven zou willen geven. Hij weet óf zij leven, en waar, en hoe. En zijn zij gestorven, hij weet waar hare beenderen rusten.
--En zou hij het niet willen zeggen?
--Neen.
--Waarom niet?
--Ik ben een Jood, en hij is een Romein.
--Maar Romeinen hebben een tong, en de Joden, hoezeer ook door hen veracht, kunnen op middelen zinnen om die tong los te maken.
--Voor zulken als hij? Neen; en daarenboven is het een staatsgeheim. Mijn vaders bezittingen werden alle verbeurd verklaard en verdeeld.
Malluch knikte met het hoofd, als begreep hij er alles van, en vraagde toen opnieuw: Heeft hij u niet herkend?
--Dat kon hij niet. Ik werd levend dood verklaard, en ben sinds lang als dood beschouwd.
--Het verbaast mij dat gij hem niet doodgeslagen hebt, zeide Malluch hartstochtelijk.
--Daarmee zou ik mijzelven voorgoed de gelegenheid benomen hebben, om partij van hem te trekken. De dood, dat weet gij, bewaart een geheim nog beter dan een schuldig Romein. Maar zijn straf zal hij niet ontgaan, en als gij mij helpen wilt, zal ik zeker slagen.
--Hij is een Romein, zeide Malluch, en ik behoor tot den stam van Juda. Ik zal u helpen. Indien gij het verlangt zal ik mijne belofte met een eed bevestigen.
--Geef mij uw hand, dat is voldoende.
Na met een handdruk de afspraak bezegeld te hebben zeide Ben-Hur: Datgene waarmede ik u belasten zal, is niet moeilijk, goede vriend, en zal uw geweten niet bezwaren. Laat ons nu verder gaan.
Een poosje later begon hij weer: Kent gij Sheik Ilderim?
--Ja.
--Waar is dat Palmbosch? of liever: hoever is dat van hier?
Malluch aarzelde een oogenblik. Hij dacht aan het geschenk der schoone vreemdelinge. Zou het mogelijk zijn dat de jonge man zijn verdriet wilde gaan verzetten door een liefdesavontuur? Hij liet echter niets merken en antwoordde: Dat Palmbosch ligt twee uur te paard van Daphne. Een vlugge kameel brengt er u in een uur.
--Zoo. En die wedrennen, daar gij mij van verteldet, zijn die publiek? en wanneer zullen zij plaats vinden?
Die vragen deden iets vermoeden en wekten Malluchs nieuwsgierigheid.
--O ja, antwoordde hij, zij zullen prachtig zijn. De prefect is rijk en zeer aan geld gehecht. Een invloedrijk vriend aan 't hof te hebben is echter wel een opoffering waard, en daarom maakt hij zooveel drukte voor den consul Maxentius, die hier komt om de laatste toebereidselen te treffen voor een veldtocht tegen de Parthen. De inwoners van Antiochië weten uit ondervinding, dat die toebereidselen geld onder de menschen brengen en hebben verlof gevraagd, om den prefect te helpen den grooten man naar waarde te ontvangen. Een maand geleden zijn herauten naar de vier windstreken uitgezonden, om de kampspelen en wedrennen aan te kondigen. De naam van den prefect zou op zichzelf reeds voldoende zekerheid geven voor de noodige afwisseling; maar wanneer Antiochië zich bij hem aansluit, zijn alle eilanden en de zeesteden zeker van iets buitengewoons, en kunnen wij op een uitgelezen publiek rekenen. De uitgeloofde prijzen zijn vorstelijk.
--En de circus? Ik heb gehoord dat die lui die ná den circus Maximus de beste is.
--Die van Rome? Wel, de onze heeft plaats voor tweemaal honderdduizend menschen, de uwe voor vijf-en-zeventigduizend meer. De uwe is van marmer, de onze ook. Wat de inrichting betreft staan zij gelijk.
--Zijn de wetten dezelfde?
Malluch glimlachte. Als Antiochië beproeven wilde oorspronkelijk te zijn, zou Rome niet de koningin wezen, die zij is, zoon van Arrius! De wetten van den circus Maximus zijn oppermachtig, behalve op één punt: dáár mogen slechts vier wagens te gelijk afrijden, hier gaan ze alle te zamen, onverschillig hoeveel.
--Dat is naar Grieksche manier, zeide Ben-Hur.
--Ja, Antiochië is meer Grieksch, dan Romeinsch.
--En mag men zijn eigen wagen kiezen?
--Ja, en de paarden ook. Daarin is ieder vrij.
--Nog iets, Malluch, wanneer zullen de wedrennen gehouden worden?
--Laat eens zien. Morgen ... neen, overmorgen, als ten minste, om op zijn Romeinsch te spreken, de zeegoden hem goedgunstig zijn, komt de consul. Ja, op den zesden dag na dezen beginnen de feesten.
--De tijd is kort, Malluch, maar voldoende. Bij de profeten van Israël! Ik zal weder naar de teugels grijpen. Maar wacht! Weet gij zeker dat Messala meedoet?
Nu doorzag Malluch het geheele plan. Ja, dat was een heerlijke gelegenheid om den Romein te vernederen; maar hij had geen Israëliet moeten zijn, om niet snel de kansen te berekenen. Bezorgd vraagde hij: Hebt gij er meer aan gedaan?
--Vrees niet, mijn vriend. Vraag maar eens te Rome wie daar de vorst der wagenmenners genoemd wordt. Bij de laatste groote wedrennen bood de keizer zelf mij zijne gunst aan, indien ik zijne paarden in het strijdperk wilde voeren.
--En hebt gij dat geweigerd? vraagde Malluch levendig.
--Ik ben een Israëliet, antwoordde de ander ernstig. Al draag ik een Romeinschen naam, ik wilde niet iets doen, dat mijn vaders naam benadeelen kon in de voorhoven van onzen Tempel. In de kampscholen kon ik mij aan dergelijke oefeningen wijden, in den circus zelf zou mijn optreden een gruwel zijn in de oogen mijner geloofsgenooten, en als ik hier aan de wedrennen deel neem, dan, Malluch, ik zweer het u, zal het niet zijn om den prijs te behalen.
--Hola! zweer niet te gauw. De prijs is 10,000 sestertiën, een vermogen op zichzelf.
--Niet voor mij, al was het tienmaal zooveel. Neen, er is wat beters. Deze wedrennen zullen mij dienen om mijn vijand te vernederen. Wraak is door de wet geoorloofd. Maar gij hebt mij nog niet geantwoord. Weet gij zeker dat Messala meedoet?
--Ja. Messala doet mee. Het staat overal aangeplakt. Iederen dag komt hij zich oefenen.
--Zoo, en dat is dus het vierspan, waarmede hij in het strijdperk zal komen? Dank voor uwe inlichtingen, Malluch! Gij zijt mij heerlijk van dienst geweest. Ik ben voldaan. Wijs mij nu zoo gauw mogelijk den weg naar Sheik Ilderim en leid mij bij hem in. Hoe komen wij er het snelst? Zijn paarden mochten anders al eens besproken zijn.
--Het best is dat wij regelrecht naar het dorp gaan, dat is gelukkig vlak bij. Daar moeten wij twee vlugge kameelen zien te huren, dan zijn wij er in een uur.
--Voorwaarts dan, zeide Ben-Hur.
Het dorp bestond uit niets dan paleizen in fraaie tuinen, benevens eenige vorstelijk ingerichte herbergen. Kameelen waren gemakkelijk te krijgen en zoo konden de twee reizigers zich weldra op weg begeven naar het beroemde Palmbosch.
* * * * *
TIENDE HOOFDSTUK.
HET PALMBOSCH.
De landstreek die zij doorreden was heuvelachtig en goed bebouwd, een ware lusthof. Geen plekje was vergeten. De steile heuvelhellingen waren terrasvormig aangelegd. Tegen de omtuiningen slingerden zich weelderige wingerdranken omhoog, die den voorbijgangers, behalve zeer gewenschte schaduw, de belofte gaven van kostelijke druiven en parelenden wijn. Op de meloenvelden en tusschen abrikozen- en vijgeboschjes lagen de witgepleisterde huizen der landlieden verspreid; alles sprak van overvloed en vrede, en stemde het hart tot vroolijken levensmoed. Af en toe kreeg men een kijkje op het Taurusgebergte en den Libanon, waartusschen de Orontes als een zilveren draad kalm zijn weg vervolgde.
Het duurde niet lang of onze vrienden hadden de rivier bereikt. Nu ging hun weg over heuvelen en door dalen, steeds met den stroom mede. Was het landschap in vollen bladerdos van eik en laurier en moerbeiboomen, van geurenden jasmijn en haagappelboomen, de rivier tintelde onder de zonnestralen en sprak met hare vele op- en afvarende schepen van de zee, van vergelegen landen, van beroemde plaatsen en begeerlijke dingen.
De twee vrienden reden door totdat zij aan een meer kwamen, helder, diep en effen, dat door het vloedwater der rivier onderhouden werd. Een oude palmboom beheerschte den inham. Bij dien palm sloegen zij links om en riep Malluch op vroolijken toon: Het Palmbosch! Het Palmbosch!
Met uitzondering van de bekoorlijksten oasen in Arabië, of de Ptolemeïesche landerijen aan den Nijl, kon men bezwaarlijk een heerlijker oord vinden. Ontelbare dadelpalmen, patriarchen in hunne soort, verhieven hunne kruinen ten hemel. Aan het koele, heldere water, dat onder den grond verder stroomde, hadden die reuzen hun groei en langen levensduur te danken. Was het park van Daphne boven dit te verkiezen? En alsof de palmen Ben-Hurs gedachten raadden en de schaal ten hunnen gunste wilden doen overslaan, wuifden zij hem vriendelijk toe en brachten hem verkoeling aan.
--Let eens op dezen reus, zeide Malluch, op een eerwaardigen palm wijzend. Elke ring op den bast duidt een jaar leven aan. Tel ze van wortel tot aan den top, en als de Sheik u zegt, dat het bosch geplant is, voordat iemand in Antiochië iets van de Seleuciden wist, geloof hem dan vrij.
Een volmaakt schoone palm te beschouwen, zonder dat men onder zijn invloed in vervoering geraakt, is niet wel denkbaar. Vandaar dat hem van den beginne alle eer bewezen is en de kunstenaars der eerste koningen hem als model kozen voor de pilaren hunner paleizen en tempels. Diezelfde gewaarwording deed Ben-Hur zeggen: Toen ik Sheik Ilderim van morgen zag vond ik hem een zeer gewoon man. Hoe komt hij, een zoon van Edom, in het bezit van dezen lusthof? en hoe heeft hij hem uit de klauwen der Romeinsche gouverneurs kunnen houden?