Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde
Chapter 13
Hij zweeg even, toen vervolgde hij, trillend van moeilijk bedwongen hartstocht: Denk aan de folteringen, die de Romein mij heeft doen ondergaan, neen, niet Gratus alleen; de ellendelingen, die zijne bevelen ten uitvoer brachten, waren allen Romeinen en zij lachten bij mijne jammerkreten. Denk aan mijn verbrijzeld lichaam en aan de jaren die ik, de sterke man, in hulpbehoevendheid heb moeten doorbrengen. Denk aan uwe moeder in haar eenzaam graf. Denk aan het vreeselijke lijden van het gezin mijns meesters als zij nog leven, en aan het wreede van hunnen dood als zij niet meer zijn. Bedenk dat alles en zeg mij, zal dan geen enkele druppel bloed vergoten worden ten zoen? Zeg nu niet wat onze leeraars soms zeggen: De Wrake is des Heeren ... zijn niet zijne krijgsknechten talrijker dan zijne profeten? Luidt niet een van zijne geboden: Oog om oog, tand om tand? Al deze jaren door heb ik gedroomd van wraak, er om gebeden, haar voorbereid, geduld geoefend bij het aanschouwen van de vermeerdering mijner schatten, in het vaste geloof, dat zij mij eenmaal zouden helpen de goddeloozen te straffen. Toen nu de jonge man van zijne bedrevenheid in het voeren der wapenen sprak en er bijvoegde, dat hij een bepaald doel in het oog hield, kwam de derde gedachte, de gedachte van wraak, bij mij op, en die, Esther, deed mij onvermurwbaar blijven zoolang hij sprak en lachen toen hij vertrokken was.
Esther liefkoosde zijne hand en zeide op peinzenden toon: Hij is weg; zal hij terugkomen?
--Zeker; Malluch, de getrouwe, gaat met hem en zal hem wederbrengen, als ik gereed ben.
--En wanneer zal dat wezen, vader?
--Weldra, weldra. Hij denkt dat alle getuigen dood zijn. Er leeft nog één wezen dat hem herkennen zal, indien hij waarlijk mijn meesters zoon is.
--Zijne moeder?
--Neen, kind. Ik zal de getuige tegenover hem stellen. Tot zoolang willen wij deze zaak in des Heeren hand laten. Ik ben moe. Roep Abimelech.
Esther deed wat haar gelast werd en vergezelde haren vader naar binnen.
* * * * *
VIJFDE HOOFDSTUK.
DAPHNE'S PARK.
Ben-Hur verliet het pakhuis met het bewustzijn, dat hij weer een nieuwe teleurstelling voegen kon bij de vele, die hij reeds had ondervonden in het zoeken naar zijne familie. Die gedachte was zeer neerdrukkend. Hij voelde zich zoo eenzaam en verlaten. Nu deze hoop vervlogen was, kwam het leven hem zoo dor en weinig belangrijk voor.
Het koeltje dat hem van de rivier tegenwoei, lokte hem naar de landingsplaats. Daar schoot hem het gezegde van den reiziger te binnen: Beter een worm te zijn en moerbeiblaren te eten in Daphne's Park, dan gast aan 's Konings tafel. Hij keerde om en ging naar de herberg terug.
--Waar de weg naar Daphne is? zeide de portier, verbaasd over de vraag, die Ben-Hur hem deed. Zijt gij hier voor 't eerst? Zoo, dan kunt gij dezen dag als den gelukkigsten van uw leven beschouwen. Gij kunt u niet in den weg vergissen. De eerste straat links voert naar den berg Sulpius, op wiens top een altaar van Jupiter staat en het Amphitheater. Volg die tot de derde kruisstraat, de Kolonnade van Herodes geheeten, sla daar rechts om en ga dwars door de oude stad naar de bronzen poort van Epiphanes. Daar begint de weg naar Daphne. Mogen de goden u beschermen!
Ben-Hur begaf zich dadelijk op weg. De Kolonnade van Herodes was gemakkelijk te vinden, evenzoo de bronzen poort.
Het was omstreeks de vierde ure van den dag, toen hij de stad achter zich liet, om in gezelschap van honderde andere wandelaars naar de beroemde tuinen te gaan. De weg was verdeeld in verschillende paden voor voetgangers, ruiters en wagens; deze laatste weder voor gaande en komende. Lage balustraden, op geregelde afstanden met fraaie standbeelden versierd, dienden tot scheidsmuur tusschen de verschillende paden. Rechts en links van den weg strekten zich goed onderhouden grasvelden uit, hier en daar met eiken en vijgen beplant, en van schaduwrijke prieëlen voorzien, een heerlijke rustplaats voor de vermoeiden onder de wandelaars. De paden voor de voetgangers waren met roode steentjes geplaveid, die voor de ruiters en wagens met wit zand bestrooid, zoo dik, dat het geen echo's van hoeven of wielen teruggaf. Het aantal springende fonteinen was verbazend groot, alle geschenken van koningen, die de stad bezocht hadden, en naar hunnen namen genoemd. Deze straatweg, onovertroffen in aanleg en schoonheid, liep van de stad tot aan den ingang van het Park over eene lengte van ruim vier mijlen.
In zijn diepe neerslachtigheid lette Ben-Hur ternauwernood op al die pracht, noch op de hem omringende menigte. Daar kwam bij dat een provinciestad hem, den inwoner van Rome, weinig belang inboezemde. Het was immers onmogelijk, dat de provincies iets konden opleveren, wat men in Rome niet veel beter en mooier kon zien. Daarom stapte hij wat aan en drong door de groepjes heen, die hem den weg versperden, en veel te langzaam gingen naar zijn smaak. Toen hij Heracleia bereikt had, een klein dorp halverwege de stad en het Park, voelde hij zich een weinig vermoeid, maar tevens toegankelijker voor afleiding. Een paar geiten voortgeleid door een schoone vrouw, alle drie rijk versierd met bloemen en linten, trokken allereerst zijne aandacht. Toen bleef hij staan om naar een fraaien, sneeuwwitten, met frissche wingerdranken omhangen stier te zien, die op zijn breeden rug een mandje droeg, waarin een beeldschoon driejarig knaapje zat, den jongen Bacchus voorstellende, die het sap van rijpe druiven uitdrukt in een beker. Daar ging hem een paard voorbij, rijk opgetuigd, evenals zijn berijder. Hij glimlachte over de zelfbewuste fierheid van ruiter en ros beiden. Weldra hadden de hem voorbijsnellende wagens en paarden, zonder dat hij het zelf wist, zijn belangstelling ten volle gewekt. Na een poosje begon hij ook te letten op de menschen rondom hem. Hij zag dat zij van allerlei leeftijd en stand waren, en allen in feestgewaad. Hier was het gezelschap in 't wit, daar een in 't zwart; sommige hielden vlaggen in de hand, andere zwaaiden wierookvaten, sommige gingen langzaam voort onder het zingen van hymnen, andere liepen op de maat van fluiten en kleine trommen. Als dat iederen dag zoo naar Daphne stroomde, moest er toch iets buitengewoons te zien zijn! Eindelijk ging een luid gejubel op, men klapte in de handen ... de wandelaars hadden het doel van hunnen tocht bereikt. De sierlijken poort, die toegang verleende tot het gewijde Park, verrees voor zijn oog.
Het gezang werd sterker, de muziek speelde lustiger. Gedragen door den stroom, en deelende in de algemeene geestdrift, trad hij naar binnen. Eén blik, en, in weerwil van zijn verfijnden Romeinsche smaak, was Ben-Hur opgetogen over hetgeen hij zag.
Toen hij de poort, die een Griekschen tempel moest voorstellen, doorgegaan was, stond hij op een breede marmeren esplanade. Het wemelde er van menschen in feestklederen, waarvan de bonte kleuren aardig afstaken tegen de zilveren stralen der springfonteinen. Vóór hem, links, voerden net onderhouden wandelpaden naar een tuin, die ongemerkt overging in een bosch, waarboven een doorzichtige blauwe nevel hing.
Ben-Hur staarde droomerig voor zich uit, onzeker waarheen te gaan. Op dat oogenblik riep een vrouw in zijn nabijheid: Mooi! Maar waar nu naar toe?
Haar metgezel, getooid met een lauwerkrans, lachte en antwoordde: Waarheen, lieve domoor? Die vraag komt voort uit aardsche vrees, en waren wij niet overeengekomen om al die dingen in de stad achter te laten? De winden, die hier waaien, zijn de ademhalingen der goden. Wij willen ons door hen laten leiden.
--Maar als wij eens verdwaalden?
--Bang zieltje! Niemand is ooit in Daphne van den rechten weg afgedwaald, behalve zij, achter wie de poorten voorgoed gesloten werden.
--Wie bedoelt gij? vraagde zij, nog niet geheel gerustgesteld.
--Hen, die bezweken zijn voor de bekoringen der plaats, en er zich voor leven en dood aan verbonden hebben. Wacht! Laat ons hier blijven staan, dan zal ik u toonen wat ik bedoel.
Het geluid van lichte snelle voetstappen deed zich hooren.
De menigte maakte ruim baan, want daar kwamen zij aan, de ongelukkigen, waarop de man gezinspeeld had. Eenige jonge meisjes zweefden voor en langs hen heen, zingend en dansend op de maat harer tambourijnen. De vrouw drukte zich verschrikt tegen haar geleider aan, deze sloeg zijn arm beschermend om haar heen. Zijne oogen flikkerden. Het haar der danseressen golfde vrij over hare schouders, het gazen kleedje, dat ternauwernood haar leden dekte, liet haar volkomen vrij in al hare bewegingen. Zinnelijker dans zou bezwaarlijk uit te denken zijn. Eén ronde ... en weg waren zij, even snel en onhoorbaar als zij gekomen waren.
--Nu, wat zegt ge daarvan? riep de man.
--Wie zijn dat? vraagde zij.
--Devadasi, priesteressen van den tempel van Apollo. Haar getal is legio. Zij vormen bij feestelijke gelegenheden het koor. Dit is haar tehuis. Soms brengen zij wel eens een bezoek aan andere steden, maar hare verdiensten moeten zij hier afgeven, om de woonplaats van den goddelijken zanger te verrijken. Willen wij nu verder gaan?
Het volgend oogenblik was het paar verdwenen.
Ben-Hur volgde hun voorbeeld en wandelde verder, waarheen wist hij niet.
Een beeldhouwwerk trok allereerst zijne aandacht. Het bleek een centaur voor te stellen. Een opschrift deelde den onkundige mede, dat hij hier de beeltenis aanschouwde van Chiron, den veelbeminde van Apollo en Diana, door hen onderwezen in de geheimen der jacht, geneeskunst, muziek en profetie.
Toen Ben-Hur door wilde wandelen, kwam juist de witte stier voorbij. Het kind zat nog in de mand, en leidde een processie; daarna kwam de vrouw met de geiten, gevolgd door de tambourijn- en fluitspelers. Daarachter een tweede processie van lieden, die geschenken brachten.
--Waar gaat dat alles heen? vroeg iemand, en het antwoord luidde: De stier naar vader Jupijn, de geit naar Apollo.
* * * * *
ZESDE HOOFDSTUK.
GODSDIENST EEN DEKMANTEL.
Ben-Hur volgde de processie naar het bosch, begrijpende dat hij zoodoende de belangrijkste punten van het Park te zien zou krijgen. Toen hij een eindweegs gegaan was kwam hij aan een open plek. Een zacht windje voerde welriekende geuren aan; wierook en rozengeur. Hij bleef staan en met hem vele anderen, om te zien vanwaar die geuren kwamen.
--Daar is zeker een tuin, zeide hij tot een man, die naast hem stond.
--Of een offerplaats voor Diana, of Pan, of een der boschgoden, luidde het antwoord in de Hebreeuwsche taal.
Ben-Hur zag den spreker verbaasd aan. Een Hebreër? vraagde hij.
De man antwoordde met een glimlach: Ik werd binnen Jeruzalems muren geboren.
Ben-Hur was van plan het gesprek voort te zetten; maar de menigte drong vooruit, zoodat hij van den vreemdeling gescheiden raakte. Hij had slechts den tijd gehad om 's mans kleeding en gelaat op te nemen, een echt Joodsch type. Hij zou hem wel kunnen herkennen, dacht hij.
Thans waren zij gekomen aan een punt, waar een zijpad een gunstige gelegenheid aanbood om zich van de luidruchtige processie af te scheiden. Ben-Hur maakte er gauw gebruik van.
Eerst kwam hij aan een kreupelboschje, dat van den grooten weg gezien nog in den natuurstaat scheen te verkeeren. Een paar stappen waren echter voldoende, om hem ook hier de meesterhand te doen herkennen. De struiken stonden in bloei, of droegen reeds vrucht; de grond was bedekt met de heerlijkste bloemen: seringen en rozen, lelies en myrrhe, oleanders en aloë's, alle oude bekenden uit de valleien rondom Davids stad; en opdat niets aan het geluk der naiaden en nimfen zou ontbreken, stroomde een kabbelend beekje door deze bekoorlijke wildernis. Links en rechts kirden de tortels, en tal van andere gevederde zangers schenen slechts op zijne komst te wachten om een lied aan te heffen. Een nachtegaal bleef onbevreesd op zijn tak zitten, ofschoon Ben-Hur op armslengte voorbijging. Een patrijs liep vlak voor zijne voeten, piepend tegen de kleintjes, die haar volgden.
Hij zette zich neder onder een citroenboom, die zijn wortels wijd uitstrekte om zich te laven aan de beek. Het nest van een duikertje hing vlak boven het kabbelend water en het diertje keek hem met zijn schrandere oogjes onbevreesd aan. Het vogeltje verklaart mij het geheim, dacht hij. Het wil zeggen: Ik ben niet bang voor u, want in dit liefelijke oord is Liefde de Wet.
Na een korte rust stond hij op en wandelde verder, totdat hij bij een snel vliedende stroom kwam. Zijn weg voerde over een brug, vanwaar hij het uitzicht had op een bekoorlijk landschap. Vruchtbare valleien, heuvelen, meertjes, rotswerk, zomerhuisjes, groene weilanden, bedekt met kudden, ruischende watervallen, zoo kon men het niet bedenken, of deze uitgestrekte terreinen leverenden het op.
Als om aan het geheel een godsdienstig karakter bij te zetten waren overal altaren in de open lucht gebouwd, elk door een in 't wit gekleeden priester bediend, terwijl processies, eveneens in 't wit, langzaam van het eene altaar naar het andere gingen, en de rook der offeranden in doorzichtige wolkjes naar boven steeg.
Nu ging hem een licht op. Het Park was eigenlijk een onafzienbare tempel, een tempel zonder muren. Dit ging zijne verwachting verre te boven.
Ben-Hur daalde af in de vallei. Daar graasde een kudde schapen. De herderin wenkte hem: Kom!
Een weinig verder verhief zich midden op 't pad een altaar van zwart en wit marmer, en daarop een bronzen bekken met brandend reukwerk gevuld. Vlak daarbij stond een betooverend schoone vrouw met een wilgetak in de hand, en zoodra zij hem zag, wuifde zij hem toe en riep: Kom hier en toef een weinig!
Nog verder kwam hij eene processie tegen. Aan het hoofd gingen eenige kleine meisjes, met kransen omhangen; maar dat was dan ook haar eenige bedekking. Zij zongen in koor, en werden gevolgd door een groep kleine jongens, eveneens naakt, en dansend op het gezang der meisjes. Hen volgden vrouwen met geschenken voor de altaren, specerijen en lekkernijen, hoogst eenvoudig, maar wel wat luchtig gekleed. In 't voorbijgaan staken zij hem de handen toe en riepen: Keer om en ga met ons!... Eene van haar, een Griekin, zong het volgend liedje:
Voor vandaag neem en geef ik; Voor vandaag drink en leef ik; 'k Denk niet aan den dag van morgen, Die moet voor zichzelven zorgen.
Zonder haar verder een blik waardig te keuren ging hij voort, totdat hij bij een schaduwrijk boschje kwam. Dat trok hem aan. Het gras was zoo groen en frisch, de boomen stonden niet dicht opeengedrongen en waren van verschillende soorten, ook van vreemden bodem hierheen gebracht: statige palmen, vijgen, laurierboomen, trotsche eiken, ceders, wedijverende in omvang met die van den Libanon, moerbeiboomen en platanen. Midden in het boschje stond een zeldzaam schoon beeld van Daphne. Aan den voet van het beeld lagen een knaap en een meisje in elkanders armen te slapen, zijn bijl en sikkel, haar mand en snoeimes lagen achteloos neergeworpen op een hoop verwelkte bloemen.
Dat hinderde hem. Was hij onder den citroenboom tot de slotsom gekomen dat de bekoring van dit heerlijk oord gelegen was in: Liefde zonder vrees,--thans las hij als in een opengeslagen boek: Hier is Liefde de Wet, o ja; maar Liefde zonder Wet.
* * * * *
ZEVENDE HOOFDSTUK.
MALLUCH.
Het beeld van Daphne links latende liggen begaf hij zich naar een boschje van cypressen, hoog en statig als de masten van een schip. Op eens weerklonk een vroolijk trompetgeschal. Rondziende om de oorzaak te ontdekken zag hij den Jood, dien hij eenige uren geleden ontmoet had, in het gras liggen. De man stond op en kwam naar hem toe.
--Nogmaals, vrede zij u, zeide hij vriendelijk.
--Dank u, antwoordde Ben-Hur en vraagde toen: Gaat gij mijn weg?
--Ik ben op weg naar de renbaan, als dat uw weg is.
--De renbaan!
--Ja, het trompetgeschal, dat gij zooeven gehoord hebt, was het signaal voor de mededingers.
--Goede vriend, zeide Ben-Hur levendig, ik ben hier onbekend. Als gij mij toestaat u te volgen zal het mij zeer verheugen.
--Het zal mij een groot genoegen wezen. Hoor! Daar gaan de wagens reeds.
Ben-Hur luisterde even, en stelde zich toen aan den nieuwen bekende voor, zeggende: Ik ben de zoon van Arrius, den duumvir, en gij?
--Ik ben Malluch, een handelsbediende uit Antiochië.
--Wel goede Malluch, die trompet en het gerammel van wielen, en het vooruitzicht van een wedren wekken mij geheel op. Ik heb eenige ervaring van die spelen en ben niet onbekend in de renperken van Rome. Laat ons gaan.
Malluch bleef even staan, en zeide: De duumvir was een Romein en zijn zoon draagt de kleeding van een Jood?
--De edele Arrius was mijn pleegvader, zeide Ben-Hur.
--O zoo; vergeef mij zoo ik nieuwsgierig scheen.
Zij verlieten het bosch en kwamen aan een uitgestrekt veld, dat tot renbaan was ingericht. Ten gerieve der toeschouwers was aan weerszijden voor overdekte staan- en zitplaatsen gezorgd, de laatste amphitheaterswijze.
Ben-Hur telde de wagens, die de baan inreden, negen in 't geheel.
--Ik wensch de menners geluk, zeide hij opgeruimd. Ik dacht dat men zich hier in 't Oosten vergenoegde met een tweespan; maar zij zijn eerzuchtig en wagen zich aan de vorstelijke vier. Laat ons zien wat zij er van maken.
Acht vierspannen gingen voorbij, sommige stapvoets, andere in draf, uitnemend bestuurd. Toen naderde het negende in vollen galop.
Ben-Hur uitte een kreet van bewondering. Ik ben in de keizerlijke stallen geweest, Malluch, zeide hij; maar bij onzen vader Abraham, zulke paarden zag ik nimmer.
Pijlsnel vlogen zij voorbij. Een oogenblik later geraakten zij eensklaps in de war. Achter zich hoorde Ben-Hur een kreet van woede. Hij keerde zich om en zag op een van de bovenste banken een grijsaard, ter prooi aan de grootste opgewondenheid. Een lange, witte baard golfde hem op de borst. Sommige der omstanders begonnen te lachen.
--Zij moesten ten minste achting hebben voor zijn baard.... Wie is hij? vraagde Ben-Hur.
--Een aanzienlijk man uit de woestijn. Sheik Ilderim heet hij, eigenaar van vele kameelen. Zijn paarden, zegt men, zijn van het zuiverste ras, afstammelingen van de beste renners van den eersten Pharao, antwoordde Malluch.
De menner deed intusschen al wat hij kon om zijn vierspan tot kalmte te brengen, maar tevergeefs. Elke mislukte poging maakte den Sheik onrustiger.
--Abaddon! riep hij met schelle stem tot een zijner dienstknechten, gauw, haast u! Grijp ze! Loop! Hoort gij mij niet? Het zijn vrije kinderen der woestijn, evenals gijzelf!
De paarden werden wilder en wilder.
--Vervloekte Romein! riep de Sheik en balde de vuist tegen den menner; zwoer hij niet bij al zijn valsche goden, dat hij wist hoe men er mee om moet gaan?... Blijf van mij af, zeg ik!... Ik wil het zeggen dat iedereen het hoort.... Zij zouden als arenden vliegen, zei hij, en toch zacht zijn als jonge lammeren. Vervloekt zij hij! Zie hen aan, de weergaloozen! Als hij waagt hen met de zweep aan te raken, dan--
Het overige van den zin ging verloren in woedend tandengeknars. Abaddon! riep hij een oogenblik later, Asalthiël! Gaat dan toch en houdt ze tegen! Spreekt tot hen! Eén woord is voldoende! O dwaas, die ik was, om een Romein te vertrouwen!
Ben-Hur, die den Sheik meende te begrijpen, kon voor hem gevoelen. Hij wist dat niet zoozeer gekwetste ijdelheid, niet angst over den uitslag van den wedren, hem in zulk een toestand bracht; maar de bezorgde teedere liefde voor zijn dieren, die bij den woestijnbewoner gewoonlijk aan hartstocht grenst.
't Waren dan ook prachtexemplaren, kastanjebruin van kleur, volmaakt gelijk aan elkander, en zoo goed geëvenredigd, dat zij kleiner toonden, dan zij werkelijk waren. De kleine koppen, fijne ooren, de wijdgeopende neusgaten, vuurrood van binnen, de sierlijk gewelfde halzen, de prachtige dikke manen, die tot op de schouders en borst neerhingen, terwijl de voorhoofdlokken aan uitgerafelde zijde deden denken, de schoon gevormde pooten--alles kenmerkte het edelste Arabische ras. Wild steigerend sloegen zij de lucht met hun glanzig zwarte, dikke, lange staarten. De Sheik noemde ze weergaloos, en hij had gelijk.
Bij deze tweede en nadere beschouwing begreep Ben-Hur ten volle in welke verhouding de dieren tot hun meester moesten staan. Opgegroeid onder zijn oog, het voorwerp van zijne bijzondere zorgen bij dag, het onderwerp zijner droomen bij nacht, met zijn gezin de zwarte tent in de woestijn deelende, had hij hen lief als zijne kinderen. Opdat zij hem een triomf over de hooghartige, gehate Romeinen zouden doen behalen, had de oude man zijn lievelingen naar de stad gebracht. Hij twijfelde niet aan hunne overwinning, als hij maar een vertrouwbaren wagenmenner kon vinden, die behalve de bekwaamheid ook den tact bezat om met hen om te gaan. Het was hem, den Sheik en Arabier, onmogelijk koel toeschouwer te blijven, en later den onhandige met een scherpe vermaning weg te zenden, zooals een Westerling allicht zou gedaan hebben,--hij moest zijn woede openlijk lucht geven.
Nog voordat de Sheik van zijne drift bekomen was, hadden een dozijn handen de paarden bij 't gebit gegrepen en tot staan gebracht. Thans verscheen de tiende wagen in de renbaan. In afwijking van de andere waren hier menner, wagen en paarden geheel uitgedost zooals zij op den dag van den wedstrijd in den circus zouden verschijnen.
Daar de Romeinschen strijdwagens algemeen bekend zijn behoeven wij ze hier niet nader te beschrijven. De eerste mededingers waren stilzwijgend ontvangen; toen deze laatste de baan inreed klapten verscheidene toeschouwers in de handen en juichten hem luide toe, zoodat weldra de algemeene aandacht op hem gevestigd was. De twee middelste paarden waren zwart, de twee buitenste sneeuwwit. Hunne staarten waren op Romeinsche manier kort gesneden, evenzoo hunne manen, die daarenboven met roode en gele linten doorvlochten waren. De wagen zelf was een waar kunststuk. Het schoone geheel trok ten zeerste Ben-Hurs aandacht, en de menner--wie kon dat zijn? De toejuichingen deden vermoeden dat hij een aanzienlijk persoon, misschien wel een vorst was. Men zal zich herinneren dat zelfs de keizers Nero en Commodus gaarne deelnamen aan wedrennen. Ben-Hur stond op en drong door tot de onderste rij, vlak bij de borstwering.
Nog een paar minuten en hij kreeg den wagenmenner vlak in 't gezicht. Deze had een vriend naast zich, in de taal der klassieken een Myrtilus geheeten, hetgeen mannen van aanzien, die aan wedrennen deelnamen, geoorloofd was. Ben-Hur kon alleen den menner zien, recht overeind staande in zijnen wagen, de teugels verscheidene malen om zijn lichaam gewonden. Hij droeg een lichtroode tunica, in de rechterhand hield hij de zweep, in de linker de vier leidsels. De houding was uitermate sierlijk en opgewekt. Toejuichingen en handgeklap werden met kalme onverschilligheid ontvangen. Ben-Hur stond aan den grond genageld--zijn instinct en geheugen hadden hem niet bedrogen: dat was Messala.
Aan de keus der paarden, aan den prachtigen wagen, aan de houding, bovenal aan de trotsche uitdrukking op het koele, scherpe gelaat, zag Ben-Hur, dat Messala onveranderd dezelfde gebleven was: hooghartig, overmoedig, eerzuchtig, cynisch, onverschillig.
* * * * *
ACHTSTE HOOFDSTUK.
BIJ DE BRON.
Toen Ben-Hur zich met anderen gereedmaakte om heen te gaan, stond een Arabier op en riep met luide stem: Gij mannen van het Oosten en van het Westen, hoort! De goede Sheik Ilderim groet u. Met vier paarden, zonen van Koning Salomo's lievelingsrossen, kwam hij naar Antiochië om aan de wedrennen deel te nemen. Hij heeft een bekwaam menner noodig voor zijne paarden. Wie ze naar wensch voor hem besturen wil zal hij met rijkdom overladen. Maakt dit aanbod bekend, hier, daar in de stad, in den circus, overal waar de sterken samenkomen. Zoo zegt mijn meester, Sheik Ilderim de Edelmoedige.