Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde
Chapter 12
Het meisje zag verschrikt en verbaasd eerst haar vader, toen den bezoeker aan. Daarop zette zij den beker op tafel en ging gehoorzaam naar den ziekenstoel. Simonides greep hare hand en zeide op kalme toon: Ik ben oud geworden vóór mijn tijd door toedoen van menschen. Als hij, die u wat gij daar zeidet, verteld heeft, een met mijne geschiedenis bekend vriend is, dan moet hij u overtuigd hebben, dat ik niet anders dan achterdochtig kan zijn met betrekking tot mijne medemenschen. De God van Israël sta hem bij, die aan het einde zijns levens genoodzaakt is zoo te spreken. Ik heb slechts weinigen lief, maar die dan ook met mijn ganschen hart. Een van die--hij bracht op een onbeschrijfelijk teedere wijze Esthers hand aan zijne lippen--tot heden onverdeeld de mijne, was mij tot zulk een zoeten troost, dat ik zou sterven als zij van mij genomen werd.
Esther boog zich over haren vader en kuste hem op het voorhoofd.
--De andere liefde is slechts een herinnering, waarvan ik niets anders zeggen zal, dan dat zij als een zegen des Heeren een geheele familie omvat. Wist ik, ach wist ik maar waar zij zich ophouden!
Ben-Hurs gelaat werd met een donkeren blos overtogen, en een stap nader tredend riep hij hartstochtelijk: Mijne moeder en zuster! Die bedoelt gij, niet waar?
Esther zag verwonderd op; maar Simonides, zichzelf meester, zeide koel: Hoor mij ten einde. Omdat ik ben wat ik ben, en om de liefde waarvan ik sprak, eisch ik van u naar recht en billijkheid de bewijzen, dat gij zijt voor wien gij u uitgeeft. Daarna zal ik uwe vraag betreffende mijne verhouding tot vorst Hur beantwoorden. Hebt gij uwe bewijzen op schrift? Of brengt gij persoonlijke getuigen mee?
De vraag was eenvoudig, en haar goed recht onbetwistbaar.
Ben-Hur werd verlegen, stamelde een paar onsamenhangende woorden, en keerde zich besluiteloos af. Simonides hield aan: Geef mij de bewijzen, zeg ik. Leg ze mij voor, geef ze mij in handen!
Maar Ben-Hur kon niets antwoorden. Aan die mogelijkheid had hij niet gedacht; en nu hij er voor stond, gingen zijne oogen eerst geheel open voor het vreeselijke feit, dat die drie jaren op de galeien alle bewijzen van zijne identiteit hadden weggevaagd. Nu zijne moeder en zuster spoorloos verdwenen waren, was er niemand, op wien hij zich kon beroepen. Bekenden had hij genoeg; maar dat baatte niet. Wat had zelfs Quintus Arrius, als hij hier bij hem was geweest, meer kunnen zeggen, dan waar hij hem gevonden had en dat hij voor zich overtuigd was den zoon van vorst Hur voor zich te zien? Maar, zooals wij straks zullen zien, de dappere Romeinsche krijger was niet meer. Juda had vroeger wel eens over zijne verlatenheid gezucht, maar nu eerst voelde hij ten volle wat het zegt niemand toe te behooren. Daar stond hij met gevouwen handen, afgewend gelaat, geheel verslagen. Simonides eerbiedigde die stille smart en wachtte zwijgend.
--Meester Simonides, zeide Ben-Hur eindelijk, ik kan u alleen mijne levensgeschiedenis verhalen; maar ik doe het niet, tenzij gij zoolang uw oordeel wilt opschorten en met goedwilligheid naar mij wilt luisteren.
--Spreek, zeide Simonides, ik luister te gewilliger daar ik niet ontkend heb, dat gij degeen zijt, voor wien gij u uitgeeft.
Toen vertelde Ben-Hur in weinige, maar welsprekende woorden zijn wederwaardigheden. Daar wij die kennen tot aan het oogenblik van zijne landing te Misenum in gezelschap van Arrius, zullen wij bij dat punt zijn verhaal opvatten.
--De keizer had mijn weldoener lief, vertrouwde hem volkomen, en overlaadde hem met eerbewijzen. De kooplieden uit het Oosten, die hem hunne veiligheid dankten, brachten kostbare geschenken aan, zoodat hij schatten op schatten stapelde. Mag een Jood zijn godsdienst vergeten, of zijn geboorteland, zoo dat de heilige grond onzer vaderen is? De waardige Arrius nam mij geheel volgens de Romeinsche wetten tot zoon aan, en ik deed wat ik kon om hem mijne dankbaarheid te toonen. Nooit was een kind zijn vader meer onderdanig dan ik hem. Hij had mij tot geleerde willen maken. In kunst, philosofie, rhetorica, oratorie, zou hij mij de beroemste meesters gegeven hebben. Die aanbiedingen sloeg ik af, omdat ik een Jood was, en zoomin den Heere God kon vergeten, als onze groote profeten of de stad door David en Salomo gebouwd. Vraagt gij soms waarom ik zijne andere gaven wèl aannam? Dan antwoord ik: Ik had hem lief, en ik hoopte eenmaal met zijne hulp den sluier op te lichten, die het lot van mijne moeder en zuster bedekte. Daarnevens had ik nog een ander doel voor oogen, waarover ik niets wil zeggen, dan dit, dat het mij een prikkel was om het krijgswezen grondig te bestudeeren, en mij in het hanteeren der wapenen te bekwamen. In worstelperk en circus heb ik mij dag aan dag geoefend, in het kamp niet minder, en overal heb ik naam gemaakt. De lauweren, die ik won--en aan de muren der villa te Misenum hangen er verscheidene--kwamen tot mij, als zoon van Arrius den duumvir, niet als den zoon mijns vaders. Alleen in mijne betrekking tot den Romein ben ik bij de Romeinen bekend. Tot bevordering van mijne plannen verliet ik Rome voor Antiochië, vast besloten om den Consul Maxentius in den oorlog tegen de Parthen te volgen, ten einde op het slagveld de hoogere kunst te leeren van de troepen ten strijde te voeren. De consul heeft mij toegelaten tot den kring zijner naaste omgeving. Maar gisteren, toen ons schip den Orontes opvoer, ontmoetten wij twee andere schepen, met gele vlaggen in top. Een medereiziger en landgenoot van Cyprus deelde ons mee, dat die schepen het eigendom waren van Simonides, den grootsten koopman van Antiochië. Hij vertelde ons van zijn wonderbaren voorspoed in den handel, van zijne vloot en karavanen, weinig vermoedende, dat een zijner hoorders persoonlijk het grootste belang stelde in hetgeen hij mededeelde. Hij zeide ook dat Simonides een Jood was, in vroeger jaren lijfeigene van vorst Hur. Tot besluit sprak hij van de wreedheden door Gratus gepleegd en het doel dier vervolging.
Bij deze woorden boog Simonides het hoofd, terwijl Esther zich tegen hem aanvlijde, als wilde zij hem haar innig medelijden toonen. Slechts even; toen richtte Simonides zich weer op en zeide met heldere stem: Ik luister.
--Ach, goede Simonides, antwoordde Ben-Hur, terwijl zijn geheele ziel uit zijne oogen sprak, ik zie dat gij nog niet overtuigd zijt, en dat de schaduw van verdenking nog op mij rust.
Het gelaat van den koopman bleef koud en strak als marmer. Hij bewaarde het stilzwijgen.
--Niet minder duidelijk zie ik de moeilijkheden van mijn toestand, vervolgde Ben-Hur. Mijne Romeinsche betrekking kan ik bewijzen, ik behoef mij slechts op den consul te beroepen, die als gast van den gouverneur dezer stad in Antiochië vertoeft; maar ik kan niet bewijzen dat ik de zoon mijns vaders ben. Die dat konden zijn dood, of verdwenen.
Hij bedekte zijn gelaat met beide handen, waarop Esther naar hem toe ging, en hem den versmaden beker wijn nogmaals aanbood, met de woorden: De wijn komt uit het land, dat wij allen zoozeer liefhebben. Drink, bid ik u.
Hare stem klonk zacht en liefelijk. Ben-Hur zag dat hare oogen vol tranen stonden. Hij nam de beker aan, zeggende: Dochter van Simonides, uw hart is vol goedheid. Dat onze God u zegene! Ik dank u.
Toen wendde hij zich opnieuw tot den koopman.
--Daar ik u niet bewijzen kan, dat ik mijn vaders zoon ben, trek ik mijne vraag terug. Gij zult mij niet wederzien. Alleen dit nog: Mijn bedoeling was niet u te doen terugkeeren tot dienstbaarheid, of rekenschap te eischen van uw vermogen. Welke ook de uitkomst mocht geweest zijn, ik zou gezegd hebben wat ik nu ook zeg: Alles wat gij door uw vlijt en talenten gewonnen hebt is het uwe. Behoud het in vrede. Ik heb het niet noodig. Toen de goede Quintus, mijn tweede vader, de reis aanvaardde, waarvan hij niet zou terugkeeren, maakte hij mij tot eenige erfgenaam van zijn vorstelijk vermogen. Mocht gij dus bijgeval later nog eens aan mij denken, laat het dan alleen zijn in verband met de vraag, die het voornaamste doel mijner komst was. Wat weet gij, wat kunt gij mij vertellen van mijne moeder en van Tirza, mijne zuster; zij, die in schoonheid en bevalligheid aan uwe beminnelijke dochter gelijk zou zijn? O zeg, wat kunt gij mij van haar vertellen?
De tranen stroomden langs Esthers wangen, maar haar vader bleef onbewogen. Met vaste stem antwoordde hij: Ik heb gezegd dat ik vorst Hur gekend heb. Ik herinner mij vernomen te hebben, dat zijn gezin door vele rampen getroffen werd. Hij, die de weduwe van mijn vriend in het verderf stortte, is dezelfde, die ook mij vervolgd heeft. Ik wil nog verder gaan, en u zeggen dat ik naarstig onderzocht heb wat van de familie geworden is; maar--ik kan u niets van haar vertellen. Zij zijn als van den aardbodem verdwenen.
Ben-Hur slaakte een diepen zucht. Dan--dan is weder een hoop vervlogen, zeide hij. Ik ben gewoon aan teleurstellingen. Ik bid u vergeef mij, zoo ik u moeite veroorzaakte, vergeef het ter wille van mijne smart. Ik heb nu niets meer om voor te leven dan mijne wraak. Vaarwel.
Bij den uitgang keerde hij zich om en zeide eenvoudig: Ik dank u beiden.
--De vrede Gods vergezelle u, zeide de koopman.
Esther kon niet spreken, zij snikte luid.
En zoo vertrok hij.
* * * * *
VIERDE HOOFDSTUK.
SIMONIDES.
Nauwelijks was Ben-Hur de kamer uit, of Simonides scheen als uit den slaap te ontwaken. Zijn gelaat gloeide, zijn sombere oogen schoten vuur. Op levendigen toon zeide hij: Gauw, Esther, bel eens gauw!
Zij ging naar de tafel en drukte op een knopje. Dadelijk daarop verscheen door een deur in den muur een bediende, die voor den koopman bleef staan en een eerbiedigen buiging maakte.
--Hier, Malluch, dichter bij mijn stoel, beval de meester. Ik heb een werk voor u, dat niet mag mislukken, al viel de zon ook van den hemel. Luister! Zooëven verliet mij een jonkman, hij zal door het pakhuis gaan, slank, schoon, als Israëliet gekleed. Volg hem, zijn schaduw mag niet onafscheidelijker van hem zijn dan gij. Iederen avond doet gij mij weten waar hij is, wat hij doet, welk gezelschap hij opzoekt; en als gij zonder vrees voor ontdekking zijne gesprekken kunt afluisteren, breng ze mij dan woord voor woord over, met alles wat dienen kan om zijne gewoonten, zijne bedoelingen, zijn leven te leeren kennen. Begrepen? Ga gauw. Wacht, Malluch, luister nog even. Gaat hij de stad uit, volg hem, en doe u als vriend voor. Spreekt hij u aan, zeg wat gij wilt, alleen niet dat gij in mijn dienst zijt. Daarover gezwegen. Haast u! Spoed u voort!
De man groette en ging heen.
Toen wreef Simonides zijn vermagerde handen en lachte.
--Welke dag is het vandaag, kind? vraagde hij vroolijk. Ik wil hem onthouden als een geluksdag. Zie den datum lachend na, en zeg hem mij lachend, Esther.
Die vroolijkheid kwam haar onnatuurlijk voor, en om hem dat zachtkens te doen gevoelen antwoordde zij droevig: Wee mij, vader, zoo ik ooit dezen dag kon vergeten!
Zijne handen vielen slap neer, hij boog het hoofd en zeide: Zeker, zeker, mijn kind. Dit is de twintigste dag van de vierde maand. Vandaag voor vijf jaren viel mijn lieve Rachel, uwe moeder, neer en stierf. Zij brachten mij thuis, gebroken, zooals gij mij nu ziet, en wij vonden haar bezweken door smart. O, voor mij was zij een struik kamfer in de wijngaarden van Engedi. Ik heb mijne myrrhe geplukt met mijne specerij. Ik heb mijne honigraten met mijnen honig gegeten. Wij begroeven haar op een eenzame plek, een graf uitgehouwen in den berg, niemand ligt bij haar. Maar zij liet mij in mijne duisternis een klein lichtje na, dat met de jaren toenam in glans. (Hij legde zijne hand op Esthers hoofd.) Lieve God, ik dank u, dat ik in mijne Esther mijne verlorene Rachel mag zien herleven!
Toen lichtte hij het hoofd weder op en zeide, alsof een invallende gedachte hem trof: Is het niet klaarlichte dag daarbuiten?
--Zoo was het toen de jonkman binnenkwam.
--Laat Abimelech dan komen en mij naar den tuin brengen, waar ik de rivier en de schepen kan zien. Daar zal ik u zeggen waarom zooeven mijn mond lachte en mijne tong zong, en mijn hart opsprong binnen in mij, als een ree of jonge gazelle op de welriekende bergen.
Op haar schellen kwam een tweede knecht en duwde op haar bevel den stoel, tot dat doel op wieltjes staande, de kamer uit, naar het dak van het lager gelegen huis, den tuin, zooals Simonides het noemde. Tusschen de schoonste, met de meeste zorg gekweekte bloemen door, werd hij naar een punt gerold, vanwaar hij de brug, de fonkelende rivier en de talrijke schepen overzien kon. Daar liet de knecht hem met Esther alleen.
Het geraas, dat de arbeiders maakten, hinderde hem niet, evenmin als de drukte op de brug schuin boven zijn hoofd. Hij was daaraan gewoon en merkte het ternauwernood op.
Esther zette zich op de armleuning van zijn stoel en streelde zijne hand, in afwachting dat hij spreken zou. Eindelijk begon hij op zijn gewonen kalmen toon. Zijn machtige wil had hem de zelfbeheersching teruggegeven.
--Toen die jonkman sprak, Esther, heb ik u gadegeslagen, en meende te zien dat gij voor hem gewonnen waart.
Het meisje sloeg de oogen neer en antwoordde: Als u bedoelt, vader, dat ik zijne woorden geloofde, ja, dan hebt u gelijk.
--In uwe oogen is hij dus de zoon van vorst Hur?
--Als hij het niet is....
--Nu, wat dan, kind?
--Ik ben uwe dienstmaagd, vader, sinds moeder Gods roepstem volgde. Aan uwe zijde staande heb ik gehoord en gezien hoe u op verstandige wijze handeldet met allerlei soort van mannen, die langs rechte of kromme paden winst zochten te behalen. Daarom zeg ik, als deze jonkman niet de vorst is, waarvoor hij zich uitgeeft, dan zag ik de leugen nog nimmer zoo goed de rol van waarheid en recht spelen.
--Bij de wijsheid van Salomo, dochter, dat is een veelbeteekend woord. Gelooft gij dat uw vader zijn vaders lijfeigene was?
--Mij dacht, hij vraagde alleen maar, of dat zoo was.
--Wel, gij zijt een goed kind, Esther, met echt Joodsche scherpzinnigheid begaafd, en krachtig genoeg om een droevig verhaal te horen. Luister dus goed, want ik zal u iets van mijzelven vertellen, en van uwe moeder, en van vele dingen, die tot een verleden behooren, waarvan gij niets vermoedt, dingen, die den wraakgierigen Romein verborgen zijn gebleven ter wille van een stille hoop, en die ik u verzwegen heb, opdat uw gemoed zich tot den God Israëls zou keeren, als het riet naar de zon. Ik ben geboren in een spelonk in de vallei Hinnom, aan de zuidzijde van den berg Sion. Mijn vader en moeder waren Hebreeuwsche lijfeigenen. Zij verzorgden de olijf- en vijgeboomen in den Koningstuin bij Siloam. Toen ik groot genoeg was hielp ik hen. Zij behoorden tot de klasse, die tot altijddurenden dienst verplicht is. Ik werd later verkocht aan vorst Hur, na koning Herodes de rijkste inwoner van Jeruzalem. Die zond mij naar zijn magazijn in Alexandrië, waar ik meerderjarig werd. Ik diende hem zes jaar, in het zevende werd ik naar de wet van Mozes vrij.
Esther klapte in de handen.
--O, dan zijt gij niet zijn vaders lijfeigene!
--Luister verder, kind. Er waren in die dagen wetgeleerden, die met groote heftigheid de stelling verdedigden, dat de kinderen van lijfeigenen levenslang tot den stand hunner ouders behooren; maar vorst Hur was rechtvaardig in alle dingen en een bekwaam uitlegger der Wet. Hij zeide, dat ik een gekochte Hebreeuwsche dienstknecht was en volgens de bedoeling van den grooten Wetgever in vrijheid kon uitgaan. Op gezegelde brieven, die ik trouw bewaard heb, verklaarde hij mij vrij.
--En mijne moeder? vraagde Esther.
--Gij zult alles hooren, kind. Heb maar geduld. Voordat ik uitgesproken heb zult gij zien, dat ik lichter mijzelf zou kunnen vergeten, dan uwe moeder.... Toen mijn diensttijd verstreken was, ging ik met het Paaschfeest op naar Jeruzalem. Mijn meester ontving mij in zijn huis. Ik had hem lief met mijn gansche hart en verzocht hem in zijn dienst te mogen blijven. Dat stond hij toe en ik diende hem nogmaals zeven jaren, maar thans als een gehuurde zoon van Israël. Hij droeg mij de leiding op van belangrijke ondernemingen ter zee, en het toezicht over zijne karavanen naar Suza en Persepolis. Het waren gevaarvolle tochten, kind, maar de Heer zegende alles wat ik ondernam. Ik bracht den vorst groot gewin aan en deed voor mezelf een schat van kennis op, zonder welke ik de verplichtingen, die mij later werden opgelegd, niet zou hebben kunnen nakomen. Op zekeren dag bevond ik mij te Jeruzalem in het huis van den vorst. Eene dienstmaagd kwam binnen met een schaal brood. Zij bood mij daarvan aan. Dat was de eerste maal dat ik uwe moeder zag. Ik kreeg haar lief. Niet lang daarna vraagde ik de vorst haar mij tot vrouw te geven. Hij antwoordde, dat zij een lijfeigene was, levenslang dienstbaar; maar dat hij haar om mijnentwil vrij zou laten. Zij had mij wederkeerig lief, maar voelde zich gelukkig waar zij was en nam haar aangeboden vrijheid niet aan. Telkens als ik te Jeruzalem kwam, hield ik bij haar aan, maar haar antwoord bleef onveranderlijk hetzelfde: dat zij mijne vrouw wilde worden, mits ik haar mededienstknecht werd. Onze vader Jakob diende tweemaal zeven jaren om zijne Rachel, kon ik dat niet voor de mijne doen? Maar uwe moeder zeide, dat ik een lijfeigene moest worden mijn leven lang, evenals zij. Ik ging heen, maar kwam terug. Zie maar, Esther, zie maar.
Hij schoof zijn hoofddoek weg, wees op zijn linkeroor, en zeide: Ziet ge het litteeken van den priem?
--Ik zie het, antwoordde zij. Wat hebt ge moeder liefgehad!
--Ach, Esther, zij was mij dierbaarder dan Sulamith den koninklijken zanger; zij was mij een springader van levend water, als de stroomen van den Libanon. De vorst bracht mij op mijn verzoek voor de rechters, voerde mij terug naar zijne huisdeur, en doorpriemde mijn oor met den priem, zoodat ik voor eeuwig zijn dienstknecht was. Aldus heb ik mijne Rachel gewonnen. Was er ooit grooter liefde dan de mijne?
Esther boog zich en kuste hem. Toen zwegen beiden een geruime poos.
--Mijn meester verdronk op zee, de eerste droefheid die mij overkwam, vervolgde Simonides. Er was rouwgeklag in zijn huis en in het mijne, hier in Antiochië, waar ik toen reeds woonde. Let nu goed op, Esther. Toen de vorst stierf was ik opgeklommen tot eersten rentmeester.
Alles wat hij bezat stond onder mijn beheer. Daaruit kunt gij zien dat hij mij volkomen vertrouwde en liefhad. Ik haastte mij naar Jeruzalem, om de weduwe rekening en verantwoording te doen. Zij bevestigde mij in mijn ambt. Ik legde mij met nog meer ijver op mijn werk toe. De zaak bloeide en breidde zich jaarlijks uit. Zoo gingen tien jaren voorbij, toen viel de slag, waarvan de jonge man straks gewaagde. Ik bedoel het ongeluk met den procurator Gratus. De Romein noemde het een poging tot moord. Onder dat voorwendsel legde hij, met toestemming van den keizer, ten eigen bate beslag op alles wat de weduwe bezat. Daar bleef het niet bij. Opdat geen herroeping van het vonnis mogelijk zou zijn, verwijderde hij alle belanghebbenden. Sedert dien vreeselijken dag is de familie Hur spoorloos verdwenen. De zoon, dien ik als kind gezien had, werd naar de galeien verwezen. De weduwe en de dochter zijn waarschijnlijk opgesloten in een der gevangenissen van Judea. Eenmaal achter de veroordeelden gesloten, zijn die holen aan grafspelonken gelijk. Weggevaagd zijn de armen, alsof de zee ze verzwolgen had. Wij konden niet eens te weten komen hoe zij stierven; neen, zelfs niet of zij dood zijn.
Esthers oogen stonden vol tranen.
--Uw hart is goed, Esther, evenals dat van uwen moeder, en ik bid God, dat het niet het lot moge ondergaan van het meerendeel der goede harten: vertrapt te worden door onmeedoogenden en blinden. Maar luister verder. Ik begaf mij dadelijk naar Jeruzalem, om mijne meesteres, zoo mogelijk, te helpen, maar werd bij de poort gegrepen en naar de burcht Antonia gebracht, waarom wist ik niet, totdat Gratus zelf verscheen en de gelden opeischte van het huis Hur, welke hij wist dat, naar Joodsch gebruik, door wissels van mijne handteekening voorzien, overal konden opgevraagd worden. Hij verlangde dat ik zijn bevel zou onderteekenen. Ik weigerde. Hij had de huizen, landerijen, goederen, schepen van hen, die ik diende, maar niet het geld. Ik wist dat ik, als God met mij bleef, het verlorene ruimschoots kon herwinnen. Ik weigerde den tiran te gehoorzamen. Hij deed mij op de pijnbank leggen. Ik bleef standvastig. Hij hergaf mij de vrijheid zonder zijn doel bereikt te hebben. Ik kwam thuis en begon handel te drijven op naam van Simonides van Antiochië, zooals ik dat vroeger deed op naam van vorst Hur van Jeruzalem. Gij weet, Esther, dat alles mij meeliep, dat het vorstelijk vermogen onder mijn beheer tot in het wonderbaarlijke aangroeide. Gij weet dat ik drie jaren later naar Cesarea ging, waar ik weder op bevel van Gratus gegrepen en gepijnigd werd, om mij de bekentenis af te persen, dat mijn geld en goed tot het door hem in beslag genomene behoorde. Gij weet, dat hij evenmin als vroeger iets op mij vermocht. Gebroken naar 't lichaam kwam ik thuis en vond mijne Rachel dood, van angst en droefheid over mij. De Heer onze God regeert; ik bleef in het leven. Van den keizer zelf kocht ik het privilegie, om over de geheele wereld handel te mogen drijven. Heden, geloofd zij Hij, die de wolken maakt tot zijne wagen en en op de winden wandelt, heden, Esther, is datgene wat mij als rentmeester was toevertrouwd tot een vermogen aangegroeid, waar een keizer van zou kunnen leven.
Trots hief Simonides het hoofd op. Hunne oogen ontmoetten elkander, zij lazen elkanders gedachten.
--Wat zal ik met den schat doen, Esther? vraagde hij, haar strak aanziende.
--Vader, zeide zij zacht, heeft de rechtmatige eigenaar zich straks niet aangemeld?
Zijn oog bleef vast op het hare gericht.
--Maar gij, mijn kind, moet ik u als bedelares achterlaten?
--Neen, vader; ben ik niet, omdat ik uw kind ben, zijne dienstmaagd? En van wie staat geschreven: Kracht en eer zijn haar kleedij, en zij zal in toekomstige tijden zich verblijden?
Met een uitdrukking van innige liefde op het gelaat antwoordde hij: God is in vele opzichten goed voor mij geweest; gij, Esther, zijt het grootste bewijs van zijne gunst.
Hij trok haar tot zich en kuste haar herhaaldelijk.
--Hoor nu, zeide hij, waarom ik straks lachte. De jonge man was sprekend het evenbeeld van zijn vader, toen hij nog jong was. Mijn hart vloog hem te gemoet om hem te begroeten. Ik voelde dat mijn lijdenstijd voorbij was en mijn zwoegen geëindigd. Ik had het uit kunnen schreeuwen van blijdschap. Ik zou niets liever gedaan hebben, dan hem bij de hand nemen, hem de kasboeken toonen en zeggen: Zie, dat is alles het uwe, en ik ben uw dienstknecht, bereid om afgeroepen te worden. En dat zou ik gedaan hebben, Esther, dat zou ik gedaan hebben, zoo niet op dat oogenblik een drietal gedachten bij mij opgekomen was en mij weerhouden had. Ik moet zeker weten, dat hij de zoon mijns meesters is, dat was de eerste gedachte. Is hij dat, dan moet ik iets aangaande zijn karakter zien te vernemen; want, Esther, onder degenen, die in weelde geboren werden, zijn velen in wier hand de rijkdom tot een vloek werd....