Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde

Chapter 11

Chapter 113,831 wordsPublic domain

Zoodra het den tribuun mogelijk was had de aanneming tot zoon geheel volgens de wet plaats. Zoo betoonde de Romein zijne dankbaarheid aan Ben-Hur en verschafte hem den toegang tot de hoogere Romeinsche kringen. Een maand na Arrius' terugkomst werd zijne overwinning op de zeeroovers glansrijk gevierd in het theater van Scaurus. De eene zijde van het gebouw was versierd met militaire tropeeën, waaronder de voorstevens der twintig vijandelijke galeien niet het minst de aandacht trokken. Daarboven stond in gulden letters geschreven: Veroverd op de zeeroovers in de golf van Euripus, door Quintus Arrius Duumvir.

* * * * *

BOEK IV.

* * * * *

EERSTE HOOFDSTUK.

VIJF JAREN LATER.

Wij zijn in de maand Juli van het jaar onzes Heeren 28, en wel in Antiochië, de koningin van het Oosten, en na Rome de machtigste, zoo niet de volkrijkste stad der wereld. Dat de buitensporige weelde en zedeloosheid van dien tijd zich van uit Rome over het geheele rijk verspreidden mag in twijfel getrokken worden. Die zich de moeite getroosten wil van alles nauwkeurig te onderzoeken zal tot het besluit komen, dat de zedenbedervende strooming van het Oosten uitging naar het Westen, met name van Antiochië, een der oudste zetels van Assyrische macht en prachtlievendheid.

Een transportgalei liep, uit zee komende, den mond van den Orontes in. Het was voormiddag. De hitte was groot, toch waren alle reizigers op het dek, daaronder ook Ben-Hur.

De vijf jaren, die sedert zijne bevrijding verloopen zijn, hebben den jongen Jood tot een krachtig man ontwikkeld. In een ruim wit kleed gehuld zag hij er zeer innemend uit. Reeds meer dan een uur had hij rustig in de schaduw van het zeil gezeten, en in dat uur hadden verscheidene reizigers, tot zijn eigen volk behoorende, een gesprek met hem trachten aan te knoopen, maar zonder te slagen. Hunne vragen had hij kort, schoon zeer beleefd, in de latijnsche taal beantwoord. Zijn beschaafde manier van spreken, zijn waardige houding, zijn teruggetrokkenheid schenen hunne nieuwsgierigheid in hooge mate te prikkelen. Daarenboven was in de uitdrukking van zijn gelaat iets dat den nauwlettenden beschouwer deed zeggen: die man heeft een verleden achter zich.

De galei had in een der havens van Cyrus een Hebreër opgenomen van zeer fatsoenlijk, eerwaardig voorkomen. Ben-Hur voelde zich tot den man getrokken en deed hem een paar vragen. De antwoorden wonnen zijn vertrouwen, en leidden weldra tot een uitvoerig gesprek.

Toen de galei van Cyprus afgevaren was achterhaalde zij twee andere vaartuigen, die eveneens de rivier opvoeren en zoodra zij in elkanders buurt waren tal van gele vlaggetjes heeschen. Iedereen wilde weten wat die vlaggetjes beduidden, maar niemand kon er een verklaring van geven, totdat een der reizigers den eerbiedwaardigen Hebreër om inlichting vraagde.

--Die vlaggetjes, antwoordde hij, dienen niet om de nationaliteit kenbaar te maken. Zij zijn eenvoudig het kenteeken van den eigenaar.

--Heeft die dan zoovele schepen?

--Ja.

--Kent gij hem?

--Ik heb handel met hem gedreven.

De passagiers zagen den grijsaard vragend aan, als om hem tot vertellen te noodigen. Ben-Hur luisterde met belangstelling.

--Hij woont in Antiochië, vervolgde de Hebreër. Daar hij schatrijk is heeft men natuurlijk de oogen op hem gevestigd; maar men spreekt niet altijd welwillend over hem. Er heeft namelijk vroeger in Jeruzalem een vorst gewoond uit het aloude geslacht Hur.

Juda deed zijn best om kalm te blijven, maar zijn hart begon sneller te kloppen.

--Die vorst, ging de verhaler voort, was koopman en had een zeldzaam scherpen blik op de zaken. Hij zette belangrijke ondernemingen op touw, in 't Oosten zoowel als in 't Westen. In de groote steden vestigde hij bijkantoren. Dat in Antiochië werd beheerd door een zekeren Simonides, die in weerwil van zijn Griekschen naam toch een Israëliet was. De vorst verongelukte op zee. De zaken werden echter voortgezet en waarlijk met niet minder goed gevolg. Na een paar jaren werd het gezin van den vorst door een zwaren slag getroffen. Zijn eenige zoon trachtte den procurator Gratus te dooden in de straten van Jeruzalem. De aanslag mislukte en sedert is hij verdwenen.

De Romein wreekte zich op het geheele gezin. Niemand werd gespaard. Het paleis werd verzegeld, op de goederen, ja, op alles wat het huis Hur toebehoorde, werd beslag gelegd. De procurator heelde zijne wond met een gouden pleister.

De passagiers lachten.

--Gij wilt zeggen dat hij het vermogen voor zich hield, zeide een van hen.

--Zoo zegt men, antwoordde de Hebreër. Ik deel u het verhaal mede zooals het mij gedaan is. Simonides dan, die hier in Antiochië de agent van den vorst was, begon niet lang daarna handel te drijven voor eigen rekening en werd binnen ongeloofelijk korten tijd een der aanzienlijkste handelaren van de stad. In navolging van zijn heer zond hij karavanen naar Indië, en thans bezit hij genoeg galeien voor een koninklijke vloot. Men zegt dat niets hem ooit mislukt. Zijn kameelen sterven niet anders, dan door ouderdom. Zijn schepen gaan nooit te gronde. Werpt hij een stuk hout in zee, het keert als goud tot hem terug.

--Hoe lang drijft hij handel voor zichzelf?

--Nog niet volle tien jaren.

--Dan moet hij met een aardigen duit op zak begonnen zijn.

--Ja, men zegt dat de procurator zich alleen maar van 's vorsten bezittingen kon toeëigenen wat voorhanden was: zijn paarden, vee, huizen, land, schepen, en de opgestapelde goederen. Baar geld was echter nergens te vinden, hoewel er onnoemelijke sommen moeten geweest zijn. Wat daarvan geworden is bleef een onopgelost raadsel.

--Niet voor mij, zeide een der reizigers met een grijnslach.

--Ik begrijp wat gij bedoelt, antwoordde de Hebreër. Anderen koesterden dezelfde gedachte. Dat de oude Simonides er zichzelven mee in de hoogte gewerkt heeft, wordt algemeen geloofd. De procurator was ook van dat gevoelen. Tweemaal in vijf jaren heeft hij den koopman gevangengenomen en op de pijnbank gelegd.

Juda's hand klemde zich krampachtig om het touw, waartegen hij leunde.

--Men zegt, ging de grijsaard voort, dat zij den armen man letterlijk geradbraakt hebben. De laatste maal, dat ik hem zag, zat hij in een stoel in kussens weggedoken, als een vormlooze klomp.

--Hoe vreeselijk! riepen sommige toehoorders.

--Ja, wel vreeselijk. Ziekte kon zulk een misvorming niet teweeggebracht hebben. De pijnbank heeft echter niets op hem vermocht. Alles wat hij bezat was wettig het zijne, en hij maakte er een wettig gebruik van. Meer kon men niet uit hem krijgen. Tegenwoordig is hij gelukkig van alle vervolging ontheven. Hij heeft een verlofbrief om handel te drijven, door Tiberius zelf onderteekend.

--Daar zal hij het noodige voor hebben moeten neertellen, riep een der omstanders.

--Die schepen zijn van hem, zeide de Hebreër, de opmerking latende voor wat hij was. Zijne matrozen hebben de gewoonte elkander met het uitsteken van gele vlaggetjes te begroeten, hetgeen zooveel wil zeggen als: Onze reis is voorspoedig geweest.

Hier eindigde het verhaal. Toen Juda een weinig later den Hebreër alleen vond vraagde hij: Hoe heette de principaal van dien koopman?

--Ben-Hur; vorst van Jeruzalem.

--Wat is er geworden van zijne familie?

--De zoon werd naar de galeien gezonden. Ik veronderstel dat hij dood is. Langer dan een jaar houden de galeislaven het zelden uit. Van de weduwe en hare dochter heeft men sedert niets meer gehoord. Zij, die er meer van weten, willen er zich niet over uitlaten. Waarschijnlijk hebben zij haar leven beëindigd in een cel van een der Romeinsche burchten van Judea.

Juda wandelde naar de voorplecht, zóó in gedachten verzonken, dat hij nauwelijks acht gaf op de oevers der rivier, die op dit punt bijzonder liefelijk waren en omzoomd met weelderige tuinen en sierlijke landhuizen. De gansche omgeving baadde in zonneschijn, alleen op zijn leven rustte een schaduw.

Eenmaal slechts waakte hij op uit zijne gepeinzen, en dat was, toen door een kromming van de rivier het Park van Daphne zichtbaar werd.

* * * * *

TWEEDE HOOFDSTUK.

TE ANTIOCHIË.

Toen men de stad in 't gezicht kreeg waren de passagiers op het dek bijeengekomen, om van hare schoone ligging te genieten. De bejaarde Jood gaf ook nu weder de gewenschte inlichtingen.

--De rivier keert zich hier naar het Westen, zeide hij. Ik herinner mij nog dat het water de wallen bespoelde; maar als Romeinsche onderdanen hebben wij in vrede geleefd, zoodat de handel in bloei toenam, en als een natuurlijk gevolg overal langs de rivier werven en dokken werden aangelegd. Ginds in het Zuiden ziet gij den berg Casius, of zooals men hier zegt, den Orontesberg, en daar tegenover in het Noorden den Amnus. Tusschen die beiden ligt de vlakte van Antiochië. Die bergen verderop zijn de Zwarte bergen, vanwaar de groote waterleiding het zuiverste water naar de stad voert, om de dorstige menschen te laven en de stoffige straten te besproeien. Het gebergte is met dichte bosschen bezet, die een rijke dierenwereld huisvesten.

--Waar is het meer? vraagde een van de reizigers.

--Ginds, in het Noorden. Men kan er te paard heengaan, of beter nog met een bootje; want het staat door een zijstroom met de rivier in verbinding.--Waar het Park van Daphne op lijkt? zeide hij, als antwoord op de vraag van een tweede. Dat kan niemand beschrijven; maar pas op. Apollo heeft het aangelegd en voltooid. Hijzelf geeft er de voorkeur aan boven den Olymp. Men gaat er heen om er een blik te werpen, slechts één, en men kan het niet weder verlaten. De Antiochiërs hebben een spreekwijze, die veelzeggend is: beter een worm te zijn en moerbeibladeren te eten in Daphne's Park, dan gast aan 's konings tafel.

--Raadt gij mij dus er niet heen te gaan?

--Niet ik. Gij zult gaan. Iedereen gaat, cynische philosofen, baardelooze knapen, vrouwen, priesters, allen gaan. Zoo zeker ben ik dat gij gaan zult, dat ik u een raad wil geven. Neem geen logies in de stad, dat is tijdverlies; maar ga in eens naar het dorp, vlak bij het Park gelegen. De weg daarheen leidt door een tuin vol frissche fonteinen. Maar let nu eens op den stadsmuur, dat meesterstuk van Heraeus, den grooten bouwkundige.

Aller oogen volgden de aanwijzing van zijn vinger.

--Dit gedeelte werd gebouwd door den eersten der Seleuciden. De 300 jaren van zijn bestaan hebben het één gemaakt met de rots, waarop het staat.

Het werk rechtvaardigde de lofspraak. Hoog, stevig en met tal van steile invalshoeken, boog de muur zuidwaarts, zoodat men hem niet langer volgen kon.

--De muur heeft vierhonderd torens, alle waterreservoirs, vervolgde de Hebreër. Kijk, over den muur heen, zoo hoog als hij is, kunt gij in de verte twee bergen zien, dat zijn de twee toppen van den Sulpius. Het gebouw op den verst verwijderden top is de citadel, jaar in jaar uit bezet door een Romeinsch legioen. Daar tegenover verrijst de tempel van Jupiter, en daaronder het paleis van den legaat, een onneembare vesting.

Op dit oogenblik begonnen de matrozen het zeil te bergen.

--Het uur van scheiden is gekomen, zeide de grijsaard. Bij gindsche brug, die naar Seleucia voert, eindigt de vaart. Wat het schip ontlaadt voor verder vervoer neemt de kameel op. Wat is de stad gunstig gelegen, niet waar? Van haar behoef ik niet anders te zeggen, dan dat ieder, die het voorrecht had van haar te bezoeken, zich gelukkig mag noemen haar gezien te hebben.

Hij zweeg, want de galei wendde den steven langzaam naar haar aanlegplaats onder den muur. Touwen werden uitgeworpen, de riemen werden ingehaald, de reis was beëindigd.

Voordat Ben-Hur het vaartuig verliet zocht hij nog eenmaal den eerwaardigen Hebreër op.

--Mag ik u nog even iets vragen, voordat ik u vaarwel zeg?

De man boog toestemmend.

--Wat gij ons van dien koopman hebt medegedeeld heeft mij begeerig gemaakt om hem te zien. Zeidet gij niet dat hij Simonides heet?

--Ja; hij is een Jood met een Griekschen naam.

--Waar kan ik hem vinden?

De vreemdeling keek hem scherp aan. Toen antwoordde hij: Ik moet u eene teleurstelling besparen. Hij is geen geldschieter.

--Evenmin als ik een geldleener ben, zeide Ben-Hur lachend.

De grijsaard hief het hoofd op en dacht een oogenblik na.

--Iedereen zou het natuurlijk vinden, zeide hij, zoo de rijkste koopman van Antiochië een huis bewoonde volgens zijn stand; maar hier zou men zich toch vergissen. Wilt gij hem een bezoek brengen, volg dan de rivier tot aan de brug. Daaronder woont hij in een gebouw, dat er uitziet als een stutbalk van den muur. Voor de deur is een breede aanlegplaats, altijd vol van goederen, die pas gelost zijn, of ingescheept moeten worden. De daar voor anker liggende schepen behooren hem toe. Gij zult het gemakkelijk vinden.

--Ik dank u.

--De vrede onzer vaderen zij met u.

--En met u.

Zoo scheidden zij.

Twee lastdragers namen Ben-Hurs bagage op en vraagden zijne bevelen.

--Naar de citadel, beval hij, waaruit men kon opmaken, dat hij een militaire betrekking vervulde.

Twee groote straten, die elkander met een rechten hoek doorsneden, verdeelden de stad in vieren. Aan het einde van de eene straat verhief zich een vreemdsoortig gebouw, het Nymphaeum genaamd. Toen de dragers, daar gekomen, den hoek omsloegen, was Ben-Hur, ofschoon hij regelrecht van Rome kwam, verbaasd over de pracht, die zich voor zijne oogen ontvouwde. Rechts en links niets dan paleizen, terwijl de straat daartusschen van overdekte marmeren zuilengangen voorzien was, zoodat er afzonderlijke wegen voor voetgangers, vee, en wagens waren. Op bepaalde afstanden brachten ruischende springfonteinen koelte en verfrissching aan.

Ben-Hur was niet in de stemming om van het schoone te genieten. De geschiedenis van Simonides vervolgde hem. Bij den Omphalus gekomen, een monument van vier bogen, die de straat overspanden, prachtig versierd, en opgericht door Epiphanes, den achtste der Seleuciden, veranderde hij plotseling van gedachte.

--Ik zal van avond niet naar de citadel gaan, zeide hij tot de dragers. Breng mij naar een herberg, zoo dicht mogelijk bij de brug, die naar Seleucia voert.

De mannen sloegen den weg derwaarts in, en brachten hem weldra bij een eenvoudig maar ruim gebouw, vlak bij de brug waaronder Simonides woonde. Hij bracht den nacht op het platte dak door. Telkens en telkens herhaalde hij bij zichzelven: Eindelijk zal ik dan van huis hooren, van moeder en mijn lieve kleine Tirza. Als zij nog leven zal ik ze vinden.

* * * * *

DERDE HOOFDSTUK.

TELEURGESTELD.

Den volgenden morgen vroeg maakte Ben-Hur zich op, om naar Simonides te gaan. Een van schietgaten voorziene poort aan het einde der stad voerde naar een gansche reeks van werven. Door een dichte, bedrijvige menigte heen bereikte hij de brug, waar hij even staan bleef, om het voor hem zeldzaam schouwspel in oogenschouw te nemen.

Ja, dàt moest het huis van den koopman zijn, een grijs gebouw, geheel stijlloos, precies een stutbalk van den muur, alles zooals de reiziger gezegd had. Twee zware groote deuren verleenden toegang tot de werf. Een paar getraliede vierkante openingen deden dienst als vensters. In de voegen en spleten woekerde allerlei soort van onkruid en op sommige plaatsen waren de overigens kale steenen met mos bewassen.

De deuren stonden open. Door de eene ging men in, door de andere uit. Drukte en haast spraken uit ieders bewegingen. Op de werf lagen allerlei soorten van goederen opgestapeld, en tal van halfnaakte slaven liepen af en aan. Onder de brug lag een gansche vloot van galeien ten anker, sommige bezig met laden, andere met lossen. Van elken mast woei een gele vlag.

Niet lang bleef Ben-Hur daar staan. Zijn verlangen dreef hem verder. Eindelijk zou hij bericht van de zijnen kunnen krijgen, indien namelijk Simonides werkelijk in zijn vaders dienst geweest was. Maar zou de man hem als den zoon van zijnen heer willen erkennen? Wat toch sloot dat in? Afstand doen van zijne rijkdommen en van zijn stand, en weder tot den staat van dienstbaarheid terugkeeren. Was het niet een dwaasheid tot zulk een man te gaan met de eisch: Gij zijt mijn slaaf, geef mij al wat gij hebt en--uzelf?

Het bewustzijn van zijn goed recht en de hoop op tijding van huis gaven Ben-Hur de kracht om zijn plan te volvoeren. Als het verhaal waar was, behoorde Simonides met al wat hij had hem toe. Om het geld gaf hij, dat moet gezegd worden, niets. Toen hij vastbesloten op de deur toetrad, legde hij bij zichzelven de gelofte af: Laat hij mij zeggen waar moeder en Tirza zijn, en ik geef hem onvoorwaardelijk zijne vrijheid terug.

Met opgeheven hoofd trad hij binnen. Allereerst kwam hij in een ruim pakhuis, waar in volmaakte orde allerlei soorten van goederen opgestapeld lagen. Hoewel het er vrij duister en bedompt was, gingen sjouwers onophoudelijk af en aan, terwijl andere werklieden, van zaag en hamer voorzien, pakkisten ter verzending gereedmaakten. Langzaam liep hij tusschen de pakken door en vraagde zichzelven af, of de man, van wiens genie hier de overtuigende bewijzen waren, zijn vaders slaaf kon geweest zijn. Indien het antwoord toestemmend was, tot welke klasse had hij dan behoord? Zou hij, aangenomen dat hij een Jood was, de zoon van een lijfeigene geweest zijn? Of was hij een schuldenaar, of de zoon van een schuldenaar? Of was hij een dief en voor diefstal verkocht geworden? Deze overleggingen deden in het minst geen afbreuk aan de achting en bewondering, die hij bij al wat hij aanschouwde voor den handelaar ging gevoelen.

Eindelijk hield een man hem staande en sprak hem aan.

--Wat is er van uw verlangen?

--Ik wenschte den handelaar Simonides te spreken.

--Wil mij dan volgen.

De man voerde hem het geheele pakhuis door tot aan een smalle trap. Boven gekomen bemerkte Ben-Hur, dat hij op het dak van het pakhuis stond. Vóór hem verrees een gebouwtje, van de kade onzichtbaar, een huis dus boven op een huis, en dat naast de brug onder den vrijen hemel verhief. Het dak, waarop hij stond, was door een lagen muur omgeven, en geleek wel een tuin door de keur van bloemen en gewassen, die er welig tierden. In die liefelijken omgeving maakte het vierkant steenen gebouw, welks muren, behalve door de voordeur, door geen enkelen opening onderbroken werden, een zonderlingen indruk. Een net onderhouden pad leidde tusschen bloeiende rozestruiken naar de deur. Den zoeten geur opsnuivend volgde Ben-Hur zijn leidsman naar binnen. Aan het einde van een donkere gang gekomen, hield deze stil voor een half opengeschoven gordijn.

--Een vreemdeling, die den patroon wenscht ter spreken, riep de man, om onzen reiziger aan te dienen.

Een heldere stem antwoordde: Laat hem binnenkomen.

Een Romein zou het vertrek, waarin Ben-Hur thans kwam, zijn atrium genoemd hebben. De wanden waren in paneelen verdeeld, die op hunne beurt tot een soort van kantoorlessenaars waren ingericht en vol lagen met dikke rollen: de kasboeken van den koopman. Tusschen en rondom de paneelen waren prachtig gebeeldhouwde, roomkleurige plinten aangebracht. Boven een rand van vergulde ballen rees de zoldering koepelvormig omhoog. Het bovengedeelte van den koepel was met honderde pannen van violetkleurig mica belegd, waardoor het licht liefelijk getemperd naar binnen viel. Op den vloer lag een zoo dik tapijt, dat het geluid van voetstappen er zich geheel in verloor.

In het midden der kamer bevonden zich twee personen, een man, half weggedoken in de kussens van een gemakkelijken leunstoel, en een bevallig jong meisje. Toen hij hen zag vloog Ben-Hur het bloed naar 't hoofd. Hij groette hen met een beleefde buiging, maar daardoor ontging hem, dat de grijsaard, toen hij hem aankeek, zichtbaar ontsteld zijne handen omhooghief.

Toen Ben-Hur de oogen weer opsloeg vond hij vader en dochter in dezelfde houding, behalve dat de hand van het meisje thans op den schouder van den ouden man rustte. Beiden zagen hem onderzoekend aan.

--Indien ik in u Simonides den koopman, den Jood, mag begroeten, dan zij de vrede van den God onzes vaders Abraham met u en de uwen.

--Ik ben Simonides, van wien gij spreekt, van geboorte een Jood, antwoordde de man met een bijzonder klankrijke stem, en ik wensch u eveneens dien vrede toe, u tevens verzoekende mij te willen meedeelen met wien ik spreek.

Ben-Hur had intusschen den man nauwlettend aangezien. Ach ja, het was zooals zijn medepassagier hem gezegd had. Simonides, die op een forsche kloeke gestalte had kunnen bogen, zat thans als een vormlooze massa in de kussens weggezonken. Een zijden deken bedekte zijn misvormde ledematen. Alleen het edelgevormde hoofd deed vermoeden wat hij eenmaal geweest moest zijn. Witte lokken en witte wenkbrauwen verhoogden den gloed der donkere oogen. Het gelaat was geheel kleurloos en met vele rimpels doorploegd. Het was het gelaat van een man, die eer de wereld in beweging zou brengen, dan door haar in beweging gebracht worden; een man, die eer zijn leven dan een voornemen of een levensdoel zou opofferen; een man van staal, alleen te treffen in wat hij liefhad.

--Ik ben Juda, de zoon van Ithamar, in zijn leven het hoofd van het geslacht Hur, en vorst van Jeruzalem. Dit zeggende stak hij den oude beide handen toe.

De rechterhand van den koopman, een uitgeteerde, misvormde hand, die op de deken rustte, sloot zich krampachtig; overigens bleef hij volkomen bedaard en gaf niet het minste teeken van verbazing of belangstelling. Kalm antwoordde hij: De geboren vorsten van Jeruzalem zijn altijd welkom in mijn huis. Gij zijt welkom. Esther, geef den jonkman een stoel.

Het meisje gehoorzaamde en schoof een zetel aan, zeggende: De vrede van onzen God zij met u; ga zitten en rust.

Ben-Hur maakte geen gebruik van den zetel; maar zeide op beleefden toon: Ik hoop dat de waardige Simonides mij niet voor een indringer zal aanzien. Gisteren naar Antiochië reizende, vernam ik dat hij mijn vader gekend heeft.

--Ja, ik heb vorst Hur gekend. Wij hebben samen handel gedreven. Maar ga toch zitten, bid ik u; en, Esther, breng wijn voor den jonkman. Nehemia spreekt van een zoon van Hur, die over half Jeruzalem regeerde; een oud geslacht, zeer oud. In de dagen van Mozes en Jozua vonden zij reeds genade in de oogen des Heeren. Ik kan niet denken, dat een hunner afstammelingen een beker druivennat van de echte wijngaarden van Sorek, geplant op Hebrons heuvelen, zal weigeren.

Nog voordat hij uitgesproken had bood Esther den bezoeker een beker wijn aan. Ben-Hur echter maakte een afwijzende beweging. Een verwonderde blik trof hem uit haar donkere, zachte oogen. Zij is lief en mooi, dacht hij, zoo lief en mooi zou Tirza ook zijn, als zij nog leefde. Arme Tirza! Toen zeide hij overluid: Neen, uw vader,--hij is immers uw vader ...?

--Ik ben Esther, de dochter van Simonides, antwoordde zij fier.

--Uw vader, schoone Esther, zal wanneer hij mij ten einde toe gehoord heeft kunnen begrijpen, dat ik vooralsnog niet van zijnen wijn drink. En gij zult er mij, hoop ik, niet minder goedgunstig om aanzien. Blijf, bid ik u, een oogenblik naast mij staan.

Het meisje deed wat haar verzocht werd.

--Simonides, zeide Ben-Hur op vasten toon, toen mijn vader stierf, had hij een vertrouwd bediende van uw naam, en mij is gezegd, dat gij die man zijt.

Het gansche lichaam van den grijsaard trilde, krampachtig balde hij de vuist.

--Esther, riep hij op strengen toon, kom hier! Als het kind uwer ouders is uwe plaats hier, niet daar, hoort gij?