Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde

Chapter 10

Chapter 103,953 wordsPublic domain

Onder de honderdtwintig aan hunne banken geketende slaven was er zeker geen, die zich die vraag niet deed. Niet uit vaderlandsliefde, eerzucht, plichtgevoel, daar hadden zij mee afgedaan. Hulpeloos en blindelings gingen zij in het gevaar, en die gedachte deed hen een oogenblik sidderen. Wat ook gebeurde, het bracht hun geen voordeel: overwinnaars --zij bleven wat zij waren; overwonnen--zinken of verbranden, zij moesten het lot van hun schip deelen.

Het was hun niet vergund te vragen hoe de zaken daarbuiten stonden. En wie was de vijand? Als het eens vrienden, broeders, landslieden waren? De lezer zal begrijpen, dat de Romeinen wel gedwongen waren om bij zulke gelegenheden hun rampzalige roeiers aan hunne zitplaatsen te kluisteren.

Thans echter hadden zij weinig tijd om aan zulke dingen te denken. Een geluid als van roeiende galeien achter hen trok Ben-Hurs aandacht. Zouden zij een vloot aanvoeren, die zich tot den aanval gereedmaakte? vraagde hij zichzelven.

Een tweede sein kwam van het dek tot hem. De riemen gingen neer en de galei zette zich nauwelijks merkbaar in beweging. Doodelijke stilte daarbinnen, doodelijke stilte daarbuiten; toch zetten zich alle roeiers instinctmatig schrap voor een mogelijken schok. Zelfs de galei scheen den toestand te vatten, zij lag stil, alsof zij zich, een tijger gelijk, tot den sprong voorbereidde.

In zulke oogenblikken heeft men geen begrip van tijd. Ben-Hur kon onmogelijk nagaan hoe groot de afstand was, dien zij afgelegd hadden. Eindelijk weerklonken op het verdek de trompetten, lang, vol, klaar. De hortator sloeg de maat sneller en sneller; de roeiers roeiden met de uiterste krachtinspanning. Met onvergelijkelijke snelheid schoot de galei vooruit. Andere trompetten deden zich hooren--alle van achteren, geen enkele van voren. Dáár vernam men slechts een verward gedruisch van stemmen, een algemeen tumult. Plotseling deed zich een geweldige schok voelen, de roeiers vóór het platform van den hortator wankelden, sommige vielen. De galei schoot achteruit, hervatte zich, om zich dan weer met onweerstaanbare kracht op den tegenstander te werpen. Een akelig doordringend angstgeschrei deed zich hooren, het overstemde het trompetgeschal en het geraas door de aanzeiling veroorzaakt. Ben-Hur voelde dat hunne galei een andere vernielde, in den grond boorde. Zijne makkers zagen elkander verschrikt aan. Een triomfkreet op het verdek--de Romeinen hadden gezegevierd! Maar wie waren door de zee verzwolgen? Tot welke natie, tot welk land behoorden zij?

Geen rust, geen oponthoud! Vooruit schoot de Astrea. Enkele soldaten kwamen in haast naar beneden, drenkten de katoenballen met olie en wierpen ze nog druipend aan hunne kameraden op de trappen toe. Alsof er niet reeds verschrikkingen genoeg waren, zou er nu nog de woede des vuurs aan toegevoegd worden.

Op eens helde de galei zoo sterk naar éénen kant over, dat de roeiers slechts met moeite hun evenwicht bewaarden. Wederom de juichtonen der Romeinen en de wanhopige angstkreten der overwonnenen. De groote enterhaken aan den voorsteven hadden een vijandelijk schip gegrepen, omhoog geheven, en neergesmakt in de golven.

Het krijgsgeschreeuw groeide steeds aan. Rechts, links, van voren, van achteren, een oorverdovend rumoer. Nu en dan verkondigde een geweldig kraken, gevolgd door hartverscheurend gekerm, dat wederom een schip overzeil was en de opvarenden met de golven worstelden.

De Romeinen zagen echter aan hun kant ook menigeen vallen, die dan bloedend, stervend naar beneden gedragen en op de grond neergelegd werd. Ook begon de kajuit zich langzamerhand met rook te vullen en drong een afgrijselijke stank van brandende voorwerpen naar beneden. Snakkend naar adem begreep Ben-Hur, dat zij rakelings een brandende galei voorbijgingen, wier vastgeketende roeiers mede in de vlammen moesten omkomen.

Intusschen was de Astrea aanhoudend in beweging gebleven. Eensklaps echter stopte zij. De riemen werden den roeiers uit de handen geslagen, zijzelven vielen van de banken. Op het verdek hoorde men een vervaarlijk leven, vervolgens het slaags raken van twee schepen. Doodelijk verschrikt zagen de roeiers rond, of er ook mogelijkheid van ontkomen was. Te midden van de algemeene ontsteltenis werd een dood lichaam naar beneden geworpen en kwam vlak bij Ben-Hur terecht. Het was een blondgelokte barbaar uit het noorden; maar hoe kwam hij hier? Een ijzeren vuist had hem van het vijandelijke schip gegrepen--neen, de Astrea zelve moest in de handen der vijanden zijn! Vochten de Romeinen dus op eigen bodem?

Het werd de jongen Jood koud om 't hart. Arrius was in gevaar--misschien kampte hij op ditzelfde oogenblik om zijn leven. Indien hij gedood werd! Dat verhoede de God van Abraham! Moest zijn nieuw ontloken hoop, moesten zijn zoete droomen hoop en droomen blijven? Moeder, zuster, huis, vaderland, zou hij ze dan toch nooit terugzien? Het tumult boven zijn hoofd groeide aan, hij zag rondom zich--niets dan verwarring trof zijn oog: de roeiers verlamd van schrik, soldaten niet wetende waar zich te bergen. Alleen de hortator bleef onverschrokken op zijn post, sloeg, hoewel tevergeefs, als naar gewoonte de maat, wachtend op de bevelen van den tribuun--een illustratie van de onovertroffen discipline, die de wereld had overwonnen.

Dat voorbeeld had een goede uitwerking op Ben-Hur. Hij trachtte zich te beheerschen en na te denken. Eer en plicht deden den Romein op het platform blijven, maar wat had hijzelf thans met zulke beweegredenen te doen? De roeiersbank was hem een gruwel, en wie zou er winst bij hebben, indien hij als slaaf omkwam? Voor hem was te leven een plicht. Zijn leven behoorde moeder en zuster. Levendiger dan ooit verrezen zij voor het oog zijns geestes. Hij zag hoe zij de armen naar hem uitstrekten, hij hoorde naar smeeken. Ja, aan die roepstem moest en zou hij gehoor geven. Hij sprong op,--maar stond weer stil. Helaas, een Romeinsch vonnis hield hem gevangen. Zoolang dat niet herroepen was baatte hem geen ontvluchten. In de wijde, wijde wereld was geen plekje, waar hij veilig was, als de Keizer hem opeischte. Op het land noch op de zee kon hij verborgen blijven, en wettige vrijheid had hij noodig, om in Judea te kunnen wonen, en den kinderplicht te vervullen, waaraan hij al zijne krachten wilde wijden. Hoe had hij gewacht en gehoopt op die vrijspraak, hoe vurig om haar gebeden! En hoe lang had hij moeten wachten! Eindelijk, eindelijk had zij hem toegelachen in de belofte van den tribuun; want wat anders zou de groote man bedoeld hebben? Maar als zijn weldoener nu moest vallen, wat dan? De dooden komen niet terug, om de beloften, tijdens hun leven gedaan, te vervullen. Neen, Arrius mocht niet sterven. En anders--beter met hem te vergaan, dan hem als galeislaaf te overleven.

Nogmaals zag Ben-Hur rondom zich. Nog altijd woedde de strijd daarboven, nog altijd waren de twee galeien handgemeen. De roeiers deden wanhopige pogingen om aan hunne ketenen te ontkomen, en toen dat niet gelukte hieven zij een akelig gehuil aan. De wachten waren niet te zien, er was geen tucht meer. Ben-Hur bedacht zich niet langer, hij sprong op en snelde weg, niet om te vluchten, maar om den tribuun te zoeken.

Halverwege de trap gekomen, hoog genoeg om een blik te kunnen werpen op den door het vuur gekleurden hemel, de ronddrijvende wrakken, den strijd aan boord, de talrijke aanvallers, de weinige verdedigers, voelde hij plotseling de trap onder zijne voeten uiteenslaan, zoodat hij ruggelings op den grond geworpen werd. Nog voordat hij zich op kon richten werd de bodem van het vaartuig vaneengereten, de kokende, bruisende golven stroomden naar binnen en verzwolgen allen.

Of de jongeling in dezen uitersten nood iets tot zijne redding kon aanwenden valt te betwijfelen. Hoewel hij behalve zijn natuurlijke sterkte bovendien nog de krachten bezat, welke de natuur voor zulke buitengewone gevallen schijnt te bewaren, kon hij noch de eene, noch de andere aanwenden, daar de duisternis en de woeling van het water hem voor het oogenblik althans zijne bezinning ontroofden. Zelfs het inhouden van zijn adem geschiedde onwillekeurig. De indringende golven wierpen hem als een blok hout in de kajuit, waar hij verdronken zou zijn, indien hij niet met het schip naar omhoog gerezen was. Toen hij zich voelde opstijgen, sloeg hij instinctmatig de handen uit naar het eerste het beste wat hij grijpen kon--een plank, waaraan hij zich met alle macht vastklemde. De tijd, dien hij onder water doorbracht, scheen hem oneindig langer toe, dan in werkelijkheid het geval was. Eindelijk voelde hij lucht. Hij haalde diep adem, schudde zich het water uit de oogen, werkte zich op de plank en wierp een blik in het rond.

Helaas, was hem de dood door verdrinking zeer nabij geweest, thans waarde hij rondom hem in velerlei gedaanten.

De zee was bedekt door een half doorzichtbaren nevel van rook, hier en daar verbroken door schitterende lichtbundels. Dat moesten brandende schepen zijn. Nog woedde de strijd; maar wie zegevierde? Nu en dan zeilden binnen zijnen gezichtskring schepen voorbij,--waren het Romeinsche of vijandelijke? Verderop hoorde hij hoe vijandelijke vaartuigen met elkander in botsing kwamen. Het dreigende gevaar was echter dichterbij. Toen de Astrea zonk bevond zich, zooals wij weten, op het verdek niet alleen haar eigen bemanning, maar ook die van de twee galeien, die haar te gelijk hadden aangevallen en met haar naar de diepte waren gegaan. Van die velen dreven verscheidene te zamen naar de oppervlakte en zetten daar den strijd weer voort. Elkander vasthoudend in doodelijke omarming, of ook wel met zwaard of spies de een den ander onschadelijk trachtend te maken, hielden zij het water aanhoudend in beweging. Maar dat niet alleen. Hij begreep heel goed, dat de eerste de beste in staat zou zijn om hem dood te slaan ter wille van de plank die hem vlot hield. Hij moest dus trachten zoo spoedig mogelijk weg te komen.

Op eens hoorde hij riemslagen en zag hij een galei op zich afkomen. De hooge voorsteven scheen hem dubbel hoog toe; de weerkaatsing van het roode schijnsel op het verguldsel en beeldhouwwerk deed haar op een reusachtige slang gelijken. Hij schoof de plank, zwaar en onhandelbaar als zij was, met alle kracht voort. De tijd was kostbaar, een halve seconde kon hem redding brengen, of in 't verderf storten.

Daar dook eensklaps binnen armslengte een helm uit de baren op, vervolgens twee handen met uitgespreide vingers, groote sterke handen, die wat zij eenmaal gegrepen hadden niet licht zouden loslaten. Ben-Hur keerde zich verschrikt af. Nu kwam het geheele hoofd boven, vervolgens de armen, die woest om zich heen sloegen. Het hoofd viel achterover, zoodat het gelaat zichtbaar werd. De mond was wijd open, de oogen ook, maar het licht scheen er uit geweken te zijn, een akelige bleekheid deed vermoeden, dat de dood nabij was. Toch uitte Ben-Hur een kreet van vreugde, en toen de drenkeling weder dreigde te verzinken greep hij de ketting vast, die den helm onder de kin bevestigde, en trok hem naar zich toe. Hij had in den bewustelooze Arrius den tribuun herkend.

Een tijdlang borrelde en schuimde het water geweldig, zoodat Ben-Hur alle krachten moest inspannen, om zijn plank niet te verliezen en tevens het hoofd van de Romein boven water te houden. De galei was voorbijgeroeid zonder hen te raken. Dwars door zwemmende soldaten heen, over gehelmde en ontbloote hoofden zette zij haren tocht voort. Een dof geraas, een luid geschreeuw deed Ben-Hur omzien, en wat hij zag vervulde hem met een zekere bevrediging: de Astrea was gewroken.

De strijd was nog niet beëindigd, maar de tegenstand veranderde in algemeene vlucht. Wie hadden gezegevierd? Ben-Hur voelde dat zijne vrijheid en het leven van den tribuun grootendeels daarvan afhingen. Hij schoof den Romein de plank onder het lichaam, totdat zij hem droeg, waarna hij alleen te zorgen had, dat zijn beschermling er niet afgleed. Het was nu volkomen dag geworden. Links zag hij land, maar te ver verwijderd om het te kunnen bereiken. Hier en daar dreven schipbreukelingen als hij, en verkoolde of nog rookende wrakken. Verderop dreef een verlaten galei, het zeil aan flarden gereten; nog verder bewegelijke stippen, die, naar hij dacht, vluchtende of achtervolgende schepen konden zijn.

Zoo ging een uur voorbij. Zijne bezorgdheid nam toe. Als niet spoedig hulp opdaagde moest Arrius sterven. Gedurig vreesde Ben-Hur dat hij reeds dood was, hij lag zoo stil. Hij deed hem den helm af, gespte toen met groote moeite het harnas los, en bevond dat het hart nog klopte, schoon zwak en onregelmatig. Dat gaf hem nieuwen moed om vol te houden. Er was niets voor hem te doen dan te wachten, en naar de gewoonte zijns volks te bidden.

* * * * *

ZESDE HOOFDSTUK.

VRIJ.

Eindelijk sloeg Arrius tot groote vreugde van Ben-Hur de oogen op en keerden de levensgeesten weder. Zoodra hij spreken kon en na eenige vragen vernomen had door wien en hoe hij gered was, herinnerde hij zich alles van den geleverden slag. Het onzekere van de overwinning en de langdurige rust, indien hier van rust sprake kan zijn, deden het hunne om hem geheel tot bezinning te brengen. Na een poosje werd hij zeer spraakzaam.

--Ik zie, zeide hij, dat onze redding afhangt van den uitslag van den strijd. Ik begrijp ook wat gij voor mij gedaan hebt. Gij hebt mij het leven gered met gevaar voor uzelven. Dat erken ik gaarne, en wat ook gebeuren moge, ik dank er u van harte voor. Als de fortuin mij gunstig is en wij goed en wel dit gevaar te boven komen, zal ik u toonen hoe een Romein van aanzien en macht zijn dankbaarheid bewijst. Maar het staat nog te bezien, of gij mij, in weerwil van uw goede bedoeling, werkelijk een dienst hebt bewezen. Daarom zou ik u de belofte willen afnemen, dat gij mij, zoo noodig, de grootste weldaad bewijzen zult, die de een mensch den ander bewijzen kan--wilt gij mij dat beloven?

--Als het niets ongeoorloofds is al ik het doen, antwoordde Ben-Hur.

Arrius bleef een oogenblik in gepeins verzonken.

--Zijt gij werkelijk een zoon van Hur, den Jood? vraagde hij op eens.

--Ja, heer.

--Ik heb uw vader gekend.

Juda kwam wat dichter bij den tribuun, daar diens stem nog zwak was. Hij luisterde met gespannen aandacht, en meende niet anders, of hij zou nu berichten van huis krijgen.

Ik kende hem, had hem lief, vervolgde Arrius.

Weder zweeg hij. Zijne gedachten schenen af te dwalen.

--Het is onmogelijk, begon hij weer, dat gij, zijn zoon, niet gehoord zoudt hebben van Cato en Brutus. Dat waren groote mannen, en nooit grooter, dan in de ure van hunnen dood. Stervende lieten zij deze wet na. Een Romein mag zijn geluk niet overleven.--Luistert gij?

--Ik luister.

--De edelen van Rome zijn gewoon een ring te dragen. Zoo ook ik. Neem hem van mijn vinger.

Hij stak Juda zijn hand toe, de jonkman voldeed aan zijn verzoek.

--Steek hem nu aan je eigen vinger.

Ben-Hur gehoorzaamde.

--Dat kleinood kan u van dienst zijn, vervolgde de tribuun. Ik bezit een aanzienlijk vermogen. Zelfs in Rome ga ik voor rijk door. Ik heb geen familie. Toon den ring aan mijn zaakwaarnemer, gij zult hem in een villa bij Misenum vinden. Vertel hem hoe hij in uwe handen kwam en eisch van hem zooveel gij verlangt, of alles; hij zal u niets weigeren. Blijf ik leven, dan zal ik nog meer voor u doen. Ik zal u uwe vrijheid bezorgen en u aan uw volk en familie teruggeven; of wel, gij kunt u de loopbaan kiezen, die u het meest toelacht. Hebt gij mij begrepen?

--Volkomen.

--Welnu, beloof mij dan wat ik u vragen zal. Beloof het bij alle goden.

--Neen, edele tribuun, ik ben een Israëliet.

--Bij uw God dan, of doe het in den vorm, dien uwen geloofsgenooten de heiligste is. Beloof mij, dat gij doen zult wat ik vragen zal. Ik wacht uw antwoord. Beloof het mij.

--Edele Arrius, uwe woorden doen mij vermoeden, dat er iets zeer gewichtigs zal volgen. Zeg mij eerst wat gij verlangt.

--Zult gij het mij dan beloven?

--Ik kan mij vooruit tot niets verbinden.--O tribuun, gezegend zij de God mijner vaderen! daar komt een galei.

--Uit welken hoek?

--Uit het noorden.

--Kunt gij haar nationaliteit herkennen?

--Neen, ik heb altijd op de roeiersbank gezeten.

--Heeft zij een vlag in top?

--Ik kan er geen zien, het is nog te ver af.

Arrius zweeg eenige oogenblikken. Ten laatste vraagde hij: Houdt de galei nog koers hierheen?

--Ja.

--Kunt gij nu de vlag onderscheiden?

--Zij heeft geen vlag.

--Een ander kenteeken soms?

--Een zeil. Het is een drieriemige galei, zij gaat zeer snel, dat is al wat ik er van zeggen kan.

--Een Romeinsche galei zou, als zij overwinnaar was, verscheidene vlaggen in top voeren. Dit moet dus een vijandelijke zijn. Luister nu goed naar mij, terwijl het nog tijd is. Als die galei een zeeroover is zijt gij veilig. Zij zullen u wel niet uwe vrijheid hergeven, u waarschijnlijk weer op de roeiersbank zetten, maar zij zullen u niet dooden. Ik daarentegen--

De tribuun aarzelde. Bij alle goden, zeide hij daarna op vasten toon, ik ben te oud om het verlies van mijne eer te overleven. Laat men in Rome vertellen hoe Quintus Arrius, omringd door vijanden, met zijn schip in de diepte verzonk, zooals dat een Romeinschen tribuun betaamt. Hoor nu wat ik van u verlang. Als de galei een vijandelijke is, stoot mij dan van de plank in zee en verdrink mij. Hoort gij? Zweer mij dat gij het doen zult.

--Dat zweer ik niet, zeide Ben-Hur beslist, en ik ben evenmin van zins zulk een daad te bedrijven. De wet, waaraan ik onderworpen ben, stelt mij aansprakelijk voor uw leven. Neem den ring terug,--hij trok hem van zijn vinger,--neem hem terug,--met al uwe beloften. Het vonnis, dat mij levenslang tot de galeien veroordeelde, heeft mij tot een slaaf gemaakt, en toch ben ik geen slaaf. Maar ik ben evenmin uw vrijgelatene. Ik ben een zoon van Israël, en op dit oogenblik mijn eigen meester. Neem den ring terug.

Arrius verroerde zich niet.

--Gij weigert? vraagde Juda. Dan geef ik uw geschenk aan de zee, niet in toorn, niet in drift; maar om mij zelven vrij te maken van een vreeselijke verplichting.

Dit zeggende slingerde hij den ring verre van zich. Arrius hoorde hem vallen en zinken, maar zag niet op.

--Gij hebt dwaselijk gehandeld, zeide hij, zeer dwaas. Ik kan immers ook zonder uwe hulp sterven, en als ik dat doe, wat zal er dan van u worden? Die besloten heeft in den dood te gaan, sterft liever door de hand van een ander, om de eenvoudige reden, dat de ziel, welke wij volgens Plato bezitten, in opstand komt tegen zelfvernietiging; dat is alles. Als de galei een zeeroover is verlaat ik deze wereld. Mijn besluit staat vast. Ik ben een Romein. Goed, geluk en eer gaan boven alles. Toch zou ik gaarne van dienst zijn geweest; maar gij hebt niet gewild. De ring was in dit geval het eenige, dat mijn laatsten wil staven kon. Wij zijn beiden verloren. Ik zal sterven, het betreurende dat de overwinning en de roem mij ontgaan zijn. Gij zult nog een poosje leven, om dan eveneens te sterven, met berouw in 't hart, omdat gij door deze dwaasheid uwe kinderplichten ongedaan hebt moeten laten. Ik beklaag u.

Ben-Hur begreep de gevolgen van zijne daad beter dan te voren. Toch berouwde zij hem niet.

--In de drie jaren van mijne dienstbaarheid, o tribuun, waart gij de eerste die mij vriendelijkheid bewees.--Neen, neen, er was nog een ander!

Zijne oogen werden vochtig, want op eenmaal stond het beeld hem voor den geest van den jongen man, die hem bij de bron te Nazareth te drinken had gegeven.

--Maar, vervolgde hij, gij waart de eerste, die mij gevraagd heeft wie ik was; en al heb ik er ook, toen ik u uit de golven omhooghief, aan gedacht, dat gij mij uit mijne ellende kondt verlossen, toch redde ik u niet uit zelfzucht. Ik hoop dat gij mij zult willen gelooven. Daarenboven doet God mij thans duidelijk inzien, dat het doel waarnaar ik streef alleen langs wettigen weg te bereiken is. Ik wil liever met u sterven, dan uw dood op mijn geweten hebben. Ik ben even vastbesloten als gij. Al boodt gij mij geheel Rome, o tribuun, en al stond het in uwe macht dat aanbod tot werkelijkheid te maken, ik zou u toch niet dooden. Uw Cato en Brutus waren kinderen, vergeleken met den Hebreër, wiens wetten een Jood gehoorzamen moet.

--Maar mijn verzoek. Hebt....

--Zelfs al beveelt gij mij u te dooden, ik zal u niet gehoorzamen.

Beiden zwegen en wachtten.

Ben-Hur zag gedurig naar de naderende galei. Arrius lag met gesloten oogen, schijnbaar onverschillig.

--Zijt gij er zeker van dat het een vijandelijke galei is? vraagde Ben-Hur.

--Ik vermoed het, luidde het antwoord.

--Zij houdt stil en zet een boot uit.

--Kunt gij nu de vlag zien?

--Is er geen ander teeken, waaraan men een Romeinsche galei herkennen kan?

--Jawel, de Romeinschen voeren een helm op den top van den mast.

--Dan kan ik u gelukwenschen. Ik zie den helm.

Nog was Arrius er niet gerust op.

--De mannen in het bootje nemen schipbreukelingen op. Zeeroovers zullen wel niet zoo medelijdend zijn.

--Misschien hebben zij roeiers noodig, antwoordde Arrius, waarschijnlijk denkende aan de keeren, toen hij met hetzelfde doel drenkelingen opgevischt had.

Ben-Hur volgde de bewegingen van het vreemde schip met de grootste nauwlettendheid.

--De galei gaat verder, zeide hij.

--Waarheen?

--Rechts van ons drijft een galei, waarschijnlijk is zij verlaten. Daar gaat de andere op af. Nu legt zij aan. Nu gaan eenige mannen aan boord.

Thans deed Arrius zijn oogen open en keek met aandacht naar de galei. Dank uwen God, zeide hij een oogenblik later, dank uwen God, zooals ik mijne goden dank. Een zeeroover zou dat schip doen zinken, niet redden. Daardoor, en door den helm op den mast, weet ik dat het een Romeinsche galei is. De zege is mijn. De Fortuin heeft mij niet verlaten. Wij zijn gered. Wuif met de hand, roep hen, gauw! Ik word duumvir, en gij! Ik heb uw vader gekend en had hem lief. Hij was een vorst in den vollen zin des woords. Hij heeft mij geleerd, dat een Jood geen barbaar is. Ik zal u met mij nemen. Ik zal u als mijn zoon aannemen. Dank uwen God en roep de matrozen. Gauw! De vervolging moet voortgezet worden. Geen van de roovers mag ontsnappen.

Juda richtte zich op, wuifde met de hand en riep zoo hard hij kon de matrozen aan. Eindelijk gelukte het hem hunne aandacht te trekken. Zij roeiden op hem toe en namen de beide schipbreukelingen op.

Arrius werd met alle mogelijke eerbewijzen op de galei ontvangen. Hij liet zich den afloop van het gevecht tot in de kleinste bijzonderheden verhalen. Nadat men alle nog levende drenkelingen gered en den buit geborgen had, liet hij opnieuw de commandantsvlag ontplooien en spoedde zich noordwaarts, om zich bij de vloot te voegen en de overwinning volkomen te maken. Volgens zijne berekening kwamen de vijftig schepen het kanaal van de noordzijde juist bijtijds inzeilen, en sneden de vluchtelingen den pas af, zoodat geen enkele ontkwam. Twintig vijandelijke galeien werden als buit medegevoerd, hetgeen den roem des overwinnaars niet weinig verhoogde.

Bij zijne terugkomst te Misenum werd Arrius met de grootste geestdrift ontvangen. De hem vergezellende jonkman maakte weldra de nieuwsgierigheid van Arrius' vrienden gaande. Op hunne vragen wie hij was, vertelde de tribuun in warme bewoordingen hoe hij aan dien jongeling zijn leven te danken had, maar vermeed zorgvuldig zijn vroegere geschiedenis aan te roeren. Toen hij zijn verhaal geëindigd had riep hij Ben-Hur tot zich, vatte hem bij de hand en zeide: Lieve vrienden, dit is mijn zoon en erfgenaam, en daar hij eenmaal al het mijne zijn eigendom zal noemen, zal hij van nu af mijn naam dragen. Ik verzoek u allen hem in uwe vriendschap te doen deelen.