Ben-Hur: Een verhaal van den tijd van Jezus' omwandeling op aarde

Chapter 1

Chapter 13,955 wordsPublic domain

BEN-HUR

Een verhaal uit den tijd van Jezus' omwandeling op aarde

Uit het Engelsch van

LEWIS WALLACE

door

ALMA

(A.M.Th. Doedes)

* * * * *

VOORBERICHT.

Gaarne schrijf ik, daartoe verzocht, een aanbevelend woord voor eene nieuwe uitgave van dit boek, dat vertaald is met eene zorg en keurigheid zulk een meesterstuk waardig.

Niemand kan meer bereid zijn dan ik om te erkennen, dat een verhaal uit den tijd van Jezus' omwandeling op aarde een genre is uiterst teeder en zoo vol gevaar om het heilige niet heilig te houden, dat het er mede is, als met afbeelden van den Christus, een ondernemen, dat een even vroom gemoed als een zeldzaam talent vereischt. Geen oningewijde, niet door hooger geest gedrevene, wage zich op het gebied van het heilige.

Van de schrijver van Ben-Hur mag gezegd worden, dat hij het tijdperk, waarin zijn verhaal valt, en in ruim gebied karakters, plaatsten en omstandigheden zoo grondig kent, als alleen de ernstigste studie mogelijk maakt. Telkens rijst het vermoeden, dat de schrijver meer noodig geacht heeft dan boekenkennis, dat hij persoonlijk de plaatsen heeft bezocht, dat hij uit het verledene als een ooggetuige doet opdoemen.

Uit het tijdvak, dat hij ons aanschouwelijk wil voorstellen, kan de inhoud der evangeliën niet geheel verwijderd blijven, maar met welk eene soberheid en eerbied voor de letter is dit geschied. Reeds terstond blijkt dat bij den aanvang des verhaals, waar de schrijver niet een eigen verdicht verhaal maakt van het weinige dat Mattheus van "de Wijzen uit het Oosten" meedeelt, maar de kerkelijke legende van Caspar, Melchior en Balthasar, de als zinnebeeld der Christus' heerschappij uit Europa, Azië en Afrika gekomenen opneemt, om met eerbiediging van de Schrift, zij het ook slechts één van de drie, den vromen Balthasar uit Egypte, als type van het tijdvak in zijn verhaal op te nemen. In alles wat den Heer zelve betreft, en dat niet meer is dan het volstrekt noodige, is nergens in het minste den teugel aan de verbeelding gevierd, en aan de Schrift, en aan deze alleen het woord gelaten.

Door dit alles is het, dat het kunstwerk van WALLACE niet alleen aan volwassenen maar niet minder voor jeugdigen kan worden aanbevolen, als een geschrift, waaruit zij veel kunnen leeren om de Schrift beter te verstaan, doch vooral ook meer van harte te waardeeren de herschepping, die in de menschenwereld en in menschenharten door den beloofden en zoo vurig verwachten Zoon des menschen is teweeggebracht.

In de edelste harten van die dagen zien wij niet de heerschappij der liefde met oppermacht heerschen, maar een zich buigen voor den machtigen drang van wraakzucht en haat. Alleen één (en dit denkbeeldig) type, de vrome Balthasar, schaduwt hoogere verwachtingen af; maar een edel type van vleesch en bloed als Ben-Hur kan voor de oplossing van het wereldraadsel door kruis en opstanding niet hooger reiken dan een Joodsch koning, die door Galileesche legioenen de wereld overwinnen en aan Jeruzalem in het wereldgebied de plaats van Rome schenken zal.

Tegen welke wereldmachten de Zoon des menschen zonder de hulp van wapenen, goud of wijsbegeerte zich te kampen heeft, wordt in de keurigste tafereelen op elk levensgebied aanschouwelijk, en tevens zijn recht gevoeld om stervende te kunnen zeggen: "ik heb de wereld overwonnen."

Waar zooveel in onze dagen van het lezen des Bijbels en grondig bepeinzen van zijn inhoud afleidt, mag van dit boek, al is het een verdicht verhaal, het tegendeel gezegd worden. Den nadenkende doet het de wereld, die Jezus overwinnen kwam door haar in woord en daden de liefde des Vaders te openbaren, in eigen natuurlijk hart terugvinden. Geen zoo edel, dat van nature zich hooger zal durven plaatsen, dan Ben-Hur. Voor dezen niets minder dan een van nieuws geboren worden noodig, een zien met andere oogen, een liefhebben met een vernieuwden geest des gemoeds. Wat voor hem, gelijk voor Nikodemus gold, voelen zij ons niet minder van nabij te raken: "tenzij iemand van nieuws geboren wordt, hij kan het koninkrijk Gods niet zien." De moordenaar op het kruis was de eerste om dat met onbenevelden blik te aanschouwen.

Na hem rust ons oog op Stefanus en op den plaatsvervanger des eersten martelaars, Paulus, op dat hooge standpunt de voltooiing van den wereldstrijd door het kruis aanschouwend. Hoevelen na hem hebben in lijden, strijd en sterven de roemtaal van Rom. VIII herhaald, als een Amen op het woord van de Zegepralende bij zijn heengaan: "Mij is gegeven _alle_ macht in den hemel en op aarde, onderwijst _alle_ volken, ik ben met u _al_ de dagen tot de voleinding der eeuwen."

C.S.A. v. S.

* * * * *

BEN-HUR

BOEK I.

* * * * *

EERSTE HOOFDSTUK.

IN DE WOESTIJN.

De Jebel es Zubleh is een bergketen, ruim vijftig mijlen lang, en zoo smal, dat zij op de landkaart veel heeft van een rups, die van het zuiden naar het noorden kruipt. Van den top der wit- en roodkleurige klippen ziet men in het oosten niets dan de woestijn van Arabië. Een dikke laag zand, door den Eufraat achtergelaten, bedekt het onderste gedeelte van de bergketen en blijft daar liggen, want de berg strekt tot een muur voor de weilanden van Moab en Ammon in het westen, die anders een deel van de woestijn zouden uitmaken.

De Arabier heeft den stempel zijner taal gedrukt op alles ten zuiden en oosten van Judea; zoo is in het Arabisch de oude Jebel de vader van tallooze wadi's[1], die, den weg kruisend, breeder en breeder worden, in het regenseizoen de watermassa's naar de Jordaan afvoeren, of wel naar haar laatsten vergaarbak, de Doode Zee.

Uit een van deze wadi's, en wel uit de allerlaatste, die ten slotte de bedding van de beek Jabbok wordt, kwam een reiziger te voorschijn, die koers zette naar de woestijn. Op dezen persoon willen wij eerst de aandacht vestigen.

Naar zijn uiterlijk te oordelen moest hij vijfenveertig jaar oud zijn. Zijn lange baard, eenmaal ravenzwart, begon sterk te grijzen; zijn donkerkleurig gelaat was door een laag neerhangenden, rooden hoofddoek slechts ten deele zichtbaar. Nu en dan sloeg hij de oogen op, groote donkere oogen. Hij was gekleed in een lang, ruim gewaad, de gewone oostersche dracht, en bereed, gemakkelijk liggende in een zonnetent, een witten kameel.

Ik geloof niet dat eenig westerling den indruk zal vergeten, dien de eerste aanblik van een kameel, gezadeld en bepakt voor de reis door de woestijn, op hem maakt. De gewoonte, zoo doodend voor andere nieuwigheden, heeft hier slechts weinig invloed. Na menige reis per karavaan, na jarenlang verblijf onder de Bedouïnen, zal de westerling, waar hij ook zijn moge, telkens weer stilstaan, om het schip der woestijn te zien voorbijgaan. De bekoring ligt waarlijk niet in het uiterlijk van het dier, noch in zijne afmetingen, noch in zijn onhoorbaren stap; neen, maar de woestijn omhult den kameel met al haar geheimenissen, en hem aanschouwende denken wij aan die geheimenissen.

De kameel, die juist uit de wadi kwam, mocht gerust aanspraak maken op het gewone eerbewijs. Zijn kleur en hoogte, zijn breede voet, zijn forsche bouw, zijn slanke, sierlijke nek, zijn kop, zijn stap, lang en veerkrachtig, zijn tred, zeker en onhoorbaar, alles kenmerkte den afstammeling van een oud Syrisch geslacht.

Toen de kameel uit de wadi te voorschijn trad was hij de grens van El Belka, het oude Ammon, overgegaan. Het was nog vroeg in de morgen. De zon ging juist op, half omsluierd door een wazigen mist. Vóór hem lag de woestijn, niet het gebied van het welzand, dat was verderop; maar de regionen, waar de plantengroei minder begint te worden, en de grond bezaaid is met blokken graniet en grijze en bruine steenen, waartusschen hier en daar een kwijnende acacia zich omhoog werkt en enkele toefjes gras opschieten. Eiken, braamstruiken en haagappelboomen lagen achter hem, alsof zij, tot een zeker punt genaderd, door één blik op die dorre woestenij van schrik verstijfd waren gebleven. Hier ook hield de begane weg op.

Maar dat hinderde den kameel niet. Alsof hij een innerlijken drang gehoorzaamde, ging hij met versnelden pas op den oostenlijken horizon toe. De wijd geopende neusgaten dronken gretig het frissche morgenwindje in. Leeuwerik en rotszwaluw ontplooiden hunne vleugels, en witte patrijzen, opgejaagd door den vreemden bezoeker, maakten zich piepend en klokkend uit de voeten. Ter rechterzijde verhieven zich de heuvels van den Jebel. Boven hun hoogste toppen zweefde een gier op breed uitgespreide vlerken in steeds wijder wordende kringen. Van dit alles zag de bewoner der tent echter niets; zijne oogen staarden droomerig vooruit. Berijder en kameel beiden gaven den indruk, dat zij geleid werden.

Zoo ging het twee uren voort. Gedurende al dien tijd bleef de reiziger in dezelfde houding liggen en keek niet rechts of links. Het landschap was intusschen van voorkomen veranderd. Van den Jebel zag men nog slechts aan den westelijken horizon de flauwe omtrekken. Hier en daar lagen enkele groote bazaltsteenen, als voorposten, om de vijandige machten in bedwang te houden. Zand, niets dan zand was wat het oog ontwaarde, somtijds effen als aan het strand der zee, dan in heuveltjes opgehoopt, hier als gekuifde golven, daar als zachte deining. Ook de atmosfeer had eene verandering ondergaan. Dauw en mist waren opgetrokken, de gansche omtrek schitterde in den vollen zonneschijn, de blauwe lucht vonkelde en trilde in dien gloed.

Weder gingen twee uren voorbij en nog altijd ging het voorwaarts in dezelfde richting, zonder rust of oponthoud. De Jebel was uit het gezicht verdwenen; de schaduw, die straks den reiziger volgde, viel nu naar het noorden, en hield gelijken tred met hen, die haar afwierpen, en nog verroerde de in gedachten verzonkene zich niet.

Maar zie, juist toen de zon de middaghoogte bereikte, stond de kameel uit eigen beweging stil, en slaakte een kreet, die den meester als uit een vasten slaap deed ontwaken. Hij sloeg het tentgordijn open, keek naar de zon, beschouwde lang en aandachtig het landschap, haalde diep adem, en fluisterde met een bevredigden blik: Eindelijk! Eindelijk! Een oogenblik later kruiste hij de handen over de borst, boog het hoofd, en bad in stilte. Na het volbrengen van dezen plicht maakte hij zich gereed om af te stijgen. Hij gaf den kameel het gewone teeken om te knielen.

Behoedzaam gehoorzaamde het schrandere dier, de reiziger zette zijnen voet op den slanken nek, en stond het volgende oogenblik op den grond.

Noot: [1] Doorwaadbare plekken.

* * * * *

TWEEDE HOOFDSTUK.

DE DRIE REIZIGERS.

Wij willen thans den vreemdeling meer van nabij beschouwen. Hoewel niet groot, is hij toch een flinke figuur.

Nu hij het zijden koord, dat den hoofddoek op zijn plaats moet houden, losgemaakt heeft, kunnen wij hem vrij in 't gezicht zien. De kleur was, zooals reeds gezegd is, donkerbruin, bijna zwart; maar het lage breede voorhoofd, de arendsneus, de bijzondere vorm der oogen, het lange glanzende haar, dat hem in talrijke vlechten tot op de schouders nederhing, waren de onmiskenbare teekenen van zijne afkomst. Zoo Mizraïm, de stamvader der Egyptenaren. Zijne kleeding bestond uit een lang wit katoenen hemd, met een gordel om het middel bevestigd, en langs hals en borst met borduursel bezet. Daarover een bruin wollen bovenkleed, met kleurige zijde gevoerd, en rondom afgezet met een matgelen rand. Aan de voeten droeg hij sandalen, vastgebonden door fijn lederen riemen. Opmerkelijk is, dat hij geen enkel wapen bij zich had, zelfs den stok niet, waarmede de drijvers gewoonlijk hunne kameelen aanzetten, en dat nog wel nu hij geheel alleen het gebied van luipaarden en leeuwen en niet minder wilde natuurgenoten heeft betreden. Hij moet dus òf van zeldzaam stoutmoedigen aard zijn, òf zich onder bijzondere bescherming gevoelen.

Door den langen rit waren zijne ledematen stijf geworden, daarom wreef hij zich de handen, stampte met de voeten, wandelde wat op en neer, bij tijd en wijle onderzoekend rondziende, alsof hij iemand verwachtte. Toen zich echter nergens aan den horizon eenig teeken van leven vertoonde, was hij blijkbaar teleurgesteld en hervatte hij zijn wandeling. Twijfel aangaande de komst van den verwachte kwam niet bij hem op; want na een poosje begon hij zijne bagage te ontpakken, alsof hij voornemens was hier zijne tent op te slaan. En dat bleek ook werkelijk het geval te zijn; want na met een spons de oogen en de neusgaten van zijn kameel te hebben gereinigd, bracht hij een bundel staven te voorschijn, plantte de langste in den grond en de andere in een kring daar omheen, overdekte ze met een wit en rood gestreept tentdoek, spreidde een tapijt op den grond en nam bezit van zijn kleine woning. Toen ging hij weer naar buiten en zag nogmaals onderzoekend rond. Maar de uitgestrekte wildernis gaf niet het minste teeken van leven.

--Wij zijn ver van huis, mijn snelvoetige rijder! zeide hij en liefkoosde zijn trouwen metgezel, wij zijn ver van huis; maar God is met ons, wij moeten geduld oefenen.

Nu nam hij een paar handenvol boonen uit een der zadelzakken, tot voeder voor zijn dier, en zeide: Zij zullen komen. Hij die mij geleid heeft leidt ook hen. Ik zal alles gereedmaken.

Uit zijn voorraadschuur bracht hij de benoodigdheden tot een maaltijd in de tent: borden uit palmbladen gevlochten, wijn in kleine lederzakken, gedroogd schapevleesch, Syrische grannaatappels, Arabische dadels, kaas en brood; schikte alles zorgvuldig op het tapijt en legde er ten slotte, zooals dat bij beschaafde oosterlingen gebruikelijk is, zijden servetten bij, drie in getal, waaruit zich laat opmaken hoevele gasten hij verwachtte.

Alles was nu gereed. Hij ging weer naar buiten, en zie! in het oosten trof een donkere stip aan den horizon zijn oog. Als aan den grond genageld bleef hij staan, de oogen wijd geopend, huiverend, als voelde hij de aanraking van iets bovennatuurlijke,--de stip werd grooter en grooter en kreeg ten laatste duidelijke omtrekken. Een weinig later kon hij den dubbelganger van zijn eigen witten kameel onderkennen, dragende op den rug een _houdah_, de reistent van den Hindoe.

De Egyptenaar vouwde de handen en zag op naar den hemel. God alleen is groot! riep hij diep ontroerd.

De vreemdeling kwam nader en nader en hield eindelijk stil. Ook hij scheen uit een droom te ontwaken. Hij zag den knielenden kameel, de tent, en den man, die biddend in de opening stond. Hij vouwde de handen, boog het hoofd en bad in stilte; daarna steeg ook hij uit en trad op den Egyptenaar toe. Een oogenblik zag de een den ander aan, toen omhelsden zij elkander.

--Vrede zij u, o dienaar van den waren God, zeide de nieuw aangekomene.

--En u, medebroeder in het ware geloof! vrede en welkom, antwoordde de Egyptenaar hartelijk.

De vreemdeling was lang en mager van gestalte, de oogen lagen diep in hunne kassen, haar en baard waren wit, zijn gelaatskleur geelachtig brons. Hij ook was ongewapend. Zijn kleeding was die van een Indiër, geheel wit, behalve de muilen, die van rood leder vervaardigd waren. Zijn voorkomen was deftig en statig, en hoogst ernstig.

--God alleen is groot! zeide hij, zich weder oprichtende.

En gezegend zijn zij die Hem dienen! antwoordde de Egyptenaar. Maar zie, daar komt onze tochtgenoot.

Hij wees naar het noorden, waar een derde kameel, wit als de hunne, met snellen stap naderde. Zij wachtten, totdat ook hij stilhield, en zijn berijder op hen toetrad.

--Vrede zij met u, mijne broeders, zeide hij, den Hindoe omhelzende. En de Hindoe antwoordde: Gods wil geschiede!

De laatst gekomene was van een geheel ander type, dan zijne vrienden. Zijn lichaamsbouw was fijner, zijn gelaatskleur blank, zijn golvende lokken waren blond; uit zijn donkerblauwe oogen sprak een zacht gemoed en een open eerlijk hart. Hij ging blootshoofds en was ongewapend. Vijftig jaren, misschien meer, waren over zijn hoofd gegaan; maar de veerkracht van lichaam en geest was nog onverminderd. Den man van het vak behoefde men niet te zeggen tot welk volk hij behoorde, geheel zijn uiterlijk teekende den Griek.

Toen hij ook den Egyptenaar begroet had, zeide deze met trillende stem: De Geest heeft mij het eerst hier gebracht, aan mij dus de eer van de dienaar mijner broederen te zijn. De tent is opgeslagen, het maal is gereed. Staat mij toe mijn plicht te vervullen. Hen daarop bij de hand nemend, leidde hij hen binnen, ontdeed hen van hun schoeisel, wiesch hunne voeten, goot water over hunne handen, en droogde ze af met een doek. Nadat hij ook zijn eigen handen gewasschen had, zeide hij: Komt, mijne broeders, laat ons eten, opdat wij sterk mogen zijn voor het werk dat ons wacht. Tegelijkertijd kunnen wij elkander mededeelen wie wij zijn en vanwaar wij komen.

Dus genoodigd zetten ook de anderen zich neder, bogen het hoofd, vouwden de handen op de borst en deden te zamen dit eenvoudig gebed: Vader van allen--God! wat ons is voorgezet is Uwe gave. Neem onzen dank en zegen ons, opdat wij mogen voortgaan met Uwen wil te doen.

Bij die laatste woorden sloegen zij de oogen op, en zagen elkander verbaasd aan. Ieder had gesproken in eene aan de anderen onbekende taal; en toch begrepen zij volkomen wat gezegd was. Hunne ziel trilde van heilige aandoening--zij gevoelden Gods tegenwoordigheid.

* * * * *

DERDE HOOFDSTUK.

CASPAR DE GRIEK.

Volgens de toenmalige tijdrekening had het bovenvermelde plaats in de maand December van het Romeinsche jaar 747. De lange rit door de woestijn had onzen reizigers een goeden eetlust bezorgd, zij deden het hun voorgezette maal eer aan, onder het genot van een teug goeden wijn, daarna begon het gesprek.

--Voor den reiziger in een vreemd land is niets zoo liefelijk, als zijn naam te hooren van de lippen eens vriends, zeide de Egyptenaar, die als gastheer den maaltijd geleid had. Vóór ons liggen vele dagen van vriendschappelijk samenzijn. Daarom is het noodig dat wij elkander leeren kennen. Laat dus, zoo gij het goed vindt, hij, die het laatst hier kwam, beginnen met te spreken.

Op bedaarden toon, als een die gewoon is zichzelf te beheerschen, begon de Griek. Wat ik te vertellen heb, broeders, is zoo vreemd, dat ik bijna niet weet waar ik beginnen zal, wat ik zeggen en wat ik zwijgen moet. Ik begrijp mijzelf nog niet. Wat ik echter weet is, dat ik den wil doe van Een, die machtig is, en dat ik mij daar onuitsprekelijk gelukkig in gevoel. De gedachte aan het mij opgedragen werk wekt eene zoo onbeschrijfelijke vreugde in mij, dat ik er niet aan twijfel, of het is God, die het mij opdroeg.

Hier zweeg hij een oogenblik, door zijn gevoel overweldigd. Na zich wat hervat te hebben ging hij voort: Ver van hier, in het westen, ligt een land, dat nooit vergeten zal worden, al was het alleen omdat de wereld er zooveel aan te danken heeft. Ik zal zwijgen van de schoone kunsten, van philosophie, welsprekenheid, dichtkunst, en van zijne krijgsverrichtingen; want, mijne broeders, dit zal de roem van mijn land wezen, dat Hij, dien wij gaan zoeken, in zijne taal verkondigd zal worden aan de geheele wereld. Het land waarvan ik spreek is Griekenland. Ik ben Caspar, de zoon van Kleanthes den Athener. Evenals voor de meesten mijner landgenooten was de studie mijn lust en mijn leven. Twee onzer grootste wijsgeeren leeren: de een, dat ieder mensch een onsterfelijke ziel heeft, de ander, dat er slechts één God is, volmaakt rechtvaardig. Van alle twistvragen, waarover de geleerden redetwistten, vond ik deze alleen de moeite van het overdenken waard; want ik moest toegeven dat er een tot nog toe onbekende verhouding bestaat tusschen God en de ziel. Het verstand kan daarover tot zeker punt redeneeren --dáár gekomen blijft men staan, als voor een hoogen muur. Om hulp roepen, is het eenige dat ons rest. Dat deed ik dan ook, maar geen stem kwam van achter den muur tot mij.

In wanhoop ontvlood ik de stad en de scholen. In het noordelijk gedeelte van mijn land, in Thessalië, is een berg, dien mijn volk voor de verblijfplaats der goden houdt, met name van Zeus. Olympus heet hij. Daarheen ging ik. Aan den zuid-oostkant van den berg vond ik een hol, daar woonde ik geruimen tijd, in overdenkingen verzonken, of liever, wachtende op de verhooring van mijn aanhoudend gebed om een openbaring. Mijn geloof in God, den onzichtbare en tevens oppermachtige, was zoo vast, dat ik het ook mogelijk achtte zóó naar Hem te smachten, dat Hij medelijden met mij zou krijgen en mij zou antwoorden.

--En dat heeft Hij gedaan! dat heeft Hij gedaan! riep de Hindoe, de handen omhoog heffende.

--Hoort verder, broeders, zeide de Griek, zijne aandoening bedwingende. Van uit mijne kluis had ik het gezicht op de golf van Thermaï. Op zekeren dag zag ik een man overboord vallen van een voorbijzeilend schip. Hij bereikte al zwemmend de kust. Ik nam hem tot mij en verzorgde hem. Hij was een Jood, wel onderwezen in de geschiedenis en wetten van zijn volk, en van hem vernam ik, dat de God mijner gebeden werkelijk bestond en sedert eeuwen hun wetgever, beschermer en koning was. Wat was dat anders dan de openbaring waarvan ik droomde? Mijn geloof was niet beschaamd geworden; God had mij geantwoord.

--Zooals Hij allen antwoordt, die in het geloof tot Hem roepen, zeide de Hindoe.

--Maar helaas, merkte de Egyptenaar aan, hoe weinigen zijn wijs genoeg, om te onderkennen wanneer Hij hun antwoordt.

--Daar bleef het echter niet bij, vervolgde de Griek. De Jood vertelde mij nog meer. Hij zeide dat de profeten, die in de eeuwen, welke op de eerste openbaring volgden, met God wandelden en spraken, verklaard hadden, dat Hij zou wederkomen. Hij noemde mij de namen dier profeten en haalde uit de heilige boeken hun eigen woorden aan. Ook zeide hij, dat die tweede komst op handen was, dat men er te Jeruzalem dagelijks naar uitzag. Maar, de man zeide ook, dat, evenals God en de openbaring, waarvan hij gesproken had, alleen voor de Joden geweest waren, dit ook nu het geval zou zijn. Is er dan niets te hopen voor de andere aardbewoners? vraagde ik. Neen, antwoordde hij op trotschen toon. Neen, wij zijn het uitverkoren volk. Dat antwoord vernietigde echter mijne hoop niet. Waarom zou zulk een God liefde en goedheid slechts tot één land, tot één ras beperken? Ik wilde dat tot elken prijs onderzoeken. Ten langen laatste kwam ik achter de waarheid en vernam, dat zijne vaderen slechts de uitverkoren dienaars waren geweest, om de Waarheid te bewaren, opdat de geheele wereld haar eenmaal zou leeren kennen en behouden worden.

Toen de Jood vertrokken was en ik mij weder alleen bevond, bad en smeekte ik vurig, dat het mij vergund mocht worden dien Koning, als Hij kwam, te zien en te aanbidden.

Op zekeren avond zat ik voor mijne spelonk in gepeinzen verdiept, toen ik plotseling boven de zee, of liever in de duisternis, die haar bedekte, eene ster zag vonkelen. Langzaam steeg zij hooger en kwam nader, tot boven den berg, en boven mijn hoofd, zoodat haar glans mij bescheen. Ik viel neder en sliep na een poosje in. In den droom hoorde ik een stem tot mij zeggende: "O Caspar, Gij gezegende. Uw geloof heeft overwonnen. Met twee anderen, gekomen van de uiterste deelen der aarde, zult gij Hem, den beloofde, zien en van Hem getuigen. In den morgenstond zult gij opstaan en hun tegemoet reizen. Vertrouw op den Geest, die u zal geleiden." En des morgens ontwaakte ik, door den Geest als door eene zon verlicht. Ik legde mijn kluizenaarsgewaad af en kleede mij als vanouds. Uit een verborgen schuilhoek nam ik den schat, dien ik met mij gebracht had. Ik riep een voorbijzeilend schip aan, werd aan boord genomen en te Antiochië aan wal gezet. Daar kocht ik den kameel met toebehooren. Langs de tuinen en boomgaarden, die de boorden van de Orontes sieren, reisde ik naar Emesa, Damascus, Bostra en Philadelphia, tot hier. Ziet daar, broeders, mijne geschiedenis. Laat mij nu de uwe mogen vernemen.

* * * * *

VIERDE HOOFDSTUK.

MELCHIOR.