Beknopte handleiding voor eigenaars van kleine tuinen
Chapter 8
Het ééne werk volgt nu vrij geregeld op het andere, en, bijaldien men in een kleinen tuin alles maar geregeld en op zijn tijd verricht, zal men het best afkunnen. Tegen het midden van April is het tijd om te zaaien. Dit vroeger te doen is niet raadzaam, wijl men dan gevaar loopt dat de jonge en teere kiemplantjes door nachtvorst verloren gaan. Het midden van April, zelfs de tweede helft van deze maand, is nog vroeg genoeg. Langer dan tot Mei moet men daar echter in geen geval mede wachten, althans voor zoover het de éénjarige of gewone zaadplanten betreft. Ook de tweejarigen kan men in 't begin van Mei zaaien; dit kan echter even goed nog een paar maanden later geschieden.
Is het een groeizaam voorjaar, dan zal men reeds vóór Mei het gras moeten maaien. Ook dit kan men gemakkelijk zelf doen, wijl de grasmaaimachines tegenwoordig zoo goed ingericht zijn, dat een dame ze kan hanteeren. Men wete echter wel, dat men met zulk een machine niets kan uitrichten, wanneer men het gras te hoog liet opgroeien. Men moet het reeds maaien, zoodra er goed leven in blijkt te zijn; dán gaat dit spoedig en gemakkelijk, het gras wordt er temeer gesloten door en het onkruid verdwijnt, wijl dit tegen dat telkens afmaaien niet opgewassen is. Ik zeg telkens afmaaien, want uit het bovenstaande blijkt dat men het na het eerste maaien, óók niet lang mag laten worden; hooger dan 3-4 c.M. moet het niet worden, zoodat men er wekelijks eens met de machine over moet gaan, 't welk dan weinig tijd kost en volstrekt geen inspanning van beteekenis vordert. Het afgemaaide gras beteekent dan niet veel. Houdt men het zeer kort, dan ziet men het niet eens liggen, en kan het ook wel blijven liggen. Is het wat te veel daartoe, dan harkt men het weg of veegt men het, zoo het gazon dicht en goed gesloten is, met een bezem bijeen.
Hoe opwekkend het gezicht op het in het voorjaar groenende gras ook is, toch wordt het eigenlijk pas mooi, wordt het, gelijk het in een tuin behoort te zijn, nadat het voor den eersten keer werd gemaaid en de kanten goed scherp werden afgestoken.
De eerste ontwikkeling van het gras is meestal ongelijk; gewoonlijk toch zijn verschillende grassoorten dooreen gegroeid, waarvan de ééne zich in het voorjaar vroeger en krachtiger ontwikkelt dan de andere; na het eerste maaien wordt het beter en het zal ook wel niet meer in 't oog loopen, wanneer het maaien geregeld wekelijks geschiedt.
Dit kan voor een kleinen tuin onmogelijk een wezenlijk bezwaar opleveren, tenzij men het niet zelf met een machine wil doen en een tuinman met dit werk belast. Deze gebruikt liever een zeis, en om het gras goed met de zeis te kunnen maaien, moet het wat langer zijn, en kan men er wel drie à vier weken mede wachten. Ook op die wijze onderhoudt men het goed, maar men krijgt er toch nooit zulk een dicht, gelijk en mollig tapijt van, als wanneer men er dikwijls met een machine overheen gaat.
't Is waar, met een goede grasmachine (grasperkscheerders noemt men ze ook) is licht [f]25 gemoeid, maar, wanneer men die niet laat verwaarloozen heeft men ze ook voor lang, en rekent men nu dat men toch zeker voor het maaien van het gras in een kleinen tuin telkens een gulden zal moeten geven, dan is men er al vrij spoedig en heeft men voortdurend een netteren tuin. Een niet te ontkennen bezwaar is echter dat men er niet overal mede terecht kan ze goed te scherpen. Hieromtrent dient men zich dus vooraf gewisheid te verschaffen, anders zit men er later meê.
Ik sprak over het onderhoud van het gras iets uitvoeriger, wijl dit, net en goed onderhouden, hoofdzaak is voor elken tuin en voor een kleinen tuin inzonderheid. Men moet dan ook dit maaien of kort houden voortzetten tot zoo laat in het najaar, dat men ziet dat er volstrekt geen groei meer in is.
Door het in Februari te oversproeien met dunne gier zal men een goeden groei ervan bevorderen, terwijl ook de kleur dan veel donkerder is.
Ook met water besproeien in den zomer, is, bij voortdurende droogte, in de meeste gevallen zeer nuttig; op sommige plaatsen, waar de grond zeer zandig en uit den aard droog is, zelfs bepaald noodzakelijk. Heeft men water van een waterleiding tot zijn dispositie, dan levert die besproeiing volstrekt geen bezwaar op, en moet men het, bij aanhoudende droogte, in geenen tuin verzuimen. Men heeft hiervoor verplaatsbare sproeiers, die aan een tuinslang verbonden worden en over een oppervlakte van p.m. 10 Meter in doorsnede het water gestadig als een dichten regen verspreiden. Door die b.v. om het halfuur te verplaatsen kan men den grond gemakkelijk goed vochtig houden; men rekene er daarbij op de slang niet te kort te nemen.
Deze wijze van besproeien is veel doelmatiger dan dit te doen met een straalpijp, ten eerste wijl dit laatste veel bewerkelijker is en vooral ook wijl de besproeiing daarmede nooit zoo gelijkmatig en afdoende geschiedt.
Heeft men geen waterdruk, dan zijn zulke toestellen natuurlijk ook niet te gebruiken, en wordt de besproeiing heel wat lastiger. Men moet het dan met een gieter doen, en het laat zich hooren dat men zich dan ook alleen tot het strikt noodzakelijke beperkt, of zelfs genoodzaakt kan zijn het geheel na te laten. Dit hangt dan van omstandigheden af. Op humusgronden, hetzij die lichter of zwaarder zijn, is het gras tegen de grootste hitte en droogte bestand; het mag er dan ook al tijdelijk niet mooier op worden, het zal toch, onmiddellijk nadat het heeft geregend, weer opleven; op schrale zandgronden kan het echter gevaar loopen van met wortels en al te verbranden. Men kan dit echter goeddeels voorkomen, door er geregeld elken winter een dunne laag goed verkruimelden mest over te strooien. Toch is, zelfs bij dezen maatregel, besproeiing in den zomer ver van overbodig, ofschoon dan ook misschien niet absoluut noodzakelijk.--
In de eerste dagen van Mei bezorge men de bloemperken; immers voor zooverre men die bestemde voor _Geraniums_, _Fuchsia's_ en dergelijken, die er in het voorjaar als jonge planten op geplaatst moeten worden, gelijk dit, de Rozenbedden uitgezonderd, over 't algemeen het geval is. Vroeger moet men dit niet doen, omdat dan het weer nog niet te vertrouwen is en één koude nacht alles kan bederven.
Reeds in Mei zullen enkele vaste planten allicht zoo hoog worden, dat ze door wind of slagregen kans loopen omver geworpen te worden. Dan, maar ook niet vroeger, zet men er een stok bij, die altijd iets korter moet zijn dan men berekent dat de plant hoog zal worden. Hetzelfde doe men later bij enkele zaadplanten en bij de _Dahlia's_. Bij deze laatsten, zoomede bij Zonnebloemen, Stokrozen en andere kruidachtige, hoogopgroeiende planten plaatse men een stevigen stok van ongeveer 1½ Meter, tenzij men weet dat de _Dahlia's_ tot een laag blijvend ras behooren. Er zijn er toch die in 't geheel geen steunsel behoeven, en waar dit niet noodig is moet men het ook achterwege laten.
Over het algemeen neme men als vasten regel aan, dat de stokken, die in vele gevallen onvermijdelijk zijn, zoo min mogelijk in 't oog mogen loopen, waarom het ook zaak is ze groen te verven, maar dan geen gedraaide en vooral geen roode of witte kopjes er op. Dit staat afschuwelijk en verraadt, wat men er ook van moge zeggen, in dit opzicht althans een weinig gekuischten smaak.
Van nu af houde men aan alles zeer geregeld de hand, waarbij het schoonhouden van de perken en paden, na de zorg voor het gras, allereerst in aanmerking komt.
Wanneer men een tuin goed schoon houdt, en dus aan het onkruid den tijd niet gunt om te bloeien, allerminst om zaad voort te brengen, zal men er ook gaandeweg minder last van krijgen, maar geheel vrij van onkruid komt men toch nooit, daar voortdurend zaden door den wind, ook door de vogels, van elders worden aangevoerd. Maar het wordt heel wat anders, als men dit tot zaad laat komen, in welk geval er soms jaren noodig zijn om de nakomelingen daarvan onder de knie te krijgen.
En er zijn onkruiden, juist de meest verspreide, die reeds zaden in overvloed hebben uitgestrooid, eer men er nog erg in heeft dat ze bloeien. Dit zijn vooral het éénjarige Beemdgras (_Poa annua_) en de Muur (_Alsine media_); ook mag men gerust het gemeene Kruiskruid (_Senecio vulgaris_) hierbij rekenen, dat nog te gevaarlijker is, wijl de vederlichte zaadkorreltjes overal heenwaaien.
Niets echter is gemakkelijker dan dit te voorkomen, daar men het zich slechts tot gewoonte behoeft te maken minstens eens om de twee weken de perken en de paden te schoffelen en aan te harken, wat toch in elk geval aanbeveling verdient, wijl pas geharkte paden er veel aangenamer uitzien dan die, waarvan de aarde door den regen vastgeslagen is.
Voor dit schoffelen neemt men een drogen, zonnigen dag waar, omdat het kleine onkruid, dat allicht tusschen de tanden van den hark ontsnapt, dan verbrandt, terwijl het anders, bij vochtig weer, zich licht weder met de worteltjes in den grond vasthecht, en het is juist dit kleine onkruid, waartegen men gestadig strijd moet voeren.
De paden harkt men vanzelf meer aan; die wat keurig op zijn tuin is, doet dit elken morgen.
Hiervan heeft men de meeste voldoening, wanneer men ze bestrooit met fijn grint, hetwelk trouwens wel als het beste middel te beschouwen is om de paden zooveel mogelijk vrij van onkruid en droog tevens te houden. Heeft men er bij den eersten aanleg een laag van een paar cM., over gestrooid, dan zal men later jaarlijks alleen daar wat noodig hebben, waar veel geloopen wordt en de grond te hard werd om dien goed te kunnen schoffelen. Het bovenlaagje moet los blijven, maar ook niet meer dan het bovenlaagje, zoodat men er vooral niet te veel grint op mag uitstrooien, wijl dit het begaan ervan bemoeilijkt. Een pad, dat matig begrint is, laat zich gemakkelijk schoffelen en aanharken, welk laatste een aangename ochtendbezigheid is, voor iemand die schik in zijn tuin heeft.
Heeft men een bloemperk waar in Augustus het mooie afraakt, dan moet men dit veranderen, wijl het dan den tuin niet meer tot sieraad strekt. Er zijn licht in 't najaar bloeiende planten te verkrijgen, om het te vernieuwen. _Asters_ b.v. komen hiervoor goed te pas.
Is de zomer voorbij, heeft een vroege vorst de _Dahlia's_, _Heliotropen_, _Geranium's_, enz. bedorven, dan is het zaak een flinke opruiming te houden; de vaste planten snijdt men af, de _Dahlia's_, _Canna's_ en de _Knol-Begonia's_ neemt men op; sierplanten in potten bergt men, waar men er gelegenheid voor heeft, en het afgevallen blad harkt men steeds bijeen; het dient allicht voor een enkele plant, die dekking behoeft.
Velen hebben de gewoonte om, als 't in October guur wordt, te zeggen: de tuin geeft nu toch niets meer, laat den boel dus nu maar rusten tot het voorjaar. Dit is zeer verkeerd gezien. De tuin kan ten allen tijde wat geven, dus ook in den herfst, ook in den winter, maar natuurlijk in elk seizoen niet hetzelfde. Daartoe is, en ik kan er niet genoeg op drukken, vóór alles netheid, zindelijkheid en orde noodig, ten allen tijde. Zelfs in den winter is het gezicht op een goed onderhouden tuin verkwikkend en niet minder in den herfst, die toch nog kleuren, zelfs nog bloemen geeft. Men leere van wat elk jaargetijde ons beschikbaar stelt het rechte gebruik te maken; men zal er zijn tuin te meer om gaan waardeeren, en de uren daaraan besteed allesbehalve tot de verlorene, maar wel degelijk tot de goed gebruikte rekenen.
V.
De tuin als speelplaats voor kinderen.
Wanneer men een kleinen tuin en een huis vol kinderen heeft, dan zegt het heel wat om te zorgen dat alles goed in orde blijft, in den tuin zoowel als in huis. En nu gebeurt het nog al eens, dat men juist aan een huis met tuin de voorkeur geeft met het oog op de kinderen, opdat dezen zomer en winter, als het weêr het maar eenigszins toelaat, kunnen genieten van de frissche lucht, en het hun daarbij niet aan de noodige lichaamsbeweging behoeft te ontbreken, terwijl men ze toch steeds in zijn onmiddellijke nabijheid en in 't oog heeft.
Is men nu wat heel ruim in deze opvatting, dan loopt de tuin, inzonderheid als die niet groot is, de paden niet zeer breed zijn en er geen ruime speelplaats is, inderdaad groot gevaar, en men kan dan gerust zeggen dat de kosten en moeiten daaraan in 't voorjaar besteed, nutteloos waren, daar reeds, vóórdat de zomer op de helft is, de tuin zijn aantrekkelijk aanzien, door verwaarloozing verloor.
Hierin schuilt geen overdrijving; wel stem ik gaarne toe, dat de uitzonderingen hierop zeer talrijk zijn; maar laat die tot over de helft loopen, dan blijven er nog genoeg gevallen over, die schijnbaar de uitspraak wettigen dat zulke menschen geen tuin waard zijn.
Ik zeg schijnbaar, want inderdaad is het veelal precies andersom. In vele gevallen stellen ze er niet minder prijs op dat alles er steeds keurig uitziet, en ze hebben daar ook heel wat voor over, maar hun kinderen en dezer gezondheid gaan boven alles, en zij zijn heilig overtuigd dat men onmogelijk dezen vrij in den tuin kan laten omspringen, en dien toch zoo keurig in orde kan houden, als het behoort en als zij het zelve wel zouden wenschen. Zij schikken zich in wat zij onvermijdelijk achten, en rekenen zich in elk geval gelukkig dat ze voor hun jonge gasten frissche lucht en ruimte hebben.
Een zeer sprekend voorbeeld daarvan zag ik niet lang geleden. Een mijner kennissen had een groot huis gekocht, waarachter een vrij uitgestrekte tuin lag, die echter als zoodanig bijna niet meer te herkennen was. Hij aarzelde geen oogenblik dien tuin in het voorjaar geheel te doen vernieuwen, ging daarbij op zeer onbekrompen wijze te werk, daar hij, die vroeger geen tuin had, dien nu zeer netjes wenschte; bediende zich van goede werkkrachten en kocht zonder aarzelen alles, wat men zeide noodig te hebben. Het gevolg hiervan was dan ook dat die tuin, toen de lente dáár was, niets te wenschen overliet en de jaloezie wekte van niet weinigen. Ik zag dien toen ook, en moest erkennen dat men er van had gemaakt wat er, zonder pronkerigen opschik, met mogelijkheid van te maken was, en dat die tuin, nú reeds fraai, bij goed onderhoud, na weinige jaren een ware lusthof zou zijn.
Zonder die gelegenheid te zoeken, kwam ik er toevallig ook eens in den nazomer, en het was toen inderdaad bedroevend te zien hoe daar was huisgehouden. Van de grasbanden was slechts hier en daar een stuk overgebleven. In een der vrij breede paden was een schommel en in een ander een wipplank geplaatst, waaromheen letterlijk alles vertreden was. Zelfs door de bloemperken was geloopen, stengels en takken waren gebroken, ja zelfs geheele planten uit den grond gerukt, in één woord, de keurig afgewerkte tuin van het voorjaar was in die halve wildernis met geen mogelijkheid meer te herkennen.
Ofschoon ik er niet van houd aanmerkingen te maken, was de toestand daar toch zoodanig, dat ik niet nalaten kón op te merken, hoe jammer het was, dat de kinderen daar zoo te keer gegaan hadden. Ja, de eigenaar vond dit ook, maar wat het zwaarste was, meende hij, moest ook het zwaarste wegen. Hij zou dat gaarne alles steeds in orde zien, hij was een liefhebber van orde, en op zijn eigen kamer, maar ook daar alléén, waar de kinderen niet mochten komen, liet die niets te wenschen over, maar de tuin was in de eerste plaats voor de kinderen.
--De jongens moeten er in kunnen ravotten naar hartelust, en als ze er steeds aan moeten denken, waar ze hun voeten zetten, is het plezier er voor hen af; de meisjes hebben plezier in bloemen; ze gebruiken die voor bloemmandjes, ze teekenen ze, en nu gaat het toch niet aan haar het plukken te verbieden. De lust en het opgewekte leven der kinderen gaat bij mij boven alles.
Tegen dit beginsel valt niet veel in te brengen; het is maar de vraag wat men door dit ravotten naar hartelust verstaat en of kinderen die aan tucht, al is dit geen uiterst strenge tucht, gewoon zijn, iets minder zullen genieten, wanneer zij, in den tuin spelende, er op letten waar ze hun voeten zetten. Zoo ken ik iemand, die maar even tien kinderen heeft, waarvan het oudste niet meer dan 13 à 14 jaar oud is. Achter zijn huis, waarin, de speelkamer niet uitgezonderd, keurige orde heerscht, is een zeer kleine tuin, die er altoos even netjes uitziet; en toch, als iemand er van houdt om zijn kinderen ter wille te zijn, zelf met hen te stoeien en hun lustige spelen in den tuin aan te moedigen, is hij het.
't Is eenvoudig verschil van opvatting omtrent de wijze van opvoeding en de toepassing daarvan, en we hebben ons hier niet bezig te houden met de vraag welke opvatting de beste of de ware is.
Waar we ons echter wel mede hebben bezig te houden is deze vraag: kan hij, die een kleinen tuin bij zijn huis heeft, dien wellicht zoo inrichten, dat hij aan zijn kinderen de gelegenheid geeft en hun volle vrijheid laat daarin te ravotten naar hartelust, en er toch als tuin nog plezier van hebben, zonder de jaarlijks terugkomende kosten van bijna geheele vernieuwing?
Ziedaar een vraag die gewoonlijk door schrijvers over tuinaanlegkunst en door meer of minder ervarene aanleggers over 't hoofd wordt gezien. Dit komt voornamelijk hierdoor, dat de eersten, zoo ze zich al met kleine tuinen bezighouden, daarbij altijd het aesthetische beginsel op den voorgrond stellen, zonder te letten op het doel, dat de eigenaars er van in sommige gevallen voornamelijk beoogen; terwijl de laatsten zich geen tuin kunnen denken zonder een tuinaanleg naar de gewone opvatting, zoodat zij dan ook steeds een aanleg maken, en het niet bij hen zou opkomen daarbij af te wijken van vaste gewoonten.
Denkt men zich dan ook op klein terrein, en ik stel mij hier weder een oppervlakte van 40 bij 15 Meter, dus op verre na niet het kleinste, voor, een tuin _in den gewonen zin_, dan is het antwoord op de bovengestelde vraag stellig ontkennend.
In een tuin, gelijk wij dien in de vorige hoofdstukken bedoelden, mogen de kinderen niet bandeloos rondspringen; mogen ze niet over 't gras, vooral niet over de grasbanden, ook niet op de perken loopen; mogen ze niet plukken, al naar 't hun in den zin komt; in één woord, ze moeten zich daarin aan tucht gewennen, anders bederft de boel, en te spoediger, naarmate zij daarbij ruwer te werk gaan.
Zegt men nu: ik wil mijn kinderen daar volle vrijheid laten en offer daaraan gaarne de sierlijkheid van den tuin op, maar toch zou ik dien wel gaarne steeds zooveel mogelijk in orde zien, dan kan men dien wensch zeer goed bevredigen, als men het er van 't begin af naar inricht; men kan den kinderen een ruimere gelegenheid geven om zich ongedwongen te vermaken, en heeft er dan maar geregeld een weinigje de hand aan te houden; het denkbeeld van een eigenlijken aanleg moet men dan echter loslaten, van een aanleg althans in den gewonen zin.
Ik meen dat het geheel in de bedoeling met dit zeer oppervlakkige boekje ligt, om ook diegenen hiertoe op den weg te helpen, die in dit geval verkeeren, want juist onder de eigenaars van kleine tuinen treft men er velen aan, die er hartzeer van hebben, hun tuin, waar ze toch overigens wel schik in hebben, nadat die pas opnieuw in orde gebracht is, weder te zien bederven, maar die toch nog liever den tuin bedorven zien, dan dat zij--altijd naar hunne opvatting--de vreugde en 't genot hunner kinderen bederven; terwijl ik nog zwijg van hen, die te achteloos zijn om daar het oog op te houden, en zich teleurgesteld gevoelen, wanneer de onvermijdelijke gevolgen daarvan niet uitblijven.
Laat ons eens zien hoe we dit het best inrichten, en, mag dit dan ook zoo onæsthetisch zijn als het wil, ik twijfel er geen oogenblik aan of men zal de doelmatigheid ervan erkennen.
Wij nemen hier dus weder aan dat we tot onze beschikking hebben een langwerpig vierkant stuk grond, en wel van 40 Meter lengte bij 15 Meter breedte. Weet men hoe dit voor dit doel is in te richten, dan zal men die inrichting ook wel naar omstandigheden voor een grooter of kleiner grondvlak kunnen wijzigen.
[Illustratie: Schets van een kleinen tuin als _kinderspeelplaats_ ingericht.]
Nu begint men met hiervan aan het achtereinde 10 Meter af te nemen, welke ruimte meer bepaald voor kinderspeelplaats wordt bestemd. Dit is dus een oppervlakte van 150 vierk. Meter. In een der hoeken maakt men een afdak of beter nog een koepeltje, bestemd niet alleen voor vluchthaven bij een plotseling opkomende regenbui, maar ook voor tochtvrije rustplaats en tevens tot berging van verschillende losse voorwerpen.
Om deze speelplaats plant men aan drie zijden kloek groeiende opgaande boomen, op de nevensstaande schets door sterretjes aangewezen. Plaatst men die op 4 Meter afstand, dan zullen ze vrij spoedig luwte en schaduw, in elk geval een gewenschte dekking geven. Iepen zijn voor dit doel goed geschikt; Platanen mogen hiervoor, om het stuiven der haartjes in het voorjaar (zie bladz. 29), niet aangeraden worden.
Men zorge bij de inrichting vooral dat deze plek niet nat kan zijn, en legge daarom den grond eenigszins tonrond. Ligt hij in het midden een Decimeter hooger dan aan de kanten en voorts goed gelijk, dan zal het regenwater er ook geregeld afloopen, en het er, zelfs kort na een zware bui, weer droog zijn. Dit is een voornaam punt, waarop men dus reeds bij het begin goed moet letten.
Verder kan men de droogte goed bevorderen door over den gelijk gemaakten grond een flinke laag fijn gruis van cokes uit te spreiden, en er daarna goed met een zwaren grasrol over heen te gaan, zoo men dien kan krijgen; anders moet dit cokesgruis goed vast getrapt worden. Hiertoe moet men geen koolasch gebruiken, immers als men het bedoelde gruis kan verkrijgen. Koolasch heeft op verre na zulk een goed effect niet, omdat men er te veel grove slakken en asch in vindt; de slakken worden er uitgeharkt en de asch geeft voor dit doel niets. In cokesgruis is geen asch en zijn ook geen groote stukken. Aan de gasfabriek is het doorgaans voor een bagatel te verkrijgen, en er is geen beter middel dan dit om paden droog en vast te maken.
Zoodra dit gesloten is, dat na eenige weken, vooral wanneer het intusschen flink regende en men het wat beloopen had, het geval zal zijn, spreidt men er een tamelijk dikke laag fijn grint over. Hierdoor krijgt men een zachte, bijna stofvrije oppervlakte, die zelfs bij regenachtig weer betrekkelijk droog is. Schelpen deugen voor dit doel niet, daar ze te scherp zijn en de kinderen zich, bij struikelen of vallen, eraan kunnen verwonden. Wit zand is ter bestrooiing ook ondoelmatig; bij droog en heet weer wordt het te warm, het weerkaatst het zonlicht te zeer en stuift als het wat waait in de oogen. Fijn grint is zacht genoeg voor dit doel, mits het niet te dun uitgestrooid wordt; het is in alle opzichten rustiger.
Hier is voldoende ruimte voor een schommel, een wipplank, of wat men er anders wenscht, terwijl er ook gemakkelijk plaats te vinden is voor een zandhoop, die voor kleine kinderen veelal gewenscht wordt.
Hetgeen er nu van den grond overschiet heeft een lengte van 30 Meter, waarvan nog 2 Meter voor een straatje afgaan. We hebben dus nog maar 28 Meter lengte bij 15 Meter breedte en ook hier moet op veel ruimte gerekend worden, zoo we althans zooveel mogelijk willen voorkomen dat het gras vertreden wordt. En toch is dit nog wel zoo in te richten, dat het volstrekt niet popperig wordt, en er uit het huis gezien lief uitziet, ook goede gelegenheid voor het genot van de buitenlucht biedt.