Beknopte handleiding voor eigenaars van kleine tuinen

Chapter 7

Chapter 73,954 wordsPublic domain

Men heeft tegenwoordig _Knol-Begonia's_ met reusachtige bloemen; ik zou echter den eigenaar van een kleinen tuin niet aanraden daarmee te beginnen, maar zich tot die van middelmatige grootte te bepalen, welke tegenwoordig bij duizenden en tienduizenden in het voorjaar verhandeld worden.

Wat de kleur betreft, gewoonlijk koopt men ze in gemengde kleuren, d. i. van wit en geel, door allerlei nuancen van nanking, rose, enz., tot purper of donker bloedrood, en plant die dan op een perkje dooreen. In den laatsten tijd hebben de kweekers er zich echter op gaan toeleggen om enkele fraaie en daartoe door haren groei en gemakkelijken, milden bloei bijzonder geschikte soorten van bepaalde, sprekende kleuren in massa te kweeken, zoodat de kosten nu niet veel grooter zijn, wanneer men een perkje met een en dezelfde soort beplant, wat m. i. om den gelijkmatigen bloei altijd veel vóór heeft. Men kan dan natuurlijk tweeërlei of drieërlei kleuren om elkaar heen planten, b. v. donkerrood in 't midden, zacht rose daarom heen en het geheel met een rand zuiver witten omvatten. Dit hangt alweer van den smaak af.

De _Knol-Begonia's_ verlangen een warme standplaats, gelijk hare geheele ontwikkeling en haar bloei van warmte afhankelijk is. In zeer ongunstige zomers worden ze op vele plaatsen, waar de ligging wat te open is, niet fraai. Toch is het niet raadzaam ze dáár te planten, waar ze in den zomer den geheelen dag aan de zon zijn blootgesteld. Een lichte schaduw na den middag komt haar ten goede. Kan men echter niet anders, dan is een zonnig plekje altijd verre te verkiezen boven een dat het grootste gedeelte van den dag in de schaduw ligt. Zulk een plaats past voor deze planten in 't geheel niet.

De _Knol-Begonia's_ komen pas goed tot ontwikkeling in de tweede helft van den zomer, maar dan ook worden ze, als ze in goeden grond en op een niet te ongunstige plek staan, prachtig in den ruimsten zin van het woord; reden waarom men ze steeds zoo moet trachten te plaatsen, dat men er uit het huis het vrije gezicht op heeft.

't Is waar, deze planten vorderen, als men ze moet koopen, een kleine uitgaaf, en men moet zich aanvankelijk een weinig moeite er voor geven, maar zij beloonen dit later zoo ruim, dat men haar gerust een tegenwoordig onmisbaar bestanddeel ook van een kleinen tuin kan noemen.

Wanneer ik nu nog _Petunia's_ en _Verbena's_ noem, heeft men voor zulk een beperkt terrein waarlijk ruimte van keus, want alles te gelijk kan men daar met geen mogelijkheid hebben. Daarom is het verkieslijk in het ééne jaar dit, in het andere jaar wat anders te nemen.

Over beiden valt hier niet veel te zeggen. De _Petunia's_ zijn het beste voor een geheel perkje geschikt, waarbij men aan laag blijvenden de voorkeur moet geven. Gevoegelijk kan men er een rand van _Verbena's_ omheen planten, hetwelk men ook nogal eens om de Heliotropen doet.

Over het algemeen zijn de _Verbena's_, daar zij laag blijven en deels over den grond kruipen, het beste voor zulk een buitenrand geschikt, maar dan bij voorkeur niet om een perkje met sprekend gekleurde bloemen; om geen Zonale-Geraniums of Knol-Begonia's b.v., daar dan het geheel te onrustig wordt; om die reden komen de _Verbena's_ dan ook beter om _Heliotropen_ dan om _Petunia's_ voor.

Men koopt het beste in het voorjaar jonge planten, die dan in den open grond uitgeplant worden. In het najaar ruimt men ze eenvoudig op. Hetzelfde doet men met de _Geranium's_, die voor een eigenaar van een kleinen tuin het bewaren niet waard zijn, daar ze, zoo men ze al goed door den winter krijgt, in den volgenden zomer veel minder fraai zijn dan jonge planten. Met _Fuchsia's_ is dit eenigszins anders. Heeft men deze op een vorstvrije plaats bewaard, dan kan men die, na ze in het voorjaar in wat grootere potten geplant te hebben, hier en daar door den tuin verdeelen; voor een perkje neemt men echter bij voorkeur jonge planten.

Men lette dan echter wel op, dat ze binnen niet te sterk mogen uitgroeien, waarom het 't beste is ze reeds in Maart buiten, op een luw plekje tegen een muur of schutting te plaatsen. Als ze buiten uitgroeien, worden ze veel mooier, dan wanneer ze binnen slappe, zwakke uitspruitsels maken, die later niet tegen de lucht bestand zijn. Tijdig buiten gezet, voordat ze sterk uitgroeiden zal een nachtvorstje haar geen kwaad doen.

De planten, die ik hier als voor bloemperken geschikt, vermeldde, zijn, ik herhaal het, de meest bekenden, maar tevens de meest gezochten. Die zich niet bepaald met plantenliefhebberij bezig houdt, en wien het er alleen om te doen is dat zijn kleine tuin er in den zomer aantrekkelijk uitziet, bepale zich tot een keuze daaruit. Men kan ze tegen Pinksteren op de bloemmarkten in menigte vinden, en zich dan voor weinige guldens een maanden achtereen aanhoudend genot koopen.

Om er nog wat meer afwisseling aan te geven, kan men echter ook nog gebruik maken van eenige andere planten, die òf om hare fraai gekleurde bladeren, òf om hare sierlijke groeiwijze daarvoor in aanmerking komen. Daarom laat ik ook over dezen hier nog kortelijk enkele opmerkingen volgen.

Gekleurdbladerige en andere sierplanten.

Behalve de éénjarige of zaadplanten en die, welke eigenlijk tot de potgewassen behooren, maar die in den zomer uitstekend voor bloembedden geschikt zijn, bedient men zich tegenwoordig voor dit doel ook veel van bont- en gekleurdbladerige planten, inzonderheid voor zoogenaamde mozaïek- of kleurbedden.

Ofschoon een goed verdeeld mozaïekbed in een daarmede harmonieerende omgeving werkelijk schoon kan zijn, zijn ze toch over 't algemeen slechts als producten van wansmaak, van een zucht naar opschik met schrille kleuren te beschouwen. Dit kan niet verwonderen, daar er in de eerste plaats een goed begrip van de harmonie der kleuren, in de tweede plaats een fijnen smaak, en eindelijk veel kweekerskunde voor noodig is, om ze werkelijk goed te maken. Bedenkt men daar nog bij dat ze vrij kostbaar zijn, dan zal men mij wel toestemmen dat de eigenaar van een kleinen tuin verstandig doet met er niet mede te beginnen, daar hij met veel minder moeite en voor minder geld iets veel degelijkers kan hebben. Die intusschen aan zijn tuin een coquet aanzien wil geven, en op zulk een mozaïekbed gesteld is, moet zich tot een degelijk bloemist wenden en het dien overlaten.

Maar, afgezien hiervan, kunnen sommige bont- en gekleurdbladerige planten toch ook in een kleinen tuin goed te pas gebracht worden, hetzij dat men er een klein groepje van op een zonnig plekje bijeen plant, hetzij men ze gebruikt voor een rand om een perk met bloemplanten, waarbij men dan natuurlijk heeft op te letten, dat men geen roodbladerige om een perk met roodbloeiende planten plaatst.

Vooral onder de _Zonale-Geraniums_ zijn er met verschillend gekleurde bladeren, deze met helder witte, die met goudgele randen, terwijl er ook zijn in welker bladeren het geel met bruin en helderrood op keurige wijze gemengd is. De zilverbonte mag inderdaad voor elken tuin in aanmerking komen; de driekleurigen zijn alleen geschikt voor hen, die van hun tuin wat meer werk willen maken.

Ook onder de _Fuchsia's_ zijn er enkelen met fraai bonte bladeren. Vervolgens komt de zoo gezochte _Coleus_ in aanmerking. Van het groot aantal variëteiten met grillig gekleurde bladeren zijn er echter maar enkelen geschikt om in den tuin geplant te worden, en in de eerste plaats zeker Verschaffelt's _Coleus_, (_C. Verschaffeltii_), met haar donker purperachtig bruine bladeren. Men late zich dan ook niet verlokken door de fraaiere, levendigere kleuren der anderen, daar die meest allen te zwak zijn, en er alleen in zeer warme zomers en dan nog in de gunstigste omstandigheden wat grond en standplaats betreft, iets oogelijks van terecht komt. Ook _Iresine Lindenii_, met donker purperroode bladeren, die een heldere middennerf hebben, wordt voor dit doel gebruikt. Dan heeft men onder de wit-, of liever lichtgrijsbladerige planten in de eerste plaats een distelsoort, _Centaurea candidissima_, voorts _Cerastium tomentosum_, _Kleinia repens_.... Maar Latijnsche namen genoeg reeds in een boekje, waarin die niet behooren. Wil men zich hiermede bezighouden, dan bezoeke men in Mei een flinke bloemisterij, waar men zien kan welke van deze planten in massa worden gekweekt; dit is vrij wat beter dan zich te verliezen in een lange lijst van plantennamen.

Maar men hoede zich vooral tegen overdrijving, waartoe het gebruik van gekleurdbladerige planten maar al te vaak aanleiding geeft, en waardoor vooral kleine tuinen soms een potsierlijk aanzien verkrijgen. Groen moet daarin de hoofdrol spelen, kleuren moeten er alleen hier en daar afwisseling en leven aan geven, en die verkrijgt men in voldoende mate door bloemen. Geheel onopgemerkt mocht ik echter de bont- en gekleurdbladerige planten niet laten, al was het maar om tegen een smakelooze toepassing er van te waarschuwen.--

Kan men het in een kleinen tuin zeer goed zonder bontbladerige planten stellen, minder goed is dit het geval zonder enkele sierplanten.

Zoo noemt men, en terecht, die gewassen, welke zich door groote, fraai gevormde bladeren, of door een buitengewoon sierlijke groeiwijze onderscheiden, en die geheel alleen in het gras of op uitstekende en zeer in 't oogloopende punten geplaatst, een effect teweegbrengen, dat op geen andere wijze te verkrijgen is.

In buitenplaatsen en parken wordt daarvan een druk en zeer nuttig gebruik gemaakt; de keuze is dan ook overruim, daar deze plantenrubriek niet binnen enge grenzen beperkt is, maar haar vertegenwoordigers heeft onder de gewassen van alle hemelstreken; planten met het meest uiteenloopende voorkomen, met lange grasachtige, met breede waaiervormige bladeren, hoog opgroeiend en laag blijvend, die in den open grond geplant of in potten of kuipen gehouden worden, enz. enz.--

Onder die, welke gedurende den zomer het beste in den open grond staan, noem ik in de eerste plaats het zoogenaamde Indische Bloemriet (_Canna_). In lossen, goed gemesten grond, op een zoo warm mogelijke plaats ontwikkelen deze planten zich in den zomer zeer fraai. Hoewel men er meestal een perk mede vol plant, kan de eigenaar van een kleinen tuin het zeer goed stellen met er op een paar plaatsen b.v. een drie- of vijftal tot een groepje bijeen te planten, en zelfs geheel alleenstaande doet een forsche _Canna_ zich sierlijk voor.

Tot voor enkele jaren kweekte men deze planten bijna uitsluitend om de fraaie bladeren (waarbij ook bruinen), de bloemen toch beteekenden niet veel; tegenwoordig echter bezit men ook een ras van grootbloemige _Canna's_, die voor kleine tuinen zeker de voorkeur verdienen. Men behandelt ze op dezelfde wijze als de _Dahlia's_ en de _Knol-Begonia's_; waarbij echter niet uit het oog verloren mag worden, dat ze 's winters op geen te koele plaats mogen liggen.

Een sierplant in den waren zin des woords is de Abyssinische Banaan of Enset (_Musa Ensete_), een plant die, op een eenigszins tegen den wind beschutte, warme standplaats zich in den zomer prachtig ontwikkelt. In het najaar zit men er echter mee, wijl ze dan opgenomen, in een kuip gezet en in een goed lichte kas moet overwinterd worden, en daarna ook wel wat te groot wordt voor een kleinen tuin. Toch ziet men ze er wel eens, en altijd maken ze, als ze goed vrij staan, een heerlijk effect. 't Is maar de vraag of men daar wat voor over heeft.

Dan het zoogenaamde Pampas-gras (_Gynerium argenteum_). Deze fraaie Grasplant levert minder bezwaar op; ze heeft een zeer gracieus voorkomen, stoelt spoedig uit tot een flinke bos van lange, bevallig naar alle zijden overhangende bladeren; en brengt in den nazomer (soms wel eens wat heel laat) prachtige pluimen voort, welker zilverglanzige schubjes in de zon schitteren, en die, tijdig afgesneden, den geheelen winter door een sieraad van de huiskamer kunnen zijn. Men kan de _Gynerium_ in het najaar in den grond laten staan, als men maar zorg draagt dan de bladeren wat bijeen te binden, de wortels goed met blad te dekken en de plant met stroo te omwoelen. In gewone, d. w. z. niet ál te strenge winters houdt ze het aldus goed uit.

Een zeer aanbevelenswaardige sierplant is ook de zoogen. Wonderboom (_Rianus_)[9], waarvan een aantal soorten en variëteiten bekend zijn, terwijl de groote bruinbladerige voor dit doel de beste is. Men kan ze zelf wel van zaad kweeken. Men legt dan bijv. een vijftal korrels in April in een bloempot, 2 c.M. diep in de aarde, en zet dien pot op een warme plaats, tot de zaden kiemen. Dan plaatst men dien achter een zonnig raam en houdt de aarde goed vochtig. Tegen half Mei plant men ze in den open grond; eenmaal aan 't groeien, ontwikkelen zij zich snel. Het beste plant men er drie bijeen op een geheel vrije, zonnige plek. Men kan deze drie planten gemakkelijk met een stevigen stok, die in 't midden staat, rechtop houden, dat zeer noodig is.

[9] Deze is geen boom, maar, in onze tuinen, een éénjarige plant.

Ook enkele in potten of kuipjes staande planten kan men gebruiken, maar in een kleinen tuin niet veel. Vooreerst het Nieuw-Zeelandsch Vlas (_Pharmium tenax_), een voor dit doel terecht zeer geliefde plant. De van ouds bekende groenbladerige is zeker de sierlijkste, maar er zijn ook bontbladerigen, die voor dit doel zeer geschikt zijn, en waaraan sommigen de voorkeur geven.

De veel als kamerplant gekweekte _Aralia japonica_ geeft met hare groote, handvormige, glanzende bladeren mede aan een tuin veel afwisseling. Het moet dan echter een mooie, tot onder toe met bladeren bezette, gezonde plant zijn. Beide planten leveren het gemak dat men ze zelf kan overwinteren. Heeft men een vestibule, waar het niet al te streng kan vriezen (een beetje vorst hindert niet), dan zullen ze die in den winter tot sieraad strekken. De _Phormium_ kan overigens ook in een kelder den winter doorbrengen en de _Aralia_ is uitnemend voor de kamer geschikt, en dan liefst een kamer, waarin niet of slechts nu en dan gestookt wordt; natuurlijk is een plaats dicht bij 't raam noodzakelijk, wijl men anders kans heeft dat de bladeren geel worden.

Dan heeft men die planten, welke iedereen als Aloë's kent, hoewel het eigenlijk geen _Aloë's_, maar _Agave's_ zijn. Vroeger trof men bij partikulieren alleen de honderdjarige en de bonte aan, tegenwoordig kan men zonder veel moeite ook andere krijgen, waarbij er zijn die kleiner blijven. Voor hen, die niet goed zijn ingericht, zijn ze echter in den winter wel wat lastig; men kan ze in een kleinen tuin dan ook goed ontberen.

Sierplanten van dezen aard zijn er trouwens in menigte, en in bijzonder gunstige conditie hiervoor verkeert hij, die aan zijn huis een veranda heeft, welke 's winters met glas kan gesloten worden, en waar men dergelijke planten gemakkelijk bewaart, terwijl ze dan het gezicht uit de kamer zeer verlevendigen. De vorst houdt men daar gemakkelijk uit door er een kleinen vulkachel in te plaatsen, die echter niet meer mag gestookt worden, dan noodig is om de ruimte maar juist vorstvrij te houden. Vriest het niet, dan zet men een der buitendeuren gedeeltelijk of geheel open.

Die een gesloten veranda aldus wil inrichten--en het is zeer aan te bevelen, omdat men dan eenige fraaie sierplanten voor den tuin kan bewaren--moet er niet op rekenen daar 's winters te kunnen zitten; 't is er dan te koud. Wel is het gemakkelijk om, door het openzetten der kamerdeuren, de temperatuur te doen rijzen, maar, kan dit ook al geen kwaad als men het een enkele maal, bij een feestelijke gelegenheid b.v. doet, men moet er geen gewoonte van maken, daar stof, kamerlucht en warmte voor deze planten nadeelig zijn; en ze moeten mooi, ze moeten vooral gezond blijven, willen ze het karakter van sierplanten niet verliezen.

IV.

Het onderhoud van den Tuin.

Velen meenen, althans zij geven aanleiding om dit te gelooven, dat, wanneer in het voorjaar alles aan een tuin is gedaan, wat strekken kan om dien een fraai en proper aanzien te geven, zij de rest wel aan de Natuur kunnen overlaten.

Nu, dat kunnen ze ook, maar dan zal deze aan dat stukje grond spoedig een geheel ander aanzien geven, stellig weinig in overeenstemming met onze opvatting van orde en zindelijkheid.

De Natuur mag vrij en onbelemmerd heerschen buiten, en wat zij dan schept is altijd mooi, veel mooier dan wij het met veel moeite en kosten kunnen maken; maar dat is dan geen tuin. Dáárin moet de eigenaar heer en meester wezen; hij gebruikt daartoe haar goede gaven, maar hij gebruikt ze overeenkomstig zijn bedoelingen. En de Natuur schikt zich daarin, maar zij is terstond gereed hare rechten te hernemen, zoodra wij er niet langer de hand aan houden.

»Er de hand aan houden", dat is het rechte woord. Iedereen weet wat men daardoor te verstaan heeft; iedereen begrijpt dus wat ik met het onderhoud van een tuin bedoel.

Men moet er de hand aan houden, en niets soms twee, drie weken achtereen alles maar stilletjes laten groeien en bloeien, denkende dat het dan mooi genoeg is; want, zeker, dán zal het mooie er spoedig af zijn.

Kan de eigenaar van een _kleinen_ tuin dien zelf in orde houden?

Voor het meerendeel zeker; zelfs geheel, wanneer hij niet tegen eenige lichaamsinspanning opziet, en zich er op toelegt sommige handgrepen te leeren, die tot de bijzonderheden van het tuinbouwvak behooren. Wil hij het eerste niet of kan hij het niet, en heeft hij geen tijd of lust voor het laatste, dan zal hij in het voorjaar gedurende enkele dagen de hulp van een goed werkman moeten inroepen; wat er later te doen valt, moet men echter zooveel mogelijk zelf trachten te doen.

Dit is om verschillende reden wenschelijk. Eerstens kan men dan alles--en zoo heel veel is het niet--zeer geregeld doen, en blijven niet sommige dingen ongeregeld lang liggen en men houdt den tuin dan veel netter in orde, dat vooral voor een kleinen tuin van beteekenis is; ten tweede wordt de belangstelling daardoor gaandeweg grooter, en heeft men van het groeien en bloeien veel meer voldoening; terwijl vooral de stadbewoner of hij die stil leeft, daarin een dagelijksche gelegenheid vindt voor een gezonde lichaamsbeweging in de open lucht.

Het eerste wat reeds vroeg in 't voorjaar, als het niet vriest, moet gebeuren, is den tuin opknappen. Men begint met het snoeien van de heesters en vruchtboomen, als men die heeft, wat niet maar een inkorten is der takken op goed geluk, maar waarbij men dient te weten wat men doet; waarom men sommige heesters in het voorjaar liever niet moet snoeien, enz.

Over het snoeien hier in bijzonderheden te treden kan ik niet; hiertoe ga men te rade bij een deskundige, of raadplege men een meer uitgebreid tuinboek. Alleen merk ik op, dat men er op moet letten welke heesters vroeg in 't voorjaar bloeien, en men dezen eerst moet snoeien nà den bloei, daar men anders te veel bloemen opoffert; immers deze bloeien geregeld uit de jonge takken, en snijdt men die nu vóór den bloei in, dan verwijdert men de aanstaande bloemen. Dit is iets, waar men met een weinigje opmerkzaamheid zelf gemakkelijk achter kan komen.

Ook moet men vroeg in 't seizoen de Rozen nog stil laten staan en dezen niet snoeien, voordat men mag aannemen, dat er geen vorst meer te verwachten is. Worden de Rozen nadat ze reeds gesnoeid zijn nog door vorst getroffen, dan is er veel kans dat de takken een eind insterven. Het begin van April is hiervoor vroeg genoeg.

Die nu reeds vroeg in 't voorjaar zijn tuin in orde wil hebben, harke dat snoeisel terstond bijeen en neme het op, waarna de rabatten en de met heesters bezette perken geschoffeld en netjes aangeharkt worden, en hetzelfde met de paden geschiedt.

Is het gras plaatselijk dood gegaan of leelijk geworden, wat vooral in stadstuinen licht kan gebeuren, dan moet men dat niet laten zitten, in afwachting of het mogelijk nog goed zal uitgroeien. Daartoe zijn de graszoden te goedkoop, en wanneer men er jaarlijks de hand aan houdt zal het zoo erg niet zijn, dat men niet aan een halve roê graszoden genoeg zou hebben. Met 72 zoden kan men toch, als men ze doorsnijdt, 144 voet beleggen, dat is ten naastenbij vijftig Meter. Zoo houdt men dit sieraad van den tuin goed in orde met weinig kosten. Laat men het daarentegen te lang liggen, dan bederft men het effect en heeft men er later veel meer aan te doen. Is de tuin goed licht, en wordt het gras niet plaatselijk gestadig betreden, dan blijft het goed, en heeft men het in 't voorjaar maar wat met een hark uit te kammen, om er een frisch aanzien aan te geven. Men ziet dan tevens na of de kanten zuiver zijn en steekt ze geregeld af.

Dit alles doet men liefst zoo vroeg mogelijk, en wel, als het weer het toelaat, reeds in 't laatst van Februari. Al maakte men vóór den winter alles nóg zoo goed in orde, toch blijkt, wanneer de vorst voorbij en de sneeuw gesmolten is, dat de winter eigenaardige sporen in den tuin achterliet. De grond is op- en losgevroren; er zijn takken uit de boomen of uit die der buren afgewaaid; dorre, pas zeer laat afgevallen bladeren liggen hier en daar in hoeken gestoven of zitten van onderen tusschen de heesters geklemd, in één woord, het ziet er nog winterachtig uit, en juist dit moet men zoo spoedig mogelijk veranderen. Heeft men nu in 't begin van Maart alles in orde, dan maken de eerste voorjaarsbloemen een veel bevalliger effect. De Sneeuwklokjes zijn er zóó vroeg bij, dat men ze met den besten wil niet vóór kan wezen, maar anders is het met Crocussen en iets later met Tulpen. Deze komen ook wel vroeg, maar toch niet zoo vroeg, of men kan wel zorgen haar in een opgeredderden boel te ontvangen; maar dan moet men er natuurlijk zelf niet te laat bij wezen. En het is opmerkelijk hoeveel vriendelijker deze er uitzien, als de omgeving met dien bloei in overeenstemming is. Men ontvangt dan echte lente-indrukken, ook al talmt de lente vervelend lang.

Het is juist dán, dat een tuin achter of vóór het huis, ook al is het weer nog te guur om er in te wandelen, voor de meeste menschen, wier leven opgaat in de stadsdrukten en in hun maatschappelijke bemoeiingen, groote waarde heeft. Het lapje grond zij zóó klein, dat men bijna verlegen is het een tuin te noemen, men ziet er toch het leven, na een doodschen slaap, weer met jonge en frissche kracht ontspruiten; men ontvangt er een groet der Natuur, en haar glimlach vaagt vele sombere gedachten en herinneringen weg.

Hoe netter de tuin dan is, hoe vriendelijker die glimlach, hoe helderder de zon dan schijnt te wezen, en komen ook al gure buien het werk verstoren, ja een sneeuwlaag het geheel tijdelijk aan het oog onttrekken, de orde is weer spoedig hersteld, en wat men dàn reeds gehad heeft mag pure winst gerekend worden.

Heeft men in Februari en 't begin van Maart alles aldus in orde gebracht, dan kan men het stil laten liggen tot tegen April, als men er maar om denkt de Rozen te snoeien voordat zij gaan uitgroeien. Dit is een kleine moeite, en, als men een snoeischaar of secateur heeft, doet men in zoo'n tuin in een uur al heel wat.

In het laatst van Maart, soms ook iets later, ziet men zijn vaste of overblijvende planten na. Licht is er een die men wil verplaatsen, omdat in den vorigen zomer bleek dat zij op een andere plaats beter zou staan. Ook wil men er allicht een scheuren, teneinde er meer planten van te krijgen. Men wacht hiermede liefst totdat ze goed teeken van leven geven, d. w. z. tot zij beginnen uit te groeien. Het vroeger te doen kan wel geen kwaad, maar men moet dan geoefend zijn, om te zien of ze al dan niet leven, terwijl men, wanneer men ze wil scheuren of verdeelen, als zij gesproten zijn beter kan zien wat men heeft en vooral wat men doet.