Beknopte handleiding voor eigenaars van kleine tuinen

Chapter 6

Chapter 64,035 wordsPublic domain

Nog deze opmerking: Hij, die zich hiermede tot dusverre nog niet zelf bezig hield, bepale zich het eerste jaar tot de bovengenoemden; dit is voor een kleinen tuin een voldoend getal; wat Reseda-zaad komt er dan natuurlijk ook bij. Voorts late hij dit werk niet aan een ander over, al zou die het misschien ook veel beter doen. Hij zaaie _zelf_, na een regenachtigen dag; 't is een werk van een uur, laat het er twee zijn, en dan zal hij eens zien met hoeveel meer belangstelling hij de ontkieming en de verdere ontwikkeling volgt; hoe veel grooter het genot zal zijn, dat de bloei dier planten hem schenkt! Hij zal zich dan als vanzelf opgewekt gevoelen te trachten er rijpe zaden van in te zamelen, en kan dan met zijn overvloed ook anderen gerieven. De éénjarige planten vorderen wat meer werk dan de overblijvende, maar wanneer dit werk ontspanning is, beantwoordt de tuin, hoe klein dan ook, goed aan zijn doel.

Planten voor bloemperken.

Waar sprake is van planten voor bloemperken komen zeker de Rozen in de eerste plaats in aanmerking. De Roos toch is de meest geliefde bloem van de oudste tijden af, en er is geen tuin zoo klein, geen plekje grond, zoo weinig beteekenend, waar zij mag ontbreken; ook zoekt men haar nergens tevergeefs.

Ik moet hier inzonderheid wel in 't oog houden, dat we met _kleine_ tuinen te doen hebben, om over dit onderwerp niet breeder uit te weiden, dan voor ons tegenwoordig doel noodig en wenschelijk is, want, kan men de Rozen ook niet ontberen, men mag er toch niet te veel ruimte voor beschikbaar stellen, en in den regel bepaalt het zich dan ook tot een enkel bloemperkje. Waartoe zou het dan noodig wezen hier een lange lijst op te geven, een keuze uit het circa zeven honderdtal verschillende Rozen, terwijl men zich slechts tot zeer enkele soorten moet bepalen?

Men kweekt de Rozen in tweeërlei vorm, namelijk als zoogenaamde Stamrozen en als Struikrozen.

De eersten, hoe onnatuurlijk ook, zijn de wensch van velen, en het zou dus bitter weinig helpen of ik ze al afraadde. Ik voor mij houd er niet van, en ik heb dan ook geen enkele Stamroos; daarentegen veel Struikrozen. De kronen der Stamrozen zijn dikwijls ijl, ze loopen gevaar bij hevigen wind af te breken; de stammetjes zijn dikwijls krom, knoesterig en leelijk en het geheele cultuurproduct vloekt tegen de natuur.

Zoo denken er echter niet allen over, en de meesten hebben gaarne het viervijfdubbele voor een Stamroos over van 't geen een goede Struikroos kost. Daar nu de smaak zich niet laat dwingen, en iedereen zijn tuin voor zijn eigen liefhebberij heeft, volge ook ieder daarin zijn eigen zin.

Men kan de Stamrozen op verschillende wijzen plaatsen, en wel op een perkje of hier en daar op luchtige en lichte plekken vóór ander heestergewas. Is men zeer beperkt in zijn ruimte, dan verdient het laatste de voorkeur; ze nemen dan maar zeer weinig plaats in, terwijl men zijn weinige perkjes voor iets anders vrij houdt.

De Stamrozen zijn echter ook zeer geschikt voor een perkje, en als dit wat groot is nog beter. Men moet ze dan op minstens 60 c.M. onderlingen afstand planten, terwijl dan tusschen elke twee Stamrozen plaats is voor een Struikroos, welke laatsten het vervelend eentonige dier kale slungelachtige stammetjes breken.

Weer anderen geven er de voorkeur aan ze te planten langs een pad, en er dus een soort allée van te maken. Ook dit kan doelmatig zijn, daar ze op deze wijze eigenlijk in 't geheel geen plaats innemen.

Een ontegenzeggelijk fraaie vorm is de zoogen. Treurroos, voor welke kweekwijze echter maar enkele soorten geschikt zijn: eigenlijk zijn dit van nature Klimrozen; op hooge stammen geënt, hangen haar slanke takken naar beneden. Wanneer een Treurroos goed vrij staat en er behoorlijk de hand aan gehouden wordt, kan zij inderdaad zeer fraai zijn, en tijdens den bloei een heerlijk effect maken. Het beste plaatst men ze in een grasveldje, zorg dragende, het gras in den vorm van een rond plekje van 60 c.M. middellijn te verwijderen, opdat de zon den grond kan verwarmen.

In den handel komt algemeen een roode en een witte Treurroos voor, die beiden, om de massa bloemen welke een goed ontwikkeld exemplaar tegelijk voortbrengt, gelijkelijk kunnen aanbevolen worden. Op zichzelf behooren de bloemen op verre na niet tot de fraaisten; men houdt ze er dan ook meer op na om het fraaie gezicht dat het geheel oplevert.

Bij het planten der Stamrozen lette men er op de gekneusde wortels af te snijden, terwijl het zeer nuttig is ze eenige uren vooraf met de wortels in het water te leggen. Dat de grond in de rondte niet vast mag zijn, begrijpt men vanzelf wel; men maakt daarin een gat wat dieper en breeder dan direct voor de wortels noodig is, werpt er wat ouden koemest in, dien men door den grond roert en zet daar de wortels op. De grond, waarmede men hierop het gat vult, vermenge men mede met ouden koemest, en giete dien goed in, alvorens hem vast--niet al te vast--aan te trappen.

Na het planten laat men ze liefst een paar weken zonder stokken staan. Mooi is dit zeker niet, want, zelfs al zijn de stammen recht, ze maken dan toch het vertoon van een troepje dronken soldaten, die het onmogelijke doen om een goede houding aan te nemen. Dit komt echter bij het aanbinden wel terecht; doet men dit te vroeg, dan hangt men ze op, daar de grond onder de wortels allicht nog zal inzakken.

Van de Struikrozen komt in de allereerste plaats de Maandroos in aanmerking, om haar overrijken bloei tot laat in het najaar. Men heeft donkerroode en licht rose Maandrozen, en het kleurt goed wanneer men beiden dooreen plant. Fraaier nog dan de gewone zijn de dubbelde of gevulde Maandrozen, vooral omdat de bloemen steviger en meer gesloten, en daarom beter dan de gewone voor bloemmandjes, enz. geschikt zijn. De oude gewone Maandroos moet men hiervoor niet afsnijden als de bloem reeds geheel open is, daar ze dan te spoedig uitvalt; het beste is ze in 't geheel niet af te snijden en er alleen gestadig de uitgebloeiden uit te knippen, wijl die het geheel ontsieren. Voor zoogen. snijbloemen kieze men andere Rozen, terwijl ook de gevulde Maandroos hiervoor te gebruiken is.

Behalve eenige Maandrozen plante men vooral ook eenige verschillende Struikrozen. De keus is zóó ruim, dat men zich erin verliest, maar men kan dat gerust aan een boomkweeker overlaten, want er worden tegenwoordig geen soorten meer gekweekt die niet schoon zijn, en in hoeverre de ééne het in schoonheid wint van de andere, daaromtrent zijn de gevoelens in de meeste gevallen even verschillend als er verschil van smaak is.

Voor een kleinen tuin is een perk met gemengde soorten zeer aan te bevelen, ofschoon ik het anders verkieslijker vind een aantal planten van een en dezelfde soort bijeen te zien. Zoo kan men zich moeilijk iets schooners voorstellen dan een perk met de heerlijke _Souvenir de la Malmaison_, welker bloemen vooral in de tweede helft van den zomer haar toppunt van schoonheid bereiken; of een perk met de forsche _Paul Neyron_, met haar verbazend groote, goed gevormde en volkomen gevulde bloemen, aan Pioenrozen gelijk; of de heerlijke _la France_, die men wel haast als de type van een goed gevormde kloeke Roos zou willen beschouwen. Zoo is het met de _Géant des batailles_, _la Reine_, enz. enz., wel is waar oudere maar nog altijd onder de fraaiste gerekende Rozen. Vergeten we echter de oude boeren of honderdbladige Roos, ook wel de Centifolie-Roos, de Provincieroos, en de Mosroos niet. Wel bloeien die niet door of remonteeren zij niet, gelijk men dit noemt, maar de bloei duurt toch lang genoeg, om in dit opzicht met vele zoogen. Remontant-Rozen geen groot verschil op te leveren. De Mosrozen vooral zijn, half geopend, om de fraaie knoppen, voor bloemvazen, enz. zeer gezocht. Men doet echter wel dezen laatsten een plaatsje bij de heesters te geven, daar ze hooger opgroeien dan dit voor de meeste Struikrozen wenschelijk is, die men dan ook beter doet jaarlijks laag, d. w. z. tot op 30 à 40 cM. hoogte in te snijden.

Wat het planten der Struikrozen betreft, dit behandele men met dezelfde zorg als de Stamrozen; de Rozen beminnen een goeden, voedzamen grond, en hoe zorgvuldiger men ze plant, des te fraaier zullen zij bloeien. Eer ik van dit onderwerp afstap nog deze opmerking.

De Struikrozen, die men van de kweekers ontvangt, zijn in den regel niet wortelrecht, d. w. z. ze staan niet op eigen wortels, maar zijn op wildelingen geënt. Met de Maandrozen, die geregeld van stek gekweekt worden, is dit laatste niet het geval. Dit nu dient bij de planting in 't oog gehouden te worden. Ze zijn, zooals men dit gewoon is te noemen, laag, d. w. z. vlak bij den grond geënt, zoodat men zou meenen ongeënte struiken te hebben.

Men plante ze daarom diep, zoo diep, dat de plaats der enting een paar Centimeters onder den grond komt. Men heeft dan eerstens minder kans op het uitgroeien der wildelingen, en bovendien dat de geënte Roos zelfstandig wortels maakt. Het uitloopen der wildelingen wordt, vooral door onkundigen, veelal niet opgemerkt; men houdt die sterk groeiende wilde takken voor een bewijs van gezonde ontwikkeling; maar men zal, tot zijn verwondering, na weinige jaren zien dat het getal bloeiende planten minder wordt, en dán blijkt dat er verscheidenen der geënte Rozen dood zijn, terwijl de wildelingen zich tot forsche struiken ontwikkelden. Door diep planten voorkomt men dit euvel wel niet geheel, maar toch grootendeels; in elk geval is het zaak er steeds op te letten, en de wilde takken, die, bij eenige opmerkzaamheid, in den regel gemakkelijk van de veredelden te herkennen zijn, bijtijds dicht aan den stengel waaruit ze ontsproten af te snijden.

Eindelijk is het voor hem, die op zijn Rozen prijs stelt, zaak er tegen den winter een flinke laag blad tusschen en over uit te spreiden. De meeste doorbloeiende Rozen zijn wel tegen de winterkou bestand, maar dit heeft toch zijn grenzen, en als de winter streng is heeft men anders kans er velen te verliezen. Zelfs voor de Maandrozen, hoe hard die overigens ook zijn, is deze maatregel verre van overbodig te achten. Heeft men Stamrozen, dan binde men, nadat de bladeren afgevallen zijn, de takken, zonder ze in te snijden, los bijeen en omwoele ze met stroo, terwijl men de wortels met blad bedekt. Heeft men mogelijk een schuurtje, dan kan men ze tegen den winter opnemen, en daarin tegen de felle vorst beschermen; maar dan zorge men er vooral voor dat de wortels goed met aarde gedekt worden.

Men ziet het, er valt aan Rozen, als men er prijs op stelt ze goed te hebben, meer te doen dan aan andere heesters en vooral aan vaste planten; maar het zijn dan ook Rozen, en als zoodanig hebben ze reeds vanzelf aanspraak op meerdere zorg.

Overigens is dit met al de planten voor bloemperken het geval, voor zoover men deze niet met vaste planten vult of ze bezaait. Dit laatste is zeker de goedkoopste en gemakkelijkste wijze van handelen; maar er zijn toch nog andere planten, die men in geen tuin, hoe klein ook, kan ontberen, en waarvoor men zich gewoonlijk gaarne eenige uitgaven en ook eenige meerdere moeite getroost. De voornaamsten daarvan zijn de volgenden.

Vooreerst _Heliotropen_, zoo algemeen gezocht om den heerlijken zachten geur harer bloemen. Daar de Heliotroop een Indische plant is, kan ze niet tegen kou en bij de minste nachtvorst bevriest ze. Men moet ze dus vooral niet te vroeg in den tuin planten, stellig niet vóór half-Mei, en zorgen dat de grond los en vruchtbaar is. Ook moeten ze zooveel immer mogelijk is genot van de zon hebben. Het beste zijn ze geschikt voor een klein perkje, daar ze als alleenstaande planten geen effect maken. Wil men er geen perkje aan geven, dan kieze men een zonnig plekje, groot genoeg om er althans een vijf- of zestal op 25 c.M. onderlingen afstand bijeen te kunnen planten. Ze bloeien overvloedig tot ze bevriezen, en men behoeft met de bloemen niet zuinig te wezen, dat zeker een verdienste is, wijl ze voor de kamer en ook als knoopsgatbloemen zeer gezocht zijn. Men kan er ook een zeer donkere verscheidenheid van krijgen en nog een paar anderen met grootere bloemen; voor een kleinen tuin houde men zich echter aan de gewone.--

_Geranium's_[8] kunnen mede onmisbaar geacht worden, en dit wel inzonderheid de zoogenaamde Waterloo- of zonale-Geraniums, veelal kortweg »zonalen" genoemd. Van deze mild bloeiende planten wordt een druk, mogelijk, in groote tuinen vooral, wel wat al te druk gebruik gemaakt. Intusschen blijft het waar, dat wellicht geen andere plant beter, weinigen zoo goed geschikt zijn voor bloemperken.

[8] Ik neem het woord _Geranium_ hier in den meer algemeenen zin. Aan hen die het weten behoef ik niet te zeggen dat deze naam eigenlijk onjuist is, en die het niet weten zoeken het uit dit boekje niet te leeren. Als er van Geraniums wordt gesproken weet ieder wat bedoeld wordt.

Vroeger kende men er alleen bloedrood bloeienden van; later slaagde men er in ook verschillende lichter en donkerder nuancen van te winnen, en eindelijk mocht men zich verheugen ook in de aanwinst van zuiver witte verscheidenheden. Alle andere daartusschen liggende schakeeringen worden bij deze bloemen gevonden, niet alleen in de enkeld-, maar ook in de gevuldbloemigen.

Deze laatsten zijn echter voor ons tegenwoordig doel niet geschikt; bij regenachtig weer toch blijft er veel water tusschen die dicht opeenzittende bloemen hangen, waardoor ze verrotten. Voor perken neme men dus alleen enkeldbloemigen.

Nu kan men voor een perkje zijn keus bepalen tot één enkele soort of men kan er twee of drie van verschillende en uiteenloopende kleuren nemen, en deze kransgewijs om elkaar planten, of eindelijk men kan een perk met een aantal verschillenden door elkaar bezetten. Dit is keus elke manier kan wat fraais geven. Toch is de laatste handelwijze het minste aan te bevelen, omdat ze wel eens wat ongelijk willen groeien, en het geheel dan een verward aanzien verkrijgt. Een perk met helderrooden vol geplant, en dan daaromheen een rand van witte bloemen staat fraaier.

Veelal plant men de zonale-Geraniums in den vrijen grond; het is echter beter ze in de potten, als die niet al te klein zijn, te laten, en dezen dan zoo diep onder den grond te graven, dat de randen der potten 4 à 5 c.M. hoog met aarde bedekt zijn. Wèl zullen de planten, wanneer ze in den vrijen grond zijn uitgeplant veel forscher groeien, maar juist dit is het wat men moet trachten te voorkomen, omdat ze dan wel veel en groote bladeren maken, maar weinig bloemen geven. Blijven ze in de potten staan, dan wordt de groei daardoor eenigszins belemmerd; niet zooveel echter dat de planten er minder gezond om zullen uitzien, wijl ze door het gat dat in den bodem der potten is en zelfs over den rand der potten heen, met hare wortels in den omringenden grond kunnen dringen.

Sommigen willen haar ook dit beletten, om zich een rijken bloei te verzekeren, en draaien daarom de potten herhaaldelijk om, waardoor de worteltjes, welke buiten de potten in den grond drongen, afbreken. Dit is zeker een goede maatregel, als men maar niet verzuimt het minstens eenmaal om de acht dagen te doen. Wacht men er echter te lang mede, zoodat de wortels zich reeds door en over den pot in den grond konden verspreiden, wat in den zomer zeer spoedig gebeurt, dan zal men tot zijn teleurstelling een aantal bladeren zien geel worden, en het mooie is voor verscheidene weken, zoo niet voor goed, van de planten af. Daarom is het beter ze maar stil te laten staan, en ze, mits ze diep genoeg ingegraven zijn, niet te gieten. De meeste soorten zullen dan niet te wild groeien en rijk bloeien.

Behalve de zonale- komen ook nog de zoogenaamde grootbloemige en de fijnere, teedere variëteiten, de _Odier-_ en _Fancy Geranium's_ in aanmerking. Ook deze laat men in de potten staan, die men onder den grond graaft. Deze Geraniums van den ouden stempel leveren een groote verscheidenheid van keurige bloemen. Ik kan echter niet aanraden er in een kleinen tuin een perkje geheel mede te bezetten, gelijk men nogal eens doet. Ze hebben wel is waar een tijd, midden in den zomer, dat ze zeer fraai bloeien, en dán is dit keurig, maar het duurt te kort. In een grooten tuin, waar men velerlei planten tot zijn beschikking heeft, is dit wat anders. Men neemt ze dan eenvoudig na den bloei op, en vervangt ze door laat bloeiende planten; maar een kleine tuin moet in het voorjaar zoo ingericht worden, dat hij blijvend goed is voor den geheelen zomer, anders wordt het velen te kostbaar en den meesten te bewerkelijk.

Zeker, de grootbloemige Geraniums zijn niet te versmaden, maar men verdeele er dan liever eenigen door den tuin, waar allicht kleine plekjes voor zijn te vinden. In elk geval laat men ze in de potten staan, en graaft die dan zoo diep in den grond, dat de rand daarmede gelijk komt. Dán moet men ze bij droog weer dagelijks gieten. Ziet men daar tegen op, dat moeielijk is aan te nemen, wijl het een aangename recreatie is, dan grave men ze 3-4 c.M. met den pot onder den grond; alleen bij aanhoudende hitte en droogte zullen ze dan nu en dan begoten moeten worden.

Op de Geranium's volgen natuurlijk de _Fuchsia's_.

De _Fuchsia's_ ontwikkelen zich het fraaiste en bloeien het rijkste, als men in Mei _jonge_ planten uit de potten neemt en in den vollen grond plant. Zeer komt hiervoor inzonderheid in aanmerking een oude soort, welker knoppen, als ze op het punt zijn van zich te openen, kogelrond zijn, en die daarom dan ook de kogelronde F. (_Fuchsia's globosa_) genoemd werd. Het gaat echter niet gemakkelijk om daarvan jonge planten te krijgen, daar de kweekers deze oud bekende er niet meer op nahouden. Heeft men er eenmaal een perkje mee vol staan, dan heeft men ze ook voor het vervolg, als men zich slechts de moeite wil geven de stengels in het najaar een paar Centimeter boven den grond af te snijden, en de planten daarna met een laag turfmolm te dekken, waarover men veiligheidshalve nog een laag blad kan strooien. Ze blijven dan, zelfs in de strengste winters, goed, en groeien in Mei weer flink uit, om in den zomer mooier te worden dan te voren. Aan de bevallig naar alle zijden overgebogen takken brengen ze onafgebroken een overvloed van hare glimmend lakroode bloemen voort, en leveren een uiterst vroolijk gezicht op.

Hetzelfde kan men ook met andere niet al te hoog opgroeiende soorten doen, b. v. die met rooden kelk en witte bloemkroon, dus rood van buiten en wit van binnen, waarvan er zijn met enkelde en met volkomen gevulde bloemen. Een perkje aldus met een aantal planten van een en dezelfde soort bezet is m. i. veel fraaier dan wanneer men van alles dooréén plaatst, daar men dan een ongelijkmatigen groei, groveren en fijneren bijeen heeft, een onregelmatigheid die voor zulk een perk niet gewenscht is.

Geeft men dan ook aan gemengde soorten de voorkeur, zoo houde men ze in de potten, en grave ze daarmede met den grond gelijk. Vooreerst zullen de groveren dan veel minder wild groeien, en ten anderen kan men ze naar willekeur verplaatsen, om toch een ordelijk geheel te krijgen. Dan echter mag men ze niet al te lang laten stilstaan, wijl anders de wortels te veel door de potten heengroeien en zij dan bij het opnemen en verplaatsen lijden.

Dankbaarder bloeiende planten dan de _Fuchsia's_ zullen inderdaad schaars gevonden worden, terwijl ze een schier eindelooze verscheidenheid bieden in de grootte, den vorm en ook de kleur der bloemen. Daar heeft echter de eigenaar van een kleinen tuin niet veel mee te maken. Hij kieze een paar goede soorten, die aan zijnen smaak voldoen, en stelle zich, voor bloemperken althans, daarmede tevreden. Een lief gezicht leveren intusschen enkele _Fuchsia's_ hier en daar door den tuin verspreid op, en hiertoe kan men verschillenden nemen. Ze zijn tegenwoordig zoo gemakkelijk en goedkoop te verkrijgen, dat dit geenerlei bezwaar oplevert.

Wil men een juist voor een kleinen tuin zeer geschikt gebruik van _Fuchsia's_ maken, dan trachte men een oude soort te krijgen, _Fuchsia virgata_ geheeten, met langwerpig smalle bladeren, lange, roedevormige stengels en langwerpige, op zich zelf, in vergelijking van anderen, onaanzienlijke bloemen. Nu make men in het gras een rond perkje van 50 c.M. in diameter, grave dit uit en vulle het met goeden voedzamen grond. Hierin zet men dan een vijftal dezer planten (jonge altijd) in den vrijen grond, één in het midden en vier daaromheen. Die zullen tot een Meter hoogte opgroeien, en in den zomer een gesloten geheel vormen, waarvan de takken naar alle zijden, sierlijk gebogen overhangen; ze brengen een regen van bloemen voort. In het najaar snijdt men ze af en dekt ze als boven is opgegeven; als in April dat dek er is afgenomen, groeien ze in Mei weêr uit, en zijn daarna veel sterker. Het effect dat zulk een onnoozel bosje maakt is verrassend, de kosten beteekenen niets en de moeite nog minder.

Onder de mildst bloeiende en meest gezochte planten voor bloemperken behooren ongetwijfeld tegenwoordig de _Knol-Begonia's_; ik zeg tegenwoordig, wijl deze planten, immers gelijk men die thans kent, eerst in den laatsten tijd door cultuur werden gewonnen, en ze pas sedert eenige jaren meer bepaald onder het bereik van iedereen zijn gekomen.

Zij sterven in het najaar af, terwijl de jaarlijks grooter wordende knollen gedurende den winter slapend in leven blijven, en dan op een vorstvrije en niet te vochtige plaats bewaard moeten worden.

Ze moeten niet buiten geplant worden vóór half-Mei, daar ze uiterst gevoelig zijn voor nachtvorst.

Ik ga hierbij uit van de veronderstelling dat men ze als uitgegroeide planten op een perkje plaatst, daar dit toch zeker het verkieslijkste is. Men moet daartoe de knollen reeds in Maart op een eenigszins warme plaats tot ontwikkeling brengen, wat voor hen, die kas noch bak hebben, nog al lastig is. Kan men een raampje op een zonnig plekje neerleggen, al is het maar op een vierkant walletje van aarde, of op den kant geplaatste planken, dan heeft men er verder weinig of geen moeite mee. Men plant daarin de dan nog slapende knollen in lichten grond of in wat zand, en houdt het raampje dicht en den grond matig vochtig, totdat ze beginnen uit te groeien. Bij zeer zonnig weer in April strooit men losjes wat zand over het raam om het branden van de zon te beletten, en naarmate de planten uitgroeien en het seizoen vordert, laat men er, aanvankelijk overdag, daarna ook 's nachts, de lucht doorspelen. Het laatste niet bij helder, scherp weer. In 't begin van Mei neemt men het raampje overdag geheel weg, en legt het er veiligheidshalve 's avonds weer op. Zoo krijgt men tegen het midden van Mei sterke planten, die, dán in lichten, goed gemesten grond, buiten geplant, onmiddellijk gaan doorgroeien.

Daar zulk een raam, ('t kan een venster wezen) zeker wel te krijgen en de moeite niet groot is, meende ik dit hier te moeten aanteekenen. _Knol-Begonia's_ toch wil iedereen hebben, en het is jammer die, als men mooie soorten heeft, tegen den winter te laten dood gaan, daargelaten nog de dan in het voorjaar terugkeerende kosten voor anderen; terwijl men dan allesbehalve zeker is even fraaien te zullen krijgen. Bovendien kan zulk een raampje van b.v. 60 à 70 c.M. in 't vierkant, dan tevens dienen om _Dahlia's_ in te laten uitgroeien, wat ook beter is dan de onuitgegroeide knollen direct in den tuin te planten.

De behandeling van deze beide knolgewassen, zoowel wat het opnemen in het najaar, als het bewaren gedurende den winter en het planten in het voorjaar betreft, is volmaakt dezelfde. Komen echter de _Dahlia's_ nog wel in wat zwaren grond voort, de _Knol-Begonia's_ vereischen bepaald lichten grond; groeien de _Dahlia's_ hoog, zelfs de laag blijvenden nog tot 50-70 c.M. op, de _Knol-Begonia's_ blijven veel lager en worden gemiddeld niet hooger dan 30 c.M. Hierop dient dus bij de plaatsing gelet te worden.