Beknopte handleiding voor eigenaars van kleine tuinen
Chapter 5
De overblijvende of vaste planten in het algemeen leveren een uiterst bruikbaar en zeer onkostbaar materiaal voor elken tuin, en dit te meer, daar hierbij aan verscheidenheid allerminst gebrek is, niet alleen in rijkdom, vorm, grootte en kleur der bloemen, maar ook in andere opzichten. Er zijn er toch die zeer snel en hoog opgroeien, anderen die laag blijven en weer anderen die zich volstrekt niet van den grond opheffen, maar daarover voortkruipen. Er zijn er die breed, bossig worden en dus uitstekend ter maskeering dienen, anderen die rank en slank blijven en die dus het gezicht niet belemmeren. Er zijn er die liefst op een warme, zonnige plek staan, maar er zijn er ook, die zich zeer goed thuis gevoelen daar, waar de zon niet schijnt, en die derhalve voor een tegenover het Noorden gelegen rabat goed te pas komen.
Het kan niet mijne bedoeling zijn hier ook maar een eenigszins uitvoerig overzicht van de voor de tuinen geschikte vaste planten te geven; daartoe is haar aantal veel te groot. Ik wilde slechts wijzen op het nuttig gebruik dat men er, zonder noemenswaarde onkosten, van kan maken; en wanneer ik er hier nu nog eenige noem, is het om deze den eigenaars van kleine tuinen inzonderheid aan te bevelen, wijl ze voor hun doel geschikt, en overal te verkrijgen zijn[7]. Ik voeg er de Hollandsche namen alleen bij, voor zoover ze daaronder voorkomen; overigens zijn de hier genoemde Latijnsche namen algemeen bekend.
[7] Die hiervan en ook van alle andere zaken op den tuin en de planten betrekking hebbende meer uitvoerige bijzonderheden wil weten, verwijs ik naar mijn _Handboek voor den Bloementuin_, waarin al deze onderwerpen, ook voor grootere tuinen, uitvoerig behandeld zijn.
Onder de fraaiste voorjaarsbloemen moet zeker de _Diclytra spectabilis_ gerekend worden, met haar sierlijk gebladerte en haar lange overhangende trossen van fraai rose, vreemd gevormde bloemen; de Akelei (_Aquilegia_) is een oude bekende en een voor alle tuinen geliefde plant. Ze bloeit reeds vroeg in den zomer zeer mild, deze met blauwe bloemen in alle nuancen, andere rose, weer andere wit. Er zijn vele soorten van, maar voor kleine tuinen is de gewone Akelei in kleuren wel de beste. Aan deze verwant zijn de Riddersporen (_Delphinium_); deze bloeien iets later en ook wat langer; de planten groeien kaarsrecht op terwijl ook de lange, dichte, meestal intensief blauwe bloemtrossen recht naar boven gericht zijn. Ook de Monnikskappen (_Aconitum_) zijn terecht, om haar rijken en zeer fraaien bloei, gezochte tuinplanten. Waar kinderen zijn kunnen ze echter gevaarlijk wezen, tenzij men zeker is dat dezen niet de slechte gewoonte hebben, om bloemen in den mond te nemen. Beide worden 1-1½ Meter hoog. De Pioenen (_Pæonia_) heb ik slechts te noemen, om iedereen hare groote, vaak schitterende bloemen voor den geest te roepen. Er is er een, de zoogenaamde Boom-Pioen, die tot de heesterachtige planten behoort en die om hare groote, rose bloemen zeer geliefd is; tot de vaste planten behooren echter de meesten en dezer aantal is zeer groot. Ze hebben bloemen van wit af, door alle tinten, tot het donkerste bloedrood; de meesten zijn reukeloos, maar sommige verspreiden een zeer zachten, aangenamen geur. Men verwijt haar, niet ten onrechte, dat zij zoo vroeg uitgebloeid zijn, maar daar staat dan toch ook tegenover dat men er vroeg in den zomer genot van heeft. Ze worden tegenwoordig in grooten getale en in groote verscheidenheid tevens gekweekt. Voor een kleinen tuin moet men zich tot een, hoogstens twee ervan bepalen, wijl ze nog al veel ruimte innemen. De Klokjesbloemen (_Campanula_) mogen mede niet vergeten worden. Er zijn zeer laag blijvenden en anderen die tot ruim een Meter hoog opgroeien, ja er is er zelfs een, de oude Piramidaal (_Campanula pyramidalis_), die wel de hoogte van twee Meter bereikt. De bloemen zijn meestal blauw, soms ook wit. De Anemoon is mede een bekende tuinplant. Behalve de oude tuin-Anemoon (_Anemone hortensis_), die, hoe fraai ook, toch voor kleine tuinen minder wenschelijk is, omdat ze tijdig opgenomen en weder geplant moet worden, wat de meeste eigenaars van kleine tuinen allicht te omslachtig vinden, verdient de Japansche Anemoon (_Anemone japonica_) zeker een plaatsje. In zeer strenge winters loopt deze echter gevaar van te bevriezen. Niet alzoo de lieve kleine Hepatika (_Anemone Hepatica_), die men gevoeglijk, mits in niet te zwaren grond, op het Noorden kan planten. Ze bloeit in de lente; de bloempjes zijn gewoonlijk blauw, maar er zijn er ook met witte en met roode bloemen, sommigen zóó gevuld, dat het roosjes gelijken. Deze zijn echter teerder. In ons geval bepalen we ons liefst tot de gewone enkel blauwe.
Het Vingerhoedskruid (_Digitalis_) is ook een mooie en kloeke overblijvende plant; ook deze is echter, evenals de Monnikskap, zeer vergiftig. Ik ben geenszins de meening toegedaan, dat men vergiftige planten uit de tuinen moet houden; men moet ze er echter liever niet in opnemen, als men de kinderen vrij in den tuin laat loopen en dezen gewoon zijn te plukken. Dán kunnen ze gevaarlijk zijn.
Ik sprak daareven van de Japansche Anemoon; zie hier nog een paar van denzelfden oorsprong. Vooreerst die welke men als _Funkia's_ kent; zeer fraaie bladplanten, die met haar rechtopstaande, blauwe bloemen nauwelijks een halven Meter hoogte bereiken, maar ook zonder die bloemen den geheelen zomer door een sieraad van den tuin zijn; en dan _Hemerocallis_, waarvan vooral de bontbladerige zeer sierlijk is.
De gewone Zonnebloem is een éénjarige plant, waarover lager, maar er zijn er ook, die tot de vaste planten behooren, b.v. de veelbloemige Zonnebloem (_Helianthus multiflorus_), die tegen den nazomer zeer mild bloeit en dit volhoudt totdat de vorst of herfststormen er een eind aan maken. Men heeft er met enkele en ook met dubbele, zeer gevulde bloemen. Ik vind de eerste niet minder mooi dan de laatste; de meesten geven echter aan de gevulde de voorkeur.
Vergeten we echter de _Iris_ niet, waarvan een aantal fraaie soorten bestaan, terwijl zelfs de minste ervan hoogst sierlijk is. Men denke slechts aan de gewone gele Lisch, die aan de waterkanten groeit. Geel, wit, paars in alle tinten wisselen elkaar bij deze planten af. Niet zoo algemeen, maar toch gemakkelijk te verkrijgen is de Japansche Kæmpfer's Lisch (_Iris Kæmpferii_); deze plant heeft een kloeke houding en zeer fraaie bloemen; de oudste paarsachtig blauw, de lateren in alle tinten van wit door roodachtig paars tot blauw. Er zijn er die voor weinig geld te verkrijgen en toch zeer fraai zijn. In tegenstelling van deze rijzig opgroeiende, noem ik de laag blijvende Dwerg-Lisch (_Iris-pumila_), een zeer lage, bossig groeiende plant, die vroeg en fraai bloeit. Dan denk ik weer aan de _Phloxen_, die tegenwoordig met zooveel voorliefde gekweekt worden. Deze najaarsbloemplanten, van een halven Meter tot een Meter hoog, worden in de tweede helft van den zomer met bloemen als overdekt. Men heeft vurig roode, paarse, gestreepte en zuiver witte. Voor een kleinen tuin bepale men zich tot de eerste en de laatste. Wanneer men met een klein plantje begint, heeft men er na een paar jaar een dichte struik van; de bloemen zijn bij uitnemendheid voor bouquetten geschikt.
Dan komen nog de najaars-_Asters_, meestal blauw, sommigen ook rood, die met haar overvloed van bloemen den tuin opvroolijken, als de winter reeds in aantocht is, en dan de _Dahlia's_ zoo trouw gezelschap houden. Ook deze laatste behooren eigenlijk tot de vaste planten, maar tot die, welke wat meer zorg vereischen dan de bovengenoemde.
Ik bepaalde mij hier tot eenigen van die, waarvan men in het najaar slechts de doode en verwaaide stengels heeft af te snijden, zonder zich er verder in het minst om te bekreunen, wijl ze tegen onze winterkou volkomen bestand zijn. Alleen de Japansche Anemoon maakt hierop, gelijk ik zeide, uitzondering. 't Is een mooie plant voor kleine tuinen, maar ze moet wat gedekt worden; daarom zullen de meesten haar dan ook liefst maar niet planten.
Hij, die zich, nadat de tuin in orde is, er verder geen moeite voor wil geven, moet eigenlijk met de _Dahlia's_ ook niet beginnen, want deze moeten tegen den winter uit den grond opgegraven en tot het voorjaar op een koele, droge en vorstvrije plaats bewaard worden. Men laat er dan liefst de aanklevende aarde aan zitten, en legt ze luchtig uiteen. In het begin van Mei plant men ze weer.
Hoewel niet meer zoo gezocht als een dertig jaar geleden, spelen de _Dahlia's_ toch in den tuinbouw nog een voorname rol, en inderdaad zou het moeilijk zijn planten te vinden, meer geschikt om de tuinen tot sieraad te strekken, en dat wel juist dán, wanneer de bloeitijd van de meeste andere planten ten einde is of althans ten einde spoedt. Grooter verscheidenheid dan de _Dahlia's_ opleveren is niet denkbaar. Men heeft ze van alle kleuren, het blauw alleen uitgezonderd; er zijn hoog groeiende en zeer laag blijvende, met groote en met kleine, met enkele en met gevulde bloemen, en ze leveren daarvan zoo rijk een overvloed, dat men ze gestadig voor bouquetten kan afsnijden, en er toch genoeg aan blijven om de plant tot sieraad te strekken. Voor kleine tuinen zijn de laag blijvenden zeker verkieslijk, de hoogeren zijn echter beter geschikt om bloemen voor bouquetten te leveren, waarbij de prachtige zoogenaamde Cactus-Dahlia (_Dahlia Juarezii_) om de gloeiend roode kleur en den fraaien vorm der groote bloem, in de eerste plaats in aanmerking komt. Ook de variëteiten met kleine bloempjes zijn voor dit doel zeer geschikt.
Men bedenke echter bij het planten wel, dat de _Dahlia's_, om werkelijk fraai te worden, een niet te zwaren en voedzamen grond noodig hebben. Ook in minder goeden grond groeien ze en bloeien ze wel, maar dan komen ze toch niet goed tot haar recht.--
Het bovenstaande bevat zeker opsomming genoeg voor ons bescheiden doel. Ik herinner nog eens dat de vaste of overblijvende planten een uitstekend materiaal leveren voor den tuin. Ze spruiten toch ieder voorjaar met nieuwe kracht uit den grond; men heeft er niets anders aan te doen dan wat zindelijkheid en orde vorderen; ze kosten zeer weinig geld, en leveren de meest gewenschte verscheidenheid in groeiwijze, blad en bloei.
Die zich weinig met zijn tuin kan of wil bezig houden, doet wijs dien, behalve met een enkelen boom en wat heesters, met vaste planten te bezetten. Hij zal dan wel is waar die jaarlijksche afwisseling missen, welke er op andere wijzen aan is te geven, maar zijn tuin behoeft er den geheelen zomer door niets minder fraai om te zijn.
Een overgang van de overblijvende tot de éénjarige zijn de tweejarige planten, die men gevoegelijk reeds onder de zaadplanten (die namelijk, welke alleen door de zaden kunnen vermenigvuldigd worden) kan rangschikken.
Ze leven niet veel langer dan een jaar, maar dit is over twee jaren van onze tijdrekening verdeeld. 't Komt omdat ze in haar ontwikkeling een periode van rust noodig hebben, die ze in den winter vinden.
Deze worden in den voorzomer gezaaid (men kan het ook nog wat later doen) en blijven dan, nadat ze opgekomen zijn, laag bij den grond, zonder te bloeien. In de volgende lente echter schieten ze spoedig krachtig op, en de geheele groei is nu naar het bloeien gericht. Is de bloei voorbij, dan rijpen de zaden en de plant sterft. Slechts enkelen, zooals b.v. de Stokrozen en de Duizendschoon, kunnen het nog een of een paar jaren langer volhouden, maar het mooie is er toch ook bij dezen na dien eersten bloei af. Men doet daarom beter ze maar op te ruimen. Overigens kan men, door ze jaarlijks te zaaien, ze ook jaarlijks op haar fraaist hebben, natuurlijk in afwisselende generaties.
Ik noemde daar reeds terloops de Stokrozen en de Duizendschoon; ofschoon de eersten niet in ieders smaak vallen, kan men toch zeggen dat beiden van ouds geliefde tuinplanten zijn. Ook het driekleurige Viooltje moet tot de tweejarige planten gerekend worden, en dat mag in geen tuin ontbreken. Zelfs al kende men er niet anders van dan de wilde, kleinbloemige, die de duinen tot sieraad strekt, zou dit het geval zijn, en hoever staat deze in kleurenpracht en grootte der bloem bij de gekweekten achter. Men zaait ze in Augustus, ook nog iets later op een verloren hoekje. Vóór den winter of vroeg in 't voorjaar kan men ze dan planten waar men ze 't liefste ziet, en dikwijls beginnen ze reeds in Maart, zoo niet nog vroeger, te bloeien. Voor kleine tuinen zijn ze onmisbaar en doorgaans kan men ze op de voorjaarsbloemmarkten in menigte, met half en heel geopende bloemen verkrijgen.
Van de tweejarige en wel absoluut tweejarige planten wil ik nog de Judaspenning (_Lunaria biennis_) noemen, een mooie plant, met een leelijken naam. Deze zaait men het beste op een rij, vóór langs heestergewas, een Centimeter of tien van het gras af. Men steekt dan in den vooraf goed losgemaakten grond gaten van 4 c.M. diepte ongeveer 25 c.M. van elkaar, en werpt in elk gat twee zaadkorrels, die plat en vrij groot zijn. Deze zaadplanten vormen in dien zomer rosetten van hartvormige bladeren, maar de stengels groeien niet verder op. In Aprildaaraanvolgende begint er echter krachtige groei in te komen; ze ontwikkelen zich dan spoedig tot 80 c.M. of een Meter hoogte, en vormen groote pluimen van fraai paarse bloemen. Op eenigen afstand gezien maakt dan zulk een rij vóór de groene heesters een zeer fraai effect, zoodat men ze dáár moet zaaien, waar men er uit het huis gezicht op heeft. Wanneer men, als ze uitgebloeid zijn, ééne plant laat staan voor de zaden, krijgt men daarvan overvloedig genoeg.
Deze plant heeft nog de eigenaardigheid van schoon te zijn ook na den dood. De groote, platte, eenigszins ovale vruchten, ter grootte van een gulden ongeveer, bevatten in het midden een zilverglanzig vlies. Wanneer ze volkomen rijp en goed gedroogd zijn, vallen er de beide buitenste oppervlakten af en dat vlies blijft zitten. Dan maakt die groote pluim een heel andere, maar ongetwijfeld een zeer fraaie vertooning, en is uitnemend geschikt voor winterbouquetten, hetzij op zich zelf alleen, hetzij met gedroogde grassen. Wil men ze daarvoor bestemmen, dan moet men ze natuurlijk niet afsnijden voordat ze geheel rijp zijn, d. w. z. voor dat de stengel dor en de plant kennelijk dood is.
Staan we nu even stil bij de
Éénjarige of Zaadplanten.
Dit zijn namelijk die, welke een zeer beperkt leven hebben, de helft korter dan de tweejarigen; immers haar geheele levensverloop ligt binnen een half jaar, meestal slechts een maand of vijf. In Mei gezaaid, houden de meesten het niet langer dan tot half October vol, en er zijn er die het nog vroeger opgeven; het hangt er maar van af of ze spoedig bloeien en het zaad snel rijpt, want daarna sterven zij.
Voor de tuinen zijn ze onmisbaar, inzonderheid om de groote verscheidenheid die zij opleveren, in een rijkdom van de fraaiste bloemgewassen; ook omdat men ze in korten tijd in grooten getale kan aankweeken.
Het is met dit al voor den eigenaar van een kleinen tuin niet raadzaam er veel aan te doen, wijl dan de tuin in den nazomer te open en ijl wordt, en het in het voorjaar te lang duurt eer men ontwikkeling ziet. Het beste is den tuin met heesters en vaste planten geheel te bezetten, maar, bij het plaatsen dezer laatsten het zoo aan te leggen, dat er hier en daar nog een zonnig en vrij plekje overblijft. Aan den indruk van het geheel schaadt dit in de lente en den voorzomer niet, en langzamerhand ziet men er dan verandering in komen.
Moet men in een kleinen tuin niet te veel aan zaadplanten doen, men hoede zich ook voor het tegenovergestelde uiterste, door ze geheel achterwege te laten. Zelfs en vooral onder de meest gewone en langst bekende soorten toch is zeer veel schoons, dat men met luttel moeite en kosten kan hebben, terwijl de tuin al erg overvuld zou moeten zijn, als er niet hier en daar een plekje voor zou te vinden zijn, men zou zich dan letterlijk van een groot genot berooven, door zich de kleine moeite, die zij vorderen, er niet voor te getroosten.
Er zijn veel zaadplanten, die niet goed direct buiten kunnen gezaaid worden, wijl ze dan niet of slecht of te laat opkomen. Men zaait die dan in potten onder een liggend raam. Voor kleine tuinen kan men ze best ontberen; er is overvloed van die, welke deze bijzondere zorg niet behoeven, en als men met zulk werk niet een weinig vertrouwd is, komt het licht verkeerd uit. Ik spreek hier dus alleen van die, welke men slechts in den kouden grond heeft uit te zaaien.
Maar nu is het natuurlijk niet onverschillig hoe men dit doet, en, als men bedenkt hoezeer de zaden onderling in grootte verschillen, begrijpt men ook wel dat ze niet allen op dezelfde wijze gezaaid moeten worden.
Men heeft hierbij te letten op de grootte der zaden en, in verband hiermede, ook een weinig op den grond.
In een zaadkorrel is een kiem, d. w. z. een jonge plant in onontwikkelden toestand besloten. Zijn de zaden nu zeer groot, dan mag men aannemen dat ook de kiem betrekkelijk groot en krachtig, zijn ze klein, dat deze ook zeer klein en zwak is. Legt men deze laatsten nu te diep in den grond, dan mist die kleine kiem de kracht om zich daardoor heen te worstelen, en verstikt in de aarde, in plaats van daaruit te voorschijn te komen; legt men daarentegen groote zaden niet diep genoeg daarin, dan worden ze in de bovenlaag niet genoeg doorweekt om het water in genoegzame hoeveelheid door de meestal zeer harde huid tot de kiem te doen doordringen, en ze blijven rustig liggen, tot eindelijk voortdurend regenachtig weer het ontkiemen mogelijk maakt.
Hieruit volgt dus vanzelf, dat groote zaden veel dieper moeten gezaaid of gelegd worden dan kleine, en dat men met zeer fijn zaad in dit opzicht bijzonder op zijn hoede moet zijn.
Onder de bloemzaden worden veel meer fijne dan groote aangetroffen en grooter dan een erwt zijn ze al niet. De grootsten nu legt men elk afzonderlijk, enkele Centimeters van elkaar af, ter diepte van 4-6 c.M.; zijn ze wat kleiner, dan wat minder diep en zijn ze nog wat kleiner, b. v. als de knop eener bakerspeld, dan mogen ze maar ½ Centimeter diep onder den grond liggen.
Dit in aanmerking nemende, begrijpt men vanzelve reeds, dat inzonderheid fijne zaden niet in te zwaren grond moeten gezaaid worden, wijl deze aan de oppervlakte bij droog weer te vast is en, daar hij niet zoo goed als lichter grond kan verkruimeld worden, uit kleine harde kluitjes bestaat, waaronder de kiemende zaden verstikken.
Zware grond is trouwens over het algemeen voor zaadplanten ongeschikt, al zijn er, die zich daarin vrij goed ontwikkelen, zooals bv. de Zonnebloem en andere grofzadigen.
Wat nu tijd en wijze van zaaien betreft, zie hier nog daaromtrent een paar korte opmerkingen.
Men zaaie buiten vooral niet te vroeg. Hoe uitlokkend hiertoe soms het weer in April kan zijn, stelle men het gerust tot in Mei uit. Is de lente aanvankelijk ook zacht, ze kan later zeer koud wezen en is dit hier ook veelal. Vele zaden ontkiemen, bij gunstig weer, na een dag of acht, en volgt er dan kou, nachtvorst soms, dan loopen de kiemplantjes gevaar van verloren te gaan. Heeft het weer tegen het laatst van April een standvastig lentekarakter aangenomen, dan kan men er werk van maken, anders doet men beter het tot in Mei, kan het niet anders dan zelfs tot half-Mei uit te stellen.
Het beste is dit te doen nadat de grond door den regen goed bevochtigd is.
Natuurlijk heeft men vooraf den grond, waar men wil zaaien, goed losgemaakt en met een hark zoo fijn mogelijk verkruimeld. Voor grootere zaden komt dit laatste er niet erg op aan, des te meer voor kleinere. Nu duwt men met de hand over een oppervlakte van een vierk. halven Meter de bovenlaag wat op zij', en strooit het zaad gelijkmatig en vooral niet te dicht uit, waarna men er de op zij geschoven aarde over heen strooit, tegelijk de kluitjes zooveel mogelijk fijn wrijvende.
Is het zaad stoffijn, dan strooit men het boven op den vooraf wat omgeroerden en gelijk gemaakten grond uit en roert het een weinig door de bovenste laag heen.
Wil men een geheel perkje of een grootere oppervlakte met ééne soort bezaaien, dan spitte men den grond even te voren om, harke dien fijn en gelijk, waarna men er het zaad gelijkmatig en niet te dicht over uitstrooit. Dit gedaan zijnde, roert men het met de hark luchtig door de bovenlaag, waarbij men er op moet letten de hark met de linkerhand op te houden, zoodat die niet op de aarde rust, anders dringen te tanden te diep in den grond en zal dit ook met vele zaden het geval zijn.
In kleine tuinen echter zal dit weinig voorkomen, omdat de daarvoor geschikte perkjes te gering in aantal zijn. Het komt echter veel voor, dat men b. v. wel gaarne een perkje van een Meter voor _Reseda_ wil bestemmen, en dan doe men dit als boven werd opgegeven.
Als algemeene regel, waarop geen uitzonderingen zijn, geldt dat éénjarige gewassen zoo vrij en licht mogelijk moeten staan. Beschaduwde plekjes deugen er volstrekt niet voor. Die kan men trouwens met enkele schaduwminnende vaste planten gemakkelijk genoeg bezetten, waarbij inzonderheid Varens in aanmerking komen. Te zaaien op plekken waar geen zon komt, baart slechts teleurstelling.
Na deze algemeene wenken wil ik nog even eenige van die zaadplanten vermelden, die voor een kleinen tuin geschikt zijn. Ik bepaal mij, dat wete men wèl, hier echter slechts tot enkelen uit de massa, tot die waarvan de zaden overal gemakkelijk en goedkoop te verkrijgen zijn; die, als men ze niet ál te ondoelmatig behandelt, niet mislukken, en door hare bloemen de weinige moeite die men zich ervoor moet getroosten ruim beloonen. Zij, die anderen of die er meer wenschen, hebben slechts een der tegen het voorjaar verschijnende zaden-catalogussen aan te vragen, waarin gewoonlijk, bij de namen, ook enkele toelichtingen omtrent de behandeling zijn gevoegd.
De Zonnebloem mag, omdat zij de grootste is, wel allereerst genoemd worden. Men moet er in een kleinen tuin slechts een paar hebben, en er dan op rekenen dat ze soms wel twee Meter hoog worden. Er is ook een Zonnebloem met groote dichtgevulde bloemen, beiden zijn, doelmatig geplaatst, fraaie planten. 't Is een zeer oude bekende, evenals de welriekende _Lathyrus_ (in verschillende kleuren), de Goudsbloem, de Afrikaan, de Oost-Indische Kers.
Is de Zonnebloem een kloeke plant, niet minder is dit het geval met de Kattestaart (_Amaranthus caudatus_); deze heeft echter kleine zaden, die nogal dicht opkomen. Wanneer men de plantjes goed kan vatten, moet men ze grootendeels uittrekken, en er niet meer dan vijf of zes laten staan.
Zeer geliefd zijn de Chineesche Anjers (eigenlijk overblijvende planten, maar die men toch het beste als éénjarigen behandelt), voorts de goudgele _Eschscholtzia_, de éénjarige Ridderspoor, de driekleurige _Convolvulus_, de _Clarkia's_, de _Collinsia's_, de tweekleurige _Calliopsis_, de Venusspiegel (_Campanula Speculum_), _Anagallis grandiflora_, _Phlox Drummondii_ in verschillende kleuren, de Nachtschoonen (_Mirabilis_), de _Godetia_, de lieve, de uiterst rijk bloeiende Kamillesoort als _Matricaria eximia_ met gevulde bloemen, verschillende Lupinen, inzonderheid de blauwe _Lupinus Cruikshanksii_, een paar Malowe's, als: _Malope grandiflora_ (rood en wit) en _Hibiscus Trionum_, een paar Papaver's, als: _Papaver umbrosum_ en _Papaver Danebrog_, terwijl ook de in de korenvelden als onkruid voorkomende _Papaver Rhoeas_, en hare gevulde variëteit wel in aanmerking mogen komen. Verder _Nemophila_, vooral de grootbloemige _N. maculata_, de lieve, rijk bloeiende _Sanvitalia procumbens_, waarvan de enkeldbloemige niet minder fraai is dan de dubbelde, de hangende Silene (_Silene pendula_), enz. enz.
Al de hier genoemden zijn zeer algemeen bekend, en men heeft den naam ervan slechts aan een zaadhandelaar op te geven, om zeker te zijn ze te verkrijgen.