Beknopte handleiding voor eigenaars van kleine tuinen
Chapter 4
Ik wil hiermede niets afdingen op de schoonheid dier overal gevonden heesters; ze zijn voor elken tuin onmisbaar. Maar men moet zich tot enkelen bepalen, en het zoo inrichten, dat men bijna evenveel soorten heeft als men heesters plant; daar men dan niet alleen verscheidenheid krijgt van bloem en blad, maar ook bloemen heeft in den zomer zoowel als in de lente; zeker een niet te versmaden voordeel, en waartoe men niets meer behoeft uit te geven.
Onder de voorjaars bloemheesters komen, vooral de Japansche Kwee (_Pyrus japonica_)[5] en de bloedroode Ribes (_Ribes sanguinea_) zeer in aanmerking, terwijl men voor Seringen zich niet moet bepalen tot de gewone en de zoogenaamde Fransche Sering, maar ook een paar der later gewonnen variëteiten moet kiezen, die door de grootte der bloempluimen en door de kleur der bloemen de gewone soort ver overtreffen.
[5] Ik gebruik in dit boekje alleen die namen, onder welke de bedoelde planten het meest algemeen bekend zijn. Latijnsche namen mogen hier m.i. alleen dán voorkomen, als ze onvermijdelijk zijn, en dan koos ik die welke elke kweeker kent.
Verder verdienen als bloemheesters aanbeveling de lage, witte _Deutzia gracilis_, zoo mede de hooger groeiende zeer fraaie _Deutzia_ met dubbele rose bloemen (_Deutzia crenata flore pleno_); voorts het Althæa-boompje (_Hibiscus syriacus_) in verschillende kleuren, met enkele en dubbele bloemen, verschillende _Spir[oe]a's_, verschillende _Weigelia's_, de groene en de bruinbladerige Zuurbes of _Berberis_. Heeft men een goeden zwarten, niet te drogen grond, dan vergete men vooral het Meloenboompje (_Calycantus floridus_) niet, dat met de bruine bloemen zulk een liefelijken, zachten geur verspreidt, maar in zware gronden niet voort wil. Behalve de gewone _Hortensia_ zijn er nog eenige andere, en in de eerste plaats de pluim-H. (_Hydrangea paniculata grandiflora_); ook de Pruikeboom (_Rhus Cotinus_) mag hier in aanmerking komen, niet om de schoonheid der bloemen, maar om het zeer eigenaardige effect dat deze heester tijdens den bloei maakt.
Zeer gewaardeerd om den fraaien bloei zijn ook de _Azalea's_, die een zwarten, zoo mogelijk veenachtigen, vochthoudenden grond beminnen. Vroeger kende men, als geschikt voor de tuinen, alleen de Pontische Azalea's (_A. pontica_), die in hare bloemen niet alleen veel kleurverscheidenheid bieden, maar ook een aangenamen geur. Ze zijn echter in den laatsten tijd wel wat verdrongen door de Japansche Azalea's (_A. mollis_). Deze hebben wel is waar reukelooze bloemen, maar die veel grooter zijn; bovendien groeien deze laag blijvende heesters bossiger, bloeien ze veel rijker en zijn ze minder gevoelig. Ook deze komen in vele kleuren voor. Ze zijn voor kleine tuinen als geknipt en een perkje met een tien- of twaalftal bezet geeft tijdens den bloei een zeer fraai gezicht.
Ik noem deze weinige namen alleen om den lezer een begrip te geven hoe hij het moet aanleggen om in dit opzicht verscheidenheid te verkrijgen. Die veel noodig heeft, zal verstandig handelen met een boomkweekerscatalogus te raadplegen, maar voor een kleinen tuin is de behoefte uit den aard der zaak niet groot.
De heesters zijn zeer geschikt ook ter beplanting van een geheel vak, zelfs al is dat vrij groot. Dit komt vooral te pas in het voorgedeelte van den tuin, waar men liefst gewassen heeft, die het gezicht op het meer naar achteren gelegen gedeelte niet belemmeren. Plant men nu in het groote vak A onzer schets een vruchtboom en voorts de daar straks bedoelde boom-heesters, dan ziet men daar na eenigen tijd tegen aan, en onderscheidt men slechts weinig van wat er achter is. Dit hangt natuurlijk geheel van verkiezing af. Men dient dan ook vooraf te weten wat men wil, om het er van 't begin af naar te kunnen inrichten, anders moet men telkens veranderen, dat noodelooze moeite en stoornis in de geregelde ontwikkeling veroorzaakt.
De heesters kan men gerust op kleiner onderlingen afstand plaatsen. Meer dan twee Meter ruimte is niet noodig, en met anderhalven Meter zijn ze in den regel ook tevreden. Toch ook vermijde men met de heesters een te dichte plaatsing, wijl daardoor het geheel een dicht bosch wordt, waarin men niets goed afzonderlijk onderscheidt. De heesters zelf ontwikkelen zich dan ook minder fraai en komen daardoor niet zoo goed tot hun recht.
Groenblijvende boomen en heesters.
Men kan een kleinen tuin zoo beplanten, dat hij winter en zomer frisch groen blijft. Het getal dier verschillende groenblijvende boomen en heesters is zóó groot, dat men, zelfs op een vrij uitgestrekte oppervlakte, daarin toch een gewenschte afwisseling kan brengen. Het blijft echter waar, dat de afwisseling, die men in den zomer daaraan kan geven door bloemen en sierplanten, op verre na zoo groot niet is, als die welke het plantsoen met afvallend blad geeft in zijn bladontluiking in 't voorjaar, zijn volle bladertooi in den zomer, zijn bladverkleuring in het najaar, en eindelijk in dien eigenaardigen toestand van winterrust, die zoo goed harmoniëert met ons klimaat.
Het is maar de vraag waaraan men de voorkeur geeft. Heeft men tegen de eenvormigheid het geheele jaar door geen bezwaar, dan is een tuin, geheel met groenblijvende gewassen bezet, bij goede keuze en goede verdeeling, zeker niet te verwerpen, en ik zag er nog onlangs een in 't midden van den winter, die een allerliefst gezicht opleverde.
Gewoonlijk echter wenscht men dit niet, en ik zou het dan ook niet onvoorwaardelijk durven aanbevelen; maar hoe men het ook aanlegt en hoe klein de tuin ook zij, enkele groenblijvende planten moet men er toch in hebben, niet alleen om ook in den winter daarin nog leven te zien, maar ook omdat ze in den zomer een gewenschte afwisseling geven.
De groenblijvende gewassen of sempervirenten zijn in hoofdzaak tweeërlei. Vooreerst die met gewone vlakke bladeren, alleen hierin van de andere heesters verschillende, dat ze de bladeren niet in 't najaar afwerpen, en die met smalle, dikwijls lange, priem- of naaldvormige bladeren, die algemeen als kegeldragende gewassen en beter nog als _Conifeeren_ ('t geen hetzelfde beteekent) bekend zijn.
Onder de eersten komen voor den tuin in de eerste plaats in aanmerking de genoeg bekende _Rhododendron's_, omdat zij tevens als bloemheesters tot die van den eersten rang behooren. Verbazend groot is het aantal verschillenden die tegenwoordig gekweekt worden, en die wel niet allen even goed, maar waarvan toch velen tegen onze winterkoude volkomen bestand zijn.
Evenals met de _Azalea's_, beplant men ook met de _Rhododendron's_ bij voorkeur een perkje, dat echter voor deze laatsten wat grooter genomen moet worden, terwijl ze mede een vochthoudenden humusgrond beminnen. Heeft men met zwaren grond te doen, dan is het zaak het perkje tot op een halven Meter diepte uit te graven en het met veenachtigen grond, die goed met ouden koemest vermengd is, te vullen. De fraaie heesters zijn die moeite wel waard.
Verder de mede algemeen bekende _Aucuba_, met hare groote, ovale, glimmende en fraai geel gevlekte bladeren. Deze voor de tuinen zoo goed geschikte heester is zoo min keurig op den grond als op de standplaats, zoodat men hem vrij wel overal kan gebruiken waar men wil. Men kweekt er velerlei, met geheel groene en met bijna geheel gele bladeren; hoe groener ze zijn, des te beter zijn ze tegen onze winterkoude bestand.
De Laurierkers (_Prunus Laurocerasus_) heeft ook fraaie, groote, glimmende bladeren en vormt een bossigen kloeken heester.
Vervolgens komt de Hulst in aanmerking; wordt hij voorzichtig verplant en is hij eenmaal goed aan den groei, elan mag hij met zijn stekelige bladeren onder de fraaiste groenblijvende gewassen gerekend worden. Dikwijls wordt hij echter misbruikt, en wordt dan ten laatste alles behalve fraai. De Hulst wil licht en lucht hebben aan alle zijden. Zijn dan de omstandigheden niet al te ongunstig, zoo ontwikkelt hij zich, zonder dat men er iets aan behoeft te doen, tot een fraaie, dichte pyramide. Plant men hem echter nabij een schutting of muur, dan wordt hij spoedig eenzijdig en gaat het mooie er af. De gewone groene en de bonte Hulst zijn voor kleine tuinen in gelijke mate aan te bevelen.
Het Buks- ook wel Palmboompje genoemd, omdat deze langzaam groeiende boom het palmhout van den handel levert, is almede voor kleine tuinen zeer geschikt. Laat men het geheel aan zichzelf over, dan groeit het op tot een grooten groenen kogel; veelal snoeit men het in den vorm eener pyramide, dat veel stijver is, maar beter aan sommiger smaak voldoet, en over den smaak valt niet te twisten. Ook kan men er zeer fraaie kroonboompjes van krijgen, die in het gras niet onaardig staan. Vooral in den winter doen zij zich zeer gezellig voor, en ruimte van beteekenis nemen ze niet in.
Men ziet dat deze rubriek talrijk genoeg is (ik noemde alleen de meest bekenden en die overal voor weinig geld te verkrijgen zijn), om de noodige afwisseling te verkrijgen.
* * * * *
Volgen de _Conifeeren_ of kegeldragende gewassen, een plantengroep die over de geheele aarde verspreid en dan ook zóó uitgebreid is, dat men er een bepaalde studie van moet maken om haar goed te kunnen overzien.
Maar zoo zwaar behoeft de eigenaar van een kleinen tuin het niet op te nemen. Hetzij hij er betrekkelijk velen, hetzij hij er weinigen wenscht, klein zal dit getal toch in elk geval blijven, en hij kan zich tot eenige fraaie der in alle kweekerijen in grooten getale gekweekte soorten bepalen.
Het beste en het fraaiste tevens groeien de _Conifeeren_ (ik gebruik hier dit woord gemakshalve, ook wijl het algemeen bekend is) in zandgrond. Zware grond is veel minder geschikt, en de meesten gaan er gestadig in achteruit. Die dus een tuin heeft in eene zandige streek, kan er op rekenen voor deze fraaie gewassen in de beste conditie te zijn. In zulk een tuin zou ik er dus een ruim gebruik van maken; in een tuin, waar de grond uit den aard zwaar en kleiig is, zou ik ze wel niet geheel achterwege laten, maar mij toch tot enkelen bepalen; immers wil men er daar genot van hebben, dan is het zaak een gat te graven van een kub. Meter, en dit tot op 25 cM. boven den grond met zandige aarde te vullen. Slechts zeer enkelen nemen zwaarderen grond voor lief; dit is b.v. met den gewonen Taxus (_Taxus baccata_) het geval, die voor elken tuin, waar geen gebrek aan frissche lucht en licht is, doelmatig kan geacht worden.
Ook met dezen fraaien boom handelt men verkeerd, wanneer men hem tegen een muur of schutting, of ook wel in een hoek plant. Hij is zeer taai en zal er dus blijven leven, maar het is er dan ook naar, en men moet al zeer weinig gezicht op plantenschoonheid hebben, om er op den duur mede tevreden te kunnen zijn. Staat de gewone _Taxus_ daarentegen volkomen vrij, en houdt men er een weinig de hand aan, dan behoort hij zonder twijfel tot de fraaisten van deze groep.
Er is niet veel kweekerskunst toe noodig om dezen boom tot een dichte pyramide te doen opgroeien, welke voor een kleinen tuin ongetwijfeld de verkieslijkste is. Het is in dat geval voldoende hem eens in de drie jaren, met het oog op den pyramidalen vorm, in te snijden. Die een zeer regelmatige pyramide wenschen doen dit jaarlijks, maar dan ziet er de boom te stijf, te dandy-achtig uit om mooi te zijn. De algemeene omtrek moet die eener pyramide zijn, maar overigens moet zijn groei zoo los en ongedwongen mogelijk wezen en mag hij daarom dus niet jaarlijks gestoord worden.
Niet minder fraai is een andere _Taxus_, dien men wel de pyramidale T. noemt, omdat hij van nature een tamelijk regelmatigen vorm aanneemt. Hij is dan ook bekend als _Taxus baccata pyramidalis_. Dit is een dichte boom, die niet groot wordt en aanvankelijk een zuilvormige gedaante heeft. Later wordt hij naar den top breeder, eindelijk veel breeder dan aan den voet, en heeft meer dan den vorm van een omgekeerde pyramide.
Er worden meerdere variëteiten van den gewonen _Taxus_ gekweekt, maar het is voor dit doel niet noodig er meer op te sommen, of het moest nog de bontbladerige zijn, die laag blijft en breed uitgroeit. De priemvormige bladeren van deze laatste hebben gele randen, hetgeen maakt dat de heester, zoowel op een afstand als nabij gezien, een sierlijk voorkomen heeft.
Naast den _Taxus_ komt zeker de gewone Levensboom of »Arbor vitae" (_Thuja occidentalis_) het eerst in aanmerking; deze is trouwens algemeen bekend, omdat men reeds van ouds de gewoonte had er heggen van te planten, waartoe hij zeer geschikt is, wijl hij goed onder 't mes kan gehouden worden, en welke heggen boven die van Beuken of Dorens dit voordeel hebben, dat ze 's winters en 's zomers even groen en dicht zijn.
Ook van deze soort kan men tegenwoordig variëteiten verkrijgen, die eigenlijk voor kleine tuinen de voorkeur verdienen, b. v. die welke men kent als Ellwanger's Levensboom (_Thuja Ellwangeriana_), zoo mede Vervaene's Levensboom (_Thuja Vervaeneana_). Terwijl de gewone L. lichtgroen is, heeft het fijne loof van den eerste der beide laatstgenoemden een blauwachtige tint, en is de laatste bij geel af.
Als de goudgele L. (_Thuja aurea_) kweekt men er een die zeer klein blijft, kogelvormig wordt en licht geelachtig groen is.
Dit is een der netste soorten om in een klein grasperkje te planten, maar ze is merkelijk gevoeliger voor koude winters dan de gewone; op een eenigszins beschutte plaats houdt ze het echter zeer goed uit.
De zoogenaamde Japansche Levensboom (_Thujopsis dolabrata_), zonder eenigen twijfel een der meest aanbevelenswaardige voor dit doel, ziet er heel anders uit. Deze heeft een rechten stam, die echter hier niet hoog wordt en vertakt zich naar alle richtingen zoo regelmatig, dat hij een fraaie spitse en van onder breede pyramide vormt, zonder dat men er iets aan behoeft te doen, of liever iets aan mag doen. De kleur is donker glanzend groen, en de dicht bebladerde twijgen zien er uit, als waren ze met een schubbenpantser overtrokken.
Men kan er ook een bontbladerige van krijgen, die sommigen mooi vinden; dit hangt alweer van den smaak af.
Onze gewone grove Den (_Pinus sylvestris_) moet in zulke tuinen niet geplant worden. Toch kan het zeer wel zijn, dat men een zoodanigen boom wenscht, omdat die met zijn stopnaaldachtige bladeren een eigenaardige afwisseling geeft. Welnu, er zijn veel soorten van Dennen, die datzelfde karakter hebben; maar over het algemeen zijn ze toch voor gewone tuinen ongeschikt. De Zee-Den wordt te groot en is slechts twijfelachtig tegen ons klimaat bestand. Hetzelfde kan--althans voor de meeste plaatsen in ons land--gezegd worden van den overigens zoo fraaien Weymouth-Den met zijne fijne zeegroene naalden. Het beste is nog de Zwitsersche Arve (_Pinus Cembra_); deze groeit langzaam, blijft goed gesloten en weerstaat de strengste koude.
Moet de gewone grove Den onvoorwaardelijk voor dit doel afgekeurd worden, anders is het met den gewonen fijnen Spar (_Abiës excelsa_), die zich in zandgronden, ja in zuiver zand, ongemeen schoon ontwikkelt, maar die voor kleine tuinen dan wel wat te veel ruimte inneemt. In zware gronden groeit hij slecht, en wordt hij schriel, terwijl de uiterste top dood gaat; waarmede de boom voor goed ontsierd is, daar hij, evenals zeer vele Coniferen, een zeer regelmatigen groei heeft. Hetzelfde is ook met den schoonen Zilverspar (_Abiës pectinata_) het geval. Daar men vooral voor kleine tuinen ruimte van keus heeft, doet men wijs ook deze twee er niet in op te nemen.
Maar van den gewonen fijnen Spar komen enkele dwergachtige variëteiten voor, waarmede juist het tegenovergestelde het geval is. Ik noem hier alleen den Dwerg-Spar (_Abiës excelsa pygmæa_), die niet meer dan een halven Meter hoog wordt, en daarbij zeer breed uitgroeit, waardoor dit boompje den vorm van een grooten, van boven afgeplatten kogel verkrijgt. Dit is er een die zeer goed is voor ons doel.
Onder de Sparren zijn meerdere bruikbaren, b. v. de zoo fraaie Spaansche Spar (_Abiës Pinsapo_), de Nordman's Spar (_Abiës Nordmanniana_) en de fijne Hemlock-Spar (_Abiës canadensis_), vooral aanbevelenswaardig om de bevallig met de toppen overhangende ranke takken.
Een zeer fraaie, dichte, donkergroene boom, die niet te groot wordt in de tuinen, is ook Lawson's Cipres, bij de kweekers algemeen bekend als _Cupressus Lawsoniana_, waarvan een aantal verscheidenheden gekweekt worden, zoodat men het beste doet er een te bestellen van gedrongen groei. In den laatsten winter (1890-91) is het wel is waar gebleken, dat ze voor onze strengste koude niet volkomen ongevoelig zijn, maar gewoonlijk lijden zij niets en deze boom is een sieraad voor den tuin.
Hetzelfde is het geval met eene soort, waarvan mij geen Hollandschen naam bekend is, maar die elk boomkweeker kent als _Retinispora filifera_[6]. Deze heeft lange fijne takken, die naar alle zijden bevallig overhangen, hetgeen toch niet belet dat ze een breeden, dichten heester vormt.
[6] Eigenlijk heeft deze een anderen Latijnschen naam; ik herhaal echter dat ik hier die namen gebruik, welke algemeen bekend zijn. Wat de Hollandsche namen van vele heesters en vooral van Coniferen betreft, deze worden weinig gebruikt; bij die welke genoeg bekend zijn voeg ik den Latijnschen niet, waar deze wèl genoemd is, zal het goed zijn dien bij bestelling op te geven.
Ik ga met deze opsomming niet verder voort, daar dan de keus alweer moeilijk zou worden. Uit de hier vermelde kan men er voor een kleinen tuin reeds meer dan genoeg kiezen.
Men moet de Coniferen òf geheel op zichzelven, b. v. in een grasveldje, òf op een perk zoo wijd uiteen planten, dat ze elkander niet belemmeren.
Die aan deze gewassen de voorkeur geeft, zou er zeer goed het groote perk A voor kunnen bestemmen, zorg dragende ze op drie Meter van elkaar te plaatsen. Men moet ze ook onbelemmerd geheel kunnen zien, wat niet het geval is, wanneer ze dichter bijeen staan. Ook het perkje, door C aangeduid, zou voor een vijftal Coniferen geschikt zijn, waartusschen men dan aanvankelijk vaste planten (b. v. _Phlox_), waarover hieronder nader, kan planten. Een hoofdvoorwaarde is dat ze volkomen vrij, en zoo min onder den drop als in de schaduw staan. Een goed ontwikkelde, ofschoon niet groote Conifeer is zeer mooi; is die echter niet mooi, en het mooie gaat er onder ongunstige conditie spoedig af, dan ontsiert zij den tuin.
Plant men ze geheel op zich zelf, en is de grond zwaar en stijf, dan graaft men een flink gat, dat men met goeden, zandigen grond vult; beplant men er een geheel perk mede, dan verbetere men den grond daarvan in zijn geheel. Alleen voor _Taxus_ is dit, gelijk reeds opgemerkt werd, niet noodig.
't Is waar, daaraan is wat meer dan gewone moeite verbonden; dit is echter maar voor eens. Heeft men ze goed geplaatst en goed geplant, en heeft men soorten gekozen, die tegen ons klimaat kunnen, dan vormen zij, met enkele hierboven genoemde groenblijvende heesters met breede bladeren, met klimop tegen muren of schuttingen, een geheel, dat in den winter, in verband met de dan bladerlooze loofboomen, aan den tuin een aantrekkelijkheid geeft--wel te verstaan als men die ook dán zindelijk en schoon gehouden heeft--die alleen langs dezen weg, maar dan ook gemakkelijk en zeker te verkrijgen is.
III.
Bloemgewassen.
Bloemen zijn voor elken tuin onmisbaar; ze zijn er het ameublement van; maar zoo goed als men een kamer pronkerig en onhuiselijk kan maken door een slechte keus of ondoelmatige rangschikking van meubelen, even gemakkelijk kan men ook een tuin, een kleinen tuin vooral, bederven, door overlading met bloemen. Daar staat echter tegenover dat, zoowel als goed gekozen en geplaatste meubelen het gezellige karakter eener kamer, eener huiskamer inzonderheid, bepalen, dit in gelijke mate met de bloemen in een tuin het geval is. Men heeft behoefte aan het gezicht harer ontluiking en harer volle ontwikkeling; men heeft er ook behoefte aan voor velerlei doeleinden, die het huiselijke leven veraangenamen. Het gezicht, het genot van bloemen is voor den mensch veel onmisbaarder dan men vermoedt. Dáárom, en daarom vooral, mag hij het een voorrecht noemen, die een tuin tot zijn beschikking heeft, en, al is die ook maar zeer klein, een voorrecht blijft het in elk geval.
Wil men van dat voorrecht zooveel mogelijk genieten, dan richte men het er ook naar in. Kostbaar is zulks niet, behoeft het althans niet te zijn; men kan het zich kostbaar maken, maar men kan ook met luttel uitgaven hetzelfde doel even goed bereiken. 't Is daarbij maar de vraag of men tevreden is met het werkelijk schoone, dan wel of men alleen dát mooi vindt, wat door den wisselenden smaak tijdelijk het meest op den voorgrond wordt gesteld.
Er zijn drie uitgebreide rubrieken van planten, die voor allerlei tuinen overvloed van bloemen leveren; dit zijn de _overblijvende_ of _vaste planten_, de _éénjarige_ of _zaadplanten_, en die welke men algemeen _potgewassen_ noemt, omdat ze in potten worden opgekweekt, terwijl sommige gedurende de zomermaanden in den tuin in den open grond kunnen gehouden worden.
Overblijvende of vaste planten.
Hieronder verstaat men al die gewassen, welke winter en zomer door buiten verblijven, die echter geen houtachtige stengels hebben, zooals de boomen en heesters, maar kruidachtige (d. w. z. dat ze weeker en zachter zijn), omdat deze niet ouder worden dan eenige maanden. Immers, nadat ze in de lente uit den grond te voorschijn kwamen, soms in korten tijd een hoogte van 2 à 3 Meter bereikten, sterven ze in het najaar af, ook wanneer de vorst daar geen aanleiding toe geeft. Ze leven eenvoudig niet langer; ze zijn maar voor een zomer bestemd. Intusschen leeft de plant in den grond voort, om opnieuw te ontspruiten, wanneer het voorjaar haar tot nieuw leven opwekt.
Sommige doen dit reeds vroeg, zeer vroeg zelfs, en kondigen daardoor de lente reeds aan, wanneer die nog ver af is. Hiertoe behooren in de eerste plaats de Kerstroos, het Sneeuwklokje, de Vroegbloem (ook wel Winter-Akoniet genoemd); verder de Sleutelbloem of Primulaveer, de Crocus enz. Deze volgen elkaar geregeld op, en het zal wel noodeloos zijn te zeggen, dat het gezicht uit het huis op die eerste lenteboden, vooral wanneer deze hier en daar als toevallig door den tuin verspreid zijn, zeer opwekkend is.
Hiervoor zorge men dan ook in de eerste plaats. Boven merkte ik reeds op dat men wel zal doen enkele Sneeuwklokjes en Crocussen hier en daar in het gras te planten. Ze nemen er geen plaats weg, en komen daar het beste tot haar recht. Van de Vroegbloem of Winter-Akoniet plant men er enkele verspreid tusschen de heesters, waar men niets anders kan plaatsen; ze staan daar het beste naar haar zin. De Kerstroos, die in geen tuin moet ontbreken, plaatst men in het tegenover het Noorden gelegen rabat, Primulaveeren kan men hier en daar op verloren plekjes zetten. De eerstgenoemden moeten allen tegen het najaar geplant worden. Voor de Sleutelbloemen is dit ook wel verkieslijk, maar men kan die in 't voorjaar ook in knop op de markt koopen, waar ze dan voor een bagatel verkrijgbaar zijn.
Ik stond bij deze algemeen bekende voorjaarsbloemen meer bepaald even stil, omdat ze, zeker vreemd genoeg, in kleine tuinen al te zeer veronachtzaamd worden, en men dikwijls op het platteland moet komen, om op het lapje grond vóór een arbeiderswoning te zien hoe fraai en hoe dankbaar tevens zij zijn.