Beknopte handleiding voor eigenaars van kleine tuinen

Chapter 3

Chapter 34,048 wordsPublic domain

Men zij er hier vóór alles op bedacht, te zorgen dat lucht en licht zoo onbelemmerd mogelijk toegang tot den geheelen tuin hebbe. Behoudens een beschaduwd plekje, liefst zoo gelegen of ingericht, dat men er in den zomer bij helder, heet weer den geheelen dag kan zitten, moet een kleine tuin geen andere schaduw hebben dan die van den muur of schutting, waardoor de tuin aan de zuidzijde begrensd wordt, en die veelal reeds meer dan genoeg is. Al datgene toch, waarvan men zich voorstelt in den zomer genot te hebben, heeft zon noodig, tot zelfs de heestergewassen incluis, en voor die enkelen, die zooals men het noemt halve schaduw beminnen, is altijd wel een plaatsje te vinden.

Maar men behoeft dezen regel daarom niet in al zijn gestrengheid toe te passen. Een enkele mooie boom, midden in een tuin, die zelfs nog kleiner is dan de hierboven bedoelde, staat daar goed en fraai, en men kan in zijn lommer een zeer aangenaam, open zitplaatsje hebben. Wil men dit, dan richte men alles er van 't begin af naar in en neme b. v. voor dat communicatie-pad in plaats van 1½ een breedte van 5, minstens 4 Meter. Daar plante men dan een Kastanjeboom met niet te lagen stam. Hiertoe verdiend de dubbeldbloemige de voorkeur, omdat die langzamer groeit. Er zijn er, die dezen fraaien boom voor kleine tuinen ongeschikt achten, omdat hij, naar hun meening, niet »onder 't mes gehouden" kan worden. Dit is een dwaling; men kan dezen boom, als hij te machtig wordt, gerust inkorten; als men dat met overleg doet, zal hij goed uitgroeien en er een te dichtere kroon door krijgen. Van die mooie, neergebogen takken is dán natuurlijk geen sprake; wil men die, dan moet hij zich volkomen vrij kunnen ontwikkelen.

Een andere zeer fraaie boom voor dit doel is de Plataan. Deze groeit ook kloek, mogelijk wat minder overheerschend dan de Kastanjeboom, en kan zeer goed, naar gelang der omstandigheden, ingekort worden.

De Plataan is bovendien een zeer zuivere boom, met bladeren, die, hoewel van een geheel anderen vorm, toch zeker niet minder sierlijk zijn dan die van den Kastanjeboom[4], terwijl deze weer een zeker niet geringe aanbeveling heeft in zijn prachtigen lentebloei. Dit hangt dus van verkiezing af.

[4] Van den Kastanjeboom sprekende, bedoel ik natuurlijk de zoogenaamde Paardekastanje. De echte Kastanjeboom, die eetbare vruchten heeft, komt hier niet te pas.

Nu is het wel waar dat de Plataan in geen al te besten reuk staat, maar men heeft zijn schadelijke eigenschap zeer overdreven. Wanneer de bladeren in het voorjaar verschijnen, zijn ze met een viltachtig haarbekleedsel overtrokken. Die haartjes zijn zeer fijn en scherp en ze laten gemakkelijk van de bladoppervlakte los. Worden ze in eenigszins grooten getale ingeademd, dan kunnen ze een schadelijken invloed op de ademhalingswerktuigen uitoefenen, terwijl ze ook nadeelig kunnen zijn voor de oogen, als ze veel in de lucht omzwerven.--Dit alles zal wel zoo zijn, maar het zou mij toch niet weerhouden een Plataan midden in een kleinen tuin te planten, als ik in zoodanig geval verkeerde en ik liever geen Kastanjeboom koos; immers het Fransch spreekwoord »entre ces deux mon coeur balance" is hier wel van toepassing.

Dit donzige haarbekleedsel valt, zoodra de Plataanbladeren volkomen ontwikkelt zijn af, of wordt er door een flinke regenbui afgespoeld. De haartjes, die van éénen boom neervallen, beteekenen daarbij niet veel, daar ze zóó licht zijn, dat ze, zelfs bij stil weer, in de lucht wegdrijven zonder iemand eenig letsel te doen. Wil men de uiterste voorzichtigheid in acht nemen, welnu dan ga men niet onder dien boom zitten, voordat zijn bladeren volkomen glad zijn, dat wat vroeger of later het geval zal wezen, afhankelijk van de voorjaarsontwikkeling en van wind en regen, maar in geen geval zoo laat, dat men er eenig zomergenot door zal missen.

Men kan ook nog een boom planten midden in een der twee perken, in het vóór- of in het achtergedeelte van den tuin. Verkieslijk is dit echter niet, en beter is het zich bij één wezenlijken boom in den tuin zelven te bepalen. Wil men het echter doen, dan zou men best in het achterste perk een bruinen Beuk kunnen plaatsen, die door de bladkleur een aangename verscheidenheid oplevert. Meer vóór in den tuin plante men echter liefst geen enkelen boom meer. Die staat daar--b. v. midden in het grootste perk--zeker heel aardig in 't begin, en zal er de vier eerste jaren ook goed voldoen, maar daarna gaat hij er te veel heerschen, en, niet alleen dat hij dit met zijn takken doet in de lucht, maar hij doet het ook met zijn wortels in den grond. Dán zit men er mee. Daar hij vrij stond, ontwikkelde hij zich kloek en fraai, en men zou het zonde en jammer achten, zoo'n mooien boom op te ruimen. Met dit al wordt dit voornaamste gedeelte van den tuin ieder jaar donkerder en voor bloemen minder geschikt, terwijl het gezicht uit het huis door dien sta-in-den-weg, zoo mooi als hij is, zeer belemmerd wordt, en de tuin zijn vroolijk, zijn lachend karakter meer en meer verliest, naarmate de zon er minder haar helder licht over kan doen schijnen.

Maar, al drukte ik er op dat men verder in een kleinen tuin geen boomen meer moet planten, toch kan het geval zich licht voordoen, en dit zal veelal het geval wezen, dat men er nog enkelen noodig heeft, niet _in_ den eigenlijken tuin, maar aan een of meer zijner grenzen.

Heeft men b. v. een hoogen muur van een belendend huis tot achtergrond, dan plante men--wat sommigen hiertegen ook mogen aanvoeren--op kleinen afstand van den muur eenige Italiaansche Populieren, die spoedig vrij hoog opgroeien, geen wijd uitgespreide takken hebben, en dus den tuin daar niet donker maken. 't Is waar dat ze nogal veel voedsel uit den grond trekken, maar, ter wille hunner goede eigenschappen moet men de minder goede voor lief nemen. Plaatst men die op een rechte lijn, ½ Meter uit den muur en 1½ Meter van elkander, en plant men dan tegen den muur jonge Klimop-heesters, dan zullen deze laatsten in niet te langen tijd den muur van onderen bekleeden, terwijl de Populieren dien van boven bedekken. Zijn ze op de verlangde hoogte dan topt men ze in en herhaalt dit later als het blijkt noodig te zijn.

Is de achtergrond niet door een hoogen huismuur begrensd, maar door een schutting of scheidingsmuur, en ligt die aan de Noord- of Westzijde, dan kan men in de beide hoeken, een Meter of drie uit den hoek, een opgaanden boom planten, b. v. een paar Kastanjeboomen, als men er geen _in_ den tuin plantte, anders een Iep, die ook niet ál te langzaam groeit; een Noteboom is ook goed, en een Esch zou men mede kunnen gebruiken. Dit is al keus genoeg, immers de Plataan is reeds boven genoemd; dezen zie ik echter liever geheel vrij staan.

Veelal wil men zulk een hoekje gebruiken voor een priëel. Men kan er dan een Treur-Esch plaatsen, maar dan moet men dien niet gaan omplanten met jonge Iepen (Iepeveêren genoemd), gelijk men nogal eens in kleine tuinen wil doen. De Esch wil met zijn hangende takken vrij kunnen groeien, en niet door de toppen van die Iepen belemmerd worden. Wil men een priëeltje naar den ouden trant, dan plante men daar op 30 c.M. afstand een partij Iepeveêren in een kring van gewenschte wijdte, snijde ze op 1½ Meter hoogte in en binde ze aan latwerk. Zulk een priëel heeft echter weinig aanlokkelijks; men heeft weinig uitzicht en het doel dat men ermeê beoogt, een tochtvrij plekje, bereikt men er toch niet meê. Dan is een Treur-Esch beter, ofschoon mij een Kastanjeboom nog beter lijkt, daar de Treur-Esch wel eens al te dicht wil worden.

Ligt de achtergrens aan het Zuiden, dan mag daar volstrekt geen boom staan, tenzij de tuin diep genoeg is en zijn schaduw dus niet hindert. Ook aan het Oosten belemmere men de zon niet om in den vroegen morgen den tuin te beschijnen.

Ook kan een boom nog goed op zijn plaats staan in een uitspringenden hoek, wat nogal eens voorkomt, wanneer de tuin achterin merkbaar breeder is dan bij het huis, wijl hij zich daar achter een anderen tuin of huis uitstrekt. Is daar echter niet veel ruimte, dan doet men beter er een groep flinke heesters te plaatsen, waarover hieronder nader.

In een kleinen tuin zelf--d. w. z. in het middengedeelte--plante men overigens verder volstrekt geen opgaande boomen. Met heesters komt men al ver genoeg.

Over de wijze van planten kan ik hier natuurlijk niet uitvoerig zijn, daarom slechts enkele wenken, die geldend zijn voor het planten van alle houtachtige gewassen, en niet mogen veronachtzaamd worden.

Ik neem aan dat de wortels niet in de lucht hebben liggen uitdrogen, maar dat men de boomen of heesters na ontvangst heeft gekuild, anders legge men ze vooraf een paar uren in 't water, of, als daar geen gelegenheid voor is, giet men ze goed nat.

Daar de tuin geregeld omgewerkt is, maakt men een gat van minstens 20 cM. meer diameter dan de wortelkluit; is dit op de behoorlijke diepte, dan ziet men de wortels na; snijdt de gekneusden af en topt die, welke zeer lang zijn, wat in. Daarna plaatst men den boom in den kuil; een persoon houdt den stam goed recht, terwijl de andere wat fijn verkruimelde aarde op de kluit werpt. Door den boom, als hij niet te zwaar is, wat op en neer, heen en weer te bewegen, zakt de aarde tusschen de wortels in, en zoo gaat men voort, tot de kluit goed bedekt is. Nu laat men hem stil staan en giet een paar gieters water op de kluit, waardoor al de tusschen de wortels nog opengebleven ruimten met aarde volloopen. Het spreekt dus vanzelf dat de grond aanvankelijk niet mag aangetrapt worden, daar die dan niet tusschen de wortels kan spoelen.

Dit gedaan zijnde, gaat men tot de planting van een anderen boom of heester over; het water kan dan intusschen wegzakken en de grond gesloten worden, waardoor de boom gaat vaststaan, immers wanneer hij een voldoend wortelvermogen heeft.

Het is zeer verkieslijk er een paar uren overheen te laten gaan, alvorens het gat verder aan te vullen, want zoolang de aarde drassig is, kan men dien niet vast aantrappen. Dan vult men alles aan en trede het in de rondte goed vast.

Vreest men dat de boom scheef zal waaien, dan zet men hem met drie gespannen koorden of ijzerdraden, die aan in den grond geslagen paaltjes bevestigd zijn, vast. Een stok of paal moet men er nog niet bijzetten, opdat de boom met den grond gelijkmatig kan zakken. Doet men dit te vroeg, dan zakt wel de grond onder de wortelkluit in, maar gaat deze niet meê, omdat de boom aan den stok, die vaststaat, als opgehangen is. Hierdoor ontstaat een ledige ruimte onder de wortels, en men begrijpt zelve dat dit niet goed is.

Sommigen snijden de takken na of bij het verplanten vrij kort in, zeggende daardoor den boom te helpen. Men vergeet echter daarbij te bedenken--mogelijk ook weet men het niet--dat in de takken zeer veel voedsel opeengehoopt is, hetwelk in den vorigen zomer door de bladeren bereid, tusschen het hout en den bast als in reserve is gedeponeerd voor de aanstaande lente-ontwikkeling. Snijdt men nu veel takken weg, dan berooft men den boom van datgene, wat hem juist nu zoo goed te pas zou komen. Beter doet men dan ook met slechts enkele wilde takken te verwijderen en voorts den boom te laten wat hij is; met heesters, die rijker aan stengels en takken zijn, is dit wat anders. Is hij dan in den zomer aan den gang gegaan, zoo kan men hem zonder bezwaar in het volgende voorjaar insnijden, om een beteren vorm of een dichtere kroon te krijgen. Aan een geheel vrij staanden boom snijde men echter zoo weinig mogelijk, tenzij later, wanneer hij al te druk mocht worden.

Vruchtboomen.

Dat er in een kleinen tuin geen plaats is voor veel vruchtboomen ligt vóór de hand. Het zou eigenlijk de vraag zijn in hoeverre zulk een tuin al dan niet voor vruchtboomen geschikt is, en sommigen keuren het planten ervan daarin dan ook onvoorwaardelijk af.

Hiermede zullen echter maar zeer weinig eigenaars van kleine tuinen zich vereenigen, en, al ben ik er zelf ook geen groot voorstander van, kan ik toch niet ontkennen dat men gerust eenige verschillende vruchtboomen er in kan opnemen, zonder dat dit aan den indruk van het geheel schaadt.

Daar komt bij dat ze in het voorjaar, door hun milden en meestal fraaien bloei, ware sieraden kunnen genoemd worden. Een bloeiende Appelboom inzonderheid levert een hoogst sierlijk schouwspel op, en wanneer later de takken overal met de fraai rood gekleurde vruchten bezet zijn, is dit niet minder het geval.

Welnu, voor een hoogstammigen Appelboom is wel plaats te vinden, mits men dan een anderen boom minder plant. Men zou dien b.v. kunnen plaatsen aan het boveneinde van het groote perk A, op 1½ M. uit het pad; dan zal hij later met zijn kroon aan ééne zijde over het communicatiepad reiken en daar een schaduwplekje geven, dat niet hindert. Dit is beter dan hem in het midden daarvan te plaatsen, gelijk men allicht zou willen doen. In het begin gaat dit goed, maar na weinige jaren, als hij goed groeit, zal dan dat geheele middengedeelte voor iets anders onbruikbaar worden, en het terrein is niet groot genoeg om er niet zuinig mee te wezen. Plaatst men hem daar aan het einde, en bezet men het perk verder met lagere heesters, dan zal hij later daarvoor een goede achtergrond worden, en wordt zijn bloei, door het dan ontluikende teedere groen van deze laatsten nog fraaier.

Men zou hem ook kunnen plaatsen midden in het cirkelvormige vak, door C aangeduid, maar dan rekene men er op dat dit spoedig geheel aan hem opgeofferd moet worden, en men er alleen eenige schaduwminnende planten onder en omheen kan zetten.

Ik zal hier nu geen lange lijsten geven van de soorten die voor dit en andere doeleinden aanbeveling verdienen. Daardoor wordt de keus moeielijk, en zulke lijsten kan men in uitvoeriger tuinboeken vinden. In een geval als dit is het beter te zeggen wat men bestellen moet, dan wordt alle twijfel voorkomen.

Op den voorgrond staat dat men er een moet hebben met hoogen stam, wijl hij anders spoedig met de kroon te veel drukt op 't geen erbij staat. Daarom is het mogelijk goed den kweeker uit een drie- à viertal soorten zelf te laten kiezen, waarvan hij het beste een flinken hoogstam (niet in naam maar in de daad, want men noemt wel eens _hoog_stammen, wat werkelijk niet veel meer dan _half_stammen zijn) kan leveren, en dan verdienen de bekende _Princesse noble_, de _Engelsche Gold Pearmain_ en de _Peperappel_, die tot zeer laat in den winter kan bewaard worden, zeker goede aanbeveling.

Is de tuin niet zeer klein, dan zou ik, wat anderen er ook van zeggen, zeer geneigd zijn een _Gravensteiner_ te planten; deze groeit echter voor een kleinen tuin wel wat wild, maar zijn bloei is prachtig, en met zijn blozende vruchten maakt hij in den nazomer een fraai effect. Waar kinderen zijn, is hij echter verleidelijk, daar de fraaie vruchten nog al licht afvallen, en men dan vooruit weet hoe 't gaat.

Meer dan één Appelboom moet men echter niet nemen, wijl men dan aan de toch altijd wisselvallige kans op vruchten de altijd zeer gewenschte verscheidenheid opoffert.

Meer aanbeveling verdienen enkele Pereboomen, wijl die beter in piramidevorm kunnen gehouden worden en daardoor niet zooveel ruimte innemen. Ook zijn velen zeer op enkele fijne peren gesteld.

Het ronde perkje C biedt daartoe gelegenheid, en daar zullen er vijf kunnen staan, zonder dat ze elkaar of iets anders hinderen. De volgenden mogen met recht tot de keurige vruchten gerekend worden, die voor dit doel zeer geschikt zijn: _Beurré Clairgeau_, _Beurré de Mérode_, _William's Duchesse_, _Louise bonne d'Avranches_ en _Bergamotte d'Esperen_. Hier vooral is de keus zoo groot, dat het best is ons tot het opgegeven getal te bepalen. Meer dan een vijftal Pereboomen moet men in zulk een kleinen tuin niet plaatsen.

Ook van een muur of schutting, zoowel die tegen het Noorden als die tegen het Zuiden ligt, kan men voor vruchtboomen gebruik maken. De laatste, die op de zonzijde gelegen is, komt daarbij natuurlijk het meeste in aanmerking, wijl zoowel voor vruchtboomen als voor meest alle gewassen de zon als bron van leven en gezondheid te beschouwen is. Ofschoon men er ook waaiervormig gekweekte Pereboomen tegen kan plaatsen, geeft men toch, en terecht, algemeen aan Perzikboomen de voorkeur. Het beste is tegen zulk een muur of schutting vooraf hekwerk van tuinlatten te bevestigen, omdat de takken en twijgen daar 't gemakkelijkst aan vastgebonden kunnen worden. Zuinigheidshalve doet men 't ook wel aan spijkers, wat op verre na zoo doelmatig niet is. Men bepale, voor Perziken, zijn keus tot twee soorten, een vroege en een late, en neme voor de eerste de _Amsden-_, voor de laatste den _Montagne-Perzik_. Die een vrijstaanden Perzik wil planten, b.v. op de plaats, die wij daar straks voor een hoogstam-Appelboom bestemden, kan daartoe mede de vroege _Amsden_ gebruiken, die er zeer geschikt voor is. Het spreekt vanzelf dat men dan aan een boomkweeker bepaald moet opgeven wat men bedoelt: een lei- of een kroonboom.

Tegen den muur op tegenovergestelde ligging, die geen zon krijgt, kan men een Morelleboom planten, die daar goed op zijn plaats is.

Behalve voor dit doel, wordt de Morelleboom ook als kroonboom gekweekt, in welken vorm hij inzonderheid voor kleine tuinen zeer gezocht is; en inderdaad maakt zulk een niet wild groeiend kroonboompje, vooral tijdens den bloei en als de vruchten gekleurd zijn, een lief effect. Hier komt nog bij, dat men van de laatsten lang plezier heeft, daar zij er vrij lang aan kunnen blijven hangen.

Heeft men een hoogen muur, dien men gaarne spoedig door vruchtboomen wil bekleed zien, dan plaatst men in het midden een hoogstam-leiboom, die ook op zeer hooge stammen gekweekt worden, en, op eenigen afstand daarvan, ter weerszijden, een laagstam-leiboom. De eerste dekt dan den muur van boven, terwijl de laatsten dat van onderen doen. De reeds genoemde, delicieuse _Louise bonne d'Avranches_ is daarvoor zeer geschikt. Men denke er ook dán aan, den kweeker op te geven wát men verlangt en voor welk doel. Wanneer hij toch weet dat die beide leiboomen boven en onder elkaar moeten staan, kan hij er de hoogten naar kiezen.

Het hier medegedeelde over vruchtboomen is voor kleine tuinen zeker voldoende; in de meeste gevallen zelfs meer dan voldoende; waarbij ik nog meen te moeten opmerken, dat men bij de planting van vruchtboomen nog met wat meer zorgvuldigheid moet te werk gaan dan bij die van andere boomen. Vooral lette men er op dat de ondergrond los zij en het water goed kan doorlaten. Is die te vast of te zwaar, dan make men het gat dieper en werpe op den vooraf goed losgemaakten bodem een laag puin voor draineering. Vervolgens vermenge men de aarde met ouden stalmest, terwijl het goed is, mocht de grond zeer zwaar zijn, er ook wat wit zand bij te voegen. Goed vermengen daarvan is zeer noodig. Voorts binde men de boomen niet aan, voordat de grond weer gesloten is, en men dus mag aannemen dat zij niet meer zullen zakken.

Dat men b.v. tegen een muur ook een Moerbezieboom of een Wingerd kan planten spreekt vanzelve. Alles op te sommen wat men zoo al kán planten ligt echter niet in mijn plan; ik bepaal mij tot wat m. i. de voorkeur verdient; ook dan heeft men voor zulke kleine ruimten nog keus genoeg.

Heesters.

Ook de heesters behooren tot de boomachtige gewassen, maar vormen daarvan toch een goed onderscheiden, hoewel niet overal scherp begrensde rubriek. Onder boomen toch verstaat men die houtgewassen, welke met één stam recht opgroeien, en die zich pas een eind boven den grond vertakken, daar een min of meer breed uitgroeiende, regelmatige of onregelmatige kroon vormende. Bij de heesters is van zulk een kroon geen sprake, evenmin als van een hoofdstam, de oorsprong en drager van al de takken. Zij splitsen zich onder of vlak bij den grond in een grooter of kleiner aantal stammen van gelijke waarde, krijgen daardoor een bossig voorkomen en blijven laag, sommigen twee tot drie Meter, anderen nauwelijks een halven Meter of nog minder hoogte bereikende.

De kweeker onderscheidt nog een daartusschen liggenden toestand; hij spreekt dan van boom-heesters. Deze rubriek is echter geen zuiver natuurlijke, maar wijst veeleer op een bijzonderen cultuurvorm. Eigenlijk zijn dat boomen, maar die zich min of meer tot grootere heestervormen laten dwingen. Ook hebben ze wel degelijk een hoofdstam, en wanneer men er niet geregeld de hand aan houdt en ze laat verwilderen, verkrijgen ze het zuivere karakter der boomen. Hiertoe behooren b.v. ook verschillende Dorensoorten, ook Eschdoorns, enz. Voor kleine tuinen komen ze zeer goed te pas.

In die, welke wij ons thans voorstellen, is het groote park A er zeer goed voor geschikt, terwijl men er waarschijnlijk ook steeds enkelen in de zijrabatten zal kunnen plaatsen, maar natuurlijk niet daar, waar men een vruchtboom tegen den muur of de schutting heeft geplant.

Men zij echter vooral wat deze heesterachtig gekweekte boomen betreft, zeer op zijn hoede, ze niet te dicht bijeen te plaatsen, en houde ze minstens drie Meter van elkaar af. Wanneer de ontvangen exemplaren niet sterk zijn, staat dat aanvankelijk wel wat ijl, en dit is dan ook de reden waarom men zeer dikwijls te dicht plant, waardoor na eenige jaren het een het andere bederft. IJl of niet, ze _mogen_ niet dichter staan, en de open ruimte er tusschen is in den eersten tijd zeer goed met kleine groenblijvende heesters aan te vullen, of, wat nog beter is, men zet er vaste planten, Dahlia's of dergelijken neer.

Zij, die dit zeer goed weten, vullen die ruimten dikwijls aan met andere heesters, met het voornemen die dan later weg te nemen; maar daar komt meestal niets van, en dan is het middel nog erger dan de kwaal.

Onder die zoogenaamde boom-heesters komen enkele fraaie Eschdoorns voor; vooral neme men een roodbladerige. Ook enkele Lindeboomen en Iepen kunnen zoo gekweekt worden, waarbij de bruinbladerige Iep niet moet vergeten worden. Onder de aan den Meidoorn verwante soorten zijn er ook die hier mogen aanbevolen worden, hetzij om den rijken lentebloei, hetzij om de fraaie vruchtjes. De donker-roodbloemige is zeer fraai en blijft klein, en de Oostersche Doorn, die fraaie ingesneden bladeren heeft, prijkt in 't najaar met betrekkelijk groote vruchten, die reeds van verre in 't oog loopen. Ook de Tulpeboom laat zich zeer goed aldus kweeken, terwijl de bekende Goudenregen van nature tot deze reeks behoort.

Dit laatste kan mede gezegd worden van verscheidene prachtige _Magnolia's_, waarvan die, welke zeer vroeg in de lente bloeien voor dit doel het beste geschikt zijn. Zoo'n bloeiende _Magnolia_ maakt dan, vooral op een afstand gezien, een heerlijk effect; daarom plante men dezen vooral daar, waar hij uit het huis kan gezien worden.--

* * * * *

Heesters in meer eigenlijken zin zijn die planten met houtige stengels, die niet met één hoofdstam naar boven schieten, maar die bossig zijn en meestal laag, somwijlen zeer laag blijven.

Men kan het in een kleinen tuin dikwijls zonder boomen af, maar heestergewassen zijn daarvoor een onmisbaar bestanddeel.

Vooral langs de zijmuren of schuttingen zijn ze goed te gebruiken, terwijl in het middengedeelte altijd nog ruimten genoeg vrij blijven, zelfs al plantte men daar hooger en breeder uitgroeiende boomgewassen, die door een heester behoorlijk bezet kunnen worden, zonder dat men het overvol maakt.

Daar de keus hier zeer ruim is, kan men voor een gewenschte afwisseling zorgen en tevens grovere, die sterk groeien, en fijnere, die laag blijven, daar plaatsen, waar dit met de ruimte 't best overeenkomt.

Zeer verkeerd is het zich daarbij steeds te bepalen tot enkele meer algemeen bekende soorten, meenende dat andere te kostbaar zouden zijn. Dit laatste toch is in geenen deele het geval, en door den tuin op te vullen met Sneeuwballen, Boerenjasmijnen en Seringen, zal men wel op een gegeven oogenblik veel bloemen zien, maar op afwisseling zal men zeker niet kunnen roemen; en die eentonigheid loopt, wanneer de bloeitijd voorbij is, nog veel meer in 't oog.