Beknopte handleiding voor eigenaars van kleine tuinen
Chapter 1
Produced by Anna Tuinman, Eline Visser and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net
+----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. De voetnoten | | zijn hernummerd en naar het eind van de bijbehorende alinea | | verplaatst. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. Variaties in spelling (oa. ae/æ, i/y, cM./c.M., | | met/zonder afbreekstreepje) zijn behouden. | | De voorgestelde verbetering is vanwege blijvende | | onduidelijkheid niet doorgevoerd. | | | | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | | _cursief_. | | | | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. | | Deze zijn respectievelijk aangegeven als »aanhalingstekens". | | | | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit | | e-boek op http://www.gutenberg.org | | | +----------------------------------------------------------------+
BEKNOPTE HANDLEIDING VOOR EIGENAARS VAN KLEINE TUINEN,
DOOR
H. WITTE, Hortulanus van 's Rijks Akademietuin te Leiden.
[Decoratieve illustratie]
UTRECHT.--J. G. BROESE, 1891.
Snelpersdruk van H. C. A. THIEME, Nijmegen.
INHOUD.
Blz.
I. Hoe men een kleinen tuin maakt. Inleiding 1 De grond 3 Grondbewerking 7 De aanleg 11
II. Hoe men een kleinen tuin beplant 21 Het gras 21 Boomen en heesters 27 Opgaande boomen met afvallend blad 28 Vruchtboomen 34 Heesters 39 Groenblijvende boomen en heesters 44
III. Bloemgewassen 54 Overblijvende of vaste planten 55 Eénjarige of zaadplanten 64 Planten voor bloemperken 70 Gekleurdbladerige planten 86
IV. Het onderhoud van den tuin 93
V. De tuin als speelplaats voor kinderen 105
VERBETERING.
Op bladz. 17, 4_{e} regel v. o. staat 3 M.; dit moet zijn M.
I.
HOE MEN EEN KLEINEN TUIN MAAKT.
Inleiding.
Wanneer een tuinarchitect dit onder de oogen krijgt, zal hij het hierboven geplaatste opschrift wraken. Het woord »maken" is zeker te triviaal naar zijn zin, en geheel ongelijk heeft hij dan niet. »Aanleggen" is het gebruikelijke woord, maar toch spreek ik hier liever van een tuin maken, om goed te doen uitkomen wat met dit boekje eigenlijk mijne bedoeling is. Een tuin aanleggen doet een zaakkundige, hetzij hij zich architect of eenvoudig aanlegger noemt; een tuintje maken doet hij, die vreemd aan het tuinbouwvak is, die een lapje grond achter of bij zijn huis heeft, en alles wat daarin te doen valt zooveel mogelijk zelf bereddert, slechts nu en dan, in het najaar b. v. en in het voorjaar, mogelijk nog eens in den zomer, de hulp van een gewoon tuinman inroept.
Nu mogen sommigen die onderscheiding tusschen een tuintje maken en een tuin aanleggen gezocht noemen, ontkennen zal men niet, dat ik reeds daardoor doe blijken over welk soort van tuinen ik hier wil spreken, terwijl tevens het doel dat ik met dit boekje heb er duidelijk door wordt. Ik hecht er toch zeer aan dat men zich hierin niet vergist, wijl ik mij voorstel den inhoud geheel en al daarnaar in te richten, en men dus, het van een ander standpunt beschouwende, met die inrichting geen vrede zou kunnen hebben, haar terecht als al te oppervlakkig veroordeelende.
Ik wensch thans het woord te richten niet tot min of meer deskundigen, zelfs niet tot hen, die zich op de tuinaanlegkunst willen gaan toeleggen; dezen zullen beter doen een elementair boek over tuinarchitectuur ter hand te nemen; maar ik spreek tot iederen in dit vak volkomen onkundige, veronderstel daarbij niet de minste voorkennis, of het moest zijn die van eenige zeer algemeen bekende boomen of planten; ik wil hier antwoord geven op verschillende vragen, mij tallooze malen door stadbewoners uit den deftigen en minder deftigen stand gedaan, en wel zoo, dat, naar ik mij vlei, iedereen het zal kunnen begrijpen, en den raad, dien ik hem geef zal kunnen volgen.
Ik neem het woord _kleine_ tuinen hier dan ook in den letterlijken zin, en stel mij daarbij, als een van middelbare grootte uit deze rubriek, voor, een tuin die een oppervlakte heeft van 600 vierk. Meter, n.l. 15 Meter breedte, bij 40 Meter lengte. Van die afmeting toch zijn er zeer vele, mag dan ook al de ééne wat breeder en ondieper, de andere wat smaller en dieper, de ééne een honderd Meter grooter, de andere even zoo veel kleiner zijn. Ook leveren zij veel onderling verschil op in de begrenzing. In de nieuwere stadswijken toch zijn de meeste regelmatig, min of meer langwerpig vierkant; midden in de stad is dit veelal anders, en heeft het terrein een onregelmatig vlak, door het, meest in het achtergedeelte, vooruitspringen van een belendenden muur, schutting of huis. Weet men echter eenmaal hoe men een stuk grond, als bovenbedoeld is, tot een tuin moet maken, dan zal men in die gewijzigde gevallen daar ook wel meê terecht komen. Verder dan den op dit terrein geheel onbedrevene op den weg te helpen, ga ik met dit boekje niet; maar hier is het de meesten dan ook eigenlijk alleen om te doen.
Heeft men een grooteren tuin, en stelt men daaraan hoogere eischen dan een lief uitzicht en om in den zomer bloemen en frisch groen te geven, wil men daarin zooveel mogelijk de tuinbouw-æsthetiek tot haar recht laten komen, dan raadplege men een deskundige. Zelfs in een tuin van de bovengenoemde vierk. oppervlakte is dit, als bijkomende omstandigheden niet al te ongunstig zijn, zeer goed mogelijk, maar dáárvoor is veel vakkennis noodig; ja, het is veel gemakkelijker een terrein van de dubbele of driedubbele oppervlakte in te richten tot een tuin, die aan de strenge eischen van kunst en smaak beiden voldoet, dan een van zulke kleine afmetingen.--
De Grond.
Het eerste waarop men heeft te letten, is de gesteldheid van den grond. Men neme dit echter in gevallen als hier bedoeld worden, niet ál te zwaar op; het is toch voor een gewonen stadstuin volstrekt niet noodig den bodem scheikundig te onderzoeken. Gewoonlijk is die voor het doel goed genoeg; maar er doen zich toch ook gevallen voor, zoowel buiten als in de stad, dat de grond volstrekt niet deugt, en dan moet men daarin zooveel mogelijk trachten te voorzien.
Heeft men te doen met een terrein, dat vroeger bebouwd geweest is, en dat, na het opruimen van fundeeringen, enz., maar zoo wat is opgehoogd en aangevuld met hetgeen het gemakkelijkst en voordeeligst te verkrijgen was, dan zal dit, ja, wel aarde zijn, maar met allerlei onzuiverheden, vooral kalk en puin vermengd, terwijl er allicht plekken in voorkomen, die uit zuiver zand bestaan. Zulke toestanden zijn in de steden, achter nieuw gebouwde huizen, waar nog geen tuin was, ver van zeldzaam.
Is dit het geval, dan moet men noodzakelijk beginnen met de geheele oppervlakte tot op 70 à 80 cM. diepte regelmatig te doen omwerken, wat alleen een werkman kan doen, die met grondwerk vertrouwd is, waarbij dan alle grove onzuiverheden verwijderd worden, en het zand door den zwarten grond heen gewerkt wordt. Slinkt de grond daardoor te veel, zoodat men vreest dat de tuin te laag zal liggen, dan tracht men zwarten tuingrond tot aanvulling te verkrijgen, dat op de ééne plaats gemakkelijker zal gaan dan op de andere, maar waar een aannemer doorgaans wel weg op weet. Welke grond dit is, komt er zoo precies niet op aan, mits hij niet kleiachtig of te zwaar zij, want zware grond deugt allerminst voor een kleinen tuin.
Meestal echter heeft men in de steden te doen met kleine open grondvlakten achter, deels tusschen de huizen, die reeds sedert jaren tot tuin ingericht waren, en welker inrichting men om de een of andere reden wil veranderen. Dan mag de grond voor sommige planten te zeer uitgeput zijn, over 't algemeen is die toch goed genoeg, en komt het er slechts op aan dien plaatselijk te verbeteren.
Buiten de steden of geheel buiten kan men het slechter treffen. Het beste is hij er aan toe, die een stuk grond heeft, dat vroeger weiland was, en nog beter hij die een stuk gewezen bouwland tot zijn beschikking heeft. Toch kan het in beide gevallen gebeuren dat die grond voornamelijk uit zware klei bestaat, en zware grond, ik zeide het reeds, is voor een kleinen tuin het minste geschikt. Wel zullen verscheidene boomen en ook sommige heesters daar goed in groeien, maar met boomen heeft men in dit geval weinig te doen, terwijl de fijnere bloemheesters liever in een meer humusachtigen grond staan. Met bloemplanten eindelijk is het sukkelen vóór en na; velen willen in zwaren grond volstrekt niet groeien, en de weinigen, die het nog wèl doen, slagen alleen in matig vochtige zomers, en dan meestal nog veel minder goed dan in lichteren grond.
De klei- of kleiachtige grond is te vast, te gesloten, daarbij te koud voor teêre planten. Bij droog weer vormt zich aan de oppervlakte een harde koek, die wel is waar een sterk vochtverlies verhindert, maar waar de zachte planten met haar fijne wortels niet door kunnen dringen. Alles, wat met de wortels voornamelijk in de bovenlaag leeft, kwijnt daarin en, zoo het al niet bezwijkt, lijdt het een kommerlijk leven.
Heeft men dus met zulk een grond te doen, dan moet men dien vóór alles trachten te verbeteren. Dit zoeke men niet in bemesting, maar hierin, dat men den grond losser, minder samenklevend maakt, opdat de lucht er gemakkelijker kan indringen. Heeft men het daarheen geleid, dan doet de natuur de rest.
Dit doel kan men bereiken deels door vermenging met lossen tuingrond, maar daarmede alleen komt men er toch niet gemakkelijk. Daarom brenge men er, behalve tuingrond, wat zeer fijn uitziftsel van cokes in, benevens fijn wit zand; ook fijne turfmolm kan dienst doen. Met deze bijmengsels zij men, als de grond zeer zwaar is, niet zuinig, maar een hoofdzaak is het, dat ze goed met den zwaren grond vermengd worden, daar het er om te doen is dezen minder samenhangend te maken, zoodat alle kluiten bij het omwerken zooveel mogelijk verbrokkeld moeten worden. Dat dit geen werk is, 't welk men zelf kan verrichten, valt licht te begrijpen.
Dit vermengen met losmakende specie kan men in zoodanig geval gerust met eene eerste flinke bemesting gelijk stellen, zoodat men er in het eerste jaar verder niets van dien aard behoeft bij te brengen. Geheel zal men zijn doel dan nog niet bereiken, maar die gedeelten, welke later jaarlijks worden gespit, en dan af en toe matig kunnen bemest worden, zullen ook met ieder jaar beter worden. Men denke er dan echter aan, dat de koude koemest hier niet deugt, en men op zwaren grond liefst uitgebroeiden paardemest, die warmer en droger is, moet gebruiken. Heeft men niet anders dan koemest, dan gebruike men dien pas nadat hij minstens een jaar oud, liefst nog ouder, is.
Van heel wat beter conditie is hij, die voor dit doel over zandigen grond te beschikken heeft, waaronder gewoonlijk verstaan wordt zand met humus vermengd; gewoonlijk is dit in een zandstreek oude teelgrond. Heeft het zand daarin niet al te zeer de overhand, dan kan men er alles gerust laten gelijk het is.
Maar het komt ook voor dat men niets anders dan zand, bar zand, heeft. Ofschoon ik voor mij daar liever meê te doen heb dan met klei, omdat zand gemakkelijker tot goeden tuingrond te verwerken is, moet het toch als zoodanig onbruikbaar beschouwd worden. Wel zullen sommige heesters er in groeien, en zullen de meeste Coniferen[1] zich er zeer goed in ontwikkelen, maar voor de meeste planten is het zand alleen te schraal; het bevat te weinig humus en droogt nabij de oppervlakte te spoedig uit.
[1] Over deze groenblijvende gewassen wordt lager, in het hoofdstuk over »Boomen," nader gesproken.
Dit wordt door het vermengen met humusgrond of gewone zwarte tuinaarde verholpen, daar die grond niet alleen de noodige voedselstoffen bevat, maar inzonderheid ook door zijn eigenschap om vocht uit de lucht op te nemen en dit vast te houden.
Hier moet het bovendien niet als weelde beschouwd worden, reeds in het eerste jaar een goede hoeveelheid mest, en wel koemest, hetzij versch of oud, aan te brengen. Met inachtneming van deze maatregelen ga men gerust zijn gang, en men zal spoedig tot de ervaring komen, dat het zand op verre na zoo kwaad niet is als velen gelooven. Waar is het echter, dat men zulken grond goed moet onderhouden, wijl hij veel spoediger uitgeput geraakt dan een vastere. Intusschen zal hij met ieder jaar beter worden, als men er maar een weinig de hand aan houdt.
Treft men eindelijk zuiveren veengrond, dan vermenge men dien allereerst met een goede hoeveelheid wit zand. Veengrond op zichzelf is sponsachtig, komt meestal in lage streken voor, slurpt het grondwater gretig op en is dikwijls, door gebrekkige inwerking der lucht, zuur. Het zand maakt hem beter voor de toetreding der lucht toegankelijk, waardoor de organische bestanddeelen gemakkelijker en spoediger in voor de planten geschikt voedsel worden omgezet. Overigens is zulk een grond voor een kleinen tuin zeer geschikt, of althans met weinig moeite zeer geschikt te maken.
Grondbewerking.
Wanneer men bij zijn huis een tuin wil maken, zal een van tweeën het geval zijn: òf het terrein is geheel vlak, òf men heeft te doen met een stuk grond, dat reeds vroeger voor een tuin werd ingericht, maar dien men geheel wil veranderen en vernieuwen.
Het eerste wat men in beide gevallen te doen heeft, is den grond goed te doen omwerken en vlak leggen. Staat er nu niets op, dan is dit zeker heel eenvoudig; maar toch komt bij dit werk overleg te pas, en heeft men er voornamelijk op te letten, hoe het met den ondergrond gesteld is, wijl hiervan de diepte waarop men dien moet doen bewerken, zoowel als de wijze waarop dit moet geschieden, afhankelijk is.
Is de grond b. v. op een halven Meter diepte niet vast en daarbij zuiver, d. w. z. zitten er niet te veel steenen in, want die vindt men in elken grond in en bij bewoonde plaatsen, dan kan het voldoende geacht worden wanneer die tot op 50 cM. diepte (maar ook niet minder) goed omgewerkt wordt; is hij daar echter te vast of onzuiver, dan moet hij dieper, b. v. tot op 70 à 80 cM. bewerkt worden. Hiermede ga men vooral niet lichtvaardig te werk, daar de gezonde groei van veel wat men later wil planten niet alleen van den boven-, maar ook van den ondergrond tot op een zekere diepte, afhankelijk is.
Maar nu doet het geval zich menigmaal voor, dat de bovenlaag uit veel betere aarde bestaat dan daaronder. Die hierop niet let, kan met dat omwerken den grond voor vele tuinplanten totaal bederven, door den zwaarderen of met puin en kalkgruis vermengden ondergrond met de bovenlaag, die uit tuinaarde bestaat, te vermengen of genen boven te brengen en dezen te doen zinken. Een goed werkman zal daarop letten; maar er zijn er ook wie men dat uitdrukkelijk aan het verstand moet brengen, hen in zoodanig geval er op wijzende, dat het noodzakelijk is wel den ondergrond goed los te maken, maar de betere bovenlaag alleen te keeren, en die zorgvuldig boven te houden.
Intusschen is ook het omgekeerde niet zelden het geval, namelijk dat de grond op zekere diepte beter is of volkomen dezelfde blijft. Dan doet men wijzer den ondergrond boven te brengen, wijl men dan een versche, onbeteelde laag aan de oppervlakte verkrijgt, die, nadat de lucht er eenigen tijd op heeft ingewerkt, voor niet diep wortelende planten veel voedzamer is dan de oude laag.
Werd het stuk grond reeds vroeger als tuin aangelegd, maar verwaarloosd, verloopen of vergroeid en wil men dien goed vernieuwen, dan begint men met al wat er staat en dat niet mooi is te verwijderen. Hoe minder men daarvan bewaart, des te beter is het, want veelal is hetgeen er in staat, voor zoover het boomen en heesters betreft, niet veel bijzonders.
Inzonderheid zijn het boomen, die in zoodanig geval beletten er iets wezenlijk goeds van te maken. Staan er hoog opgegroeide boomen met uitgestrekte takken aan den kant, dan zijn ze, aan de Zuidzijde vooral, een beletsel voor een krachtigen en gezonden groei van wat men in den tuin plant, en juist dáár zien velen ze gaarne, omdat ze in den zomer een welkome schaduw geven. _Maar de tuin moet zonnig zijn_; een enkele beschaduwde plek is fraai, is noodig voor waar zomergenot; een beschaduwde tuin is echter een onding, vooral wanneer die--en van de zoodanigen spreken wij hier alleen--klein is. Aan de Noordzijde kan een enkele boom minder kwaad, ofschoon ik ze in zeer kleine tuinen niet wenschelijk acht, wijl ze meestal den grond te arm maken. Men ruime ze dus zonder zich lang te bedenken, behoudens een enkele aan de Noordzijde en geheel aan het einde van den tuin, op.
Niet zelden staan er oude vruchtboomen in, die men wel gaarne zou willen behouden. Dit is echter in de meeste gevallen glad verkeerd, daar ze maar zelden werkelijk mooi zijn, en, nog eens, al wat niet mooi is moet weg. Heeft men er echter een niet te grooten, goed gevormden Appelboom in staan, dan is het raadzaam dien te behouden, waarbij ik niet zoozeer aan de vruchten, maar meer bepaald aan den prachtigen voorjaarsbloei denk.
Misschien staat er nog een mooie, goed gevormde boom midden in, en wanneer die zoo geplaatst is, dat hij voor den nieuwen aanleg, die er licht wat naar gewijzigd kan worden, niet storend is, doet men wijs ook dien te behouden. Meer dan twee opgaande boomen mogen echter in de middenruimte van een tuin van kleine afmetingen niet staan; ze hinderen anders elkaar en bederven wat er omheen staat.
Van de heesters en andere overblijvende vaste planten zoekt men het wezenlijk _goede_ uit en neemt dit op, om het in een hoek te kuilen, gelijk men het noemt, d. i. eenvoudig met de wortels in den grond te leggen, om het later weer te planten.
Zoo maakt men dus ook dit stuk grond vlak, behoudens misschien een paar boomen, en kan het dus vierkant worden omgewerkt; in de onmiddellijke nabijheid dier boomen natuurlijk minder diep, om de wortels daarvan niet noodeloos te beschadigen.
Ik druk op dit alles, wijl men dikwijls geneigd is zooveel mogelijk van de aanwezige boomen en heesters rustig te laten staan. Dit is echter zeer verkeerd, daar het altijd tot half-werk leidt. Het terrein moet vrij wezen; dan kan men ermede doen wat men wil, terwijl men anders door het bestaande gewas gewoonlijk verhinderd wordt het zoo in te richten, als men gaarne zou wenschen. Het verplanten van de werkelijk goede heesters levert maar weinig bezwaar op, en doorgaans staan ze òf te dicht bijeen òf zijn ze slecht verdeeld. Neemt men ze op, dan kan men ze later planten waar men ze wil hebben, dat veel beter is.
Sommigen achten het noodeloos om den grond gelijkmatig te doen omwerken; immers, waar paden komen, meenen zij, is dit niet noodig.
Dit mag gelden voor groote terreinen; kleine tuinen moeten allereerst _in hun geheel_ vlak omgewerkt worden, en eerst dáárna komt de vraag te pas waar de paden zullen komen.
Doet men dit niet, en wil men hier en daar een bestaand voetpad rustig laten liggen, dan is dit eerstens zeer belemmerend voor een goede, geregelde grondbewerking, terwijl de paden later ongelijk zullen wegzakken en men er hoogten en laagten in krijgt.
Dat er bij die eerste grondbewerking geen sprake moet zijn van bemesting zal men denkelijk wel begrijpen; immers het zou dwaasheid zijn ook daar mest door den grond te werken, waar men later paden zal maken. Is bemesting noodig, en in de meeste gevallen is die wenschelijk, dan werke men later dáár mest door den grond, waar die wezenlijk nut zal doen; op de ééne plaats wat meer, op de andere wat minder, al naar hetgeen men er wil planten daaraan behoefte heeft. Hierop kom ik lager nog wel terug.
De aanleg.
Wij gaan dus nu van de veronderstelling uit, dat we een open, langwerpig stuk grond van 40 Meter lengte en 15 Meter breedte tot onze beschikking hebben, zijnde een stadstuin van tamelijke grootte, waarvan de grond vlak omgewerkt is, zoodat niets ons in onze beweging belemmert.
Daarvan gaan we een tuin maken, en ik hoop den lezer duidelijk te kunnen voorstellen hoe men dit doet.
De bijstaande figuur moge het begrip daarbij te hulp komen.
We richten dit in op de eenvoudigste wijze, die voor het begrip 't gemakkelijkst is, maar in elk geval zoo, dat, krijgt ge ook al geen park in miniatuur (vaak belachelijke resultaten eener poging om van zulk een klein stuk grond het onmogelijke te maken), ge toch uit het huis een lief gezicht, en, in den tuin, groen en bloemen, lucht en licht en voldoende afwisseling hebt, om dien vooral in den zomer tot een bron van aanhoudend genot te maken.
[Illustratie: Schets van een kleinen tuin.]
Ik zou U (ik spreek hier gemakshalve direct tot den lezer) kunnen zeggen hoe ge die verdeeling kunt maken op de plaats zelf, maar ik raad U de gewoonte van aanleggers te volgen, die, zelfs van den kleinsten tuin eerst een--zij het ook maar ruwe--schets op papier maken. Dit is veel verkieslijker, wijl ge dan een beter overzicht hebt, en op het papier gemakkelijker veranderingen kunt aanbrengen dan buiten. Zijt ge daar dan mee klaar, en het geeft voor eenige uren een aangename bezigheid, dan weet ge veel beter wat ge buiten moet doen, en hebt ge slechts op grooter schaal toe te passen, wat ge reeds op kleine schaal in orde bracht. Dit is veel eenvoudiger dan het mogelijk aan sommigen toeschijnt.
Neemt ge nu, wat voor zoo'n kleinen tuin heel goed gaat, voor elken Meter een Centimeter, d. i. maakt ge een schets op 1/100 der natuurlijke grootte, dan kunt ge alles heel gemakkelijk uit elkaar houden en is later het nameten niet moeielijk.
Begin dan met op een vel papier een langwerpig vierkant te teekenen van 40 c.M. lengte en 15 c.M. breedte, zoodat ge dit in de lengte voor U hebt. De onderste lijn van 15 c.M. is het huis, en, daar het steeds wenschelijk is tegen het huis wat ruimte te hebben, nemen we daarvoor 2 Meter.
Ge trekt dus, binnen het vierkant, op 2 c.M. afstand van de lijn die het huis voorstelt een tweede. Deze ruimte houdt ge vrij, hetzelfde of ge daar een straatje wenscht of er grint of schelpen strooit, mits ge maar zorgt dat de grond daar iets (zeer weinig) hooger ligt dan verderop, opdat er geen water kan blijven staan.
Wat ge nu voor den eigenlijken aanleg overhoudt, is 38 Meter lang.