Beknopte geschiedenis van het vaderland

Part 9

Chapter 93,621 wordsPublic domain

Weldra werd er een commissie uit de Staten-Generaal benoemd, ten overstaan waarvan de gevangenen werden verhoord, met uitzondering van Ledenberg, die zichzelf in de gevangenis had gedood. Tot dit uiterste was hij overgegaan in de hoop, dat men zijn bezittingen dan niet zoude verbeurd verklaren, hetgeen evenwel geschiedde. Op het voorloopig onderzoek volgde de benoeming van vier-en-twintig buitengewone rechters, twaalf uit Holland en twaalf uit de overige gewesten. Onder de vier-en-twintig was meer dan één bijzonder vijand van Oldenbarnevelt en menig tegenstander van zijn staatkundige denk- en handelwijze. De Staten-Generaal waarborgden de rechters tegen alle onaangenaamheden, die hun wegens de vervulling der taak, hun opgedragen, konden worden aangedaan. De maatstaf, waaraan alle woorden en daden der beschuldigden werden getoetst, was de zienswijze der tegenpartij. Een behoorlijke gelegenheid om zich te verdedigen werd den gevangenen niet gegund. Dat zij dienaren waren der staten van hun gewest en alzoo niet verantwoordelijk voor de besluiten van dit lichaam, kwam geenszins in aanmerking. Ten opzichte van Hogerbeets zagen de rechters nog bovendien dit over het hoofd, dat hij eerst sinds October 1617, als pensionaris, in dienst was van de vroedschap van Leiden en alzoo niet had medegewerkt tot het meerendeel der besluiten, om welke hij werd veroordeeld. Het vonnis luidde, dat Oldenbarnevelt zou worden onthoofd, de Groot en Hogerbeets levenslang gevangen gezet. Tevens werden hun goederen verbeurd verklaard.

Den 13den Mei 1619 werd Oldenbarnevelt in 't openbaar te 's Gravenhage onthoofd. Zóó viel een man, die langer dan veertig jaren het land trouw had gediend, eerst als pensionaris van Rotterdam, toen als advocaat van Holland. Met dit ambt bekleed, werd hij terstond het hoofd van de partij, die zich tegenover Leicester stelde. Onbeschrijfelijk was de verwarring, waarin zich 's lands zaken in die dagen bevonden. Oldenbarnevelt vestigde een geregeld bewind en bracht orde in den toestand der geldmiddelen. Hij stichtte, door zijn beleid, de Republiek, die Maurits tegen buitenlandsch geweld beschutte. Hij alleen werd geacht het bewind in handen te hebben. Aleer het vonnis geveld en 't hoofd van den advocaat gevallen was, had de Contra-Remonstrantsche partij ook in het kerkelijke met geweld de zegepraal behaald. Den 13den November 1618 werd _de nationale synode te Dordrecht_ geopend. De meerderheid der inheemsche leden waren Contra-Remonstranten. Uit Engeland, Zwitserland en vele staten van Duitschland kwam tal van godgeleerden, bijna allen vijandig gestemd tegen de Remonstranten. Van de Remonstranten verschenen slechts weinigen. Van den beginne aan werden zij niet als leden, maar als gedaagden behandeld. Den 6den Mei 1619 werden de gevoelens der Remonstranten in 't openbaar veroordeeld en de leeraars dier sekte afgezet. Later werden al degenen, die te Dordrecht waren geweest over de grenzen gezet, omdat zij weigerden _de akte van stilstand_ te teekenen, die hen verplichtte, zich van alle kerkelijke bedieningen te onthouden. Behalve de vervulling der rechterlijke taak, die de synode op zich had genomen, wijdde zij nog een deel harer zittingen aan het vaststellen van de voornaamste leerstukken der Nederlandsche hervormde kerk. Eindelijk nam zij het gewichtig besluit, den bijbel uit de grondtalen in de taal des lands over te zetten, een werk, dat in 1635 tot stand kwam. Het is bekend onder den naam _Staten-overzetting_, _Statenbijbel_.

§ 20.

_De hernieuwing van den oorlog na het bestand.--De oprichting der West-Indische compagnie.--De aanslag op het leven van Maurits en zijn dood._

Nadat Hogerbeets en de Groot met hun vonnis waren bekend gemaakt, werden zij in Juni 1619 naar het slot Loevestein (bij de samenvloeiing van Maas en Waal, in 't z.w. van Gelderland) overgebracht. Hogerbeets bleef hier tot Maurits' dood. Toen vergunde men hem, zijn verdere levensdagen onder toezicht te slijten in een buitenhuis nabij Wassenaar (niet ver van Leiden). Hugo de Groot wijdde zich op Loevestein aan de studiën en aan de vervaardiging van eenige dier werken, welke zijn naam onsterfelijk hebben gemaakt. Zoodra echter ~Maria van Reigersbergen~, zijn echtgenoote, die zijn gevangenis deelde, bijgestaan door zijn dienstmaagd Elsje van Houwingen, hem de gelegenheid verschafte, in Maart 1621 in een kist, schijnbaar met boeken gevuld, naar Gorinchem te ontvluchten, maakte de Groot er volvaardig gebruik van en begaf zich naar Frankrijk.

Het is licht te begrijpen, dat de macht van Maurits na den dood van Oldenbarnevelt zeer toenam. Nog rees zijn aanzien bij den dood zijns broeders Philips Willem, die in 1618 stierf en hem al zijn bezittingen, ook het prinsdom Oranje, naliet. Hoeveel Maurits' aanhangers thans vermochten, ondervonden bovenal de Remonstranten. Al degenen, die eenig ambt, hoe gering ook, bekleedden, werden afgezet. Tot ongeveer tweehonderd klom het getal hunner predikanten, die hun ontslag bekwamen en van welke vele, ten minste tachtig, het brood der ballingschap moesten gaan eten. Op aandrang van Maurits werden ook Oldenbarnevelts zonen van hun ambten ontzet. De oudste dier zonen heette ~Reinier van Groeneveld~ (nabij Wassenaar), de andere ~Willem van Stoutenburg~ (nabij Amersfoort).

Nog voordat het twaalfjarig bestand ten einde liep, overleed de stadhouder van Friesland, Groningen en Drente, Willem Lodewijk, 1620, en werd voor 't eerste gewest opgevolgd door zijn broeder ~Ernst Kas[)i]mir~ (1620-1632), terwijl de beide andere Maurits kozen. Het jaar van de hernieuwing der vijandelijkheden, 1621, werd gekenmerkt door een belangrijke gebeurtenis, door de oprichting der _West-Indische compagnie_. Den 3den Juni 1621 verleenden de Staten-Generaal een vergunning voor vier-en-twintig jaren aan de West-Indische compagnie. Het 1ste artikel kende aan de compagnie, met uitsluiting van iedereen, den alleenhandel toe op Afrika, van den kreeftskeerkring of 23-1/2 graad Noorderbreedte tot te Kaap de Goede Hoop, welke tot het gebied der Oost-Indische compagnie behoorde, alsmede op geheel Amerika. De eerste inleg was [f] 7,200,000. Er waren _vijf kamers_. Aan aandeelen had die van Amsterdam 4/9, die van Zeeland 2/9, die van de Maas, d. i. Rotterdam, die van Noord-Holland en die van Friesland met Groningen elke 1/9. Het getal der _bewindhebbers_ was _vier-en-zeventig_. Het uitvoerend bewind of _de generale vergadering_, uit die vier-en-zeventig gekozen, bestond uit 19 leden. De compagnie kreeg, als staat, dezelfde rechten als de Oost-Indische. Tot hetgeen de West-Indische compagnie, terstond bij haar oprichting, onder haar beheer kreeg, behoorde o. a. een landstreek in Noord-Amerika, n.l. _Nieuw-Nederland_, waarin later allengs de stad _Nieuw-Amsterdam_ ontstond.

Met het einde van het bestand werden in Europa de vijandelijkheden tusschen Nederland en Spanje hervat. In 't zelfde jaar, 1621, overleed Albert. Nu werd Isabella landvoogdes der Zuidelijke Nederlanden, die aan Spanje, waarover Philips IV regeerde, terugvielen. Zijzelve overleed in 1633. Veel voordeel leverde de oorlog voor de Republiek niet op. In 1625 veroverde Spin[)o]la Breda, terwijl de stadhouder in 't vorige jaar zijn aanslag op Antwerpen zag mislukken. Gaf de oorlog Maurits alzoo weinig stof tot vreugde, wat de binnenlandsche aangelegenheden betreft gebeurde er iets, hetwelk aanduidde, dat de rust, welke men sedert den staatsgreep van de jaren 1618 en 1619 genoot, niet uit algemeene tevredenheid voortsproot. In 1623 kwam het aan 't licht, dat Oldenbarnevelts jongste zoon met verscheidene Remonstranten en Roomsch-katholieken een samenzwering smeedde tegen het leven van den prins. Het voornemen was, hem in de nabijheid van zijn buitenverblijf, bij Rijswijk, te overvallen en te dooden. Het hoofd van den aanslag, de heer van Stoutenburg, vluchtte naar het Zuiden, nam dienst bij den vijand en vatte de wapenen op tegen zijn vaderland. Het getal van hen, die onthoofd werden, beliep vijftien. De aanzienlijkste was Reinier van Groenevelt, wiens moeder en gemalin Maurits tevergeefs om genade vroegen, hoewel zijn misdrijf alleen hierop neerkwam, dat hij zijn krediet had verleend tot het opnemen der benoodigde gelden.

Sedert geruimen tijd leed Maurits aan een ziekte, die zijn krachten meer en meer sloopte, totdat hij den 23sten April 1625 in den ouderdom van 58 jaren bezweek. Kort vóór zijn dood had hij, die nimmer getrouwd was geweest, zijn broeder Frederik Hendrik genoopt, een huwelijk aan te gaan met de gravin Amalia van Solms (ten n.o. van Maints), die in 't gevolg der koningin van Bohemen (_Overzicht_, 9de druk, blz. 130) in Holland was gekomen.

§ 21.

_Het stadhouderschap van Frederik Hendrik._

De binnenlandsche staatkunde, door prins Maurits en zijn aanhangers na den dood van Oldenbarnevelt gevolgd, gaf het aanzijn aan twee _staatspartijen_, _de stadhouderlijke_ en _de staatsgezinde_, die elkander voortdurend bestreden. Tot de ééne partij behoorden de regenten, die, hoezeer gestemd voor 't beginsel der souvereiniteit van de stedelijke raden en van de staten der gewesten, het stadhouderschap evenwel der prinsen uit het huis van Oranje-Nassau als een noodzakelijk bestanddeel van den regeeringsvorm aanmerkten. Zij vond vooral haren steun bij de volksmenigte. Tegen haar over stond de staatsgezinde partij, voortgekomen uit de afgezette regenten, die een bewind zonder stadhouder voorstonden, iets, waaraan Oldenbarnevelt nimmer had gedacht. De worsteling tusschen deze beide partijen heeft met wijziging der begrippen, naar de verandering der tijden, tot den val der Republiek voortgeduurd.

Onmiddellijk na den dood van Maurits benoemden Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland en Overijsel ~FREDERIK HENDRIK~ (1625-1647) tot stadhouder, terwijl de Staten-Generaal hem de waardigheid van kapitein-generaal en admiraal der unie opdroegen. In Groningen en in Drente verkoos men den stadhouder van Friesland (zie blz. 87). Door wederzijdsche toegeeflijkheid zocht Frederik Hendrik, tegen het drijven der heftige Contra-Remonstrantsche predikanten in, de partijen tot elkander te brengen. In dit pogen werd hij weldra ondersteund zoowel door andere stedelijke raden, als door de vroedschap van Amsterdam, waar men den Remonstranten vergunde, in 1630 een _seminarium_ of kweekschool ter opleiding hunner predikanten te stichten. Twee jaren daaraan verrees, volgens het besluit derzelfde vroedschap, _het athenaeum_ (eigenlijk: tempel van de godin Athene of Minerva) te Amsterdam.

Omtrent terzelfder tijd, in 1631, kwam Hugo de Groot zijn vaderland weder bezoeken, op den invloed rekenende van Frederik Hendrik, zijn vriend, die de richting der Remonstranten was toegedaan. Maar de prins wilde eensdeels ter wille van de Groot de verdeeldheid geen nieuw voedsel geven en achtte zich anderdeels verplicht, het eens geslagen vonnis te handhaven. Dus moest de balling zich in 't volgende jaar voor goed verwijderen. Twee jaren later, in 1634, werd hij tot gezant van Christ[=i]na, koningin van Zweden (_Overzicht_, 9de druk, blz. 149), aan 't Fransche hof benoemd. Hij overleed in 1645 op een reis uit Zweden naar Frankrijk te Rostock (in 't n. van Mecklenburg-Schwerin).

Bij het gemis van voldoende omschrijving der staatsmachten kwam ook bij Frederik Hendrik, in weerwil van zijn gematigdheid, van lieverlede de zucht op, een soort van alleenheerschappij uit te oefenen. Vandaar dat hij in elke provincie (zie beneden, blz. 93) een bijzonder persoon had, om zich van den staat van zaken nauwkeurig te laten onderrichten. Lang had hij weinig of geen tegenwerking te verduren. De raadpensionarissen, die Hollands staten gedurende Frederik Hendriks stadhouderschap achtereenvolgens ter zijde stonden, ~Antonie Duik~, ~Adriaan Pauw~ en ~Jakob Cats~, hadden uit het noodlottige einde van Oldenbarnevelt geleerd, dat de dienaar niet behoort te trachten, den heer voorbij te streven, of werden, zoodra zij eenige gezindheid hiertoe verrieden, ter zijde gezet. In alles, wat den oorlog betrof, evenaarde Frederik Hendrik zijn broeder, dien hij in zijn jeugd op meer dan één zijner veldtochten, b. v. bij Nieuwpoort, had vergezeld. Van zijn bekwaamheid in 't leveren van veldslagen heeft hij echter geen bewijzen gegeven, vermits het bij hem vaststond, dat er de Republiek meer aan gelegen was, door 't veroveren van sterke vestingen hare grenzen te dekken dan, in 't open veld oorlogende, veel geld en manschappen op te offeren. Hoezeer hij in de belegeringskunst uitmuntte, toonde hij door het nemen van Grol in 1627, en bovenal door de verovering van 's Hertogenbosch en van Maastricht. Die van 's Hertogenbosch staat in de geschiedenis van 't krijgswezen bekend als een meesterstuk.

Toen de prins in 1629 met de voorbereidende maatregelen gereed en met den aanval begonnen was, kwam een groot Spaansch leger tot ontzet opdagen. Doch ziende, dat de stadhouder onaantastbaar was, beproefde het een afleiding, door in de Republiek zelve een inval te doen. De inval geschiedde in de Veluwe en verbreidde wijd en zijd schrik in 't land. Tot overmaat van ramp voegden zich de troepen van den keizer van Duitschland bij de Spaansche. Intusschen liet Frederik Hendrik zich door niets aftrekken. Daarom spanden de Staten-Generaal al hun krachten in, om den vijand zoo goed mogelijk tegen te houden. De stadhouder van Friesland werd aan 't hoofd van een verdedigingsleger gesteld. Lang kon de vijand het in de schrale streek, waar hij was, niet uithouden, zonder gebrek aan levensmiddelen te krijgen. Een bijzondere gebeurtenis verhaastte zijn aftocht. Het was de aanslag op Wezel, dien een paar duizend man Nederlandsche troepen op een vroegen morgen in 't zelfde jaar, 1629, waagden en die uitnemend gelukte. Daar de vestingwerken der stad destijds open lagen en een deel der bezetting mede naar de Veluwe was getrokken, ontmoette men zoo goed als geen tegenstand, en binnen één uur was de stad in handen der Nederlanders. De uitwerking volgde dadelijk. De vijanden ontruimden het grondgebied der Republiek, en 's Hertogenbosch gaf zich bij verdrag over. In 1632 deed de stadhouder, vergezeld door Ernst Kasimir, een krijgstocht langs de Maas. Eerst dwong hij Venlo en Roermond zich over te geven, welke steden evenwel eenige jaren later door den vijand werden heroverd. Hierop voerde hij het leger voor Maastricht, dat hij na een langdurig beleg bij verdrag innam, in weerwil dat het wakker werd verdedigd en dat wederom een paar legers tot ontzet kwamen opdagen. De belegering van Roermond kwam Friesland duur te staan. Ernst Kas[)i]mir, die de onderneming bestuurde, werd er doodelijk getroffen, stierf binnen kort en kreeg zijn zoon ~Hendrik Kas[)i]mir~ (1632-1640) tot opvolger. Het verdrag, met Maastricht gesloten, bepaalde, dat de hervormde godsdienst er zou worden toegelaten en dat de bisschop van Luik, op wiens grondgebied de stad lag, er zijn oude voorrechten zou behouden.

Ook ter zee begon Nederland zijn strijdkrachten ten toon te spreiden. In 1630 vermeesterde de admiraal ~Loncq~ voor de West-Indische compagnie Olinda en het Recif (d. i. een in zee opschietenden klipbrug). Het Recif werd versterkt en bleef de hoofdplaats van Nederlands bezittingen in Brazilië. In 1628 bemachtigde ~Piet Hein~, vlootvoogd van dezelfde compagnie, in ~de baai van Matanzas~ (op de noordkust van het eiland Cuba, in West-Indië) de Spaansche zilvervloot. Zij viel zoo goed als zonder tegenweer in handen van de vloot der compagnie. Groot was de buit, dien men vond aan goud, zilver, paarlen, edelgesteenten en specerijen. Alleen de waarde der kostbaarheden werd op ruim 11-1/2 millioen geschat. De compagnie deed een uitdeeling van 50 ten honderd, wat de deelhebbers zeer verheugde. Het was een gelukkige tijd voor de West-Indische compagnie. In Brazilië breidde zij zich verder uit, zoodat zij weldra de streek bezat, gelegen tusschen de rivier St. Francisco en Rio Grande. Landvoogd van Nederlandsch Brazilië werd in 1636 graaf ~Johan Maurits~ van ~Nassau~, een kleinzoon van Willems broeder Jan. Eerst zijn bestuur gaf er het voorkomen aan eener geregelde volkplanting. Op uitbreiding van 't grondgebied had hij den blik voortdurend gericht. In 1639 werd b. v. St. Eustatius door de Nederlanders bezet. Maurits was het, die in 1637 St. George del Mina (St. Joris van de mijn, in Guin[=e]a, op de w.kust van Afrika) veroverde.

In 1640 hernam Portugal zijn zelfstandigheid (_Overzicht_, 9de druk, blz. 141). Johan Maurits, den strijd voorziende, dien Nederlands Brazilië weldra zou hebben te verduren, vroeg de compagnie om aanmerkelijke versterking der strijdkrachten. Zij, meenende dat dit te kostbaar was, riep in 1644 den landvoogd terug. Na zijn vertrek begon de achteruitgang dezer bezitting. De Portugeezen, die dáár onder 't bewind der compagnie waren, klaagden over onderdrukking en stonden op. Ofschoon er vrede tusschen de compagnie en Portugal scheen te bestaan, hielp dit rijk de oproerige onderdanen der compagnie en verloor zij hoe langer hoe meer grond in Brazilië. In 1654 ging het Recif met de weinige forten, die de maatschappij nog in dat land bezat, aan Portugal over. De oorlog, dien de Staten-Generaal Portugal verklaarden, deed niets herwinnen. En zoo werd het geschil in 1661 bij _den vrede te 's Gravenhage_, twee jaren daarna bekrachtigd, indiervoege uit den weg geruimd, dat Nederland tegen een afkoop van 4,000,000 _gouden crusado's_ (8,000,000 gl.) ten behoeve van Portugal afstand deed van Brazilië.

Zooals het gezag van Frederik Hendrik in allen opzichte groot was in de Republiek, zoo oefende hij ook een belangrijken invloed op haar buitenlandsche betrekkingen uit. Het werd gedurende zijn stadhouderschap de gewoonte, dat de stadhouder met een negental vertrouwelingen, leden der Staten-Generaal, uit ieder gewest één of meer, den draad der belangrijkste onderhandelingen in handen hield. Zelf was Frederik Hendrik, evenals zijn vader, gehecht aan Frankrijk. Hier zocht dus hij eveneens steun tegen Philips IV. Zoo werden er onderhandelingen met Frankrijk aangeknoopt. Richelieu, de leider der Fransche staatkunde, doorgrondde, welk gewicht Nederland in de schaal van Europa's statenstelsel zou kunnen leggen. Hij leende dus het oor aan de voorslagen, die het kabinet van 's Gravenhage deed, en sloot terzelfder tijd, als Frankrijk een werkdadig aandeel begon te nemen aan den dertigjarigen oorlog (_Overzicht_, 9de druk, blz. 132), met de Nederlanden _het aanvallend en verdedigend verbond_ van den 8sten Februari 1635. Dit bepaalde, dat de beide mogendheden zouden pogen, de Zuidelijke provinciën aan Spanje te onttrekken en haar hare zelfstandigheid terug te geven, of wel het land onder elkander te verdeelen.

Op die wijze smolt het laatste gedeelte van den tachtigjarigen oorlog ineen met den dertigjarigen. Al werd er, behalve dat Frederik Hendrik Breda heroverde, te land weinig gedaan, ter zee behaalden de Nederlanders in die dagen een zege, die onder de schitterende krijgsbedrijven een eerste plaats bekleedt. Philips IV rustte in 1639 een arm[=a]da uit, niet geheel ongelijk aan die van 1588. Zij bestond uit 67 schepen, waaronder 33 van de zwaarste soort, _galjoenen_ genoemd. Aan het hoofd der vloot stond ~Don Antonio d'Oquendo~, een uitstekend admiraal. Hem leverde, in weerwil van het verbod van Karel I, koning van Engeland, ~Maarten Harpertszoon Tromp~ met een vloot van ruim honderd, maar lichtere vaartuigen, den 21sten October, slag te ~Duins~ (een reede nabij Noord-Voorland, in 't z.o. van Engeland). De vijand, die liever den slag niet had geleverd, werd eenigszins onvoorbereid overvallen. Bovendien was de logheid van de zware bodems der Spanjaarden, zoozeer verschillende van de welbezeildheid der Nederlandsche schepen, een der hoofdoorzaken van het verderf hunner vloot. Een groot aantal hunner vaartuigen werd het offer der Nederlandsche branders, dertien waren uit Duins ontsnapt, en maar achttien bodems keerden naar Spanje terug. In 't kort, Tromp fnuikte voor goed Spanje's macht en verloor zelf slechts één schip.

Was Frederik Hendrik de hoofdontwerper geweest van het verdrag met Frankrijk, hij was ook de eerste of een der eersten hier te lande, die het gevaar van Frankrijks nabuurschap hoe langer hoe meer begon in te zien. Hij hield het gezegde voor waarheid, hetwelk weldra een der hoofdroersels werd van de buitenlandsche staatkunde der Republiek, dat het beter was, Frankrijk tot vriend dan tot nabuur te hebben. En naarmate hij de onheilen, die hieruit dreigden voor te komen, beter doorgrondde, werd hij des te meer afkeerig van dien staat en helde tot het sluiten van vrede met Spanje over. Zijn gezag was nog steeds groot, al had hij, hoe invloedrijk ook ter Staten-Generaal, dikwijls met verzet van Holland en Amsterdam te strijden. Het rees nog in 1640, toen hij stadhouder werd van Groningen en van Drente in plaats van Hendrik Kasimir, die aan een wonde, in den oorlog bekomen, stierf en slechts in Friesland door zijn broeder ~Willem Frederik~ (1640-1664) werd vervangen. Deze Willem Frederik trouwde in 1652 met Albertine Agnes, de tweede dochter van Frederik Hendrik. De eenige zoon, dien Hollands stadhouder had, heette Willem. Hij huwde in 1641 met ~Maria~, de oudste dochter van Karel I, koning van Engeland, of liever hij werd in dit jaar met haar verloofd, want omdat de beide jonge lieden nog te weinig jaren telden, werd het eigenlijke huwelijk eerst in 1644 voltrokken.

Aleer de vrede tot stand kwam, dien zoowel de meeste der oorlogvoerende mogendheden als de stadhouder wenschten, stierf Frederik Hendrik den 14den Maart 1647 in den ouderdom van 63 jaren. In hem ontviel der Republiek een man van groote gaven en bekwaamheden, die het gebouw van den staat, door zijn voorgangers opgetrokken, had voleindigd. Als staatsman was hij schrander, bedachtzaam en ondoorgrondelijk. In krijgskunst en dapperheid behoefde hij niet onder te doen voor zijn broeder Maurits en was een waardig tijdgenoot van Gustaaf Adolf. Over 't geheel was het tijdperk van zijn stadhouderschap de gouden eeuw der Republiek. Overal was veerkracht en bloei. De koophandel breidde zich verder en verder uit; volkplantingen ontloken en bloeiden meer en meer; de handwerken werden naarstig beoefend; de oorlog schonk lauweren; kunsten en wetenschappen eindelijk gaven licht en sieraad aan het geheel. Toch waren er ook donkere tinten in het tafereel op te merken. In vergelijking met den tijd, toen Oldenbarnevelt aan 't hoofd stond, werd de huishouding der Republiek minder goed bestuurd.

§ 22.

_De vrede van Munster.--Blik op den toestand des lands._

Reeds sedert 1641 en vroeger was er sprake van een vrede, die de rust zou teruggeven aan het door den dertig- en den tachtigjarigen oorlog zoozeer geschokte Europa. Het duurde tot April 1645, eer het congres werd geopend. De gezanten van Zweden en van de protestantsche rijksvorsten kwamen bijeen te _Osnabrück_, die der Roomsch-katholieke staten te _Munster_. In den beginne waren de Staten-Generaal van zins, in overeenstemming met het verbond van 1635, niet zonder Frankrijk vrede te sluiten. Maar van 't oogenblik af, dat Mazarin (_Overzicht_, 9de druk, blz. 144) den toeleg had geopenbaard, om Frankrijks heerschappij in het Noorden tot de grenzen der Republiek uit te breiden, achtte men zich dezerzijds gerechtigd, op zichzelf te handelen, te meer, vermits er sedert jaren geen spoor meer was van samenwerking tusschen de beide bondgenooten. In Nederland zelf waren Zeeland en Utrecht ertegen, dat men, buiten Frankrijk, vrede sloot. Desniettemin werd _de Westphaalsche vrede_ den 30sten Januari 1648 geteekend. De uitwisseling der wederzijdsche bekrachtigingen of _ratificatiën_ had te Munster plaats op den 15den Mei, hoewel Zeeland eerst den 30sten dier maand toetrad.