Beknopte geschiedenis van het vaderland

Part 8

Chapter 83,644 wordsPublic domain

In plaats van tijd te verspillen met onderhandelingen, die schenen tot niets te kunnen leiden, rustte de Republiek zich ten oorlog tegen de nieuwe beheerschers van de Zuidelijke Nederlanden, doorgaans _de aartshertogen_ geheeten. Men had een onderneming op het oog tegen Duinkerken, een nest van zeeroovers, waaruit de vijand den koophandel der Nederlanders gedurig bestookte. Maurits, hoewel ze vrij gewaagd achtende, voegde zich, doch met weerzin, naar den wensch der Staten-Generaal. Vergezeld van dit aanzienlijke college, scheepte hij zich in 't jaar 1600 met een leger van ongeveer 15,000 man in. Bij Nieuwpoort gekomen, vernam hij, dat de aartshertog met zijn leger, groot omtrent 12,000 man, in aantocht was. Dit viel tegen. Men had bij het muiten der Spaansche soldaten, die in langen tijd weder geen soldij hadden getrokken, erop gerekend, dat de vijand niet genoeg strijdkrachten had kunnen bijeenbrengen. Inmiddels was goede raad duur. Maurits begon op den morgen van den 2den Juli met de schepen, die leeftocht en krijgsbehoeften hadden overgevoerd, daar zij voor 't oogenblik van geen dienst konden zijn en gevaar liepen, door de bezetting van Nieuwpoort in brand te worden gestoken, in zee terug en naar Ostende te zenden. Hierop werden de beide legers bij ~Nieuwpoort~ (in West-Vlaanderen aan zee) slaags. Zon en wind waren in 't voordeel der Nederlanders. En tegen den avond neigde de kans van den strijd, die van weerszijden met hardnekkigheid werd gevoerd, geheelenal ten gunste van Maurits. Albert week, een menigte zijner manschappen als gesneuvelden en gevangen achterlatende.

Bedenkende, welk gevaar zij hadden geloopen, keerden de Nederlandsche troepen binnen kort naar het vaderland terug. Dit geschiedde evenwel niet, dan nadat er, ter zake van dit punt, een woordenwisseling had plaats gegrepen tusschen Maurits en eenige leden der Staten-Generaal, inzonderheid Oldenbarnevelt. Van dit oogenblik af bestond er een niet zeer goede verstandhouding tusschen de beide hoofdpersonen van den staat. In 1601 sloeg de vijand het beleg voor Ostende. De leiding der zaak nam weldra ~Ambrosius Spin[)o]la~ op zich, de man, die, met het opperbevel over de troepen van den aartshertog bekleed, bestemd was zich als een waardig tegenstander van Maurits te doen kennen. Na drie jaren met volharding tegenstand te hebben geboden, gaven de Staten-Generaal in 1604 de vesting over, die niets meer was dan een steenhoop. Sedert 1607 werd de oorlog te land voorloopig gestaakt. Doch terzelfder tijd begonnen de Nederlanders hun eerste lauweren te verwerven op het element, waarover zij eens, als de eerste der mogendheden, de heerschappij zouden voeren. In 1606 greep de roemrijke daad plaats van den vice-admiraal ~Reinier Klaassens~, die in de nabijheid van kaap ~St. Vincent~ (in 't z.w. van Portugal) met zijn schip in de lucht vloog, een eervollen dood boven een vernederende overgave kiezende. In 't volgende jaar behaalde ~Jakob van Heemskerk~ in ~de baai van Gibraltar~ een aanmerkelijke zege op de Spaansche vloot, waarbij hij wel zelf omkwam, doch zóó, dat de vijand zijn dood met een zwaar verlies moest boeten.

§ 18.

_Het twaalfjarig bestand.--De oprichting der Oost-Indische compagnie._

In 1603 overleed koningin Elizabeth. Haar opvolger, Jakob I, sloot een jaar later vrede met Spanje. Uit spijt hierover versperden de Staten-Generaal de Schelde voor de Engelsche schepen. Zóó bleven zij, als oorlogvoerende mogendheid, alleen staan tegenover Spanje en de Zuidelijke Nederlanden. De oorlog te land leverde in de eerste jaren der nieuwe eeuw geen bijzonder gunstige uitkomsten op. De ingezetenen zuchtten onder zulke zware belastingen, dat zij voor geen verhooging vatbaar waren. Wel was het nog waar, dat de oorlog den handel voedde; maar toch kostte die oorlog aanzienlijke sommen. In zes gewesten werd de behoefte aan vrede vrij algemeen erkend. Slechts eenige steden in Holland en de provincie Zeeland waren ertegen. De reden was niet ver te zoeken. Philips II had, ofschoon wel eens beslag leggende op de Nederlandsche schepen, die in de havens van Spanje en Portugal lagen, de vaart op zijn rijk over 't geheel oogluikend toegelaten, omdat hij de waren, welke die vaartuigen hem aanbrachten, niet konde ontberen. Anders deed Philips III. Nauwelijks den troon hebbende beklommen, verbood hij voor goed allen handel van Nederland op zijn staten. Dit versterkte de Nederlanders in hun plan om zelven naar de Indiën te varen, met welke tochten zij vóór 1598 niet meer dan een begin hadden gemaakt, gelijk beneden nader zal blijken. Deze tochten, zoo rijke winsten opleverende, vreesden die kooplieden thans, bij een vrede of bestand, te moeten staken.

Met klimmende bezorgdheid den achteruitgang der geldmiddelen gadeslaande, achtte Oldenbarnevelt het in 't belang van 't land, dat de oorlog ophield, die zooveel kostte. Ook Maurits was in den beginne niet tegen het ten einde brengen van den oorlog. Doch toen er weldra niet langer van een duurzamen vrede, maar van een bestand sprake was, kantte hij zich met kracht tegen dit voornemen aan. Inmiddels viel ook den aartshertogen de krijg zeer zwaar. Albert wenschte den vrede. Zijn huwelijk bleef kinderloos, en bij zijn dood moesten de landen weder aan de Spaansche kroon vervallen. Eveneens kon Spanje geen andere gezindheid hebben. De schatkist van dit rijk was ledig ten gevolge van de zware offers, welke Spin[)o]la's krijgstochten hadden vereischt. Hierdoor wordt het verklaarbaar, hoe de aartshertogen er in 1607 toe konden overgaan, onderhandelingen aan te knoopen met de Republiek, als met een "onafhankelijke mogendheid." Maar weldra bleek het, dat er aan geen vrede viel te denken. De vijand eischte afstand van de vaart op Indië en vrijheid van godsdienst voor de Roomsch-katholieken. Deze beide vorderingen achtte men dezerzijds ongehoord.

Bij zoo tegenstrijdige inzichten besloot men zich te vergenoegen met het trachten naar een wapenschorsing voor een aantal jaren. Nog was er een derde mogendheid, die, uit hoofde van de betrekking, waarin zij steeds tot de oorlogvoerende staten had gestaan, meende een woord mede te moeten spreken. Het was Frankrijk. Daarom zond ook Hendrik IV een aantal gezanten, ten einde de onderhandelingen bij te wonen, waarbij ook Engelsche en Duitsche afgevaardigden tegenwoordig waren. In April 1609 werd _de wapenstilstand te Antwerpen_ gesloten. De hoofdbepalingen waren: de aartshertogen verklaren, ook uit naam van den koning van Spanje, de Vereenigde Gewesten voor onafhankelijke landen te houden; het bestand zal twaalf jaren duren; ieder zal behouden, wat hij heeft. Dit punt werd evenwel niet nader omschreven.

Deze laatste bepaling was van des te meer gewicht, vermits de Nederlanders zich sinds eenige jaren in de Oost-Indiën hadden gevestigd en er belangrijke vorderingen maakten. Zoolang Lissabon de Oost-Indische waren voor Neêrlands kooplieden veil had, was hier te lande geen behoefte gevoeld aan een rechtstreeksche vaart op de Indiën. Maar sedert Philips van tijd tot tijd beslag legde op de ladingen, gingen Nederlands handelaars op middelen peinzen, om zelven de waren uit andere werelddeelen te halen. De vaart naar Indië toch, hoe bezwaarlijk in 't oog der menschen, was geen geheim. Zij was in vele geschriften van Portugeezen beschreven, en er waren Nederlanders, die op Portugeesche schepen de reis naar Indië mede hadden gedaan.

Ten einde evenwel de dreigende gevaren van kapers, Spaansche vloot en Kaapsche stormen te ontgaan, namen de Hollanders zich voor, op 't voorbeeld der Engelschen, een eigen weg te zoeken, niet zuidwaarts, maar door het Noorden. In 1594 werden te dien einde eenige schepen uitgezonden, in 1595 een tweede tocht gewaagd. De uitslag was niet gunstig. Sneeuw en ijs versperden den weg om het Noorden. Nogmaals wendde de Amsterdamsche regeering een poging aan. Zij rustte in 1596 een paar schepen uit, waarover de stuurman ~Willem Barentsz~. en ~Heemskerk~ (zie blz. 75) het bevel voerden. Maar ook nu was de inspanning vruchteloos. Na den winter op Nova Zembla te hebben doorgebracht, aanvaardde de volhardende bemanning den terugtocht, doch verloor onder weg den wakkeren Barentsz., die van vermoeienis bezweek.

Inmiddels had men de fortuin zuidwaarts beproefd. Eenige kooplieden te Amsterdam hadden een _maatschappij van verre_ (landen) opgericht en zonden iemand, waarschijnlijk ~Cornelis Houtman~, naar Lissabon, om er de bijzonderheden der vaart naar Oost-Indië uit te vorschen. Verder rustte de vereeniging vier schepen uit, om den tocht langs de Kaap de goede hoop te doen. Den 2den April 1595 lichtten Pieter Dirksz. Keyser, de opperstuurman, en Cornelis Houtman, de opperkommies, d. i. de vertegenwoordiger der handelsbelangen, te Texel het anker en landden in Juni 1596 te Bantam (in 't n.w. van Java). Nu werden er talrijke maatschappijen van verre opgericht, zoowel in verschillende steden van Holland, als in Zeeland. In 1598 zeilde ~Olivier van Noort~ uit, de eerste Nederlander, die den aardbol omstevende. Zoo werd er vloot op vloot uitgerust, en niets kon de zucht naar winst doen afnemen, noch de verliezen, die men nu en dan leed, noch de tegenwerking der inlandsche vorsten, opgezet door de Portugeezen. Maar nog een grooter kwaad scheen de pas ontkiemde plant in hare ontwikkeling te zullen verstikken. Het was de wedstrijd tusschen de onderscheiden maatschappijen, die, de een de ander, de loef trachtten af te steken en elkander tegenwerkten. Dat er een samensmelting der maatschappijen noodig was, zagen vooral de Staten-Generaal en Oldenbarnevelt in.

Eindelijk gelukte het den advocaat, de zaak in 1602 tot een voldoend einde te brengen. Dus kwam _de Vereenigde Oost-Indische compagnie_ tot stand, waaraan de Staten-Generaal het recht van alleenhandel (_monopolie_) voor een-en-twintig jaren verleenden. Later werd de vergunning bij herhaling vernieuwd. De maatschappij begon te handelen met een kapitaal van ongeveer 6-1/2 millioen en had zes afdeelingen of _kamers_, hebbende Amsterdam 1/2, Zeeland (gevestigd te Middelburg) 1/4, Delft, Rotterdam, Enkhuizen en Hoorne elk 1/16 van den inleg. Ruime uitdeelingen beloonden weldra het vertrouwen der inleggers. De deelgenooten behoefden natuurlijk niet juist in een der zes steden, die zetels van de kamers waren, te wonen. Aan alle inwoners der Vereenigde Nederlanden werd vergund, binnen vijf maanden na de oprichting te verklaren, of zij wenschten deel te nemen. De zes kamers, waarin de compagnie was gesplitst, werden bestuurd door 73 _bewindhebbers_, wier getal, bij versterf, niet lager zou dalen dan tot 60. De hoofdleiding en het dagelijksch bestuur der zaken kwamen aan _de vergadering van zeventienen_, uit de bewindhebbers gekozen.

De Oost-Indische compagnie werd een staat in een staat. Zij oefende in de Indiën een volstrekt gezag. Zij benoemde haar ambtenaren, verklaarde en voerde oorlog en sloot verbonden, op naam der Staten-Generaal. Zij bouwde sterkten en nam krijgsvolk in dienst, dat evenwel den eed van trouw aan de Staten-Generaal moest afleggen. Welhaast werd zij een bron van rijkdom niet alleen voor hen, die naar Indië gingen, maar ook voor die Nederlanders, welke zich niet verplaatsten.

Kort na de oprichting der compagnie legden onze voorouders den grondslag tot de uitgestrekte heerschappij, die hun weldra in Azië ten deel viel. In 1605 gaven de Portugeezen hun bij verdrag het kasteel op _Amboina_ over, waarop de vorsten van dat eiland zich deels aan de compagnie onderwierpen, deels bondgenooten werden. Terzelfder tijd poogde de compagnie zich op _Ternate_, _Tidor_ en de overige Molukken te vestigen. In 1610 stelde zij als eersten _gouverneur-generaal_ ~Pieter Both~ aan, die zijn verblijf doorgaans op Ternate had. De gouverneur-generaal was het hoofd van 't bewind over Nederlandsch Indië, opperbevelhebber van de legers en van de vloot der compagnie. Hem stond _de raad van Indië_ ter zijde. Een der opvolgers van Both was ~Jan Pietersz. Coen~, die in 1619 de stad ~Jak[)a]tra~ op de inboorlingen en op de Engelschen veroverde en de factorij van dien naam onder den naam _Batavia_ tot hoofdplaats van Nederlandsch Indië verhief. In 1624 verwierf de compagnie het eiland _Form[=o]sa_ (ten n.o. van Kanton, in Sina), waar het fort Zelandia werd gebouwd. Inmiddels ontdekte men in 1623 op Amboina een samenzwering van Engelsche kooplieden, die ten doel hadden, de Nederlandsche ambtenaren te vermoorden en zich van 't kasteel van dit eiland meester te maken. Zij werden gegrepen en tien van hen ter dood gebracht. Zoodra dit in Groot-Britannië bekend werd, ontstaken de Engelschen in grooten toorn en haalden deze zaak later nog menigmaal op als een zware verongelijking, hun aangedaan. Zooals men ziet, was het twaalfjarig bestand geen beletsel voor de uitbreiding van Nederlands macht in de Indiën, waar de vijandelijkheden werden voortgezet.

§ 19.

_De oneenigheden, die de Republiek ten tijde van het bestand schokten._

In plaats dat Nederland nieuwe krachten opdeed gedurende den rusttijd, werd bewaarheid, wat Maurits had gevreesd: bij rust naar buiten ontstonden binnenlandsche twisten. Hevige kerkgeschillen barstten in de nauwelijks gevestigde Republiek los en werden gaandeweg staatsgeschillen. Reeds vóór het bestand waren de zaden dier verdeeldheid gestrooid. In 1603 werd ~Jakob Arminius~, predikant te Amsterdam, tot hoogleeraar in de godgeleerdheid aan de hoogeschool te Leiden benoemd. Het duurde niet lang, of het openbaarde zich, dat hij in een belangrijk punt, n.l. omtrent _de praedestinatie_ of voorbeschikking, van de leer afweek, die als de heerschende leer der kerk werd aangemerkt. Volgens dit leerstuk, in den strengsten zin opgevat, hangt de zaligheid hier namaals uitsluitend af van Gods vrije verkiezing in verband met 's menschen geloof, _niet_ met zijn werken. Arminius daarentegen was een van de weinigen, die, aan 's menschen vrijen wil niet allen invloed op zijn doen en laten kunnende ontzeggen, het leerstuk der voorbeschikking niet onvoorwaardelijk aannam. Tegen hem stond een andere Leidsche hoogleeraar in de godgeleerdheid, ~Franciscus Gom[=a]rus~, over. Inmiddels stierf Arminius in 1609.

Een tweede punt van verschil kwam weldra bij het leerstellige. De aanhangers van Gomarus waren verklaarde tegenstanders van alle bemoeiing der regeering met aangelegenheden van den kerk: de Arminianen waren van een tegenovergestelde zienswijze. Dit toonden zij metterdaad in 1610 door het indienen van een _remonstrantie_ of vertoog bij de staten van Holland, naar welk stuk zij den naam _Remonstranten_ verkregen. Hierin verzochten zij om de bescherming der staten en erkenden het gezag dier staten over de kerk. Naar het tegenvertoog, door de bestrijders der Arminianen gehouden, werden zij _Contra-Remonstranten_ genoemd.

Sedert 1616 was Willem Lodewijk de man, die Maurits voortdurend ried, met kracht tegen de Remonstrantsche partij op te treden. Van een anderen kant werd Maurits gesteund door Jakob I, koning van Engeland, die er zich veel op liet voorstaan, een groot godgeleerde te zijn en zich geroepen achtte, de beschermer der hervormde leer in Europa te wezen. Waar hij kon, werkte de koning de tegenpartij van Oldenbarnevelt in de hand en trachtte den advocaat ten val te brengen. In 't oog van Jakob was het begunstigen der Arminianen en het weerstreven der synode (zie blz. 83) een zware misdaad. Ook kon hij het den ervaren staatsman niet vergeven, dat hij in 1615, gebruik makende van een der vele oogenblikken, dat hij groote geldsommen behoefde, hem ertoe had gebracht, tegen betaling van 3,000,000 gl., d. i. van niet meer dan ruim 1/3 van de toen nog verschuldigde som, de pandsteden (zie blz. 64) aan de Republiek terug te geven.

Intusschen scheidden de Contra-Remonstranten zich meer en meer af en hielden ter oefening van hun godsdienst afzonderlijke vergaderingen. Hier werd door de ééne, daar door de andere partij onderdrukking en geweld tegen de zwakkeren gepleegd. Vanhier onlusten in verschillende plaatsen gedurende het jaar 1617. Bij al die tooneelen van wanorde bleek het vaak, dat de magistraat of overheid luttel kon rekenen op de troepen, die de bezettingen der steden uitmaakten. De oorzaak hiervan lag voor een goed deel in de houding, die Maurits sinds eenigen tijd had aangenomen. Tot het jaar 1617 onthield hij zich van 't geven van openbare blijken van instemming met één der beide partijen. Maar van het tijdstip af, dat hij op een Zondag van het genoemde jaar in 't openbaar met een groot gevolg naar de den Contra-Remonstranten afgestane kloosterkerk ging, wierp hij zijn zwaard in de weegschaal. Behalve Willem Lodewijk en Jakob I, was het hoofdzakelijk ~François van Aerssen~, heer van Sommelsdijk (op Overflakkee), een man van groote schranderheid, list en stoutheid, die den stadhouder tegen Oldenbarnevelt in 't harnas joeg. Aerssen was verbitterd op zijn voormaligen beschermer Oldenbarnevelt, omdat hij het hem weet, dat Lodewijk XIII, koning van Frankrijk, in 1613 had verzocht, dat de Staten-Generaal, in zijn plaats, een anderen gezant aan het Fransche hof mochten benoemen, aan welk verzoek men had voldaan. Met eenige andere mannen werd hij een van het zeven- of achttal, dat den advocaat ten val bracht.

Het was geen bijzonder moeielijke onderneming, den wrok van den stadhouder tegen Oldenbarnevelt te prikkelen. De klove, die alreede tusschen de beide hoofden van de Republiek bestond, behoefde nog maar een weinig wijder te worden gemaakt. Hadden de vroegere geschillen tusschen de beide leiders van den staat louter over _zaken_ geloopen (zie blz. 75, 76, 77), aangelegenheden van _persoonlijken_ aard waren er sedert bijgekomen. Bij herhaling was de vraag gerezen, of het, ten einde meer eenheid in 't bewind te krijgen, niet wenschelijk was, aan Maurits het hoogste gezag toe te vertrouwen. Hoewel Oldenbarnevelt geheel doordrongen was van 't besef der behoefte aan eenheid in het bestuur, was hij er sinds het bestand tegen, dat Maurits' macht werd uitgebreid. Maar al te wel slaagden zij, die het in 't belang van 't land en van henzelven achtten, den stadhouder hoe langer hoe meer tegen Oldenbarnevelt en zijn aanhangers in te nemen. Hij, de advocaat, en die het met hem eens waren werden met de Remonstranten als vereenzelvigd. Zóó kwam de tegenpartij op het denkbeeld, de Remonstranten uit de kerk te stooten en op die wijze den grijzen staatsman tevens in 't verderf te storten. Dit doel kon worden bereikt, indien men, volgens den raad van Jakob, één _nationale synode_ voor alle gewesten bijeenriep. De meeste provinciën waren de zaak der Contra-Remonstranten uitsluitend toegedaan. Slechts Holland en Utrecht waren grootendeels voor die der Remonstranten. Dat de partij der Remonstranten nu tegen een nationale synode moest zijn, is duidelijk. Zij van haren kant verlangde, dat er in Holland, en waar men het verder noodig rekende, een provinciale synode bijeenkwam.

Uit al de bewegingen van 't jaar 1617 en vroeger sprak klaarblijkelijk verzet tegen de wettige overheid. Het was daarom, dat de staten van Holland den 4den Augustus 1617 een besluit uitvaardigden, door de tegenstanders _de scherpe resolutie_ genoemd. In dat besluit, door de edelen en de groote meerderheid der steden genomen, werden o. a. de steden gemachtigd, zoo het werd vereischt, op eigen gezag krijgsvolk in dienst te nemen. Op dit besluit werd menige aanmerking gemaakt, maar geen enkele, die gegrond mocht heeten. De punten, waaruit het bestond, behoorden tot diegene, waarover de staten, krachtens hun souvereine macht, een beslissing konden nemen. Dergelijke soldaten, als de resolutie bedoelde, hadden de gewesten en de steden van oudsher in dienst genomen. Men noemde ze _waardgelders_, d. i. lieden, gehuurd, om _waarde_ of wacht te houden, aldus zooveel als bezoldigde rustbewaarders. Vele steden van Holland brachten nu waardgelders op de been. Twee of drie honderd was het gewone getal voor één stad. In 't geheel had Holland er niet meer dan 1800. De staten van Utrecht namen er eveneens ruim zeshonderd aan. Het spreekt vanzelf, dat de vroedschappen, die waardgelders aannamen, dit deden, om, des gevorderd, zichzelven tegen woelingen van onruststokers te kunnen verdedigen en alle dadelijkheden tegen te gaan. Dat zij met die 1800 onervaren manschappen, in verschillende plaatsen verstrooid, een vijandelijken aanval in den zin hadden op de 30,000 welgeoefende krijgsknechten, welke de Republiek in dienst had, is een beschuldiging, die zichzelve weerlegt. De aanvallende partij was, zooals men weldra zal zien, niet die van Oldenbarnevelt.

Tegen het einde van Juni 1618 naderde de ontknooping. Toen hakte plotseling de partij, die in de Staten-Generaal de zege wilde behalen, d. i. het boven (zie blz. 82) bedoelde achttal, den knoop met geweld door. Vooreerst besloten de Staten-Generaal, dat er een bezending uit hun midden zou gaan naar Utrecht, om de staten dezer provincie te bewegen tot afdanking der waardgelders; dan, dat er een nationale synode zou worden uitgeschreven. In plaats van aan de staten van ieder gewest de zorg te laten voor datgene, waarin zij alleen hadden te beslissen, trachtte men hun alzoo de zienswijze der staten van sommige andere provinciën op te dringen en hen te nopen, even zoo gezind te zijn, als die staten. Ten andere waren het besluiten van slechts een deel der Generaliteit. Den 25sten Juli 1618 kwam de deputatie der Staten-Generaal, met Maurits aan 't hoofd, te Utrecht aan. Op den 31sten dier maand, vroeg in den morgen, dankte Maurits na de toegangen tot de voornaamste plaatsen van de stad te hebben bezet, op het plein, geheeten de Neude, de waardgelders af. Vervolgens veranderde hij de vroedschap der stad Utrecht. Hierdoor zag de secretaris (zie blz. 68) der staten, ~Gillis van Ledenberg~, de ziel der staten en in gevoelens geheel overeenstemmende met Oldenbarnevelt, zich genoopt, zijn ontslag te nemen.

Na de terugkomst van prins Maurits en van de gedeputeerden uit de Generaliteit tastte men ter Staten-Generaal ook ten aanzien van Holland door. Den 21sten Augustus stelden die Staten-Generaal een plakkaat vast, dat de zes provinciën en zes steden uit Holland goedkeurden en dat den waardgelders gelastte, binnen tweemaal vier-en-twintig uur de wapens neer te leggen. Het geschiedde. Vervolgens werden den 28sten en den 29sten Augustus ter Staten-Generaal door een achttal leden een paar geheime besluiten genomen, waarin werd goedgevonden, dat men Oldenbarnevelt, Hugo de Groot en ~Rombout Hogerbeets~, pensionaris van Leiden, in hechtenis zou nemen. Toen op denzelfden 29sten Augustus de advocaat van den lande op het punt stond, de vergadering der staten van Holland binnen te treden, kwam een kamerdienaar hem verwittigen, dat de stadhouder hem wenschte te spreken. In plaats van den stadhouder zag hij weldra den luitenant van Maurits' lijfwacht, die hem, in naam der Staten-Generaal, gevangen nam. Met hem werden de Groot, Hogerbeets en Ledenberg gekerkerd. In het begin van September reisde de prins, vergezeld van een aantal edelen en omstuwd door zijn lijfwacht, bij de steden van Holland rond en koos er overal, waar het hem behaagde, andere leden in de vroedschap. Dat de wettige tijd hiervoor niet was aangebroken en hem geen voordrachten (zie blz. 70) in behoorlijken vorm waren gedaan, was iets, waarom hij zich evenmin bekreunde, als dat hij te Utrecht zijn bevoegdheid als stadhouder had overschreden. Op deze wijze was alsnu de partij, die bovendreef, tegen alle verzet gedekt.