Beknopte geschiedenis van het vaderland

Part 7

Chapter 73,588 wordsPublic domain

Een groot en edel man was Willem van Oranje, de grondlegger der onafhankelijkheid van den Nederlandschen staat. Hij was een ervaren krijgsheld, een uitstekend staatsman, geboren om volksleider te zijn, in de goede beteekenis van het woord. Aan ingenomenheid met de hervormde leer en een vromen zin paarde hij een in die dagen ongekende verdraagzaamheid. Standvastig was hij als een rots in den oceaan, rustig te midden der onstuimige baren. Verbazend was zijn kennis van personen en zaken, onbegrijpelijk zijn werkzaamheid, zeldzaam zijn zelfbeheersching. Zelfopoffering en onbaatzuchtigheid onderscheidden hem in buitengewone mate.

Het was sober gesteld met de Nederlandsche gewesten bij den dood van den prins van Oranje. Parma had sedert het verdrag van Atrecht niet stil gezeten, doch Maastricht, bijna geheel Vlaanderen en de meeste steden van Brabant veroverd. Thans lag Antwerpen aan de beurt. Veertien maanden lang werd de stad verdedigd onder de leiding van Marnix van St. Aldegonde (zie blz. 53), die er burgemeester was. Het einde was, dat Antwerpen zich den 17den Aug. 1585 bij verdrag aan Parma overgaf. Dit verdrag verleende den hervormden geen vrijheid van godsdienst, maar nog een ongestoord verblijf van vier jaren. Duizenden maakten in dat tijdsverloop hun vastigheden te gelde en weken naar ons land, vooral naar Amsterdam. Van nu aan verliet voor de twee volgende eeuwen de zeehandel de haven van Antwerpen en keerden de Zuidelijke gewesten onder de gehoorzaamheid van Spanje's koning terug. De scheiding van 't Zuiden en 't Noorden was voltooid. Het Zuiden ging den smaad en de ellende der dienstbaarheid te gemoet; het Noorden zette steeds vaster schreden op de baan, die tot de onafhankelijkheid voerde.

Gedurende de beide laatste jaren van 's prinsen leven had Holland voortdurend onderhandeld, om Willem als grondwettig vorst aan te nemen onder den naam "graaf van Holland en Zeeland." Slechts het toeven van Gouda en Zeeland had de zaak vertraagd. Thans was het te laat. Friesland benoemde ~Willem Lodewijk~, den oudsten zoon van Jan van Nassau (zie bl. 61), tot stadhouder. De Algemeene Staten richtten een nieuwen raad van state op, aan 't hoofd van welk lichaam 's prinsen zoon ~Maurits~ werd gesteld. Dezelfde staten droegen de oppermacht over deze landen aan Hendrik III (zie blz. 62) op. Toen deze vorst weigerde, deed men hetzelfde aanbod aan Elizabeth, koningin van Engeland. Zij nam het evenmin aan, doch zond hulp tegen zekere onderpanden, n.l. het bezetten van Brielle, Vlissingen en het kasteel Rammekens (ten o. van Vlissingen). In December 1585 verscheen aan 't hoofd harer troepen ~Robert Dudley, graaf van Leicester~ (in 't midden van Engeland). Aanstonds bekleedden de Staten-Generaal Leicester met de algemeene landvoogdij. Ongeveer terzelfder tijd benoemden de staten ~MAURITS~ (1585-1625) tot stadhouder van Holland en Zeeland, terwijl ~JOHAN VAN OLDENBARNEVELT~ in Holland _advocaat van den lande_ (zie blz. 31) werd.

Nog ternauwernood had Leicester het bewind aanvaard, of er bestond alreede een klove, die slechts behoefde te worden verwijd. Hiervoor zorgde hijzelf. De eerste twistvraag, die tusschen hem en de staten van Holland en Zeeland opkwam, betrof den handel van Spanje en met de Spaansche Nederlanden. Leicester en Elizabeth wilden een volstrekt verbod van uitvoer naar 's vijands land. In weerwil van de vertoogen, door Holland hiertegen ingediend, werd zoodanig verbod afgekondigd. Bij dit punt van verschil kwamen andere. In December 1586 vertrok de Engelschman voor een wijl naar zijn vaderland en vertoefde er ruim een half jaar. Zijn verblijf in deze streken had meer kwaad dan goed gedaan. De predikanten en de mindere volksklasse, die zeer aan den rechtzinnigen landvoogd waren gehecht, stonden tegenover hen, die de partij der Staten van Holland omhelsden. Grooter verdeeldheid en meer verwarring in 't bestuur: dit waren de vruchten van Leicesters tegenwoordigheid hier te lande. De Staten-Generaal, waarin Vlaanderen nu geen zitting meer had en Holland het meest gold, haastten zich van Leicesters afwezigheid gebruik te maken. Het plakkaat nopens den handel werd zoo gewijzigd, dat het al zijn kracht verloor. Van hun kant kwamen de staten van Holland thans tot het volle besef van de noodzakelijkheid, om de souvereiniteit, die zij zich immers, ook toen Leicester de landvoogdij werd opgedragen, hadden voorbehouden, metterdaad te aanvaarden. De leer van de souvereiniteit der staten is gedurende den tijd van 't bestaan der Republiek het heerschend denkbeeld gebleven.

Intusschen keerde Leicester in 't midden van 1587 naar de Nederlanden terug, vast besloten om, des noods met geweld, een omwenteling teweeg te brengen, die hem in 't genot van de volheid der macht zou stellen. Maar een poging, die hij deed om Maurits en Oldenbarnevelt, de ziel van de tegenstand, op te lichten mislukte. Evenmin slaagde een aanslag op Amsterdam, onder den schijn van een bezoek gedaan. Op Medemblik en Hoorn na, verklaarde zich Noord-Holland tegen hem. In 't kort, alom bespeurde hij, dat zijn rijk ten einde was. Weldra vertrok hij, door Elizabeth van zijn ambt ontslagen, naar Engeland. Elizabeths hulptroepen bleven in Nederland; doch Leicesters opvolger als veldheer werd door de Staten-Generaal met geen landvoogdij of andere waardigheden bekleed.

§ 15.

_De regeeringsvorm der Republiek van de Zeven Vereenigde Gewesten._

Het spreekt vanzelf, dat eerst de onlusten, vervolgens de unie van Utrecht en de afzwering van Philips een groote verandering in den regeeringsvorm der Nederlanden teweeg brachten. Vóór dien tijd toch was de hertog, graaf of heer souverein, daar hij alle gezag, dat van rechtswege den koning der Franken, later den keizer toekwam, allengs aan zich had getrokken. Aan geregelde staatsrechtelijke beperking van de heerschappij dier vorsten door 't volk of door eenig deel daarvan werd niet of slechts bij wijze van uitzondering gedacht. Sedert evenwel de staten meer en meer door de vorsten werden geraadpleegd, begonnen zij de medewerking tot de regeering als een recht te eischen. Van 1572 af begint de medewerking der staten tot de regeering in Holland, in 1576 die van de Algemeene Staten. En van lieverlede breidde zich hun invloed op het bewind uit, totdat de staten der verschillende gewesten, na het vertrek van Leicester, in 1588, in plaats van wederom een hoofd aan te stellen, zelven de hooge overheid in handen namen.

Daarom is het jaar 1588 het tijdstip van de vestiging van de Republiek der Vereenigde Nederlanden. Gedurende het bestaan dier Republiek berust de souvereiniteit bij elk gewest in 't bijzonder, d. i. bij 't lichaam van de edelen en _de vroedschappen_ (burgemeesters en raden) der steden, die de afgevaardigden ter statenvergadering benoemen. In ieder der zeven gewesten was de vergadering der staten op een bijzondere wijze ingericht. _Gelderland_ bestond uit drie kwartieren: dat van Nijmegen, dat van Zutfen en dat van Arnhem of van de Veluwe. In plaats van de bannerheeren (zie blz. 37), die uit hoofde van hun gehechtheid aan de Spaansche regeering niet meer als afzonderlijk lid werden gedoogd, namen nu de edelen of ridderschap als eerste lid zitting. Het tweede lid der staten waren de steden. Ieder kwartier had één stem.

De statenvergadering van _Holland_ bestond uit negentien stemmen, waarvan de edelen één en de steden de overige hadden. De steden waren ten getale van achttien, verdeeld in zes groote en twaalf kleine steden. Elke stad had haren _pensionaris_, die de afgevaardigden vergezelde en voor hen het woord voerde. De advocaat van den lande, kort na Oldenbarnevelts dood raadpensionaris, bracht de stukken ter tafel en liet erover stemmen. Al wat tot het gebied der rechtszaken behoorde was de taak van _'t hof van Holland_. Boven dat hof stond _de hooge raad_, opgericht in 1582, aan welks rechtsgebied ook Zeeland was onderworpen. Een zeer gewichtig ambt was dat van _den advocaat van den lande_, of, sedert 1630, _raadpensionaris_. Hij was de ziel van der staten raadplegingen, de hoofdleider van alle gewichtige bedrijven. Hij was belast met het houden van briefwisseling met de gezanten der Republiek aan vreemde hoven en had alzoo veel invloed op den gang der buitenlandsche aangelegenheden.

In _Zeeland_ zonden alleen _de eerste edele_, die de eenige vertegenwoordiger was van den adel in die provincie, en zes steden afgevaardigden naar de staten. Er waren dus zeven stemmen. Ten gevolge van den opstand tegen Spanje was het eerste der drie leden, de abt van Middelburg, van zijn recht van zitting in de vergadering der staten verstoken geworden. Alzoo werd nu de eerste edele het voornaamste lid. De waardigheid van eersten edele droegen de staten achtereenvolgens aan alle prinsen van Oranje op, n.l. aan Maurits, Frederik Hendrik, Willem II, Willem III, Willem IV, Willem V. De staten van _Utrecht_ waren uit drie leden samengesteld: _de geëligeerden_, de edelen en de stad Utrecht, benevens een paar kleinere steden. Er waren dus drie stemmen. Het eerste lid was dat der geëligeerden. Vroeger waren dit Roomsche geestelijken (zie blz. 40). Na de omwenteling der 16de eeuw waren het edelen en burgers van den hervormden godsdienst. Ongeveer dezelfde bemoeiingen als de raadpensionaris in Holland had hier _de secretaris van staat_.

_Friesland_ was in vier kwartieren verdeeld, Oostergo, Westergo, Zevenwolde en de steden, ten getale van elf. Elk kwartier had op _den landdag_ één stem. De statenvergadering of _landdag van Overijsel_ telde twee leden, de edelen uit de drie kwartieren Salland, Twente en Vollenhoven, en de hoofdsteden Deventer, Kampen en Zwol. De wijze van stemmen was zeer eigenaardig, daar de ridderschap niet één college uitmaakte, maar hoofd voor hoofd stemde, terwijl elke stad één stem had.

_Groningen_ bestond uit twee leden, de stad en de Ommelanden, gezamenlijk "stad en lande" genoemd. Zij deelden het oppergezag zoo met elkander, dat de burgemeesters en de raadsheeren, welke de stad zond, de eene stem hadden, en de drie kwartieren, waaruit de Ommelanden bestonden, n.l. Hunsingo, Fivelingo en 't Westerkwartier, de andere. Zooals in Friesland, had, bij staking van stemmen, de stadhouder de beslissing. De staten van _Drente_ waren samengesteld uit twee leden. Het eerste lid waren de ridders, ten getale van niet meer dan achttien. Het tweede lid was dat der eigenerfden. De heeren van de ridderschap hadden één, de eigenerfden twee stemmen.

§ 16.

_Vervolg._

Ten tijde van de Republiek berustte de souvereiniteit, voor elk gewest in 't bijzonder, bij 't lichaam van de edelen en bij de vroedschappen der steden. Maar uit de staten der provinciën, uitgezonderd Drente, werd een onbepaald getal leden afgevaardigd, die een college vormden, dat men _Staten-Generaal_ noemde, hetwelk den souverein vertegenwoordigde tegenover de buitenlandsche mogendheden en later het bestuur had over de Generaliteitslanden. Er waren in de Staten-Generaal zooveel stemmen, als er gewesten waren, zoodat het getal van hen, welke naar die vergaderingen werden gezonden, hiertoe niets afdeed. De werkkring van den raad van state werd sedert 1593 beperkt tot het beheer der krijgszaken en van de financiën in 't algemeen.

Gelijk de pacificatie van Gent de grondslag was der Algemeene Staten, zoo werd de unie van Utrecht dit voor het eenigszins anders samengestelde lichaam der Staten-Generaal. Want na het jaar 1585 bestond dit lichaam slechts uit de afgevaardigden van de staten der zeven gewesten, die de unie hadden onderteekend. Drente werd van het voorrecht om ter Staten-Generaal zitting te nemen uitgesloten, dewijl het, kort na de unie te hebben onderteekend, door de Spaansche wapenen was vermeesterd. Hoewel slechts een bondgenootschappelijk gewest, maakte Drente een deel van den staat uit. Doch het was verre van onafhankelijk te zijn, daar het verplicht was, in de algemeene lasten, buiten zijn stem vastgesteld, te dragen.

In gewone gevallen beslisten de afgevaardigden zelven, mits blijvende binnen de perken, hun door de provinciën gesteld. Doch in gewichtige aangelegenheden vermochten zij niets zonder den uitdrukkelijken en eenstemmigen wil der gewesten. Dikwijls waren intusschen de meeningen over het verbindende der eenstemmigheid verdeeld. Dus rees in dergelijke gevallen de vraag, of er overstemming plaats hebben en de meerderheid beslissen kon, ja dan neen, iets waartoe de tijden van Maurits en Willem II overhelden. Over 't geheel had Holland in de Staten-Generaal een groot overwicht.

De _raad van state_ bestond uit twaalf leden, van welke die provincie de meeste zond, welke het grootste aandeel droeg in de algemeene kosten. Holland had er daarom drie leden. Bovendien waren de stadhouders lid van den raad van state. Men stemde hoofdelijk. De werkkring van dezen raad is uit het bovenstaande (zie boven op deze blz.) gebleken. In de algemeene lasten waren de aandeelen zóó vastgesteld, dat van een som van honderd gulden elk gewest het onderstaande opbracht:

Holland ongeveer 58 gl. Friesland " 11-1/2 " Zeeland " 9 " Gelderland " 5-1/2 " Utrecht en Groningen, ieder ruim 2-1/2 " Overijsel 3-1/2 " Drente 1 "

Vermits evenwel de meeste gewesten wat zij hadden beloofd niet nakwamen, schoot Holland, het rijkste gewest, dikwijls voor, wat de anderen verplicht waren op te brengen.

Al wat het zeewezen betrof behoorde tot het gebied der _admiraliteit_. Zij telde vijf collegiën: dat van de Maas, hetwelk te Rotterdam zat; dat van Amsterdam; dat van Middelburg; dat van Noord-Holland, hetwelk bij afwisseling te Hoorn en te Enkhuizen zetelde; dat van Dokkum, hetwelk in 1645 naar Harlingen werd verplaatst. Hoofd en voorzitter der vijf collegiën tezamen en van ieder in 't bijzonder was, sedert Maurits, de admiraal-generaal.

Van de collegiën gaan wij over tot den persoon van _den stadhouder_ of _gouverneur_, zooals de titel eigenlijk luidt. Steeds benoemden de provinciën zelven haar gouverneurs. Van wege de Staten-Generaal was de gouverneur _kapitein-generaal_ en _admiraal_ van de unie. Veelal was de gouverneur ook kapitein-generaal van het gewest, welke staten hem tot gouverneur benoemden. Van die staten was hij de eerste dienaar, voorzoover het militair en het burgerlijk gezag betreft, in elk gewest het hoofd der uitvoerende macht. Op de samenstelling der vroedschappen in de meeste gewesten had de gouverneur een beslissenden invloed, doordien hij uit voordrachten, door die vroedschappen opgemaakt, de leden koos. De onderdanigheid van den stadhouder aan de staten der gewesten werd getemperd, doordien hij kapitein-generaal van de unie was en tot meer dan één provincie in betrekking stond, door het hooge aanzien van 't geslacht van Oranje-Nassau, door de talrijke bezittingen dezer vorsten op Nederlands bodem en ten laatste doordat de hooge waardigheden in dit huis weldra zoo goed als erfelijk werden.

Friesland had tot 1748 altijd afzonderlijke stadhouders, welke de waardigheid doorgaans tevens in Groningen en Drente bekleedden, terwijl de gouverneur van Holland ook steeds in Zeeland, Utrecht, Gelderland en Overijsel tot stadhouder is benoemd. De vijf laatstgenoemde gewesten hebben tweemaal een stadhouderloos tijdperk gehad, waaraan voor het meerendeel de regeeringsreglementen van 1672 en 1747 een einde hebben gemaakt. Toen, d. i. in 1747, werd ook het stadhouderschap met de overige waardigheden, die de prins van Oranje-Nassau bekleedde, erfelijk verklaard in zijn nakomelingschap, ook in de vrouwelijke linie.

De regeeringsvorm van de Republiek der Zeven Vereenigde Nederlanden--zooals zij doorgaans wordt genoemd, ofschoon het eigenlijk zeven Republieken waren,--had voorzeker groote gebreken. Dit lag in den aard der zaak, daar de staatsinrichting niets anders was dan een wijziging van hetgeen er, na de afzwering van den landsheer, van de overige bestanddeelen der vroegere regeering overbleef en slechts voor een tijdelijk doel, voor een toestand van oorlog, bestemd was. Die gebreken vielen, naargelang de staat in jaren toenam, des te meer in 't oog. Zij deden zich, naarmate de drang van buiten minder tot eendracht en veerkracht noopte, meer en meer gevoelen. Intusschen bedenke men, dat een regeeringsvorm geen onbepaalde afkeuring verdient, waaronder een Republiek ontstond en aangroeide, die zulk een grootsche rol in de geschiedenis der wereld heeft vervuld. Onbetwistbaar is het, dat in den regel dat, wat aan den vorm zelf ontbrak, werd aangevuld en vergoed door de kunde, de braafheid en de goede trouw van velen onder hen, die aan den vorm het leven hadden te geven.

§ 17.

_De onoverwinnelijke vloot.--Maurits' krijgsbedrijven.--De afstand der Nederlanden door Philips II.--De eerste zeeslagen van den tachtigjarigen oorlog._

Zóó was dan de staat der Vereenigde Nederlanden gesticht. Bij die grondvesting hadden de Nederlanders met grooter zwarigheden te kampen gehad, dan eenig volk, waarvan de geschiedenis gewaagt. Maar zij toonden, dat zij ten volle opgewassen waren tegen elke inspanning, die de drang der omstandigheden hun oplegde. Dus werd ook in hun voorbeeld de waarheid bekrachtigd, dat ieder de schepper is van zijn eigen lot.

Al dadelijk bedreigde de pas ontstane Republiek een groot gevaar. Sedert 1580, toen Philips met geweld de heerschappij over Portugal verkreeg en hierdoor zijn zeemacht meer dan verdubbeld zag, dacht hij aan een aanval op Engeland, het bolwerk van hen, die van de Roomsch-katholieke kerk waren afgevallen. Wat na dien tijd in en van wege dezen staat geschiedde, de zending van Leicester naar de Nederlanden en het ter dood brengen van Maria Stuart, bevestigde hem in zijn voornemen. In 1587 schonk paus Sixtus V Engeland, alsof het een leen van Rome ware, aan de kroon van Spanje.

Sedert een paar jaren had Philips al de middelen, die ter zijner beschikking stonden, besteed, om een groote vloot, bij voorraad _de onoverwinnelijke_ geheeten, van stapel te kunnen doen loopen, ten einde niet alleen Engeland te veroveren, maar ook Nederland weder onder het juk te brengen. De vloot stond onder 't opperbevel van ~Alonzo Perez de Guzman~, hertog van ~Med[=i]na-Sidonia~. Op den laatsten Juli 1588 verscheen deze _arm[=a]da_ of vloot in het Kanaal. Weldra bracht de Engelsche vloot aan de Spaansche schepen, te log schier om zich te wenden, een aanmerkelijk nadeel toe, waarop binnen kort een zege der Engelschen en der Nederlanders volgde. Vermits de wind en de vloot der bondgenooten Med[=i]na-Sidonia den terugtocht door het Kanaal onmogelijk maakten, besloot hij om Schotland en Ierland heen te zeilen. Op dezen tocht overviel hem een geduchte storm, die de gansche vloot verstrooide en vele schepen op de kust van Ierland deed stranden, welks barbaarsche bewoners de bemanning doodden. Slechts een derde gedeelte der arm[=a]da keerde, en niet dan zeer beschadigd, in October naar Spanje terug. Men had haar te voorbarig "de onoverwinnelijke" genoemd. "Gods adem verstrooide ze", zegt een gedenkpenning van dien tijd, door Zeeland geslagen.

Van dit oogenblik af helde de fortuin meer tot de zijde der unie over. ~MAURITS~ (1590-1625) werd in 1590 ook stadhouder van Utrecht en Overijsel, in 1591 van Gelderland. Zoo was hij met genoegzame macht bekleed, om de Republiek met het zwaard te verdedigen, haar bevestiger, haar tweede stichter te worden. Een staatsman was hij in 't geheel niet. Doch in dit gemis voorzag ~OLDENBARNEVELT~ ruimschoots. Met vaste hand greep hij het roer der binnen- en buitenlandsche politiek en bestuurde het ruim dertig jaren lang. Gaarne liet Maurits hem deze rol, om zich des te meer aan de zaken van den oorlog te kunnen wijden. Schitterend waren de wapenfeiten, waardoor Maurits den naam van "eerste veldheer zijner eeuw" verwierf. In 1590 verraste hij Breda door middel van een turfschip. Den 30sten Mei 1591 veroverde hij Zutfen. Denzelfden avond lag zijn leger reeds voor Deventer, dat zich in de volgende maand overgaf. Hierop werd Delfzijl overrompeld en Nijmegen gedwongen over te gaan. In 1592 vielen Steenwijk (zie blz. 62), dat de Spanjaarden in 1582 bij verrassing hadden genomen, en Koevorden in handen van den jeugdigen veldheer, in 1593 Geertruidenberg. Dertien maanden later, den 24sten Juli 1594, verdween het laatste spoor van Rennenbergs verraad, toen Groningen het hoofd moest buigen voor den zegevierenden Maurits en voor Willem Lodewijk. De voornaamste voorwaarden, waarop de stad zich overgaf, waren, dat geen andere godsdienst binnen haar muren zou worden geoefend, dan de hervormde, een bepaling, die de meerderheid der ingezetenen zeer tegen de borst stuitte, en dat de stad met de Ommelanden één gewest zou uitmaken, lid der unie zijn en Willem Lodewijk als stadhouder erkennen. Ongeveer ter zelfder tijd verkoos Drente Willem Lodewijk tot stadhouder.

Dit alles had Parma zoo goed als lijdelijk moeten aanzien. Eindelijk bezweek de krachtige man voor al de wederwaardigheden, die de fortuin des oorlogs hem sedert jaren deed ondervinden, in 1592. Van zijn opvolgers, die elkander snel afwisselden, was de laatste de aartshertog ~Albert van Oostenrijk~, een broeder des konings van Duitschland. Met hem kwam Philips Willem (zie blz. 55), na acht-en-twintig jaren in gevangenschap te hebben gesleten, in deze landen terug. Hij vestigde zich voorloopig te Breda, een baronie van zijn huis. Kort na de aankomst van Philips Willem voegde zijn broeder Maurits nieuwe schakels aan de keten zijner luisterrijke krijgsdaden toe. Dicht bij ~Turnhout~ bracht hij in 1597 binnen een half uur tijds met 1000 man, grootendeels ruiters, aan de Spanjaarden een verlies toe van 2000 dooden, terwijl hijzelf slechts 10 man verloor en nog 500 gevangen nam. Hierop rondde hij het gebied der Vereenigde Gewesten in 't o. af.

In 1598 verwezenlijkte Philips II een ontwerp, dat hij lang had gekoesterd. Uitgaande van het denkbeeld, dat een vorst zich te midden zijner onderdanen behoort te bevinden, schonk hij de Nederlanden, als bruidschat, aan zijn oudste dochter, ~Isabella~, die met ~Albert~, aartshertog van Oostenrijk, in 't huwelijk trad. Beiden aanvaardden die gift, met behoud hunner titels, dien van _aartshertog_ voor Albert, dien van _infante_ voor Isabella. Mocht een van hen kinderloos komen te overlijden, dan zouden de Nederlanden aan Spanje terugvallen. Naar de meening van den koning, waren ook de Noordelijke gewesten in den afstand begrepen. Albert haastte zich dan ook, deze gewesten uit te noodigen, in dien zin te handelen. Maar de Staten-Generaal volhardden in hun vroegere zienswijze. Zoo gingen dan Noord- en Zuid-Nederland voor goed uiteen.

De dood van Philips II, die in 't zelfde jaar, 1598, plaats greep, verbrak den laatsten band, die Noord-Nederland in 't oog van dezen of genen, wien de afzwering een gruwel was, nog aan Spanje hechtte. Aan zijn zoon en opvolger, Philips III, hadden zij geen eed gedaan. Veel was er de Nederlanden aan gelegen, dat de band met Engeland niet werd verbroken. Anders toch konden zij licht de eenige, tegen Spanje oorlog voerende mogendheid blijven, nu Hendrik IV, koning van Frankrijk, hoewel hij hun niet allen bijstand onttrok, een einde maakte aan den oorlog, dien hij eenige jaren tegen Spanje had gevoerd. Daarom sloten zij een nieuw verdrag met Engeland.