Beknopte geschiedenis van het vaderland
Part 6
Op het houden van openbare godsdienstoefeningen volgde in 1566 de kortstondige razernij, bekend onder den naam van _beeldenstorm_. Zooals men het veelal heeft opgevat, was hij een uitbarsting van de dweepzucht der hervormden, die niet aan een wèl beraamd plan, doch aan plotseling opkomende hartstochtelijkheid was toe te schrijven. Vele kerken van Antwerpen, Vlaanderen, Holland, Zeeland, Groningen, enz. werden erdoor verwoest en van al haar schatten beroofd. Philips ontstak, op het hooren der mare, zoozeer in drift, dat hij een duren eed zwoer, het misdrijf niet ongewroken te zullen laten. Het drietal Oranje, Egmond en Hoorne, baatte het niet, gelijk weldra zal blijken, dat zij de landvoogdes in deze moeielijke dagen getrouw ter zijde stonden en hen, die schuldig of medeplichtig waren aan den beeldenstorm, ijverig vervolgden.
Nadat de eerste schrik was geweken, begon Margareta krachtdadig door te tasten. Zij bewerkte, dat het compromissum werd ontbonden, en wierf troepen. Overal moest het prediken der hervormden worden gestaakt. Van dat oogenblik af scheidde Egmond zich van zijn vrienden, den eed van trouw aan den koning opnieuw afleggende, terwijl Hoorne zich tegelijk aan 's konings dienst en aan de bevordering van Oranje's plannen onttrok. Van zijn kant nam Willem, inziende dat er vooreerst aan geen verzet viel te denken, in 't zelfde jaar zijn ontslag als stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht en ging naar Duitschland. Hij werd door een overgroot aantal lieden, op meer dan honderd duizend begroot, gevolgd. Onder hen was Willems vertrouwde vriend, de beroemde godgeleerde en staatsman ~Philips van Marnix~, heer van St. Aldegonde (een heerlijkheid in Henegouwen, terwijl een kasteel nabij Middelburg, waar Marnix een tijdlang woonde, naar hem ook wel zoo werd genoemd, doch eigenlijk West-Souburg heette). In Willems plaats werd ~Maximiliaan Hennin, graaf van Boussu~ (ten w. van Bergen, in Henegouwen), bij voorraad over Holland als stadhouder aangesteld. Intusschen was Philips tot een vast besluit gekomen. Na lang te hebben voorgegeven, dat hijzelf een reis naar de Nederlanden in den zin had, zond hij in 1567 ~Alv[=a]rez de Tol[=e]do, hertog van Alva~ (d. i. Alva de Tormes, in 't n.w. van Spanje, ten z.o. van Salamanca), als kapitein-generaal aan 't hoofd van een leger van ongeveer 17,000 man, grootendeels oudgediende en geharde mannen.
§ 12.
_De Nederlanden onder 't bestuur van Philips' landvoogd Alva._
De komst van Alva was Margareta een doorn in 't oog. Sedert zij bovendien bespeurde, dat hij, behalve de aanstelling tot kapitein-generaal, nog buitengewone volmacht had, drong zij met zooveel nadruk op haar ontslag aan, dat zij het op 't einde van 1567 verwierf en onverwijld naar Italië vertrok. Terstond werd Alva in haar plaats algemeen landvoogd. Thans namen de wreedheden een aanvang. _De raad van beroerte_, door het volk weldra met juist inzicht _bloedraad_ geheeten, werd opgericht. Onder de beroemdste offers van dien raad waren Egmond en Hoorne, wien het niet baatte, dat zij ridders van 't gulden vlies waren (zie blz. 31). De 5de Juni 1568 was de noodlottige dag hunner terechtstelling of liever van den gerechtelijken moord. Hun namen blijven door de standbeelden, in 't jaar 1864 te Brussel opgericht, in aller herinnering leven.
Hierbij berustte de raad van beroerte niet. De prins van Oranje en andere uitgeweken edelen werden insgelijks, op zware beschuldigingen, voor hem gedaagd. Zij verschenen niet, en met reden. Maar aan offers was geen gebrek, hoewel het niet is bewezen, dat de Spaansche inquisitie in een plechtig geschrift alle Nederlanders, op zeer weinigen na, als ketters, des doods schuldig heeft verklaard. In 1570 werd Montigny, na in Spanje een paar jaren in den kerker te hebben gezucht, insgelijks op een vonnis van den bloedraad, in 't geheim geworgd, wat hem nog als een weldaad werd toegerekend. Zijn reisgenoot Bergen was reeds in 1567 òf aan een ziekte, òf aan vergif bezweken. Desniettegenstaande werd zijn nagedachtenis met een vonnis bezoedeld, opdat zijn bezittingen den koning niet ontgingen. Ook andere gewelddadigheden beging Alva. Hij liet in 1568, tegen de voorrechten der hoogeschool te Leuven, den oudsten zoon van prins Willem, ~Philips Willem, graaf van Buren~ (zie blz. 38), vandaar oplichten en naar Spanje voeren, waar hij, als gijzelaar voor de trouw des vaders, onder nauw toezicht werd opgevoed.
Treurig was, te midden van al die tooneelen van diepen rouw, de toestand van het land. Doch welhaast daagde er bijstand van buiten op. Veelzins getergd, door den roof van zijn zoon en door de verbeurdverklaring van 't geen hij bezat, greep Willem eindelijk naar de wapens. Een kortstondig geluk begunstigde de kloeke onderneming. ~Lodewijk van Nassau~ zegevierde bij ~Heiligerlee~ (ten w. van Winschoten). Aremberg sneuvelde er, maar ook Willems broeder Adolf. Doch nog in 't zelfde jaar, 1568, versloeg Alva zelf Lodewijk bij ~Jemmingen~ (Jemgum, nabij Leer in Oost-Friesland). Zoo was de tachtigjarige oorlog begonnen. Door den uitslag van zijn krijgstocht overmoedig geworden, beraamde Alva het plan, de grafelijke bede door vaste, algemeene belastingen te vervangen. Drie belastingen waren het, welke de landvoogd uitschreef: 1) een heffing voor eens van het honderdste der waarde of 1 p.c. van alle roerende en onroerende eigendommen (_de honderdste penning_), en dan, bij verkoop, 2) een heffing van tien ten honderd van de roerende (_de tiende penning_), en 3) van vijf ten honderd (_de twintigste penning_) van de onroerende goederen. Hij begon met de heffing te Brussel, waar zijn eigen tegenwoordigheid, gelijk hij meende, den tegenstand zou breken. De overheid gaf toe; maar de gilden, bovenal de slagers en de brouwers, tartten den toorn van den landvoogd en sloten hun winkels. Juist toen Alva het tot een punt van overweging zou hebben moeten maken, wat hem bij dat algemeen verzet stond te doen, weerklonk de mare van de verrassing van Brielle.
Duurzame gevolgen had de aanslag, op den 1sten April 1572 tegen deze veste ondernomen. Hij was het werk van _de Watergeuzen_, vrijbuiters, die onder de driekleurige vlag--rood of oranje, wit en blauw--, de vlag van Willem van Oranje, voeren. Tot dusver waren zij op hun tochten vaak de Engelsche havens binnengeloopen, om zich van levensmiddelen te voorzien; doch eensklaps verbood koningin Elizabeth, beducht voor een oorlog met Spanje, haar onderdanen, den Watergeuzen verder te verstrekken, wat zij behoefden. Zoo werd hun vloot, staande onder 't bevel van ~Lumey, graaf van der Marck~, als admiraal, gedwongen zee te kiezen. Nu besloten zij deze of gene stad van Noord-Holland te vermeesteren. Maar tegenwind belette dit en dreef hen voor den mond van de Maas. Daarom eischten zij Brielle (op Voorne) in naam van den prins op. Eer de regeering een bepaald antwoord had gegeven, veroverden de Watergeuzen de stad zonder moeite. Zij werd voor den prins in bezit gehouden. De inneming of verrassing van Brielle werd de grondslag van de vestiging van de onafhankelijkheid der _Vereenigde Nederlanden_.
Vruchteloos beproefde Boussu, zelfs nog eer Alva hem het bevel hiertoe kon geven, tegen Brielle opgerukt, de stad te heroveren. Integendeel, de afval plantte zich voort. Vijf dagen na den 1sten April stond Vlissingen uit eigen beweging tegen de Spaansche benden op en sloot de versterking, die Alva in allerijl had afgezonden, buiten haar wallen. Ook Veere werd voor de vrijheid gewonnen. Enkhuizen, Dordrecht en andere steden van Noord- en Zuid-Holland volgden. Hierop namen ook vele steden van Gelderland, Utrecht, Overijsel en Friesland bezettingen van den prins in. In al die steden werd de regeering veranderd en de nieuwe overheid verplicht, trouw te zweren aan den koning van Spanje en aan den prins van Oranje. De strijd toch werd niet gevoerd tegen den koning, maar tegen Alva en de dienaren van Philips. Nog in den zomer van 't zelfde jaar, den 19den Juli en volgende dagen, hielden een groot aantal leden der staten van Holland een _vergadering te Dordrecht_, de eerste, die in Holland met terzijdestelling van Alva's gezag werd gehouden. Hier werd besloten, prins Willem te erkennen als generaal-gouverneur en luitenant des konings, d. i. als plaatsvervanger van Alva, en als stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht.
Slechts ten deele gelukte het aan Alva, het Noorden te herwinnen. Zutfen, Naarden en Haarlem, de beide eersten in 1572, Haarlem in 1573, moesten achtereenvolgens haar poorten openen voor de Spanjaarden, door Alva's zoon Frederik aangevoerd. Vreeselijk werden al die plaatsen geteisterd. Van de steden, te dier tijde door Alva's zoon aangevallen, hield alleen Alkmaar zich staande. Na Alkmaar was Leiden aan de beurt. Het bevel tot de insluiting dezer stad gaf Alva nog: de uitkomst zag eerst zijn opvolger. Reeds sinds lang had hij bij den koning op zijn ontslag aangedrongen. In 't laatst van 1573 werd de wensch van den dwingeland voor goed vervuld. Hij ging met schulden overladen en den vloek medenemende van al wat Nederlander was. Bij zijn vertrek moet hij zich hebben beroemd, 18,600 ingezetenen dezer landen door de hand des scherprechters te hebben laten ter dood brengen.
§ 13.
_De Nederlanden gedurende het bewind van Requ[=e]sens en van Don Jan van Oostenrijk.--De unie van Utrecht._
Alva's opvolger was ~Don Louis de Requ[=e]sens~. Hij was gematigd en van een geheel anderen aard dan zijn voorganger, zonder echter in de hoofdpunten een tegenovergesteld gevoelen te zijn toegedaan. Het eerste nadeel, dat hij ondervond, was dat Middelburg werd genoodzaakt zich in 1574 aan den prins over te geven. Hierop volgde echter de voor Nederland noodlottige slag op ~de Mookerheide~ of bij Mook (ten z. van Nijmegen), waar ~Lodewijk van Nassau~ met zijn broeder ~Hendrik~ omkwam. De eenige gunstige uitwerking, die Lodewijks inval teweeg bracht, was deze, dat de Spaansche troepen, die het beleg voor Leiden hadden geslagen, vandaar trokken, om bij Mook mede te strijden. Doch onmiddellijk na den slag werd het beleg hervat. In weerwil van de tegenwerking veler flauwhartigen werd de stad wakker verdedigd door ~Jan van der Does~, den standvastigen burgemeester ~Pieter Adriaansz. van de Werff~ en anderen. Toch was de hongersnood reeds op 't hoogst geklommen en zou de stad zijn bezweken, indien men niet de dijken had doorgestoken en de sluizen opengezet. In de eerste dagen van October 1574 blies de wind uit het n.w. en vervolgens uit het z.w. Nu drongen de wateren van den oceaan met onweerstaanbaar geweld landwaarts in en dreven de belegeraars op de vlucht. De 3de October was de dag van 't ontzet. Een vloot met levensmiddelen voer Leiden binnen en verzadigde de hongerenden. Tot belooning voor haar volharding verwierf de stad o. a. in 't volgende jaar een hoogeschool, die de prins en de staten haar uit naam van Philips schonken, want men hield zich nog steeds aan den ouden vorm en bestreed Philips' benden in naam van hemzelf.
Inmiddels sloeg Requ[=e]sens het beleg voor Zierikzee, doch mocht het einde dier onderneming niet beleven. Hij stierf in 1576. Bij gebrek aan eenige beschikking aanvaardde de raad van state, na Requ[=e]sens' dood, het bewind over de getrouw gebleven staten. Omtrent terzelfder tijd hield de raad van beroerte, die gedurende de regeering van Requ[=e]sens meer gekwijnd dan geleefd had, geheel op te bestaan, Weldra had de raad van state met onoverkomelijke bezwaren te worstelen. Zierikzee ging bij verdrag in handen der Spanjaarden over; maar onmiddellijk daarna stonden de Spaansche troepen, die op Schouwen lagen, op en eischten betaling van de sedert lang achterstallige soldij. Dicht ineengesloten, rukten zij met die officieren, welke het met hen eens waren, uit Zeeland naar Brabant. Waar zij kwamen, plunderden zij de kleine steden en stroopten het platteland af. Terwijl de staten der Zuidelijke Nederlanden nu begrepen, op niemand dan op zichzelven te moeten rekenen, was de muiterij der soldaten voor Willem een hefboom van onberekenbaar gewicht. Op zijn aanvraag kwamen de afgevaardigden uit het meerendeel der Zuidelijke gewesten te Gent bijeen, ten einde een verbond te sluiten met Holland en Zeeland. Te midden van het raadplegen dezer gemachtigden of der Algemeene Staten richtten de Spaansche soldaten, van alle kanten te Antwerpen bijeengeschoold, in deze stad een tooneel van moord en plundering aan, gruwelijker dan nog ergens was aanschouwd. De daad zelve, als het toppunt aller gruwelen, door dat krijgsvolk aangericht, noemt men _de Spaansche furie_. Zij oefende een krachtigen invloed op de beraadslagingen der staten. Den 8sten November was het stuk gereed, bekend onder den naam _pacificatie_ of bevrediging _van Gent_. Het stelde een vereeniging vast tusschen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden, waarbij men overeenkwam, om de Spaansche soldaten den lande uit te drijven en zich later op het stuk van godsdienst onderling te verstaan.
Vier dagen vóór de afkondiging van het Gentsche verdrag overschreed de man, dien Philips II tot opvolger van Requ[=e]sens had benoemd, de grenzen van Nederland en kwam te Luxemburg aan. Het was Philips' bastaardbroeder, ~Don Jan van Oostenrijk~ (zie blz. 48). Reeds had hij, hoe jong ook, schitterende lauweren behaald in de oorlogen tegen de Mooren en de Turken (_Overzicht_, 9de druk, blz. 140) en spiegelde zich van de toekomst een nog luisterrijker tijdperk voor. De aanvang beantwoordde niet aan die verwachting. Want de Algemeene Staten gaven hem welhaast te kennen, dat zij, niet dan op zekere voorwaarden, hem als landvoogd konden erkennen. De gestelde eischen willigde Don Jan in bij een verdrag, gesloten in Februari 1577 en _het eeuwig edict_ geheeten. Hierbij werd de pacificatie bekrachtigd en de wegzending der vreemde troepen beloofd.
Van een bewind van den nieuwen landvoogd, in den eigenlijken zin, kan geen sprake zijn. Tevergeefs trachtte hij ook Willem, die volstrekt geen vertrouwen in hem stelde en zich, met Holland en Zeeland, zorgvuldig hoedde het eeuwig edict te onderteekenen, voor de zaak des konings te winnen. Eensklaps wierp hij in 1577 het masker der lijdelijke houding, dat hij tot dusver had gedragen, af door op zekeren dag in persoon het slot te Namen te verrassen en er zich te vestigen. Naar hij zeide, wilde hij zich beveiligen tegen de plannen, die men tegen hem smeedde. Aan de Algemeene Staten scheen het toe, dat hij hierdoor alle recht had verbeurd om met eenig gezag in de zeventien gewesten op te treden.
Terwijl Don Jan op die wijze al zijn macht verloor, of liever niet tot de oefening der macht kon geraken, groeide die van Willem steeds aan. Hij werd uitgenoodigd te Brussel te komen, en, door den invloed van den derden stand, tot _ruwaard_ van Brabant benoemd. De reden dier benoeming was hierin gelegen, dat de zetel der regeering ledig stond. Deze toenemende invloed van den prins ook op de zaken van het Zuiden verbitterde de edelen dier landstreek. Zij waren het, die, in den waan aan Oranje een doodelijken slag toe te brengen, den jeugdigen aartshertog van Oostenrijk ~Matth[=i]as~ (_Overzicht_, 9de druk, blz. 130) in het land riepen. Toen toonde Willem, hoe groot zijn meerderheid van geest was. Hij verzette er zich niet tegen, dat de Algemeene Staten Matth[=i]as in 't begin van 1578 tot landvoogd benoemden, maar onder zulke voorwaarden, dat hij niets vermocht. Terecht noemde het volk Matth[=i]as _'s prinsen griffier_, want zijn werkzaamheid bepaalde zich tot het onderteekenen van stukken. Intusschen hadden de Algemeene Staten uitdrukkelijk verklaard, dat zij Don Jan niet langer als landvoogd erkenden.
Bij alle wisseling van gebeurtenissen bleef Willem van Oranje verdraagzaamheid jegens andersdenkenden in 't stuk van den godsdienst voorstaan. Zelf was hij aan 't hof van Karel V in den Roomsch-katholieken godsdienst opgebracht. Dien bleef hij, voor het uiterlijk, getrouw tot 1573, toen hij tot de hervormde kerk, naar de begrippen van Calvijn, overging. Maar zijn geheele leven door was hij een vurig voorstander van de verdraagzaamheid. De dag was echter nog evenmin aangebroken voor het betoonen eener ware verdraagzaamheid, als voor een vereeniging van het Noorden en het Zuiden. Dit bewijzen de gebeurtenissen der jaren 1578 en 1579. Het jaar 1578 werd geopend met de aankomst van den hertog van Parma, ~Alexander Farnese~, een zoon van Margareta (zie blz. 48). Welhaast vond hij, die een niet minder ervaren staatsman dan veldheer was, een geschikte gelegenheid om Henegouwen, Artois, Douai (ten n.o. van Atrecht) en een paar andere steden uit de Zuidelijke Nederlanden tot terugkeer onder 's konings gezag te nopen. Reeds in Januari 1579 verklaarden zij zich hiertoe bereid en sloten een paar maanden later _het verdrag van Atrecht_, waarbij zij zich op nieuw aan de Spaansche heerschappij onderwierpen. Dien gunstigen keer der Spaansche zaak beleefde Don Jan niet meer. Hij stierf in October 1578. Terstond bij zijn verscheiden rees er argwaan van vergiftiging en vermoedde men, dat de misdaad op last van Philips was bedreven. Echter is het feit nimmer bewezen. Alexander Farnese trad onmiddellijk als Don Jans opvolger op.
Hoe langer hoe meer werd het zichtbaar, dat de kracht van den opstand hoofdzakelijk of bij uitsluiting in het Noorden moest worden gezocht. Geheel deze streek stond tegenover Spanje in de wapens. Er ontbrak slechts een verbond, om dezen toestand duurzaam te maken. Maanden lang werd hierover onderhandeld. In Januari 1579 kwam er een einde aan de overwegingen. Den 22sten en den 23sten dier maand werd de beroemde _unie van Utrecht_ gesloten en geteekend, de grondslag van dezen staat, een vereeniging ten eeuwigen dage tusschen de Noordelijke gewesten, als waren zij maar één landschap, tot onderlingen bijstand tegen alle geweld en den gemeenen vijand. Zij werd geteekend door Willems broeder ~Jan~, haren ontwerper, Holland, Zeeland (met uitzondering van Middelburg), Utrecht, de Ommelanden en een deel van Gelderland. In Mei teekende Willem; de overige deelen van Gelderland volgden in 1579 en 1580. Drente voegde zich, ofschoon het er slechts kort bij bleef, in April 1580 bij de unie, Overijsel in 1591. Friesland sloot zich, van 1579 tot 1598, bij gedeelten bij de unie aan. De stad Groningen, die niet toetrad, werd in 1594 door Maurits tot de unie gebracht. Eindelijk voegden zich nog eenige Zuid-Nederlandsche steden, als Antwerpen, Gent, Brugge, bij de unie.
De unie van Utrecht werd de hoeksteen van de Nederlandsche Republiek. Hoewel zij het geenszins was, werd zij later, toen de onafhankelijkheid van den staat was verzekerd, aangemerkt als de grondwet van het bondgenootschappelijk staatsgebouw, echter niet zonder afwijking en onuitgevoerde bepalingen. De hoofdinhoud der unie komt op het volgende neer. Elk gewest zal zijn voorrechten behouden; zijn onafhankelijkheid blijft ongeschonden. Ter bestrijding van de kosten van 's lands verdediging zullen op eenparigen voet belastingen worden geheven. Over zaken, de Generaliteit betreffende, mag geen bestand of vrede gesloten, noch oorlog begonnen, verder geen belasting over alle gewesten uitgeschreven worden, dan met eenstemmig goedvinden der gewesten. Kunnen de leden het over deze punten niet eens worden, dan zal de zaak worden onderworpen aan de uitspraak van de stadhouders der gewesten. In andere stukken zal de meerderheid beslissen. Uit de mannelijke ingezetenen dezer landen, tusschen de achttien en de zestig jaren oud, zal een krijgsmacht worden samengesteld.--Op verre na niet alle artikels der unie werden evenwel nageleefd, b. v. dat omtrent de belastingen, de krijgsmacht, enz.
§ 14.
_Van de unie van Utrecht tot de vestiging der Republiek van de Zeven Vereenigde Nederlanden._
Een van de onderteekenaars der unie van Utrecht was ~George van Lalaing graaf van Rennenberg~ (een voormalig graafschap in Limburg, tusschen Sittard en Valkenburg). Doch ternauwernood had hij ze geteekend, of hij viel, met een aanzienlijke som omgekocht, in 1580 van haar af en bracht, door verraad en geweld, de stad Groningen, Drente en een deel van Overijsel onder de Spaansche heerschappij terug. Slechts Steenwijk bleef voor den prins behouden. Niet lang genoot Rennenberg de vruchten van zijn verraad. Hij stierf reeds in 1581.
Willem, door dien afval zeer verslagen, werd bovendien diep geschokt door den ban, dien Philips, op raad van Granvelle, over hem uitsprak. In dit stuk, dat in Augustus 1580 in de Nederlanden werd afgekondigd, stelde de koning een prijs van 25,000 gouden kronen (elke ter waarde van omtrent 3 gl.) op het hoofd des grooten mans en beloofde brieven van adel te zullen uitreiken aan wie het trof. Één jaar na de afkondiging van den beruchten ban, den 26sten Juli 1581, zwoeren de Algemeene Staten, in den Haag vergaderd, Philips plechtig af. Het beginsel, waarvan deze daad uitging, was, dat de onderdanen niet door God zijn geschapen ten behoeve van den vorst, om hem als slaven te dienen, maar de vorst ten dienste van de onderdanen, zonder welke hij geen vorst is, ten einde hen volgens het recht en de rede te regeeren en lief te hebben, gelijk de herder zijn schapen.
Terzelfder tijd droeg Holland den prins de hooge overheid op en bekleedden de overige gewesten ~Frans van Anjou~, een broeder van Hendrik III, koning van Frankrijk (_Overzicht_, 9de druk, blz. 143), met het oppergezag. Matth[=i]as, nu overbodig geworden, verliet het land in 1581, zonder eenig spoor van zijn verblijf achter te laten. Anjou kwam eerst in Februari 1582 in de Nederlanden. Ook zijn macht was in vele opzichten aan banden gelegd. Zijn titel was hertog van Gelderland en Brabant, graaf van Holland en Zeeland, enz. Vreemd was vooral zijn verhouding tot deze beide gewesten. Zij hielden zich aan Willem, maar stemden er tevens in toe, ter bewaring der eendracht, zich, ten aanzien van sommige algemeene zaken, aan Anjou te onderwerpen.
Weldra oefenden de schitterende beloften, door Philips gedaan, haar werking. In Maart 1582 loste ~Jan Jaureguy~, een bediende van ~d'Anastro~, een Spaansch koopman te Antwerpen, in die stad een pistoolschot op den prins en wondde hem. 's Prinsen gevolg doodde den misdadiger onmiddellijk; doch de hoofdaanlegger van het bedrijf, d'Anastro, ontkwam door de vlucht. Langzaam genas de prins. Nieuw verdriet berokkende hem de verraderlijke aanslag van Anjou, verontwaardigd over de perken, binnen welke zijn gezag was omschreven. Om zich van die bepalingen te ontslaan, leverde hij een tegenhanger van Don Jans trouwelooze daad. In Januari 1583 bemachtigden zijn troepen Duinkerken en andere sterke plaatsen in de Zuidelijke Nederlanden. Zelf deed Anjou, ter voltooiing van dit werk, dat men _de Fransche furie_ noemt, met zijn soldaten een moorddadigen aanval op de burgers der stad Antwerpen, die echter door de ingezetenen zelven met gunstig gevolg werd afgeslagen en hem op een paar duizend zijner officieren en krijgsknechten kwam te staan. Hierop keerde Anjou naar Frankrijk terug en overleed er in 1584. Een der boden uit Frankrijk, welke de tijding van dien dood aan den prins overbracht, was ~Balthazar Gerard~, of, gelijk hij voorgaf te heeten, ~François Guyon~.
Deze man was de zesde, die in het tijdsbestek van twee jaren, door geld- en dweepzucht vervoerd, met medeweten van Parma, Willem van Oranje naar het leven stond. Zijn verderfelijk opzet, de grootste ramp, welke Nederland in die dagen kon treffen, gelukte maar al te wel. De vader des vaderlands viel den 10den Juli 1584 te Delft, doodelijk getroffen door het pistool van den sluipmoordenaar. De booswicht werd terstond gegrepen en op gruwelijke wijze ter dood gebracht.