Beknopte geschiedenis van het vaderland

Part 5

Chapter 53,652 wordsPublic domain

Groningen was bestemd om in het lot van Friesland te deelen. Hoe langer hoe minder gold in dit gewest, als 't verst verwijderd zijnde van zijn zetel, het gezag van den bisschop van Utrecht. Eensdeels door den strijd hierover, anderdeels door dien met de Ommelanden en vermits de verdeeldheden der Schieringers en Vetkoopers ook hier haar werking deden gevoelen, verzwakte Groningens kracht. Dus kon ~Albrecht van Saksen-Meiszen~, in 1499 door Maximiliaan tot heer van dit gewest benoemd, een poging wagen om het te vermeesteren. Doch de heerschappij der Saksen was hier van even korten duur als die van ~Karel van Egmond~, die er eveneens zijn gezag trachtte te vestigen. Eindelijk ziende, dat ook Karel van Egmond hen niet op voldoende wijze tegen Karel V konde beschermen, boden de Groningers dezen vorst in 1536 de opperheerschappij aan. Karel V nam het aanbod aan.

Tusschen de landdagen in Friesland en die van andere gewesten bestond een groot verschil. De landsvergadering van Friesland berustte niet, gelijk elders, op een vertegenwoordiging der standen, maar van landschappen. Zij was samengesteld uit de afgevaardigden van Oostergo, Westergo en Zevenwouden. Deze algemeene landdag besliste over 's lands hoogste belangen, over vrede en oorlog, enz. Bij zware onlusten echter, hoedanige Friesland zoovele beleefde, verliepen er dikwijls jaren, dat geen algemeene landdag werd gehouden en dat er slechts afzonderlijke vergaderingen bijeenkwamen der vertegenwoordigers van het eene of andere gedeelte van Friesland. Aan het hoofd der gemeenten in Friesland stonden _grietmannen_, welke naam wordt afgeleid van een oud-Friesch werkwoord, dat "aanklagen, in rechten vervolgen" beteekent.

De Ommelanden van Groningen bestonden uit drie kwartieren, Hunsingo, Fivelingo en het Westerkwartier. Westerwolde (zie boven blz. 13) is tot 1795 een afzonderlijke heerlijkheid geweest. Sedert 1594 merkten de Staten-Generaal zich als leenheeren van Westerwolde aan. De stad Groningen kocht die heerlijkheid in 1619 voor ruim 140,000 gl. en bezat ze als zoodanig tot de omwenteling van 1795. De eigenerfden en andere afgevaardigden uit die drie kwartieren stelden de vergadering der staten samen. Later kwam er de stad bij. De eigenerfden waren diegenen, die, krachtens hun eigendommen, zonder volmacht of verkiezing ten landdage verschenen.

§ 10.

_De Nederlanden onder het bewind van Karel V._

Zóó waren dan de zeventien onder één heerschappij, die van ~KAREL~ V (1543-1555), vereenigd. Het waren bloeiende staten met een krachtige bevolking. Vischvangst, handel en zeevaart waren de rijke bronnen, die het bestaan der Nederlanders verzekerden, daarbij landbouw en veeteelt. Vooral was _de groote visscherij_, de haringvangst, vermaard, een ware goudmijn, daar zij aan meer dan 20,000 huisgezinnen het onderhoud verschafte. De haring werd jaarlijks van den 24sten Juni tot den 25sten November op de kusten van Engeland en Schotland gevangen. Er waren jaren, dat er tot 1500 haringbuizen uit de Nederlandsche havens in zee liepen, alleen uit Enkhuizen 140. Geen volk wist den haring zoo goed te bereiden als de Nederlanders, weshalve de Hollandsche haring, als zijnde de beste van smaak en de duurzaamste, op de vreemde markten het meest gewild was. De haring werd (zie blz. 32) òf als _pekelharing_, òf, gerookt zijnde, als _bokking_ gegeten. Van groot gewicht was mede _de walvischvangst_, waarmede men in de 17de eeuw een begin maakte en waarvoor de Staten-Generaal in 1614 uitsluitend _octrooi_ of vergunning gaven aan de Noordsche compagnie. Ten behoeve dezer visscherij werden in die eeuw jaarlijks omstreeks 250 schepen uitgerust, die, met het oog op het doel, de koude van Groenland, Spitsbergen, enz. trotseerden.

Vele zijn de oorzaken, die Nederland tot een land van handel en zeevaart bij uitnemendheid hebben gemaakt: de ligging aan de Noordzee; de menigte van bevaarbare rivieren en kanalen; de persoonlijke vrijheid, die, hoe ook beperkt, hier meer dan elders werd geëerbiedigd en velen noopte zich er metterwoon te vestigen. Sedert het einde der 15de eeuw was Antwerpen de hoofdzetel van den handel. Er waren meer dan 1000 vreemde handelshuizen gevestigd. De beurs, elken dag tweemaal gehouden, telde telkens meer dan 5000 bezoekers. Den handel op de Oostzee, in hout en graan, had hoofdzakelijk Amsterdam, toen reeds bij Venetië vergeleken en de korenmarkt van Europa genoemd. Nog is niet gewezen op de vrachtvaart, die zeer aanmerkelijke voordeelen opleverde, en geen gewag gemaakt van de velerlei fabrieken, waarmede de nijvere en dichte bevolking zich bezig hield.

Van wetenschappelijke beschaving kan nog maar weinig sprake zijn. Toch ontbrak het niet aan de beginselen. Reeds had ~Jakob van Maerlant~ zijn _spiegel Historiael_ in 't licht gegeven. Wat de fraaie letteren in engeren zin aangaat, van lieverlede was een Nederlandsche letterkunde ontstaan, waarvan het begin in het laatste vierendeel der 12de en het eerste der 13de eeuw is te zoeken. Vóór dien tijd waren onze voorouders in taal, zeden en gewoonten nog Duitschers. In de 12de eeuw kwam de Nederlandsche taal uit het Nederduitsch voort. Zij heette gedurende de Middeleeuwen het Vlaamsch. Onder de werken, die tezamen uitmaken hetgeen men onze Middeleeuwsche letterkunde noemt, vindt men weinig of geen oorspronkelijke gedichten. Aan Frankrijk ontleend is het vermaarde gedicht _Reinaert de vos_, dat in zijn Vlaamschen vorm zoozeer de aandacht trok, dat het uit die taal in vele andere werd overgebracht en als voortreffelijker wordt aangemerkt, dan het oorspronkelijke Fransche stuk. Tegen het einde der Middeleeuwen namen, naarmate de opkomst der poorters den invloed der edelen deed afnemen, de tooneeldichten op het gebied der letterkunde de voornaamste plaats in. Het waren de vele Rederijkerskamers, met het Bourgondische huis (zie blz. 30 vlg.) opgekomen, welke aan die gedichten het aanzijn gaven.

Om die bloeiende zeventien landen was nu de band der eenheid geslingerd. Maar het was slechts een persoonlijke band. Ook van Karel V was het het streven, de staatseenheid der zeventien te bevorderen. Te dien einde bedong hij in 1548, bij _het verdrag van Augsburg_, ten behoeve van het Oostenrijksche huis, dat alle Nederlandsche gewesten geheel onafhankelijk van Duitschland zijn, doch onder de hoede van dit rijk staan zouden, mits zij een zeker aandeel in de rijkslasten droegen. In de wijze, waarop Karel de regeering inrichtte, valt hetzelfde beginsel der eenheid op te merken: één landvoogdes met drie raden, haar toegevoegd. Landvoogdes of _gouvernante_, zooals men destijds zeide, was sedert 1530 's keizers zuster ~Maria~, koningin-weduwe van Hongarije. De drie raden, die hij in 1531 in 't leven riep, waren _de raad van state_, _de geheime raad_ en _de raad van financiën_, van welke de eerste slechts werd geraadpleegd, maar de beide andere uitvoerende macht hadden. Ook stond met Karels hoofdoogmerk in verband het bij herhaling bijeenroepen der Algemeene Staten, dat gedurende zijn regeering meer dan vijftig maal plaats had.

Karel V is een der grootste figuren op het tooneel der wereldgeschiedenis. De kennis van de rol, die hij vervulde, moet dáár worden gezocht. Zijn geschiedenis is, voor een deel, die der Nederlanden gedurende de jaren zijner regeering. Onder de bijzondere gebeurtenissen, alhier in dien tijd voorgevallen, is een der merkwaardigste het dempen van het oproer te Gent, een der machtigste steden van Europa. Karel vorderde van Vlaanderen een bede van 400,000 gl., als derde deel eener som, hem door de Algemeene Staten toegestaan. De overige leden der staten van dit gewest stemden toe; alleen Gent weigerde. Vreeselijk was de wraak, die op het hoofd der Gentenaars neerkwam. Karel trok in 1540 in persoon naar de stad en velde het vonnis.

Doch één grootsche gebeurtenis uit Europa's geschiedenis is er bovenal, die mede op Nederland in 't bijzonder betrekking heeft. Toen in Duitschland Luther den stoot aan de hervorming der kerk had gegeven, werd ook in dit land het zaad gestrooid. De kiem kwam op en werd een krachtige boom. De ergernis, die de handel in aflaten alom in Europa verwekte, deelden insgelijks de Nederlanders. Zij waren er niet blind voor, dat het leven, hetwelk de meerderheid der geestelijken leidde, in vele opzichten in lijnrechte tegenspraak was met hun roeping en dat de kennis, welke de meesten hunner van 't Evangelie hadden, uiterst gering was. Menig Nederlander bevond zich dan ook onder de edele en verlichte mannen, de voorloopers der hervorming, die tegen de heerschende gebreken optraden en ze des te vrijmoediger bestreden, hoe meer hun geest door de op nieuw ontwaakte studie der oudheid aan onderzoek en nadenken was gewoon geworden. Men denke aan ~Wessel Gansfort~, geboren te Groningen; aan ~Rudolf Agric[)o]la~, aan ~Gerrit Gerritsz~, meer bekend onder den naam ~Desiderius Erasmus~, afkomstig uit Rotterdam, die in 1536 stierf.

Hoe meer de leerstellingen van Luther en van Zwingli in de Nederlanden doordrongen, des te meer aanhangers vonden zij er. Grenzende aan Duitschland, moest Nederland spoedig bekend worden met de nieuwe begrippen, die dáár zoo welig wortel schoten Bovendien bevorderde de handel door de vele vreemdelingen, die hij naar dit land lokte, de kennis van de leer der hervorming. Doch meer dan Luthers of Zwingli's stelsel verbreidde zich dat van Calvijn over een aanmerkelijk deel van het land. Een groot aantal van de eerste predikers van den hervormden godsdienst, die ons land binnenstroomden, kwam, door de Zuidelijke Nederlanden heen, uit Frankrijk. Het zaad, zoo welig uitgestrooid, viel in een vruchtbaren bodem en schoot wortel.

Bij alle hervormingen treft men veelal een partij aan, die zich aan overdrijving schuldig maakt. Bij de hervorming, die thans plaats greep, waren dit de Wederdoopers. Met die Wederdoopers behooren, gelijk dikwerf is geschied, _de Doopsgezinden_ niet te worden verward. Vaak worden de laatsten ook _Mennonieten_ genoemd, naar ~Menno Simons~, die, tot 1536 Roomsch priester zijnde te Witmaarsum (ten n.w. van Bolsward), een tijdlang een leerling was van een prediker der Wederdoopers in Friesland, Ubbo Philips geheeten. In 't genoemde jaar ging hij tot een der talrijke en onderlinge zeer uiteenloopende vereenigingen der Doopsgezinden over en verzette zich weldra sterk tegen de buitensporigheden der Wederdoopers.

Maar Karel V is vast besloten, al moet hij in Duitschland veel toegeven en met de omstandigheden te rade gaan, in zijn erflanden ten minste de hervorming uit te roeien. Elf plakkaten vaardigde hij achtereenvolgens tegen haar uit, het eene harder dan het andere. In 1522 werden er inquisiteurs, bij verzachting "geestelijke rechters" geheeten, benoemd. Was de inrichting dier inquisitie, in wreedheid en ergerlijke wijze van rechtspleging, in 't geheel niet gelijk aan de Spaansche, zij werkte, naar de opvatting der landzaten, veel te krachtig. Dit moet waar zijn, wanneer er--gelijk te boek staat--onder Karels regeering 50,000 menschen om des geloofs wille ter dood zijn gebracht. Intusschen is het zeker, dat, hoevele duizenden het getal offers der onverdraagzaamheid ook moge hebben beloopen, wederom het bloed der martelaars het zaad der kerk werd.

Dit is een schaduwzijde in het anders vrij heldere tafereel van Karels regeering. Het is niet de eenige. Op velerlei wijze werd het handvest "de non evocando" geschonden, doordat men de staten buiten hun gewest riep en, b. v. in gevallen van majesteitsschennis en bij vergrijpen tegen den godsdienst, de beschuldigden voor andere dan voor hun natuurlijke rechters daagde. Verder werden aan vreemdelingen ambten gegeven. Vaak verzetteden zich de staten tegen zulke gewelddadigheden, doch meestal zonder vrucht. Want Karels grondbeginsel was, dat het grootste voorrecht van een volk was, geen voorrechten te bezitten. Ook aan zware beden, die eerder belastingen mochten heeten, ontbrak het niet en, wat het ergste is, bij weigering werd vaak dwang gebezigd. "Hier," zegt een Venetiaansch gezant, "waren de eigenlijke schatten van den koning van Spanje; hier waren zijn bergwerken, zijn Indië."

Wil men echter billijk zijn, dan behoort men niet te vergeten, dat de Nederlanden gedurende het bewind van Karel V tot een trap van aanzien stegen, gelijk zij dien nimmer hadden gekend, en dat de vorst den grondslag legde van een geregeld bestuur en van een geordende administratie. Hoe men ook jammerde over het verlies der oude zelfstandigheid, de slotsom was verademing en voorspoed. Daarom, dewijl hij gaarne in het land vertoefde, waar zijn wieg had gestaan, en uit hoofde van zijn minzaamheid was het Nederlandsche volk hem getrouw en aan hem gehecht. Daarom was het leedwezen des volks oprecht gemeend, toen Karel afstand deed van het bewind en het aan zijn zoon Philips opdroeg.

Het voornemen om zijn kronen neer te leggen was sinds lang bij Karel opgekomen. Geheel ontstemd door het mislukken zijner grootsche ontwerpen, teleurgesteld in zijn plannen om in al zijn landen een onbeperkt vorstelijk gezag te vestigen en de eenheid in de Christelijke kerk te herstellen, terneergebogen onder lichamelijke zwakheid en wegens de uitputting zijner schatkist de toekomst met zorg te gemoet ziende, ging hij thans tot de volvoering van het lang gekoesterde voornemen over. De afstand en de overdracht hadden den 25sten October 1555 te Brussel in een luisterrijke vergadering plaats. Ook Maria (zie blz. 45) legde haar waardigheid neder. In 't volgende jaar ging Karel onder zeil naar Spanje, waar hij in 1558 in het klooster Yuste (in 't n.o. van Estremad[=u]ra) overleed. Karel liet maar één zoon na, Philips II (III in Holland en andere Nederlandsche gewesten), en een paar dochters. Van zijn natuurlijke kinderen zijn één zoon en één dochter zeer vermaard geworden. De dochter was Margareta, de zoon Don Jan van Oostenrijk. Onder de vele edelen zijner hofhouding was er niemand, dien hij meer vertrouwde, dan Willem van Oranje, hoe jong deze prins destijds ook was (zie beneden, blz. 49).

§ 11.

_De Nederlanden onder Philips II tot de komst van Alva._

Karels opvolger ~PHILIPS~ II (1555-1581), gelijk hij doorgaans wordt genoemd, was in de Nederlanden geen vreemdeling. Reeds in 1549 had zijn vader hem hierheen ontboden, om hem aan zijn toekomstige onderdanen voor te stellen. Die eerste ontmoeting had bij de Nederlanders geen gunstigen indruk achtergelaten. En de tweede ontmoeting, bij en na Karels plechtigen afstand, bracht hierin geen verandering teweeg. Philips was geheelenal een Spanjaard, koel, afgemeten en trotsch. Hij had een afkeer van het land en van den aard der Nederlanders, en zij van hem, die geen gemeenzaamheid duldde en geen afdalen kende. Hij verstond noch de taal des lands, noch sprak een der talen, waarmede de natie vertrouwd was. Hij achtte de handhaving van den katholieken godsdienst zijn hoofdplicht. Hiervoor had hij alle krachten van lichaam en ziel veil; hieraan was een goed deel zijner verbazende, maar kleingeestige werkzaamheid gewijd. Even onwrikbaar als hij aan de instandhouding van 't koninklijk gezag de hand hield, bleef hij aan den grondregel van al zijn zeggen en doen getrouw. Die blinde en bijgeloovige gehechtheid aan de kerk herschiep hem in een dwingeland.

Tot 1559 bleef Philips in de Nederlanden. Toen ging hij. Doch aleer hij vertrok, regelde hij het bestuur dezer landen. ~Margareta van Parma~ (zie blz. 48) werd landvoogdes. Zij was getrouwd met Octavius Farnese, hertog van Parma, die evenwel in Italië bleef. De drie boven genoemde (zie blz. 45) regeeringslichamen stonden haar ter zijde. President van den raad van financiën, was ~Karel, baron van Barlaimont~ (in 't n. van Frankrijk, nabij Avennes), van den geheimen raad ~Viglius~ of ~Wigele van Aytta~ van ~Zuichem~ (ten z. van Leeuwarden), een Fries van afkomst en een groot rechtsgeleerde, doch die aan groote rechtskennis veel hebzucht paarde. In den raad van state hadden o. a. zitting: ~Antonius Perenot~, bisschop van Atrecht, de prins van Oranje, ~Lamoraal, graaf van Egmond~, later ook de ~Montmorency, graaf van Hoorne~ (ten n. van Loon, zie blz. 17). Voor Brabant, waar de landvoogdes haar verblijf hield, werd geen stadhouder benoemd. De stadhouders der overige staten waren o. a.: Willem van Oranje van Holland, Zeeland en Utrecht; de graaf van Egmond van Vlaanderen en Artois; Johan van Ligne, graaf van Aremberg (ten z. van Keulen), van Friesland, Groningen, Drente en Overijsel; de baron van Barlaimont van Namen. Elke stadhouder was tevens bevelhebber der krijgsmacht van zijn gewest.

Een enkel woord over Willem van Oranje, weldra den hoofdpersoon van den tegenstand tegen Philips, en dan over Perenot. In het huis van Nassau onderscheidde men sedert het midden der 13de eeuw twee liniën. De oudste bleef in Duitschland. De jongste is die van _Nassau-Dillenburg_. Deze tak verwierf al vroeg verscheidene bezittingen in de Nederlanden. Willem, de grondlegger der onafhankelijkheid van Nederland, was een zoon van Willem den rijke, graaf van Nassau-Dillenburg, geboren in 1533. Rijk was zijn vader, althans in kinderen. Hij had vijf zonen: Willem, Jan den oude, Lodewijk, Adolf en Hendrik. Talrijk waren de bezittingen van zijn zoon Willem op Nederlandschen bodem. Bovendien erfde hij van zijn neef Réné het prinsdom Oranje.

Antonius Perenot was een schrander en werkzaam staatsman, die zijn opkomst aan zichzelf had te danken. Hij was in Franche-Comté geboren, dat een deel had uitgemaakt van de erfgoederen van Maria, de dochter van Karel den stoute. Reeds dit nam de edelen tegen hem in, die, trotsch op hun geboorte, op hem, den vreemdeling, neerzagen. Doch voor een vreemdeling kon men hem eigenlijk moeilijk laten doorgaan. Was hij het, dan moest ook Willem als zoodanig worden aangemerkt, en in allen gevalle kon men dit bezwaar niet met recht aanvoeren tegen leden van den raad van state. Weldra verweet men hem met meer grond zijn heerschzucht, alsmede de minachting, die hij jegens zijn medeleden in den raad van state aan den dag legde. Tegen hem wendden zich toen allen, die een afkeer hadden van de regeering in Spaanschen zin, die Philips aan de natie wilde opdringen.

Ternauwernood was Philips in zee gestoken, of de Nederlandsche onderdanen hadden reeds menige grieve tegen hun heer. Zonder op den geest des tijds te letten, schreef hij een gestrenge uitvoering der plakkaten voor. Bij den afkeer, dien de Nederlanders en de Spanjaarden wederkeerig van elkander hadden, was het verlies van den hoogen rang, dien de Nederlandsche adel onder de beide vorige regeeringen had bekleed, dubbel onverdragelijk. Hierbij kwam de verbittering over de voortdurende aanwezigheid van 3 à 4000 man vreemde troepen, die, zooals het heette, ter bescherming van de grenzen moesten strekken. Bovenal vreesde men de verwezenlijking van een van Philips' geliefkoosde plannen, van dat der bisdommen. Tot dusverre was in Nederland geen aartsbisschoppelijke stoel geweest, doordien het geringe en onregelmatig verdeelde getal bisdommen onder vreemde aartsbisschoppen stond. Het ligt voor de hand, dat hieruit groote ongelegenheden ontstonden. De overwegende reden echter, waarom Philips de zaak der bisdommen wenschte te regelen, was de vermenigvuldiging der ketters. Voortdurend won de afkeer veld van een kerk, die, hoewel zelve geen bloed begeerende, duizenden door den wereldlijken armen liet ombrengen. Wellicht--meende Philips--kon nauw toezicht, leering en vermaning de zielen voor afval van de kerk behoeden of van den afval terugbrengen.

In 1559 vaardigde paus ~Paulus~ IV de bul, houdende de bepalingen omtrent de bisdommen, uit. De zaak zelve begon evenwel niet vóór 1561 werkelijkheid te worden, en met sommige zetels duurde het tot 1570, eer zij werden bezet. In 't geheel werden er 18 bisschopszetels opgericht, n.l. 3 aartsbisdommen (elke aartsbisschop was tevens bisschop van die streek, waarin zijn hoofdkerk lag,) en 15 bisdommen. Perenot of ~Granvelle~, tevens tot kardinaal benoemd, werd aartsbisschop van Mechelen. Onder hen, die zich tegen de nieuwe bisdommen verzetteden, waren ook de prins van Oranje en Egmond, die met vele anderen de dwaling deelden, dat Granvelle een van hen was, die den maatregel bevorderden. Thans weet men zeker, dat deze meening onjuist was. Maar ook andere bezwaren hadden Willem en vele edelen tegen den bisschop. Hij was de ziel van de regeering. Gelijk er veel buiten hen omging, zoo geschiedde er niets zonder hem, en Viglius liet zich geheel door hem leiden. Dit mishaagde hun zoozeer, dat, hoewel de vreemde troepen in 1560 werden verwijderd, er geen betere verstandhouding tusschen Granvelle en de genoemde edelen ontstond. Weldra weigerden Willem, Egmond en Hoorne in den raad van state zitting te nemen, zoolang Granvelle er kwam, die alle belangrijke aangelegenheden aan de kennis van dien raad onttrok. Van jaar tot jaar werd het standpunt van den kardinaal onhoudbaarder. Het regende schotschriften tegen hem, en de edelen vervolgden hem met bitteren spot. Ook Margareta, die ten laatste begon in te zien, hoe weinig gezag zijzelve in vergelijking met hem had, wilde wel van hem worden ontslagen. Zoo kwam in 1564 tot Granvelle een bevel van Philips, om het land te verlaten, waaraan hij onmiddellijk voldeed.

Na Granvelle's vertrek namen Willem, Egmond en Hoorne weder zitting in den raad van state. Wegens de overige moeielijkheden werd Egmond in 1565 naar Spanje gezonden. Die zending bracht geen verandering of wijziging teweeg. Egmond werd luisterrijk ontvangen; doch Philips' voorschriften bleven dezelfde. Langzamerhand ging intusschen de geest van tegenstand van de eerste edelen op die van den tweeden rang over, om later door het volk te worden gedeeld. Zoo ontstond in 1565 _het compromissum_ (gemeenschappelijke belofte) of het verbond der edelen, aan 't hoofd waarvan ~Lodewijk van Nassau~, Willems broeder, stond met ~Hendrik van Brederode~, een onstuimig man, die een woest leven leidde en slechts naar opwellingen, niet naar beginselen handelde. Het doel was, de invoering der inquisitie op elke wijze tegen te gaan. Niet alleen edelen, maar ook burgers teekenden het; niet alleen Lutherschen en Calvinisten, maar ook Roomsch-katholieken traden toe.

Schier de eenige daad van deze eedgenooten was de stap, dien zij den 5den April 1566 te Brussel deden. Toen boden zij in plechtigen optocht, ten getale van drie of vier honderd, de landvoogdes een verzoekschrift aan ter matiging van de plakkaten. Naar alle waarschijnlijkheid deed het woord van Barlaimont (zie blz. 49), toen tot de landvoogdes gericht, hun den naam _geuzen_ (_gueux_, bedelaars) geven. Niet zonder grond--men kan het niet verbloemen--werd die benaming op vele dier edelen toegepast. De schulden, waaronder zij ten gevolge hunner verkwistende levenswijze en van hun veelvuldige drinkgelagen gebukt gingen, rechtvaardigden ze maar al te zeer. Zelven namen de edelen dien naam volgaarne aan en droegen tevens de zinnebeelden der bedelaars. Margareta antwoordde weldra. Zij beloofde, een gezant naar Spanje te zullen zenden en eenige _moderatie_ of matiging in de uitvoering der plakkaten te zullen brengen, die evenwel zoo weinig in 't oog viel, dat het volk ze weldra _moorderatie_ noemde. Terwijl ~Jan van Glimes, markies van Bergen~ (d. i. Bergen op Zoom), en Hoorne's broeder, ~Floris van Montmorency, baron van Montigny~, nu als gezanten naar Philips vertrokken, kwam het prediken van 't Evangelie in 't open veld, niet meer des nachts, maar bij helder daglicht alom in zwang. Duizenden, op de beloofde matiging vertrouwende of hun overtuiging niet langer willende bedwingen, woonden de predikatiën, _hagepreeken_ genoemd, bij.