Beknopte geschiedenis van het vaderland
Part 4
Philips de goede is ook de eerste graaf, die een paar malen een vergadering der _Algemeene Staten_ bijeenriep. Reeds is in dit werk gewag gemaakt van het raadplegen der edelen, of der steden, of der edelen en steden tezamengenomen door de graven. Dergelijke bijeenkomsten, die voor ieder gewest in 't bijzonder werden gehouden, noemde men sedert Albrechts tijd _dagvaarten_, later _staten_, vermits de edelen en de steden, waaruit zij bestonden, de staten, d. i. standen des lands, vertegenwoordigden. Voor 't eerst komt die naam, wat Holland betreft, in 1428 voor. Het getal der steden, die doorgaans opkwamen, was _zes_, n.l. Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden, Amsterdam en Gouda. Voorzitter dier staten was aldáár hij, die het ambt van _'s lands advocaat_ bekleedde. In Zeeland bestond het lichaam der staten uit drie leden, n.l. uit den abt van Middelburg, de edelen en vijf steden. In plaats nu van, gelijk tot dusver, de staten van elke provincie in 't bijzonder, riep Philips eenige keeren die van alle gewesten gezamenlijk ter vergadering op, hierdoor den grond leggende tot het latere lichaam der Staten-Generaal. Zeer bekend is b. v. de vergadering der Algemeene Staten, die den 25sten April 1465 te Brussel plaats had.
De jaren van Philips' regeering zijn een van de merkwaardigste tijdperken der geschiedenis, zoowel wat zijn eigen daden betreft, als ten opzichte van de wereldgeschiedenis in 't algemeen. Tot die daden des vorsten behoort nog de instelling in 1430 van _de orde van het gulden vlies_. Het doel der instelling was, de edelen, wier ridderlijke dapperheid hij hoog waardeerde, ter bescherming van de kerk, nader onder elkander en aan zijn persoon te verbinden. Hijzelf was er het hoofd van. Geen der leden kon voor een andere rechtbank, dan voor die der orde, worden gedaagd. Het zinnebeeld der orde was het "lam Gods", dat de ridders aan een keten om den hals droegen.
Merkwaardig is de tijd van Philips' regeering. Immers in die jaren vallen de verovering van Constantinopel door de Turken, de invoering der vuurwapens bij de legers, waardoor aan het overwicht der edelen weder een gevoelige schok werd toegebracht, en de uitvinding der boekdrukkunst. De eer dezer uitvinding komt òf aan Laurens Janszoon Coster van Haarlem, òf, wat met meer recht schijnt te worden beweerd, aan Johan Guttenberg toe, die ongeveer 1455 te Maints leefde. De Nederlandsche gewesten dreven veel handel; hun zeevaart was belangrijk. Vlaanderen en Brabant waren beroemd door hun lakenfabrieken. De zetel van den handel in hout, vee, paarden en koren met de Oostzee en het Noorden van Europa was in Holland. Vele steden waren leden van het hanzeverbond. Een andere en rijke tak van bestaan was de haringvisscherij, die evenwel haar toppunt nog niet had bereikt. Willem Beukelszoon van Biervliet (in Staats-Vlaanderen), overleden in 1397, had het kaken en zouten van dien visch, die eertijds alleen versch werd gegeten, uitgevonden. De schepen, waarmede men ter haringvangst voer, heetten en heeten nog _buizen_. Aan 's volks tevredenheid over dien bloei is Philips' bijnaam toe te schrijven. Het volk noemde den vorst "den goede", die hun, in plaats van de lange regeeringloosheid en den burgeroorlog, wederom de weldaden van den vrede, de veiligheid en het recht deed kennen. Op die wijze betoonde het zijn dankbaarheid aan Philips, die, zijn eigen belang met dat zijner staten vereenzelvigende, de goede dagen van Willem III deed terugkeeren. Intusschen valt het niet te ontkennen, dat die bijnaam hem geenszins wegens overgroote goedheid van aard toekomt, daar menige harde daad tegen hem getuigt.
Philips liet, bij zijn dood in 1467, een welvoorziene schatkist aan zijn zoon, ~KAREL DEN STOUTE~ (1467-1477), na. Deze graaf nam, met het oog op het stelsel van zijn huis, twee gewichtige maatregelen. Vooreerst vestigde hij in 1474 _den grooten raad te Mechelen_ (zooals hij van nu af doorgaans heet). Verder richtte hij in 1471, op het voorbeeld van Karel VII, koning van Frankrijk (_Overzicht_, 9de druk, blz. 91), een staand leger ruiterij op. Tot de vermeerdering der erflanden van zijn huis legde hij den grond door in 1471 een verdrag te sluiten met ~Arnoud van Egmond~, hertog van Gelderland. Bij dit verdrag verpandde Arnoud hem zijn hertogdom voor een som van 300,000 gl., hem tevens tot erfgenaam benoemende. Maar de Gelderschen wilden Karel niet tot hertog hebben. Zóó brak er een oorlog uit, die meer dan een halve eeuw duurde. Gedurende zijn gansche regeering was er één hoofddenkbeeld, dat Karel beheerschte: de hoed, dien hij als hertog droeg, moest met een koningskroon worden verwisseld; de landen, die tusschen de Middellandsche Zee en de Noordzee, tusschen Frankrijk en Duitschland lagen, moesten onder zijn schepter worden vereenigd. Toen zijn plan om in overleg met keizer Frederik III dit doel te bereiken was mislukt, doordien de keizer in 1473 de stad Trier, waar men ter beraadslaging was bijeengekomen, snel weder verliet, besloot hij met geweld op te treden. Maar hij sneuvelde in 1477 bij ~Nancy~ (aan de Moezel, ten z. van Metz) in een slag tegen Réné, hertog van Lotharingen.
Zonder één zijner ontwerpen verwezenlijkt te zien, scheidde Karel uit het leven, al zijn landen in een ongelukkigen toestand aan zijn dochter ~MARIA~ (1477-1482) nalatende. Lodewijk XI verklaarde al wat leen was der Fransche kroon voor vervallen: Bourgondië werd vermeesterd, Artois en Picardië, zelfs Franche-Comté, aangetast, Vlaanderen bedreigd. In de Nederlanden zelven wilde men vóór alles waarborgen voor 't behoud der nationaliteit tegen Fransche overheersching, vóór alles herstel der geschonden privilegiën. Het gevolg was _het groot-privilegie_, dat Holland en Zeeland bedongen, aleer zij zich tot eenige opoffering ten behoeve van Maria verplichtten. In dit stuk stond de gravin een deel harer macht aan de staten af. Soortgelijke handvesten, als het groot-privilegie, werden ook aan andere gewesten, inzonderheid aan Vlaanderen, toegestaan. Terstond trad ~Maximiliaan~, een zoon van Frederik III, die nog in 1477 Maria's echtgenoot werd, tegen Lodewijk XI in het strijdperk. Doch eerst in 1493 gaf de koning van Frankrijk Franche-Comté en Artois, op eenige steden na, terug. Zich gedurende den strijd tegen Frankrijk van den bijstand zijner onderdanen willende verzekeren, sloot Maximiliaan zich nauwer bij de Kabeljauwschen aan. In 1482 overleed Maria, en Maximiliaan aanvaardde de voogdij voor zijn minderjarigen zoon Philips II of den schoone.
§ 7.
_Holland en Zeeland onder de eerste graven uit het Oostenrijksche huis._
De tijd van 't regentschap was zeer onstuimig en baarde Maximiliaan vele zorgen. In 1488 stonden de bewoners van Gent en Brugge op, rekenschap eischende van de opgebrachte gelden. Maximiliaan zelf, op dat tijdstip te Brugge vertoevende, werd met vele heeren van zijn gevolg gevangen genomen en in de woning van een bijzonder persoon in hechtenis gehouden. Sommige dier heeren werden gepijnigd, andere gedood, en Maximiliaan eerst na maanden ontslagen. Andere moeielijkheden had hij in Holland te bestrijden. De gunsten, door hem aan de Kabeljauwschen bewezen, riepen de partijschappen weder in 't leven. Onder de veelvuldige voorvallen van den vernieuwden strijd blijft bovenal de belegering van den toren te Barneveld (op de Veluwe) in 1482 in aller herinnering leven, niet zoozeer uit hoofde van het gewicht der zaak zelve, als wel om de wreedheid der Hoekschen en de zelfopoffering van den held van 't verhaal, ~Jan van Schaffelaar~, die erbij omkwam. In 1492 eindigde zoowel het oproer van _het kaas-_ en _broodvolk_, d. i. van hen, die, wegens den druk der belastingen, in Noord-Holland waren opgestaan, als de strijd der Hoekschen en Kabeljauwschen. De zege viel de laatstgenoemde partij ten deel.
In 1493 werd Maximiliaan koning van Duitschland. In 't volgende jaar aanvaardde ~PHILIPS~ II, ~DE SCHOONE~ (1494-1506)--aldus om zijn lichamelijke schoonheid geheeten--het hertogelijk, grafelijk en heerlijk bewind over de verschillende Zuid- en Noord-Nederlandsche staten. Zijn eerste daad, als vorst dier landen, was gericht tegen het groot-privilegie. Bij zijn huldiging verklaarde hij de privilegiën, geschonken na den dood van Karel den stoute, met goedvinden der staten zelven, plotseling vernietigd. In 1496 trouwde Philips met ~Johanna~, tweede dochter van Ferdinand II den katholieke, koning van Arragon, en van Isabella, koningin van Castilië. Dit huwelijk opende hem het uitzicht, eens den Spaanschen troon te zullen beklimmen. In 1504 ging hij naar Spanje, omdat Isabella was overleden en de krankzinnigheid zijner gemalin haar belette, de kroon van Castilië te dragen. Weldra aanvaardde hij het bewind over dit rijk; maar nog in 't zelfde jaar, 1506, stierf hij plotseling. Alzoo moest Maximiliaan voor de tweede maal het regentschap over de Nederlandsche staten op zich nemen. Hij, voor wien Maximiliaan de teugels der regeering in handen nam, was de zoon van Philips en van Johanna, Karel, in 1500 te Gent geboren.
In 1515 aanvaardde Karel, die in Duitschland de vijfde, in Spanje de eerste, in Holland en elders de tweede, enz. vorst van dien naam is en steeds ~KAREL~ V wordt genoemd, het bewind over de Nederlandsche staten. Weldra zag hij het aantal der landen, waarover hij den schepter voerde, toenemen. In 1516 volgde hij zijn grootvader Ferdinand in Arragon op en werd aldus koning van geheel Spanje. In 1519 werd hij keizer van Duitschland. Wat de Nederlanden betreft, in 1515 verkocht George van Saksen, een zoon van Albrecht (zie blz. 41), hem zijn rechten op Friesland voor 350,000 gl., terwijl de Friezen zelven hem in 1524 als heer erkenden. In 1528 stond de bisschop van Utrecht, ~Hendrik van Beieren~, hem de wereldlijke macht af over Utrecht en Overijsel. In 1536 erkende Groningen Karel als heer des lands en stond Karel van Gelder hem de heerschappij over Drente af. De laatste der Nederlandsche staten, waarmede dit voorbeeld werd gevolgd, was Gelderland, dat ~Willem van Gulik~ en ~Kleef~, een neef en opvolger van Karel van Gelder, door wapengeweld gedwongen, in 1543 aan Karel V moest afstaan. Zoo werd eerst Karel heer van de zeventien gewesten. Het waren vier hertogdommen: Brabant, Limburg, Luxemburg en Gelder; zeven graafschappen: Vlaanderen, Artois, Henegouwen, Holland, Zeeland, Namen en Zutfen; het markgraafschap Antwerpen; vijf heerlijkheden: Friesland, Mechelen, Utrecht, Overijsel, Groningen met de Ommelanden.
§ 8.
_Overzicht der geschiedenis van Gelderland gedurende de Middeleeuwen._
Thans moet, ten opzichte van Gelderland, Utrecht en de overige gewesten, eenigszins in bijzonderheden worden aangetoond, wat boven (blz. 13 vlg.) in algemeene trekken is ternedergesteld. Met de samensmelting van verschillende kleine heerschappijen tot één samenhangend geheel ging het ook hier langzaam. Buiten de streken, die hij reeds bezat, trok de graaf van Gelderland allengs verschillende alodiën van edelen aan zich, om ze als leenen weder te geven. Gelijk de macht van den graaf van Holland, groeide die van den graaf van Gelderland met de jaren aan: de afhankelijkheid van den keizer werd steeds minder. Had de graaf zich reeds in de 13de eeuw eenige rechten der kroon toegeëigend, het volle gezag als landsheer verwierf hij in al zijn uitgestrektheid in 1339. Toen immers benoemde Lodewijk van Beieren ~REINALD~ II of ~DEN ZWARTE~ (zie blz. 12) tot hertog, destijds een zeldzame verheffing. Insgelijks nam de macht des graven tegenover de edelen voortdurend toe. Van onafhankelijke en met hem gelijkstaande edelen werden zij langzamerhand zijn leenmannen, traden in zijn dienst en stonden hem bij het beheer des lands ter zijde. Later moesten zij een gelijke mate rechten, als zij genoten, zien toekennen aan de steden, sinds zij als gemeenten optraden. Invloed op den gang der zaken, in den eigenlijken zin, oefenden de steden, vereenigd met de edelen, eerst sedert 1418, toen zij met hen een verbond sloten, ten einde bij 's lands hachelijken toestand maatregelen van voorziening te nemen. Van nu af waren ridderschap en steden tot één lichaam van landsstenden--de naam _staten_ kwam eerst in 1477 in zwang--samengegroeid. Op eigen gezag bijeenkomsten houdende, verwierven en behielden alzoo de staten van Gelderland een voorrecht, dat elders de landsheer zich placht voor te behouden. Inzonderheid woog de stem der hoofdsteden zwaar.
Dit waren Nijmegen, Roermond, Zutfen en Arnhem, hoofdsteden der vier eveneens genoemde kwartieren, waarin Gelderland was verdeeld. Ieder kwartier had zijn bijzonderen landdag en werd in vele opzichten als een afzonderlijke staat aangemerkt. Maar een enkele maal werd er een vergadering van de staten der vier kwartieren gehouden. Die staten werden vertegenwoordigd door _de bannerheeren_, de ridderschap of edelen en de steden. De bannerheeren, die alle in het graafschap Zutfen woonden, droegen dien naam, dewijl zij of hun voorvaderen van den keizer het recht hadden verworven, onder hun eigen banier te dienen.
De stamhuizen, die over Gelderland het bewind hebben gevoerd, zijn _Gelder_, Gulik en Egmond. Een der graven van het eerste huis is Reinald II de zwarte, die in 1339 de hertogelijke waardigheid verwierf. Na zijn dood in 1343 volgde zijn oudste zoon ~REINALD~ III hem op. Welhaast geraakte hij in geschil met zijn jongeren broeder Eduard, die een deel eischte van de goederen, door hun vader nagelaten. Te dier tijd bestond er tevens vijandschap tusschen twee machtige geslachten, dat van Bronkhorst (tusschen Zutfen en Doesburg) en dat van de Eese of van Hekeren. De heeren van het laatstgenoemde geslacht droegen hun naam naar de ridderhofstede _de Eese_ (bij de Berkel, ten w. van Lochem) of naar een andere aanzienlijke bezitting, wellicht naar _Heker_ (nabij Doesburg gelegen).
De geschillen tusschen deze beide huizen ontaardden allengs in partijschappen, die der _Hekerens_ en der _Bronkhorsten_, waarin ook de steden deelden, vooral sedert Reinald de zijde der eersten koos, waarop de Bronkhorsten zich bij Eduard aansloten. De strijd werd met wisselende kans gevoerd tot 1361, toen Eduard den slag bij ~Tiel~ won en zijn broeder gevangen nam. Nu eischte Eduard de waardigheid van hertog voor zich. Reinald, aan die vordering voldoende, deed afstand van zijn titel en rechten ten behoeve van Eduard. Tien jaren lang regeerde ~EDUARD~ als hertog. Toen werd Reinald III weder op den hertogelijken zetel geplaatst. Bij zijn langdurige gevangenschap, in de laatste jaren op het huis Nijenbeek (tusschen Deventer en Zutfen, ten o. van Apeldoorn), werd hij, naar de overlevering luidt, zoo dik, dat hij zonder slot of grendel kon worden bewaard en men, bij zijn bevrijding, den muur van zijn vertrek moest doorbreken, om hem er uit te krijgen. Niet bestand tegen de veranderde levenswijze, welke de plotselinge omkeering in 's hertogen lot medebracht, stierf hij nog in 't zelfde jaar kinderloos.
In 1372 kwam _het huis Gulik_ in 't bezit der heerschappij. De eerste hertog hieruit was ~WILLEM~ I, later tevens hertog van Gulik; de laatste zijn broeder ~REINALD~ IV. Evenals zijn broeder liet hij, bij zijn dood in 1423, geen wettig kroost na. Het vooruitzicht op dit kinderloos overlijden, gevoegd bij de uitputting des lands, gaf aanleiding tot de bijeenkomst der landsstenden in 1418, waarvan boven is gewaagd. Weldra erkenden zij in 1423 ~ARNOLD~, een zusters kleinzoon van Reinald IV, uit _het huis Egmond_ (nabij Alkmaar), als hertog van Gelderland. Nog niet lang had hij de teugels van 't bewind in handen, of zijn onderdanen brachten allerlei grieven tegen hem in. Zij betroffen de nuttelooze oorlogen, door hem gevoerd, en de zware kosten zijner hofhouding. Groot was de last der schulden, waaronder de hertog steeds dieper gebukt ging. Ten laatste stelde 's hertogs zoon, ~ADOLF~, gesteund door 's hertogen gemalin, ~Katharina van Kleef~, zich aan 't hoofd der misnoegden. Den 9den Januari 1465 liet hij, te midden van den nacht, gedurende den fellen winter van dat jaar, zijn vader van het slot te Grave oplichten, naar Buren (ten n.w. van Tiel) overbrengen en dáár nauw bewaken. Terstond hierop matigde hij zich den titel en de rechten van hertog aan.
Niet lang duurde het, of Karel de stoute wierp zich als middelaar tusschen vader en zoon op. Hij liet Adolf in 1471 gevangen zetten en nam Gelder en Zutfen voor 300,000 gl. van Arnold in pand, die kort hierop, in 1473, stierf. De Gelderschen beschouwden deze verpanding van den beginne aan als onrechtmatig en krachteloos. Daarom gaf die verpanding het sein tot een oorlog van de Gelderschen tegen het huis van Bourgondië en dat van Oostenrijk, die, met korte tusschenpoozen, gedurende meer dan een halve eeuw werd gevoerd. Het begin van den oorlog was gunstig voor Karel. Reeds op 't einde van 1473 was hij meester van het hertogdom. Zwaar drukte de last der Bourgondische heerschappij op de Gelderschen. De stenden verloren het recht, zichzelven ter dagvaart te beschrijven. In 1477 gaf ook aan Gelderland de val van Karel den stoute eenige verademing. Doch ook Adolf stierf in 't zelfde jaar.
In 1492 plaatste Adolfs zoon ~KAREL~ zich aan 't hoofd der Gelderschen, ten einde den kamp tegen het Oostenrijksche huis te hervatten. De fortuin was hem, hoewel niet in den aanvang, gunstig. In 1513 had hij schier zijn gansche hertogdom heroverd. Doch nieuwe moeilijkheden baarde hem de komst aan 't bewind van Karel V. Overal, waar Karel zijn heerschappij trachtte te vestigen, niet alleen in Engeland, maar ook in Utrecht, Friesland, Groningen, Drente en Overijsel stiet hij op den hertog van Gelder (zie beneden blz. 41, 42). Karel van Gelder vond een krachtigen steun in ~Maarten van Rossum~ (ten o. van Zalt-Bommel, nabij de Waal), een veldheer, die tot zinspreuk had, "branden en blaken is het sieraad van den oorlog." Hem was het niet te wijten, dat zijn heer meer en meer in 't nauw werd gebracht door Karel V. Trapsgewijze moest de hertog van Gelderland voor den keizer wijken. Toen hij in 1538 stierf, kon hij vooruitzien, dat zijn opvolger, Willem van Gulik en Kleef, binnen kort zou worden gedrongen, Gelderland aan Karel V af te staan. Dit geschiedde in 1543.
§ 9.
_Overzicht der geschiedenis van Utrecht, Overijsel, Drente, Friesland en Groningen gedurende de Middeleeuwen._
De vroomheid der vorsten en heeren, die zich in de Middeleeuwen niet zelden openbaarde in 't schenken van goederen of gronden aan kerken, kloosters, abdijen, enz., kwam vooral, gelijk boven (zie blz. 12) is opgemerkt, te goede aan het bisdom Utrecht. Langzamerhand groeide de omvang van het Sticht en daarmede de wereldlijke macht van den bisschop aan. Die wereldlijke macht des bisschops werd zeer beperkt door de kanoniken der vijf kapittels, van welke boven (zie blz. 12) is gesproken. Zonder de toestemming dier kanoniken mocht de bisschop geen gebied van 't Sticht vervreemden, noch oorlog voeren of vrede sluiten, gelijk hij ook in het kerkelijke aan hun gevoelen gebonden was. Sedert hij in zijn oorlogen hoe langer hoe meer den bijstand der edelen en steden behoefde, begonnen ook zij invloed op 's lands regeering te krijgen. Zoo werd de grond gelegd tot de vergadering der staten van Utrecht, die sinds het laatst der 15de eeuw werden beschreven. Het eerste lid dier staten waren _de geëligeerden_, d. i. zij, die uit de vijf kapittels werden gekozen; het tweede de edelen, die ridderhofsteden bezaten; het derde de stad Utrecht, en wellicht mede de kleinere steden.
De naam Overijsel kwam eerst in de laatste helft der 15de eeuw op. Vóór dien tijd werd dit gewest niet als één staat aangemerkt, maar als een aantal van elkander onafhankelijke heerlijkheden. Reeds vroeg, immers sedert de 14de eeuw, werd de macht van den bisschop beperkt door den landdag, d. i. door de ridders en de groote steden Deventer, Kampen en Zwol. In Drente oefende _de kastelein_ (kasteelman) of _burggraaf van Koevorden_, in naam van den bisschop, het oppergezag. Hetgeen elders dagvaart of vergadering der staten werd genoemd heette hier _de landdag_. Op dien landdag verschenen de ridders, die elk een der achttien havezaten (kasteelen) moesten bezitten, en _de eigenerfden_.
Groot was de macht, die de bisschop hier te lande in de Middeleeuwen bezat. Hij had de geestelijke rechtspraak en kon boetedoeningen van vernederenden aard opleggen. De streek lands, waarover hij wereldlijk gezag had, was veel grooter dan het graafschap Holland of Gelderland. Maar dewijl het bisdom gelegen was tusschen Holland en Gelderland (zie ook boven blz. 16), was de bisschop onophoudelijk in geschillen gewikkeld met een dezer staten. Dit verzwakte zijn macht zoozeer, dat ~HENDRIK VAN BEIEREN~ zich verplicht zag, zijn wereldlijke macht over Utrecht in 1528 aan Karel V af te staan. In 't zelfde jaar erkenden de staten van Overijsel Karel V als heer. De bisschop hechtte zijn zegel aan deze overdracht van het Oversticht. Eveneens kwam Drente in 1536 aan Karel V.
Boven (zie blz. 15, 16) is den lezer medegedeeld, dat de koningen van Duitschland Friesland nu eens aan den graaf van Holland, dan weder aan den bisschop van Utrecht of den hertog van Gelderland schonken. Maar de Friezen bekommerden zich, gelijk wij nu en dan gelegenheid hadden te bespeuren, weinig om dit weggeven van hun land. Moesten de West-Friezen zich aan Floris V onderwerpen, de overigen schikten zich slechts tijdelijk in dit lot en wierpen het juk van den graaf van Holland af, zoodra hij met het meerendeel zijner troepen uit hun land was geweken. Twee eeuwen lang sproten voor de Friezen vele onheilen voort uit de geschillen der Schieringers en Vetkoopers. Zij namen tegen het einde der 13de eeuw een begin. _De Vetkoopers_ (d. i. handelaars in vette waren) ontleenden, naar men wil, hun naam hieraan, dat zij, de beste weilanden bezittende, den grootsten handel dreven in vette koeien, terwijl _de Schieringers_, waarschijnlijk (van _schier_, kaal) aldus werden genoemd uit hoofde van hun armoede en hun berooiden toestand, die zoo schril afstaken bij den rijkdom en de overdaad der Vetkoopers. Eindeloos waren hun verdeeldheden, en slechts dan, wanneer er gevaar van buiten dreigde, stonden zij als één man pal tegenover de vijand. Met de verwoestingen van den burgeroorlog paarden zich die van de overstroomingen. Het is schier ongelooflijk, hoevele watervloeden in de Friesche gedenkschriften zijn geboekt.
Door zoo velerlei onheilen overmand, moesten ook de Friezen ten laatste voor vreemd geweld bukken. Maximiliaans krijgsoverste, ~Albrecht~, regeerend ~hertog van Saksen-Meiszen~, was in 1498 zijn schuldeischer voor groote geldsommen wegens achterstallige soldij van 't krijgsvolk. Hij verpandde hem alzoo Friesland voor 300,000 gl. en bevestigde hem in _het erfpotestaatschap_ over dat land, hem door de Schieringers aangeboden. Hij mocht dan zien, hoe hij het vermeesterde. Albrecht slaagde in die taak. Hij stierf in 1500. Spoedig werden de Friezen zijn zonen, ~Hendrik~ en ~George~, die elkander in 't bestuur opvolgden, moede en riepen in 1509 ~Karel, hertog van Gelderland~, in het land. Daarom sloot George in 1515 een overeenkomst met Karel V, van wiens voorzaat zijn vader Friesland in pand had gekregen, waarbij hij hem dit land voor 350,000 gl. overgaf. Zoo stond ook hier Karel V tegenover Karel van Egmond. Groote diensten bewees den hertog van Gelderland de onversaagde Friesche zeeroover ~Groote Pier~, die, sedert de Saksische krijgslieden zijn huis te Kimswerd (ten z. van Harlingen) in de asch hadden gelegd, zonder mededoogen elken buitenlandschen bespringer van zijn land in zee wierp, om "hem de voeten te spoelen." Eerst in 1524 kon Karel V zich "heer van Friesland" noemen.