Beknopte geschiedenis van het vaderland
Part 3
Meer dan genoeg had Floris gedaan, ten einde den wrok der edelen op zich te laden. Als om de maat vol te maken, voegde hij er nog bij, dat hij veertig hoorigen, die zich op de een of andere wijze jegens hem verdienstelijk moeten hebben gemaakt, van alle slaafsche diensten ontsloeg en hen vrij verklaarde. Welk een vergrijp in 't oog der edelen! Terwijl zij vol verbittering aan de bevrediging hunner wraakzucht dachten, kregen zij onverwachts een bondgenoot in ~Eduard~ I, koning van Engeland. Hij verplaatste bij een verdrag, in 1295 met Guy van Dampierre, graaf van Vlaanderen, gesloten, den stapel der Engelsche wol van Dordrecht, waar hij sedert eenige jaren was, naar Brugge en Mechelen. Hierom sloot Floris zich in den oorlog, die in 1293 tusschen Engeland en Frankrijk losbarstte (_Overzicht_, 9de druk, blz. 90), sedert 1296 bij ~Philips IV~ of ~den schoone~, koning van Frankrijk, aan. Deze verbindtenis deed Floris den dood. Eduard vond bereidvaardige dienaren in een groot aantal edelen, die hij overreedde, om Floris gevangen te nemen en naar Engeland te voeren. Zij, die hun arm inzonderheid leenden tot de uitvoering van Eduards plannen, waren ~Jan van Kuik~ (de omstreken van Grave, ten z. van Gelderland), Gijsbrecht van Amstel, Herman van Woerden, ~Gerard van Velzen~. Wat aller verbittering had verwekt was, dat Floris, dáár partij kiezende, waar eigen voordeel en overeenstemming van gevoelen hem riepen, lieden, op welke zij laag neerzagen, uit het stof had verheven. Velen hadden bovendien hun bijzondere grieven.
Weldra ondervond Floris, wat de vijandschap der edelen vermocht. Op den dag, waarop hij als middelaar een verzoening had teweeg gebracht van de heeren van Amstel en Woerden met de verwanten van den heer van Zuilen, een leenman van het Sticht, vielen de samengezworenen, in de nabijheid van Utrecht, op Floris aan, namen hem gevangen en voerden hem naar Muiden, om hem vandaar naar Engeland in te schepen. Intusschen kwamen de Kennemers, de Waterlanders, de West-Friezen en de Gooilanders op de been, legerden zich voor Muiden en eischten, dat men hun den graaf overleverde. In plaats van aan deze vordering gehoor te geven, zetteden de edelen Floris te paard en trachtten hem, langs een omweg vliedende, naar Brabant of Vlaanderen te vervoeren. Doch ternauwernood hadden zij een eind weegs afgelegd, of zij stieten op een schaar Gooilanders, die denzelfden eisch als kort tevoren deden. Vreezende voor de overmacht te moeten bukken, pleegden thans de edelen, Floris om hals brengende, de misdaad, die zij niet van plan waren geweest te bedrijven. Der keerlen God viel als het offer hunner wraak in 1296. Let men op de gevolgen, dan voorzeker zijn 's graven handelingen zeer te prijzen; maar van het standpunt van 't recht beschouwd, zijn zij van willekeur niet vrij te pleiten. Eenige van de moordenaars vielen in handen van de West-Friezen en Kennemers en werden door hen gedood; anderen werden door den scherprechter ter dood gebracht; nog anderen, met name de heeren van Amstel, Woerden en Velzen, ontvluchtten het zwaard der gerechtigheid.
In 1297 volgde Floris' zoon ~JAN~ hem op. ~Wolfert~ van ~Borselen~ (op Zuid-Beveland), heer van Veere, werd aan het hoofd der regeering geplaatst, maar in 1299, bij een oploop van 't volk, te Delft van 't leven beroofd. Door dit onheil van zijn leidsman verstoken, wierp Jan zich in de armen van zijn neef, ~Jan van Avennes~ (ten z. van Bergen, destijds in Henegouwen, thans in Frankrijk), graaf van Henegouwen, wien hij het bewind voor vier jaren opdroeg. Doch reeds in 't eerste jaar van dit regentschap, nog in 1299, stierf Jan I.
§ 5.
_Holland en Zeeland onder de graven uit het Henegouwsche en het Beiersche huis._
Jan van Avennes, nu ~JAN~ II, alzoo in 't bezit van drie graafschappen zijnde, liet zich, evenals zijn opvolgers, in één of meer dier graafschappen vervangen door plaatsbekleders, _stad-_ of _stedehouders_ genoemd. Gedurende Jans bewind barstte de zware oorlog uit tusschen Frankrijk en Vlaanderen, waarin de graaf van Holland en Henegouwen als bondgenoot van Filips den schoone optrad. Dit, gevoegd bij de ingewikkelde betrekking, die steeds tusschen Vlaanderen en Holland bestond, noopte de Vlamingen, gehoor gevende aan den aandrang der Zeeuwsche edelen, één jaar na den slag bij Kortrijk (_Overzicht_, 9de druk, blz. 90), in Zeeland en Holland te vallen. Zelfs drongen zij tot Haarlem door; doch hier werden zij in 1304 gestuit bij het _Manpad_, dat zijn naam ontleent aan het vluchten van zoovele mannen, n.l. Vlamingen. De eer dezer zege komt toe aan de dapperheid en de tegenwoordigheid van geest zoowel van ~Witte van Haamstede~ (op Schouwen), een onechten zoon van Floris V, als van Willem van Oostervant (een voormalig graafschap in Henegouwen), Jans zoon. En binnen één week werd geheel Holland, gelijk weldra ook Zeeland, van de overweldigers bevrijd. De graaf zelf was inmiddels in Henegouwen gebleven, waar hij nog in 't zelfde jaar overleed.
Zijn opvolger was ~WILLEM~ III, ~DE GOEDE~ (1304-1337). Naar het schijnt is hij het, die de beden in Holland en Zeeland invoerde, d. i. de bijdragen, die de graaf van tijd tot tijd vroeg, wanneer de gewone inkomsten niet toereikend waren. Verder riep hij voor 't eerst de schepenen der steden van Holland en Zeeland op, om met de edelen over een punt, rakende de opbrengsten, te beraadslagen. Bij een dusdanige gelegenheid kwam eens de genegenheid, welke die onderdanen voor hem koesterden, op treffende wijze aan het licht. Toen Willem van Holland en Zeeland 1000 gl. vroeg, drong men hem, 10,000 gl. aan te nemen. Dit weigerde hij, zeggende, dat hij ook de 1000 gl. niet wilde, overtuigd, dat hij bij dergelijke lieden, indien het mocht worden vereischt, steeds genoeg geld zou vinden. Die gezindheid verklaart op voldoende wijze, hoe Willem zijn bijnaam verwierf. Deze bijnaam, die op de degelijkheid en de voortreffelijkheid van zijn bewind over 't geheel ziet, werd hem, die het recht steeds onkreukbaar handhaafde, voorzeker naar verdienste toegekend. Van de gebeurtenissen, onder zijn regeering voorgevallen, is zonder twijfel de gewichtigste het verdrag, dat hij in 1323 met den graaf van Vlaanderen, Lodewijk I van Nevers (ten z.o. van Orléans), sloot. Hierbij zag Lodewijk van de leenhulde wegens Zeeland bewester Schelde (zie blz. 11) af. Keizer Lodewijk van Beieren bekrachtigde als leenheer dit verdrag. Van nu aan was de graaf van Holland tevens graaf van Zeeland. Vergrootte Willem door het eindigen van een strijd, die eeuwen lang vijandelijkheden had teweeggebracht, het aanzien en de macht van Holland, ook de luister van zijn huis steeg, toen zijn dochter Margareta met keizer Lodewijk in 't huwelijk trad.
Aan Willems zoon, ~WILLEM~ IV (1337-1345), gelukte het, zooals aan sommige zijner voorgangers, vasten voet in Friesland te krijgen en er eenig gezag te oefenen. Toch brak er een opstand tegen hem uit. Met een sterke vloot daarheen getogen, landde de graaf in de nabijheid van Stavoren, waar hij door de Friezen werd verslagen en zelf omkwam.
De gesneuvelde vorst liet geen kinderen na. Dus zocht elk, die tot hem in eenige betrekking stond, naar aanspraken op de graafschappen, gegrond of ongegrond. De keizer, Lodewijk van Beieren, legde de hand op alles, want Henegouwen moest, als spilleleen, aan Willems oudste zuster, ~Margareta~, komen, terwijl Holland en Zeeland, als zwaardleen, aan het rijk vervielen. In Holland en Zeeland liepen de gevoelens zeer uiteen. De meerderheid van den adel had er niet tegen, dat de keizerin haren broeder opvolgde. Daarentegen verlangden de steden een man, een wakker vorst. Zooals elders in Europa, lag ook hier te veel brandstof opgestapeld voor een strijd tusschen de beide vijandige elementen, reeds onder Floris V ontkiemd (zie blz. 20), dan dat hij niet zou uitbarsten bij de eerste gelegenheid, welke de verdeeldheid weder in 't leven riep. Intusschen haastte keizer Lodewijk zich, in 1346 zijn gemalin plechtig met Holland, Zeeland en Friesland te beleenen. Onverwijld vertrok zij naar haar graafschappen. Weldra had zij onder de edelen een aantal raadslieden, die haar vertrouwen bezaten. Dit verbitterde anderen, die niet tot de uitverkorenen behoorden. Gesteund door vele steden, lieten zij de machtspreuk hooren, dat Holland zich nimmer door een vrouw, als wettige vorstin, zou laten regeeren. De keizerin besloot voor den storm te wijken. Eer zij echter naar Beieren terugkeerde, noodigde zij de edelen en de steden uit, een van Lodewijks zonen als stedehouder te kiezen. De keus viel op Lodewijks tweeden zoon ~Willem~. Hij voerde den titel _verbeider_. Maar ook hij vond geen genoegzamen steun en was weldra met schulden overladen. Daarom leende hij het oor aan zijn tegenstanders, die zich lieten verluiden, dat, zoodra hij in den waren zin des woords graaf was, de zaken anders zouden gaan.
Dit alles hoorde de keizerin, en het wekte in hooge mate haar bezorgdheid. Terzelfder tijd stierf haar gemaal, en de keizerskroon viel aan Karel IV, den vijand van het Beiersche huis (_Overzicht_, 9de druk, blz. 89), ten deel. Nu was goede raad duur. In haar verlegenheid gaf Margareta gehoor aan den wenk van eenige welmeenende lieden, die haar uit Holland schreven, dat haar niets anders overbleef, dan het graafschap voor goed aan Willem af te staan. In 1349 teekende zij dus een verklaring, waarbij zij Willem als graaf van Holland en Zeeland en als heer van Friesland erkende, onder voorwaarde, dat hij haar jaarlijks ongeveer 34,000 gl. en een zekere som op eens betaalde. Maar Willem keerde de beloofde sommen niet uit. Zoo nam in 1350 de strijd tusschen de Hoekschen en de Kabeljauwschen een aanvang. Margareta herriep haar gift en begaf zich naar Henegouwen.
_Hoekschen_ en _Kabeljauwschen_ waren de namen der partijen. Het is licht te begrijpen, dat een volk, in welks bedrijf de visch een groote rol speelt, die kooplieden Kabeljauwschen noemde, welke, als de van roof levende visschen, vaak rijk werden ten koste der geringere volksklasse. En waren zij gelijk aan kabeljauwen, dan konden de edelen, die de hand aan het zwaard sloegen, als wilden zij de tegenstanders, gelijk den visch met den haak of hoek, ermede doorboren, zeer goed Hoekschen worden geheeten. Een roode hoed was het kenteeken der Hoekschen, een grauwe dat der Kabeljauwschen. Verreweg het meerendeel van Hollands steden was Willems zaak, die der Kabeljauwschen, toegedaan, slechts die niet, welke den adel behoorden. In Zeeland daarentegen telde Margareta, naast vele edelen, ook een aantal steden onder hare aanhangers. De boeren stonden grootendeels de Hoekschen bij. Intusschen behoort men niet voorbij te zien, dat er, hoe scherp men ook de grenslijn tusschen de beide partijen trachtte te trekken, geen stad of streek was, waar slechts òf Hoekschen òf Kabeljauwschen de bevolking uitmaakten.
De oorlog der Hoekschen en der Kabeljauwschen kenmerkte zich hierdoor, dat toen, voor 't eerst hier te lande, buskruit door de troepen werd gebruikt. Na vele mislukte pogingen werd eindelijk, in 1354, het geschil op afdoende wijze uit den weg geruimd. Margareta stond Willem de graafschappen Holland, Zeeland en Friesland af en behield alleen Henegouwen. Wederom beloofde Willem, dus ~WILLEM~ V geworden, haar een jaargeld te zullen betalen. Twee jaren daarna overleed de keizerin te Quesnoi (in Henegouwen). Kort hierop bracht men ook haar zoon derwaarts, want sedert 1357 vertoonden zich bij hem sporen van krankzinnigheid.
De partijen waren in 't leven geroepen, en al was de twist, die ze, meer dan eenig ander voorval had doen ontstaan, nog bij het leven der hoofdpersonen bijgelegd, tusschen deze partijen zelven werd de strijd, met langer of korter tusschenpoozen, ongeveer anderhalve eeuw voortgezet. Inmiddels werd Willems jongere broeder ~ALBRECHT~ door toedoen der Hoekschen regent of _ruwaard_. Eerst in 1389, na den dood van Willem V, werd hij graaf (1389-1404). Met zijn zoon, Willem van Oostervant (zie blz. 22), stelde hij zich aan het hoofd van een talrijk leger, dat een krijgstocht naar Friesland ondernam. Keer op keer werden de Friezen geslagen; doch gevolgen leverden de behaalde overwinningen niet op. Tallooze sommen verslond de oorlog, en niet anders won de graaf, dan dat hij vasten voet in Stavoren had. In vele opzichten herinnerde het bewind van Albrecht aan dat van Willem den goede. Ook hij was een vorst, die aan Europa's hoven in hoog aanzien stond. Zijn dochter ~Margareta~ huwde hij uit aan ~Jan zonder vrees~, een zoon van Philips den stoute, hertog van Bourgondië, zijn zoon Willem aan Philips' dochter Margareta. Deze huwelijken hadden dit gevolg, dat het Beiersche huis in nauwe betrekking kwam te staan tot het Bourgondische. Albrechts jongste zoon ~Jan~ werd bisschop van Luik. Een der merkwaardigste feiten zijner regeering, wat de binnenlandsche aangelegenheden betreft, is, dat te dier tijde in de meeste steden van Holland, naast schout en schepenen, als overheid, _burgemeesters_ optraden met een raad, waarvan de leden uit de burgers werden gekozen. Albrecht overleed in 1404.
~WILLEM~ VI, tot dusver Willem van Oostervant genoemd (1404-1417), had een afkeer van de Kabeljauwschen. Hij hield zich aan de gewoonte, door zijn vader ingevoerd, huurtroepen ter bezetting zijner sterkten op de been te houden en dankte ze niet weer af. De graven uit het Beiersche huis zagen zeer goed in, dat deze bezoldigde krijgslieden bruikbaarder werktuigen tot het volbrengen van hun wil waren, dan de leentroepen, weshalve zij deze hoe langer hoe meer te huis lieten. In 1417 stierf Willem VI, slechts één dochter nalatende, Jakoba van Beieren, geboren in 1401. Het zelfde jaar, waarin Jakoba haar vader ontviel, had haar reeds haren eersten gemaal, ~Jan van Touraine~ (het graafschap, waarvan Tours de hoofdstad was), den tweeden zoon van Karel VI, koning van Frankrijk, en na den dood zijns broeders dauphin, ontrukt.
Voorzoover de opvolging betreft had Willem dezen maatregel genomen. Één jaar vóór zijn dood had hij de edelen en de steden van Holland en Zeeland bijeengeroepen en uitgenoodigd hem bij eede te beloven, zijn dochter Jakoba als wettige opvolgster te zullen erkennen. Velen, maar slechts Hoekschgezinden, waren verschenen en hadden aan het verzoek voldaan. Toen nu Willem was overleden, scheen het eerst, dat zich niemand tegenover Jakoba zoude stellen. Sedert lang toch werd op de bepalingen ten aanzien van de opvolging in de leenen van het Duitsche rijk niet meer gelet en handelde men, zooals de omstandigheden het medebrachten. Jakoba legde de belofte af, steeds in gemeenschappelijk overleg te zullen regeeren met haar moeder, Margareta van Bourgondië, en met haren oom, ~Jan van Beieren~, die sinds het dempen van een hevig oproer te Luik ook wel "Jan zonder genade" werd genoemd. Maar nog was het jaar 1417 niet ten einde, of er ontstonden geschillen tusschen Jan en Jakoba.
Zóó herleefde de burgeroorlog: de partijen stonden immers toch tegenover elkander, en de Kabeljauwschen hadden slechts op een hoofd uit het grafelijk huis gewacht. In 1418 voltrok Jakoba haar tweede huwelijk met ~Jan~ IV, hertog van Brabant en Limburg, markgraaf van Antwerpen, den stichter van de hoogeschool te Leuven. De oorlog zelf leverde voor Jakoba niets dan teleurstelling en verlies op. Door de omstandigheden gedwongen, stemde zij in een verdrag toe, dat Philips de goede, hertog van Bourgondië, een zoon van Jan zonder vrees en neef van de strijdende vorstin, in 1419 als middelaar tot stand bracht. Van dit oogenblik af gold alleen het gezag van Jakoba's oom in Holland en Zeeland. Zijzelve vertoefde met haren gemaal in Brabant, en hoe ook de Kabeljauwsche partij, door Jan van Beieren begunstigd, hier en daar de Hoekschen onderdrukte, zij was, bij de onverschilligheid en de onbekwaamheid van Jan van Brabant, niet in staat, zich ertegen te verzetten. Welhaast leverde Jakoba's echtgenoot een nieuw bewijs van die onverschilligheid omtrent haar belangen. In 1420 verpandde hij, tegen een groote som geld, Holland en Zeeland aan Jan van Beieren. Niet alleen Jakoba, ook de onderdanen zelven van den hertog, d. i. de staten van Brabant, koesterden de grootste minachting voor Jan, dien zij hierom van het bewind ontzetteden, het regentschap aan zijn broeder opdragende. Nu kon Jakoba den smaad niet langer dulden, een zoodanig man tot gemaal te hebben. Zij stak naar Engeland over, met den koning van welk land, Hendrik V, zij reeds vroeger onderhandelingen over een nieuw huwelijk had aangeknoopt, en trouwde in 1422 ten derden male met ~Humphrey, hertog van Glocester~, Hendriks broeder. Drie jaren daarna, in 1425, overleed Jan van Beieren.
Jan van Beieren liet zijn rechten op de drie graafschappen bij testament na aan zijn neef Philips den goede van Bourgondië. Maar Holland en Zeeland verklaarden Jan van Brabant getrouw te blijven; Henegouwen huldigde den hertog van Glocester en Jakoba. Op nieuw begon alzoo de oorlog tusschen Jan van Brabant en Philips aan de ééne en Jakoba aan de andere zijde. Jakoba's troepen gelukte het, in 1425 Schoonhoven te vermeesteren. Aan alle manschappen der bezetting werd het leven gelaten, slechts niet aan één man, ~Allaert Beilink~, vroeger schout te Gouda, die mede had gestreden ter verdediging van het slot der stad. Op last van een Hoeksch edelman werd hij--dit is althans het waarschijnlijkste der uiteenloopende gevoelens over het lot van dezen man--levend begraven. Inmiddels verliet Humphrey, uit hoofde van geschillen in Engeland, waarin hij was betrokken, deze landen. Terzelfder tijd benoemde Jan van Brabant zijn neef tot ruwaard van Holland en Zeeland. Slechts te Schoonhoven, Gouda en Oudewater werd Jakoba als gravin erkend. Gedurende het vervolg van den strijd, die steeds slepend bleef, overleed Jan van Brabant in 1427, terwijl een geestelijk gerechtshof te Rome in 1428 de echtverbintenis met Glocester voor onwettig verklaarde. Zóó ook van dezen man verlaten, dien de in Engeland heerschende verdeeldheid tot dusver had verhinderd hier krachtdadig op te treden en die nu zonder tegenzin in de uitspraak der kerk berustte, werd Jakoba meer en meer in 't nauw gebracht. Daar haar gezag tot de drie genoemde steden beperkt was, zag zij geen anderen uitweg dan het sluiten van een _verdrag_, dat in 1428 _te Delft_ tot stand kwam. De hoofdpunten waren: Jakoba wordt erkend als gravin van Holland, Zeeland, Friesland en Henegouwen, Philips van Bourgondië als ruwaard en erfgenaam dezer gewesten; in die hoedanigheid zal Philips het bewind voeren, totdat Jakoba een nieuw huwelijk aangaat; Jakoba zal niet hertrouwen dan met toestemming van hare moeder, van Philips en van de drie stenden der landen, tenzij zij wil geacht worden, haar onderdanen van den eed van gehoorzaamheid te hebben ontslagen; Jakoba zal een gedeelte trekken van de inkomsten der graafschappen.
Philips benoemde tot stadhouder van Holland en Zeeland ~Frank van Borselen~, die door de diensten, met groote kieschheid aan Jakoba bewezen, weldra zoozeer haar genegenheid verwierf, dat zij met hem in den echt trad. Frank van Borselen verloor nu het stadhouderschap, doch werd door Philips tot graaf van Oostervant verheven. Deze daad van Jakoba, als strijdende met het verdrag van Delft, had in 1433 het verlies der grafelijke waardigheid ten gevolge. Daarentegen verkreeg zij van Philips vele heerlijkheden, waarvan zij de inkomsten bleef trekken tot haren dood in 1436.
§ 6.
_Holland en Zeeland onder de graven uit het Bourgondische huis._
Jan zonder vrees werd in 1419 op de Yonnebrug gedood (_Overzicht_, 9de druk, blz. 91). Zijn zoon ~PHILIPS DE GOEDE~ (1433-1467) volgde hem onmiddellijk in Bourgondië, Vlaanderen, Mechelen, Franche-Comté, Artois en Salins op. In 1421 kocht hij het graafschap Namen van graaf Jan III, die zich het vruchtgebruik gedurende zijn leven voorbehield en na wiens dood, in 1429, Philips het land in bezit nam. In 1430 erfde hij van een neef Brabant, Limburg en Antwerpen. In 1433 stond Jakoba hem Henegouwen, Holland, Zeeland en Friesland af. Eindelijk kocht hij nog het hertogdom Luxemburg en nam het in 1451 in bezit.
Philips de goede is de eerste hertog uit het huis van Bourgondië, die onder de Nederlandsche vorsten een plaats bekleedt. Langzamerhand was de omvang van het grafelijk gezag in de staten, die het tegenwoordige Nederland en België uitmaken, grooter geworden. Allengs waren vele beletselen tegen de uitbreiding van dat gezag uit den weg geruimd. Niet langer was de grond van Holland en Zeeland, om van deze maar alleen te spreken, met tal van kasteelen overdekt, waarin evenveel edelen met hun in 't staal gedoste manschappen lagen, steeds ten aanval tegen den graaf gerust. De macht des adels was voor die van den landsheer geen struikelblok meer. Een andere was ervoor in de plaats gekomen. Als een loopend vuur was het streven der ingezetenen om zich tot gemeenten te vereenigen van den een tot den anderen staat overgegaan. Door de behoefte aan geld gedrongen, hadden de vorsten geen perken gesteld aan de begeerte der steden naar privilegiën, maar ze met ruime hand gegeven aan wie ze verlangde. Doch van lieverlede begonnen die vorsten, de gevolgen hunner milddadigheid inziende, te trachten ze op allerlei wijze te voorkomen. Zij schrikten voor den vorm van gemeenebest, die aan de gemeenten eigen was. Zij vingen aan de overeenstemming te duchten, die meer en meer ontstond tusschen de burgers en de door hen gekozen overheidspersonen. Hiertegen richtte zich dus hun streven. Niet langer riep nu de graaf, zooals weleer, het gansche lichaam der gemeene poorters bij klokkeslag op, doch alleen een zeker aantal der meest gegoeden van hen, (naar het woord _vroed_ = wijs) doorgaans _de vroedschap_ en _rijkheid_ geheeten, om, na hem te hebben gehoord, zijn besluit te nemen. Alzoo werden zij, die men opriep, telken male als de vertegenwoordigers der poorters in 't algemeen aangemerkt.
Bij de graven uit het Henegouwsche en het Beiersche huis was evenwel het beperkte gezag nog een oorzaak van beperkte heerschzucht. Anders werd dit sedert het optreden van het Bourgondische huis, dat, zoovele staten onder zijn macht vereenigende, ze zooveel mogelijk tot één lichaam wenschte te doen samensmelten. Dit huis toonde in al zijn daden, welk zijn doelwit was, eenheid, overwicht der grafelijke macht over den adel en over de steden beide. En toen later het Oostenrijksche huis voor het Bourgondische in de plaats kwam, hield ook dit vast aan een stelsel, dat den vorst het regeeren zoo gemakkelijk maakte, en, hoewel het ook ten nutte der ingezetenen verstrekte, toch geheel in 't belang van den landsheer was uitgedacht. De Hoeksche en Kabeljauwsche verdeeldheden werkten het doel des graven in de hand.
Ter bevordering nu van het groote doel, zoo even aangeduid, deed Philips de goede verschillende stappen. Hij is de oprichter van dien vasten raad, die _het hof van Holland_ wordt genoemd en in 1428 tot stand kwam. Hij had zitting te 's Gravenhage en zat in hooger beroep terecht over alle vonnissen, in burgerlijke zaken door andere rechtbanken gewezen. Het spreekt vanzelf, dat hierdoor aan de oude vierscharen veel van haar kracht werd ontnomen. De leden van 't hof werden door den graaf aangesteld en waren dus alleen van hem afhankelijk. Een andere stap was deze. Aan vele steden van Holland vergunde Philips, op de wijze boven omschreven, vaste _vroedschappen_ of stedelijke raden op te richten, die zichzelven mochten aanvullen. Intusschen hoede men zich, deze vroedschappen voor de "regeering" der steden te houden. Zij waren niets anders dan de vertegenwoordigers van 't lichaam der burgerij. De regeering berustte bij _schout_, _schepenen_ en _burgemeesters_, 's graven ambtenaren.
Er is nog meer. In 1455 stelde Philips een hoog gerechtshof in, dat hij den naam _geheime_ of _groote raad_ gaf, waarop alle inwoners zijner gewesten zich, bij rechtsgeschillen, in appèl konden beroepen. De geheime raad hield zijn zittingen in de plaats, waar de vorst vertoefde, en kreeg later een vasten zetel.