Beknopte geschiedenis van het vaderland

Part 20

Chapter 203,392 wordsPublic domain

In vele opzichten bleef de verhouding van Limburg tot Duitschland zeer vreemd. Het zond afgevaardigden naar de Staten-Generaal, maar was verplicht troepen voor het Duitsche verbond op de been te houden en werd ten deele door verordeningen van dat verbond geregeerd. Eerst in 1866 is de betrekking van Limburg met Duitschland geheel verbroken. In 't jaar 1840 werd bepaald, dat Holland van nu aan in Zuid- en Noord-Holland zou worden gesplitst, zoodat het koninkrijk der Nederlanden thans uit tien provinciën en uit het hertogdom Limburg bestond. Één jaar vroeger was de oudste zoon van den kroonprins (zie blz. 186) getrouwd met prinses Sophia Frederika Mathilde, de jongste dochter van Willem I, koning van Wurtemberg, als koningin der Nederlanden overleden in Juni 1877. Uit dit huwelijk sproot in 1840 prins Willem, overleden Juni 1879, in 1851 prins Alexander.

Toen koning Willem I in de eerste jaren van den Belgischen opstand met moed en volharding wederstand bood zoowel aan de eischen van België, als aan die der conferentie te Londen, was er niemand, die hem meer steunde en deze houding meer toejuichte, dan de Nederlandsche natie zelve. Langzamerhand echter veranderde die stemming, toen de koning, na aan de roepstem der eer ruimschoots te hebben voldaan, steeds hopende op eenige wijziging in de staatkunde der groote mogendheden of op een omkeering van zaken in Europa, er volstrekt niet toe was te bewegen, van zijn stelsel van volharding af te wijken. En nadat het eindelijk bekend was geworden, dat een verbazend hoog cijfer van staatsschuld de uitkomst was der volhardende staatkunde, maakte de gehechtheid van 't volk aan zijn vorst plaats voor wantrouwen en verkoeling. Thans deed het Noord-Nederlandsche volk ten deele dezelfde klachten hooren, die vroeger alleen in 't Zuiden waren geuit. Het verlangde een duidelijke openlegging van den toestand van 's lands financiën, waarborgen tegen misbruik van gezag, verantwoordelijkheid van 's konings ministers, in 't kort gewichtige hervormingen in het staatsbestuur. Bij de overige redenen van ontevredenheid kwam weldra een andere, die het misnoegen tot den hoogsten graad deed stijgen. Men vernam, dat de koning, die sinds 1837 zijn echtgenoot (zie blz. 163) door den dood had verloren, het voornemen koesterde, tot een tweede huwelijk over te gaan met de gravin d'Oultremont de Wigimont, een der dames van het huis van wijlen de koningin. Doch de gravin was een Belgische en Roomsch-katholiek. Dit was genoeg, om de meerderheid der Nederlanders tegen het huwelijk in te nemen.

Zooveel tegenstand verdroot den koning. Afgemat door den negenjarigen kamp, had hij geen geneigdheid, ook zijn laatste levensjaren in een eindelooze worsteling door te brengen. Onverwachts begaf hij zich in den herfst van 't jaar 1840 uit 's Gravenhage naar het Loo en ontbood er zijn zonen en kleinzonen, alsmede zijn ministers. Hun deelde hij den 7den October mede, dat hij van dat oogenblik af afstand deed van de kroon en ze overdroeg aan den zoon, hiertoe door de grondwet aangewezen. De daad, schier zonder eenige plechtigheid volbracht, werd nog denzelfden dag ter kennis van 't volk gebracht. In 't volgende jaar huwde Willem I, nu "graaf van Nassau" geheeten, de gravin d'Oultremont en leefde vervolgens bij afwisseling te Berlijn, op zijn goederen in Silezië en op het Loo, totdat hij den 12den December 1843 te Berlijn overleed.

Den 28sten November 1840 werd ~WILLEM~ II in de Nieuwe kerk te Amsterdam met groote plechtigheid ingehuldigd. Het was geen gunstige tijd, om de regeering over Nederland te aanvaarden. De natie en de schatkist beide waren uitgeput, en de leiders der volksmeening wezen op een doortastende herziening der grondwet, als op het eenige middel om tot welvaart en nationale kracht te geraken. Deze meening deelde Willem II geenszins. Hetgeen echter de meeste moeielijkheden baarde was de toestand van 's rijks financiën. Nadat de pogingen van een paar ministers van financiën ter herstelling van een geregelden toestand der geldmiddelen schipbreuk hadden geleden, droeg Willem II in September 1843 het tijdelijk bestuur van het departement van financiën aan den minister van justitie, ~Floris Adriaan van Hall~, op. Ten einde in alles, wat voorziening behoefde, te voorzien, was het volstrekt noodzakelijk, zware offers van de natie te vergen. Hiertoe toonde het volk zich in 1844 bereid door, volgens een ontwerp van van Hall, een leening tot een bedrag van 127,000,000 gl., naar 3 pct. 's jaars, zoo goed als vol te teekenen. Aan het verlangen naar een herziening der grondwet in vrijzinnigen geest werd voldaan in 't jaar 1848 te midden der volksbewegingen, die de meeste staten van Europa op hun grondvesten deden schudden. Luxemburg kreeg in 't zelfde jaar een nieuwe grondwet, waarbij het zijn afzonderlijke vertegenwoordiging, die het in 1841 had bekomen, behield.

De hoofdtrekken der Nederlandsche grondwet van 1848 zijn: De kroon is erfelijk, zoowel in de mannelijke als in de vrouwelijke linie van het huis van Oranje. De koning heeft de uitvoerende macht en deelt de wetgevende macht met de Staten-Generaal. Hij heeft het opperbevel over de land- en de zeemacht en het opperbestuur der koloniën. Hij benoemt de ministers, die voor de daden der regeering verantwoording zijn verschuldigd aan de natie. De Staten-Generaal vertegenwoordigen het geheele volk. Zij bestaan uit een Eerste en een Tweede Kamer, voor welker leden de ouderdom van dertig jaren een vereischte is. De leden der Eerste Kamer, ten getale van negen-en-dertig, worden door de provinciale staten benoemd uit de hoogst aangeslagenen in de directe belastingen. Zij hebben zitting voor negen jaren. De leden der Tweede Kamer worden rechtstreeks door de burgers gekozen, welke meerderjarig zijn en een zekere som in de directe belastingen betalen. Het aantal der leden, die voor vier jaren zitting hebben, is thans vijf-en-zeventig. Voorzitter der provinciale staten is de commissaris des konings.

Het was Willem II niet gegeven, de vruchten te aanschouwen van het werk, waartoe hij den grond had gelegd. Reeds den 17den Maart 1849 stierf hij te Tilburg, aan welke plaats hij gedurende zijn leven zeer gehecht was geweest. Het volk van Nederland betreurt hem als een held, die aan de grootsche gestalten zijner voorvaderen uit het huis van Oranje herinnerde, en als een welwillend koning, die in moeielijke dagen met beleid voor zijn belangen had gewaakt.

Een paar woorden over de regeering van 's konings zoon en opvolger ~WILLEM~ III mogen tot slot van dit hoofdstuk verstrekken. Onder zijn bewind werd eindelijk in 1853 het droogmaken van 't Haarlemmermeer (zie blz. 188), een in Juni 1848 aangevangen reuzenwerk, voltooid. In 1853 werd tevens weder een bisschoppelijk bestuur der Roomsch-katholieke kerk ingevoerd, waarvan Utrecht als aartsbisdom de hoofdzetel is. Onder de vele wetten, die, als uitvloeisel van de in 1848 uitgevaardigde grondwet, zijn tot stand gekomen, verdienen de kies-, de gemeente- en de provinciale wet te worden genoemd. In 1857 verving een wet op het lager-onderwijs die van 1806. Zij werd in 1863 gevolgd door een wet op het middelbaar onderwijs, in 1876 door een op het Hooger-Onderwijs.

Zooveel wat aangaat het binnenlandsch bewind. Ten aanzien van de buitenlandsche betrekkingen behoort het verdrag van Februari 1871 te worden vermeld, bij hetwelk de Nederlandsche bezittingen op de Kust van Guin[=e]a (in 't w. van Afrika) voor de som van 24,000 £ sterling aan Groot-Britannië werden afgestaan. Twee jaar daarna, in Maart 1873, brak, ter zake van zeerooverij, een oorlog los van Nederland tegen den sultan van Atjeh (op de westkust van Sum[=a]tra), die nog steeds voortduurt. In Juni 1877 overleed de koningin (zie blz. 202), in Januari 1879 prins Hendrik, 's konings broeder (zie blz. 186).

§ 38.

_Eindblik op den toestand des lands._

Zoo is dan het plan, in de eerste paragraaf aangekondigd, volvoerd en wederom een beknopte geschiedenis van Nederland te boek gesteld. Nog bestaat dat rijk, aan welks geschiedenis de vorige bladzijden zijn gewijd. Behalve de bijna 31,000 vierkante mijlen met nagenoeg 18,000,000 inwoners, die het in vreemde werelddeelen bezit, beslaat het in Europa een oppervlakte van ruim 600 vierkante mijlen, waarop een bevolking woont van ruim 3-1/2 millioen. Ongeveer 2/3 gedeelte van den grond is bebouwd. Landbouw, veeteelt, handel, fabrieken en vischvangst blijven voortdurend de bronnen van het bestaan der ingezetenen. De haringvangst, ofschoon zij sinds een tiental jaren weder eenigszins begint op te komen, heeft veel geleden door den wedijver van Engelschen en Duitschers, en de walvischvangst is van weinig beteekenis. De handel, dien Nederland drijft, is nog steeds wereld- en binnenlandsche handel. Al is de eerste, in vergelijking met andere landen en van hetgeen hij is geweest, niet meer, wat hij weleer was, nog is hij belangrijk en verdient den naam van wereldhandel. De voorwerpen van dien handel zijn voornamelijk de voortbrengselen van landbouw en veeteelt, benevens de koloniale waren.

Wat de Nederlandsche nijverheid betreft, zij heeft geen ongelukkiger tijdperk gekend, dat het twintigtal jaren, dat verliep tusschen de omwenteling van 1795 en de oprichting van het koninkrijk der Nederlanden. Gedurende het vijftienjarig tijdvak, dat met 1815 aanvangt, begon er wel op nieuw eenig leven te komen in het fabriekwezen van Noord-Nederland; maar de nijverheid van dit deel van het koninkrijk bleef verre, zeer verre ten achteren bij die van het Zuiden. Na de omwenteling van 1830 geraakte de nijverheid in ons vaderland geheel aan 't kwijnen. Dit kwam, behalve uit den staatkundigen toestand en uit de ophooping der staatsschuld, uit de geringe geneigdheid der fabrikanten voort, om aan den eisch des tijds te voldoen en de stoomkracht op het fabriekwezen toe te passen. Doch allengs is de Nederlandsche nijverheid na de afscheiding der Zuidelijke gewesten weder opgekomen. Daarentegen kwijnt de scheepsbouw. Moge dus, in vergelijking met vroegere eeuwen, Nederlands bloei in den handel niet zijn toegenomen, in 't stuk der nijverheid is dit stellig het geval. Een andere lichtzijde van den tegenwoordigen toestand ziet men in de staatsschuld, waarvan het bedrag sinds de laatste twintig jaren regelmatig is verminderd.

Dat de letterkunde sinds den val der Republiek (zie blz. 167) een belangrijke schrede voorwaarts heeft gedaan, zal wellicht niet met grond kunnen worden staande gehouden. Toch heeft het zestig- of zeventigjarig tijdvak, sedert verloopen, op meer dan op één beroemden naam te wijzen. Er stonden schrijvers op, die aan de voortbrengselen hunner pen bekendheid of grooten roem verschaften. De namen dier schrijvers heeft de Geschiedenis der letterkunde opgeteekend. Hier kan slechts op een paar van de voornaamsten worden gewezen, in de eerste plaats op Bilderdijk. Op veelzijdiger ontwikkeling, dan ~Willem Bilderdijk~, een Amsterdammer (1756-1831) zichzelf gaf, kunnen weinigen bogen. Wijsbegeerte, oude en nieuwe talen, wis- en natuurkunde, rechtsgeleerdheid, geschiedenis, geneeskunde, godgeleerdheid, niets was hem vreemd. Een vruchtbaarder schrijver heeft Nederland niet aan te wijzen. Het hoogst staat hij als dichter. Alle dichtsoorten beoefende hij, buiten het blijspel, en in alle bracht hij meesterstukken voort. In het heldendicht leverde hij _den Ondergang der eerste wereld_, een grootsch maar onvoltooid gewrocht; in het leerdicht _de ziekte der geleerden_; in den lierzang _de ode aan Napoleon_. Op het gebied der taal schreef hij een _Spraakleer_. Op het veld van de _geschiedenis van 't Vaderland_ leverde hij een werk, waarvan de hoofdstrekking een doorloopende bestrijding is van Wagenaar (zie blz. 167). Tot heden toe is het aan dit geschrift niet gelukt, den ouden Wagenaar te verdringen.

In menig vers heeft Bilderdijk de herstelling van Nederlands nationaliteit bezongen. In 't jaar dier herstelling stierf een andere dichter, wiens naam voorzeker bij geen Nederlander onbekend is, welke op die nationaliteit prijs stelt. Dit is ~Jan Frederik Helmers~, die in zijn _Hollandsche natie_, een middelsoort tusschen het helden- en het lierdicht, den roem verheerlijkt, door het Nederlandsche volk behaald, zoowel te land als ter zee, op het veld der wetenschappen en op dat der fraaie kunsten.

Een Nederlander, die zijn vaderland lief had, was Helmers. Niet minder deed dit ~Hendrik Tollens~ Cz., in 1780 geboren te Rotterdam, overleden te Rijswijk in 1856. Was Cats de eerste Nederlandsche volksdichter geweest, de eerenaam van de tweede te zijn geweest komt Tollens toe. Immers behalve zoo menige andere zang op onderwerpen van Nederlandsche historie, die dit mede bevestigt, getuigt hiervoor het door hem vervaardigde volkslied: "Wien Neêrlands bloed door de adren vloeit." Een groot aantal van 's dichters verzen zijn gewijd aan den huiselijken haard. De meest bekende zijner gedichten zijn: _het tafereel van den vierdaagschen zeeslag_, _Beilink_, _het turfschip van Breda_, enz. en op het gebied der beschrijvende poëzie: _het tafereel van de overwintering der Hollanders op Nova-Zembla_.

Van de prozaschrijvers uit de eerste helft dezer eeuw behoort bovenal ~Jan Hendrik van der Palm~ te worden aangehaald, hoogleeraar in de Oostersche talen te Leiden. Hij was de eerste prozaschrijver van zijn tijd. Onder zijn geschriften bekleeden _de Bijbelvertaling met aanteekeningen_, _de Bijbel voor de jeugd_ en _de Salomo_, een uitbreiding van de spreuken, een eerste plaats. In deze en andere zijner werken vindt men, bij diepte van gedachten, een krachtigen en rijk geschakeerden, doch ook helderen en lossen stijl. Onder al die werken staat geheel op zichzelf _het Geschied- en Redekunstig gedenkschrift van Nederlands herstelling_, dat heden ten dage meer om den vorm, dan om den inhoud, de aandacht trekt. Van der Palm, die hoogbejaard in 1841 overleed, leefde te midden van een aantal uitstekende mannen op het gebied der letterkunde, als Kinker, Borger, Da Costa.

Zullen de wijsgeerige, de dichterlijke en de taalkundige geschriften van ~Johannes Kinker~ zijn naam lang voor de vergetelheid bewaren, alleen _de Ode aan den Rijn_ zal dien van ~El[=i]as Annes~ ~Borger~ doen voortleven. ~Izaäk da Costa~ is de voortreffelijkste van Bilderdijks leerlingen. Hij streed, als Bilderdijk, voor de rechtzinnige gereformeerde leer. Welk een gloed hij als dichter had, ziet men in zijn _Wachter, wat is er van den nacht?_, waarin hij de omkeeringen op staatkundig gebied van 't jaar 1848 voorspelt, in zijn _Slag bij Nieuwpoort_ en andere verzen. In 1860 overleden, was Da Costa een tijdgenoot van Bogaers, de Génestet, van Lennep en Beets, die, waar men van de hedendaagsche Nederlandsche letterkunde gewaagt, in de eerste rijen staan. Als bewijs van het keurige dichttalent van ~Bogaers~ wordt, onder meer, doorgaans _De tocht van Heemskerk naar Gibraltar_ aangehaald. ~De Génestets~ _Leekedichtjes_ zijn bij jong en oud bekend, evenzeer als de _Camera obscura_ van Hildebrand, d. i. ~Beets~. Van het genoemde viertal is Beets de eenige, die nog leeft. Bogaers werd in 1870, de Génestet in 1861, van Lennep in 1868 door den dood weggerukt. ~Van Lenneps~ werken zijn vooral gedichten en romans in proza. De laatste hebben hem gemaakt tot den gevierden schrijver, van wien elk iets heeft gelezen. Voor den beste dier romans houdt men _Ferdinand Huyck_.

TIJDREKENKUNDIG OVERZICHT DER BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN HET VADERLAND.

Jaren n. C.

=§ 1. _Nederland in de laatste eeuwen vóór Christus' geboorte en onder de heerschappij der Romeinen._=

Oorsprong der Zuiderzee 839.

De Dollard ontstaat 1277.

De Biesbosch ontstaat 18 Nov. 1421.

Men begint op het dijkwezen te letten ongev. 900 of 1200.

De Friezen, de Bataven, de Kaninefaten, de Tubanten, de Brukteren geraken onder de heerschappij der Romeinen 100-1 v. C.

~Drusus~ onderwerpt de Friezen.

Opstand der Friezen.

Corb[)u]lo beteugelt hen 47.

Claudius Civ[=i]lis stelt zich aan 't hoofd van den opstand der Bataven 69.

De Friezen, de Kaninefaten en andere stammen verbinden zich met de Bataven.

Claudius Civ[=i]lis hernieuwt het verbond met Rome.-- ~Cere[=a]lis~ 70.

=§ 2. _De Franken en de Saksen in Nederland en België.--Deze landen worden een bestanddeel van het Frankische rijk.--De invoering van het leenstelsel en van den Christelijken godsdienst.--De Noormannen._=

Herhaalde invallen der Franken, n.l. der Saliërs, in de Nederlanden sinds ongev. 300.

Zij vestigen zich hier ongev. 361.

Nederland en België behooren tot Austrasië sedert 511.

De landstreek bij den IJsel is het gebied der Saksen sedert ongev. 400-500.

Grenzen der Friezen.

De naam der Bataven en die der Kaninefaten verdwijnen sinds 400-500.

Onderwerping der Friezen aan Karel den groote 785.

~Willebrord~, ~Wulfran~ en ~Winfried~ of ~Bonifacius~ bekeeren of doopen de Friezen.

Willebrord eerste bisschop onder de Friezen.

Ontmoeting van Wulfran met ~Radboud~ te Hoogwoude 719.

Dood van Bonifacius te Dokkum 5 Juni 755.

Kerkrechtelijke verdeeling dezer landen in den tijd der Franken in bisdommen.--Staatsrechtelijke verdeeling in hertogdommen, graafschappen, schoutambten.--Burgerlijke verdeeling in volken of landen, elk land in _gouwen_, elke gouw in _marken_.--De aloude marken.

Het land bestuurd door drie _hertogen_ en door _graven_.-- Oorspronkelijke beteekenis van 't woord "graaf".-- _Schepenen_.--Aan 't hoofd der schoutambten staan _schouten_.--De standen der bevolking: _vrijen_, _liten_, _slaven_ of _lijfeigenen_.

~Heriold~, ~Roruk~ en ~Hemming~ laten zich doopen.--Lodewijk de vrome geeft Heriold Dorestad of _Duurstede_ en omstreken, Roruk _Kennemerland_ en Hemming _Zeeland_ 826.

Einde van de heerschappij der Noormannen in deze streken 885.

Verdrag van Verdun.--Lothar[)i]us I verwerft bijna geheel België en Nederland, Karel de kale Vlaanderen, Artois en een deel van Zeeland 843.

Het aandeel van Lothar[)i]us I komt aan Duitschland 870 en 879.

=§ 3. _Onderscheid tusschen den toestand van Friesland en dien van andere streken van ons land.--De wisselingen in de opperheerschappij dezer landen na het verdrag van Verdun.--Staten, die in het Zuiden en in het Noorden verrijzen.--Aard en uitbreiding der grafelijke macht._=

De Nederlanden en België zijn een bestanddeel van Lotharingen, en van Neder-Lotharingen sedert 965.

De meeste Nederlanden worden erfelijke leenen, waarschijnlijk ongev. 800-1000.

Meerdere gouwen komen aan één graaf sedert 1000-1100.

Het geheele land verdeeld tusschen den graaf van Gelder, dien van Holland en den bisschop van Utrecht 1100-1200.

In plaats van Neder-Lotharingen ontstaan, voor en na, verschillende zelfstandige staten, als het hertogdom _Brabant_, het markgraafschap _Namen_ en het graafschap _Henegouwen_.

Het bisdom _Luik_.

Het graafschap _Limburg_ wordt een hertogdom sedert 1000-1100.

_Maastricht_ voor een gedeelte een bezitting van den bisschop van Luik, voor een ander deel een op zichzelve staande rijksstad.--Karel V scheidt deze stad van het Duitsche rijk af en voegt ze aan Brabant toe.

Het graafschap _Luxemburg_ wordt een hertogdom 1354.

_Antwerpen_ is een markgraafschap van het Duitsche rijk en wordt door den hertog van Brabant bestuurd 900-1000.

De heerlijkheid _Mechelen_ komt aan Vlaanderen 1357.

_Artois_ en _Kroon-Vlaanderen_ leenen van Duitschland.

Noordelijk Vlaanderen, _Rijks-Vlaanderen_, een leen van Duitschland.

Hendrik II geeft Rijks-Vlaanderen in leen aan Boudewijn IV, graaf van Vlaanderen, die Zeeland bewester Schelde wederom in achterleen geeft aan Dirk III, graaf van Holland 1007.

Karel de eenvoudige geeft aan Dirk I eenige stukken grond 922.

~DIRK~ III sticht een sterkte tusschen de Merwede en de oude Maas.--Hendrik II doet hem tevergeefs den oorlog aan 1018.

De stad Dordrecht.

De naam "graaf van Holland" komt op.

De graaf van Holland tevens graaf van _Zeeland_ 1323.

_Gelderland_ bestaat uit de graafschappen Gelder en Zutfen.-- Eerste graaf van Gelder en Zutfen ~HENDRIK~ 1138.

Keizer Lodewijk verheft ~REINOUD~ II of ~den zwarte~ tot hertog van Gelderland 1339.

De bisschop van Utrecht door de kanoniken van de vijf kapittelkerken gekozen sedert 1122.

Friesland sedert Karel den groote beheerscht door graven.

De heerlijkheid _Westerwolde_.

Uitbreiding bij trappen der macht van den graaf van Holland.

_De beden._--_De privilegiën._

=§ 4. _Holland onder de graven uit het Hollandsche huis._=

Huis van Holland 922 (1018)-1299.

Dirk I, Dirk II, Arnoud, Dirk III, Dirk IV, Floris I, Dirk V, Floris II, Dirk VI, Floris III, Dirk VII, Willem I, Floris IV, Willem II, Floris V, Jan I.

~WILLEM~ II komt tegen de West-Friezen om bij ~Hoogwoude~ 1256.

~Floris~ V bedwingt de Kennemerlanders.--Hij onderwerpt de West-Friezen, de Waterlanders en de Drechterlanders 1282 en 1287.

~DIRK~ VI belegert Utrecht.--~Herbert~--Dirk breekt het beleg op ongev. 1145.

~Floris~ III overlijdt te Antiochië 1190.

Willem, later ~WILLEM~ I, vecht mede voor Acre 1191.

Hij neemt Damiate in 1219.

Hij ontruimt het 1221.

_De Damiaatjes_ in de groote of St. Bavo's kerk te Haarlem sinds 1550.

Dirk VII sterft.--Ada.--Ada door Adelheide uitgehuwd aan ~Lodewijk~, graaf van Loon 1203.

Lodewijk uit Holland verdreven 1204.

Willem I wordt graaf.

Willem II, de stichter van 's Gravenhage, tot Roomsch koning benoemd 1247.

Floris V beoorloogt de heeren ~Gijsbrecht van Amstel~ en ~Herman van Woerden~.

Gijsbrecht doet afstand van Muiden.

Herman doet afstand van Woerden.--De beide heeren doen afstand van hun alodiën, die zij als leenen terugkrijgen.

~Eduard~ I, koning van Engeland, verplaatst den stapel der Engelsche wol van Dordrecht naar Brugge en Mechelen 1295.

Floris V sluit zich bij ~Philips IV~ of ~den schoone~ aan 1296.

~Gerard van Velzen~ en de overige saamgezworenen dooden Floris V 1296.

Jan.--~Wolfert van Borselen~ aan 't hoofd der regeering 1297.

Hij wordt te Delft omgebracht 1299.

Jan draagt het bewind voor vier jaren aan ~Jan van Avennes~ op.--Jan I sterft 1299.

=§ 5. _Holland en Zeeland onder de graven uit het Henegouwsche en het Beiersche huis._=

Instelling der _stad-_ of _stedehouders_ door ~JAN~ II.

De Vlamingen, aangespoord door Jan van Renesse, vallen in Zeeland en Holland 1303.

Zij worden gestuit bij _het Manpad_ 1304.

De eer der zege komt toe aan ~Witte van Haamstede~ en Willem van Oostervant.

~WILLEM~ III~ de goede~ 1304-1337.