Beknopte geschiedenis van het vaderland

Part 2

Chapter 23,750 wordsPublic domain

_Onderscheid tusschen den toestand van Friesland en dien van andere streken van ons land.--De wisselingen in de opperheerschappij dezer landen na het verdrag van Verdun.--Staten, die in het Zuiden en in het Noorden verrijzen.--Aard en uitbreiding der grafelijke macht._

Toen de Friezen zich in 785 aan Karel den groote onderwierpen, werd hun land, zooals vanzelf spreekt, geacht een bestanddeel van het rijk der Franken te zijn. Doch het leenstelsel werd bij hen zoo goed als niet ingevoerd; zij behielden hun persoonlijke vrijheid, eigendom en rechten, hoewel zij door koninklijke ambtenaren werden bestuurd. Alzoo verschilde hun toestand van dien der bewoners van de andere gedeelten dezer landen, als van Brabant, Zeeland, Gelderland, Utrecht, Zuid-Holland en van een streek van Noord-Holland, n.l. Kennemerland. Hier werd de Frankische stam, vroeger of later, de overheerschende, de Friesche de onderliggende. 't Gevolg was, dat de Friesche inwoners der laatstgenoemde landen, althans grootendeels, ophielden vrijen te zijn, en, als hoorigen of lijfeigenen, tot allerlei dienstbetooning aan de overheerschers werden verplicht. Niet alleen als volk werden zij dus vernietigd; maar zij verloren ook een groot deel hunner menschenrechten. Bij de veelvuldige verdrukking van allerlei heeren, waaraan zij ten doel hadden gestaan, had daarenboven menige vrije het als een geluk beschouwd, zich als lijfeigene te mogen verkoopen, op die wijze, met opoffering van de vrijheid, althans rust en veiligheid verwervende. Nergens intusschen was het getal lijfeigenen zoo groot als in de landen van den bisschop van Utrecht.

Na het jaar 843 kwamen de Nederlanden en België (steeds met uitzondering van Vlaanderen en van een gedeelte van Zeeland), om niet van het tijdperk van overgang te spreken, gelijk op blz. 9 werd opgemerkt, weldra tot Duitschland in die betrekking te staan, waarin zij tot dusver hadden gestaan tot het rijk der Franken. Van dien tijd af maakten zij, n.l. voor zoover zij bij het verdrag van Verdun tot het aandeel van Lotharius I hadden behoord, een bestanddeel uit van het hertogdom Lotharingen, en sedert 965, toen dit hertogdom in Opper- en Neder-Lotharingen werd verdeeld, van het laatste.

In de 9de en de 10de eeuw werden waarschijnlijk de meeste Nederlanden erfelijke leenen, dewijl dat, wat oorspronkelijk een gunst des keizers was, allengs, in weerwil van hem, als een recht werd beschouwd. Het volk en de kleinere leenmannen, die zich natuurlijk meer aan de plaatselijke overheid dan aan den veeltijds afwezigen keizer hielden, namen met deze verandering licht genoegen. Meer dan eens ontstonden er evenwel groote moeielijkheden uit de vraag, of het eene of andere gewest alleen een _mannelijk_ of _zwaardleen_, of wel tegelijk een _vrouwelijk_ of _spilleleen_ was. Sedert de 11de eeuw kwamen allengs meerdere gouwen aan één graaf. Dit ontsproot hieruit, dat sommige gravengeslachten uitstierven of werden verdreven en de overige zich dan met hun nalatenschap verrijkten. Hierdoor kwam het, dat in de 12de eeuw bijna het geheele land tusschen den graaf van Gelder, dien van Holland en den bisschop van Utrecht was verdeeld.

De verandering, die langzamerhand in het Zuiden in den staat van zaken plaats greep, was hoofdzakelijk deze, dat in plaats van het hertogdom Neder-Lotharingen, voor en na, verschillende zelfstandige staten ontstonden. De grootste dier staten was _Brabant_, dat ook den titel "hertogdom" behield. Verder vond men er het markgraafschap, veelal graafschap genoemd, _Namen_, en het graafschap _Henegouwen_. Ten o. van deze drie staten lag het bisdom _Luik_. Tusschen den Maas en den Rijn lag het graafschap, sedert de 11de eeuw hertogdom, _Limburg_. _Maastricht_ was voor een gedeelte een bezitting van den bisschop van Luik, voor een ander deel een op zich zelve staande rijksstad, die later door Karel V van het Duitsche rijk afgescheiden en aan Brabant toegevoegd werd. Ten z. van Limburg stiet men op het graafschap, sedert 1354 hertogdom, _Luxemburg_.

_Antwerpen_ met zijn omstreken was reeds in de 10de eeuw een markgraafschap van het heilige Roomsche of Duitsche rijk en werd door den hertog van Brabant bestuurd. _Mechelen_ was een heerlijkheid, die in 1357 aan Vlaanderen kwam. Gelijk _Artois_ in zijn geheel, zoo was _Vlaanderen_ grootendeels een deel van Frankrijk, _Kroon-Vlaanderen_ geheeten. Het andere gedeelte, het Noordelijke, was een leen van Duitschland en werd _Rijks-Vlaanderen_ genoemd. O. a. bevatte het Zeeland bewester schelde, d. i. het land ten n. van de Hont. In 1007 gaf keizer Hendrik II Rijks-Vlaanderen aan Boudewijn IV, graaf van Vlaanderen, in leen, die op zijn beurt het Zweedsche land wederom in achterleen gaf aan graaf Dirk III van Holland.

De staten, die in 't Noorden verrezen en waarvan straks ter loops werd gewaagd, waren Holland, Utrecht, Gelderland. Zooals men gewoonlijk aanneemt, ontstond het _graafschap Holland_, waarbij dat gedeelte van Zeeland behoort, dat ten n. van de Oosterschelde ligt, in 922, doordien Karel de eenvoudige (_Overzicht_, 9de druk, blz. 78) aan hem, die men veelal Dirk I noemt, Egmond en omliggend land, ongeveer van Hillegom tot Alkmaar, schonk. Maar wil men op een begin van 't graafschap Holland wijzen, dat op een vasten grondslag steunt, dan moet men gaan tot het jaar 1018, tot dien Dirk, die doorgaans ~DIRK~ III heet. Tusschen de Merwede en de oude Maas lag te dier tijde een moerassig bosch, dat de bisschop van Utrecht en die van Luik gemeenschappelijk bezaten. Deze wildernis werd in het begin der 11de eeuw door graaf Dirk eigenmachtig in bezit genomen. Hij stichtte er een sterkte ter bewaking van de talrijke rivieren, welke die streek besproeien, en hief er op eigen gezag tol van de voorbijvarende schepen. Tevergeefs trachtte keizer Hendrik II dit te beletten. De sterkte, door Dirk gesticht, gaf het aanzijn aan de stad Dordrecht. Naar 't schijnt, had de genoemde streek, wegens haar rijkdom aan bosschen den naam _Holland_ gekregen, die, na de verovering, allengs op de meer naar 't noorden gelegen streken overging. Vanhier, dat de graven, die voorheen "graven van Friesland" heetten, zich sinds dezen tijd "graven van Holland" begonnen te noemen. Sedert 1323 werd de graaf van Holland, gelijk beneden zal worden aangetoond, tevens graaf van _Zeeland_, een land, dat zijn naam wellicht hieraan ontleent, dat het deels uit _zee_, deels uit _land_ bestaat (zee en land).

_Gelderland_ bestond oudtijds uit de graafschappen Gelre of Gelder en Zutfen. De eerste, welke den titel "graaf van Gelder en Zutfen" voert, is ~HENDRIK~ in 1138. "Graaf van Gelder" heette hij naar zijn hoofdstad Gelre (ten n. o. van Venlo). In 1339 verhief keizer Lodewijk ~REINOUD~ II of ~DEN ZWARTE~, zoo genoemd naar de kleur van zijn hoofdhaar, tot hertog van Gelderland.

Zooals boven is vermeld, pleegt er sedert 695, toen Willebrord zijn zetel te Utrecht vestigde, van een _bisdom Utrecht_ te worden gewaagd. Dikwerf komt het ook onder den naam _het Sticht_ of _Stift_, gelijkbeteekenende met "gesticht", voor. Hoe ver het gebied des bisschops in geestelijke of kerkelijke zaken reikte, is reeds (zie blz. 6) gezegd. Oorspronkelijk was de kerkelijke macht de eenige, die de bisschoppen hadden. Doch sedert de keizers en andere machtige mannen, van tijd tot tijd, allerlei bezittingen aan den bisschoppelijken stoel schonken, kwam hierbij allengs ook wereldlijk gezag. Als wereldlijke vorsten waren zij, gelijk de overige Nederlandsche vorsten in de Middeleeuwen, leenmannen van het Duitsche rijk. Sedert 1122 werd de bisschop door de kanoniken van de vijf kapittelkerken gekozen. De vergadering van al die kanoniken tezamen droeg den naam _kapittel van Utrecht_. Behalve over Utrecht strekte zich de wereldlijke macht van de bisschoppen ook uit over _Overijsel_, daarom _Oversticht_ geheeten, alsmede van _Groningen_ en _Drente_. Wat Overijsel betreft, dit hebben zij trapsgewijze gekregen. Weleer waren hier, zooals elders, onderscheiden graafschappen, alle aan het Duitsche rijk leenroerig. Naarmate deze landstreken, bij het uitsterven der mannelijke lijn en anderszins, aan het rijk vervielen, gaven de keizers ze aan den bisschoppelijken stoel in leen.

Nog is niet gesproken van _Friesland_ en van eenige in de Middeleeuwen op zichzelf staande kleinere gedeelten van ons vaderland. Het eerstgenoemde land, tevens West-Friesland, een groot deel van de latere provincie Groningen en Oost-Friesland bevattende, werd sedert Karel den groote door graven beheerscht. Wat die andere deelen des lands aangaat, hiertoe behoorde o. a. de heerlijkheid _Westerwolde_, sinds het einde der vorige eeuw bij de provincie Groningen ingelijfd.

Na op de bestanddeelen der Nederlanden in de Middeleeuwen te hebben gelet, vestige men zijn aandacht op den aard der grafelijke macht in Holland, waarbij men zich behoort te herinneren, dat wat hier wordt aangevoerd tevens in 't algemeen voor Gelderland, Utrecht, enz. geldt. Oorspronkelijk waren de graven (zie blz. 7) ambtenaren, d. i. dienaren, die in naam van den koning der Franken of den keizer van Duitschland de vierschaar spanden, de boeten invorderden en den heirban aanvoerden. Zij bezaten op dezen grond doorgaans vele landen, bosschen enz. in vollen eigendom. De bediening, hun opgedragen, kon worden herroepen, weshalve niet de graven naar de streek, waarover zij waren gesteld, werden genoemd, maar de graafschappen den naam droegen van hen, die ze bestuurden. Sedert de leenwet van keizer Koenraad II (_Overzicht_, 9de druk, blz. 79) in 1037 werden de graafschappen alom, dus ook hier te lande, erfelijk. Nu bleven de graven niet lang meer dienaren. Aangesteld door een heer, die verre was, poogden zij weldra zich van hem zoo goed als onafhankelijk te maken, zijn plaats geheel in te nemen, in 't kort landsheeren te worden en als zoodanig te handelen. Het hun geleende gezag zochten zij tot een eigen te maken. Hiertoe behoefden zij den steun hunner onderdanen en moeten zich dien hebben weten te verschaffen. Eens landsheer geworden, gaf ook de graaf van de aanzienlijke goederen, die hij bezat of aan zich had getrokken, er vele in leen aan de vrijen en eigenerfden, hier woonachtig, natuurlijk onder voorwaarde, dat zij hem, den leenheer, getrouw zouden wezen en bijstaan tegen wien ook.

In naam van den graaf of landsheer spande in Holland _de baljuw_ of _schout_, zijn ambtenaar, _de vierschaar_ (d. i. de vier gerechtsbanken), of, met andere woorden, riep _de schepenen_, als bijzitters, bijeen. De schepenen wezen het vonnis, en de baljuw of schout sprak het uit. De baljuw, de plaatsvervanger van den graaf in elke gouw, stond hier aan 't hoofd van 't burgerlijk bestuur, was voorzitter in de gerechten, voerde de ingezetenen in oorlog aan en oefende het toezicht over wateren, wegen en dijken.

Vooral was het Floris V, die inbreuk maakte op de oude instellingen en de grafelijke macht uitbreidde. Om niet afhankelijk te zijn van den bijstand der edelen in geval van oorlog, stichtte hij steden en begunstigde ze met _keuren_ en allerlei voorrechten. Voor den grafelijken domeingrond, waarop zij werden gebouwd, betaalden die steden een jaarlijksche som, als tot afkoop van de diensten, waartoe de bewoners van dien grond zouden gehouden geweest zijn. _De gemeenten_, aldus ontstaan, werden als vazallen of leenmannen aangemerkt. Alzoo de burgerijen, als krijgsmacht, aan de troepen der leenmannen kunnende tegenstellen en hun inkomsten met behulp van de jaarlijksche schattingen, hun door de steden op te brengen, vermeerderende, verzwakten de graven de heeren, zichzelven tevens versterkende. Deze gevolgen werden in nog ruimer mate zichtbaar, toen de graven, met de edelen, eveneens de steden opriepen, om ook haar over 's lands belangen te raadplegen of haar om beden te vragen. Op die wijze veranderden de graven allengs de geheele inrichting van den staat.

De burgers dier steden wierpen hoe langer hoe meer een aanmerkelijk gewicht in de schaal. Op grond van den ouden rechtsregel, dat geen vrij man kon worden gedwongen, zonder eigen toestemming, iets van zijn eigendom af te staan, konden ook zij hun bewilliging onthouden aan _de_ vorstelijke _beden_, d. i. aanzoeken om geldelijke hulp, en wel in dier voege, dat elke stad voor zich kon weigeren. En vermits in deze landen, gelijk elders, de geestelijkheid en de edelen van rechtswege bevrijd waren van alle lasten, uitgezonderd van den krijgsdienst, en zich zoolang mogelijk in 't bezit van dit recht handhaafden, waren de graven meer en meer verplicht, zich, ten einde de noodige gelden te erlangen, tot de stedelingen te wenden. Deze gesteldheid van zaken verklaart ook het aanwezig zijn van die tallooze _privilegiën_ hier te lande, als zoovele bolwerken, om te groote overmacht van den graaf te stuiten.

De inhoud dier stukken liep natuurlijk uiteen. Maar geen stad of gewest was er bijna, of zij kon zich beroemen op een keur, waardoor de ingezeten verzekerd was, niet buiten de grenzen van stad of gewest gedagvaard of voor een vreemden rechter gedaagd te worden (jus de non evocando). Dergelijke privilegiën bezwoer de graaf, aleer hij het bewind aanvaardde. Eerst dan legden de onderdanen den eed van trouw en gehoorzaamheid af.

Wat het binnenlandsch bewind betreft, bleef Friesland tot den tijd van Karel V op een geheel bijzonderen voet bestaan. De keizer beleende met dit land hetzij den bisschop van Utrecht, hetzij den graaf van Holland of een ander vorst. Alzoo meende zoowel de graaf van Holland als de bisschop van Utrecht een verkregen recht te hebben op de heerschappij over de Friezen, die zelven evenmin gezind waren den een als den ander te gehoorzamen. De herhaalde uitgifte van Friesland in leen toont aan, dat er, gedurende de Middeleeuwen, in dit land geen gezag bestond, gelijk aan dat van den bisschop van Utrecht, den graaf van Holland of den hertog van Gelderland. De graven of regenten, die er waren, moeten worden geacht ambtenaren van lageren rang te zijn geweest en met minder macht bekleed, dan die was, welke de zoo even genoemde landsheeren, elk binnen zijn perken, uitoefenden.

§ 4.

_Holland onder de graven uit het Hollandsche huis._

Hetgeen op de laatstvoorgaande bladzijden omtrent het karakter en de hoedanigheid van de macht der landsheeren staat opgeteekend ziet, uit den aard der zaak, niet op één tijdstip in 't bijzonder. Het is veeleer een doorloopende beschouwing van de ontwikkeling dier macht in den loop der tijden, welke steeds behoort te worden getoetst aan de geschiedenis der staten zelven, waartoe wij thans overgaan. 't Eerste graaflijke stamhuis, dat in Holland regeerde en oorspronkelijk in de streken van de oude abdij van Egmond was gevestigd, was _dat van Holland_, naar de gewone meening, 922-1299 (zie echter blz. 11 en 12). Hier volgt de reeks der graven, uit dat huis gesproten. Zoo men met 922 begint, zijn er zestien: Dirk I, Dirk II, Arnoud, Dirk III, Dirk IV, Floris I, Dirk V, Floris II, Dirk VI, Floris III, Dirk VII, Willem I, Floris IV, Willem II, Floris V, Jan I. De plaats, waar de huldiging der graven plaats had, was Dordrecht. De eerste graven waren vaak in oorlog met de West-Friezen, met wier land zij, hoewel tegen den zin der inwoners, beweerden door den keizer te zijn beleend. In 1256 viel ~WILLEM~ II op een veldtocht tegen hen bij ~Hoogwoude~ (ten n.o. van Alkmaar), waar hij, met zijn paard door het ijs gezakt en tevergeefs een groot losgeld biedende, door de vijanden werd afgemaakt. Eerst ~FLORIS~ V, zijn zoon, onderwierp hen in 1282 en 1287, en tevens de Waterlanders en de Drechterlanders, zooals hij vroeger de Kennemerlanders had bedwongen.

Eveneens hadden de graven dikwijls geschillen met de bisschoppen van Utrecht, eensdeels wegens Friesland, anderdeels over de grensscheiding. Zoo werd Utrecht ongeveer in 1145 door ~DIRK~ VI, uit wrok over het verlies van Friesland (zie blz. 15), belegerd. Toen echter bisschop ~Herbert~, aan het hoofd zijner geestelijkheid, in plechtgewaad, met een boek in de hand uit de gewijde vest kwam, om den banvloek over den graaf uit te spreken, ontgleed het krijgszwaard aan zijn bevende handen en brak hij in aller ijl het beleg op. Dat sommige graven zich zelfs aan openlijken oorlog met den keizer durfden wagen, blijkt o. a. uit het voorbeeld van Dirk III (zie blz. 12). En dan was Holland nog, ter zake van Zeeland (zie blz. 11), in langdurigen kamp met de Vlamingen gewikkeld. Van Hollands graven namen ~FLORIS~ III en ~WILLEM~ I persoonlijk deel aan kruistochten, de eerste aan den derden, waarin hij wakker streed, maar in 1190 te Antiochië aan een ziekte overleed. Zijn tweede zoon Willem vocht, na den dood zijns vaders, mede voor Acre. Nadat hij vervolgens zijn broeder Dirk VII als graaf was opgevolgd, ondernam hij aan 't hoofd van een leger Hollanders en Friezen gezamenlijk met de andere vorsten een tocht tegen Damiate (in 't n. van Egypte, nabij een der monden van den Nijl), om vandaar Syrië en Palaestina aan te tasten. Na een langdurig beleg werd Damiate in 1219 ingenomen, doch in 1221 ook reeds weder ontruimd. Ter herdenking dezer gebeurtenis hangen er, sedert het midden der 16de eeuw, in den toren van de groote of St. Bavo's kerk te Haarlem koperen klokjes, die zoowel elken avond geregeld als hij brand en andere gelegenheden worden geluid. Zij heeten _Damiaatjes_, niet omdat zij van Damiate afkomstig zijn, maar omdat zij bestemd zijn, de herinnering aan den tocht levendig te houden.

Slechts eenmaal werd, gedurende de regeering van het eerste stamhuis, als punt van geschil, de vraag opgeworpen, of Holland een zwaard- dan wel een spilleleen was. Het geschiedde in 1203, bij den dood van Dirk VII. Hij liet één dochter na, Ada geheeten. Graaf Dirk had gewenscht, dat zijn broeder, weldra graaf Willem I, als regent het bewind voor haar voerde. Maar Dirks gemalin, Adelheide, haatte Willem, en hoewel zij zich niet kon ontveinzen, dat Holland, destijds althans, als een mannelijk leen werd aangemerkt, poogde zij het graafschap voor hare dochter te behouden. Mede met het oog daarop huwde zij Ada uit aan Lodewijk, graaf van Loon (ten n. van Luik), Dit huwelijk werd voltrokken, terwijl het lichaam van Ada's vader nog boven aarde stond, zoodat het gebruikelijke rouwmisbaar voor de blijde bruiloft moest wijken. Deze handelwijze van Adelheid maakte de verontwaardiging van vele edelen gaande, die nu partij kozen voor Willem. Zóó ontbrandde er een oorlog, waarin de fortuin Lodewijk eerst een korte poos toelachte, om hem weldra ontrouw te worden. Reeds in 1204 werd hij uit Holland verdreven en kwam er nimmer terug.

Allengs was het aanzien van het Hollandsche gravenhuis zeer gerezen. Nog hooger steeg dit, toen Willem II, de stichter van 's Gravenhage, in 1247 tot Roomsch koning werd benoemd, een waardigheid, die hem intusschen veel strijd kostte en geen werkelijke macht schonk. Doch juist toen zijn gelukszon in Duitschland begon te rijzen en zijn uitzichten te verhelderen, viel hij, omtrent dertig jaren oud, in den kamp tegen de West-Friezen (zie blz. 16). Hij benevens Willem I en Floris V zijn het inzonderheid, aan wie de steden en vlekken hun opkomst hadden te danken.

Gelijk elders, oefenden de kruistochten ook in ons land hun invloed en brachten een geheele omkeering in de maatschappij teweeg. Ook in Nederland begon men van lieverlede de gevolgen te gevoelen van het onderlinge verkeer der natiën, dat toen opkwam. Dat men onder de banier des kruises voor een heiliger beginsel streed, dan men tot dusver had gekend, leidde tot veredeling van den woesten krijgsmansgeest en temperde de ruwheid van zeden. Ook hier werd de kring van menschelijke kennis en ervaring uitgebreid en verwekte de handel, die reeds tot eenigen bloei kwam, een hooger gevoel van zelfstandigheid. Nu de kennismaking met het Oosten en met het Byzantijnsche hof de behoefte aan meer gemak en weelde, aan pracht en vertooning had gewekt, vermenigvuldigden zich, met de vermeerdering van allerlei behoeften, eveneens de takken van nijverheid en nam de handel een hoogere vlucht. Alwie, getroffen door het gezicht van Italië's steden, fier op eigen bestuur, naar huis terugkeerde, haakte naar 't zelfde geluk en deed mede bij anderen de begeerte daarnaar ontbranden. De edelen, die, om de kosten der uitrusting te bestrijden, vele hunner eigendommen moesten vervreemden of hun lijfeigenen de vrijheid schenken, verloren van hun invloed en luister. Het volk werd uit de diepe vernedering der lijfeigenschap opgeheven en de grond gelegd tot het ontstaan van _den derden stand_, d. i. dien der poorters of burgers, en tot dien der boeren. De kruistochten bevorderden krachtig het gebruik der moedertaal en riepen rechten en vrijheden in 't leven. Zij verbonden de drie standen nauwer en ontwikkelden ze meer en meer door 't wijzigen hunner zeden en gewoonten.

Op den grondslag nu, ook door de kruistochten gelegd, begon voet voor voet het gebouw der burgerlijke vrijheid te verrijzen. Zooals boven werd opgemerkt, zijn de meeste steden haar oorsprong of bloei aan het straks genoemde drietal graven verschuldigd. In de keuren, aan de steden uitgereikt, werd haar vrijdom van tol geschonken; voor toezicht op wegen en vaarten gezorgd; een zekere boete op misdrijven bepaald; het recht gegeven om haar overheidspersonen of schepenen te verkiezen; vastgesteld, welk getal van manschappen, b. v. 25 tot 30, de stad in geval van oorlog moest leveren en hoe groot de som, jaarlijks te voldoen, zou zijn, b. v. van 20 tot 60 gl. (zie blz. 14). Doch Floris ging nog verder. Hij raadpleegde niet alleen de edelen, maar ook van tijd tot tijd sommige steden over 's lands belangen.

Zóó verrezen, in tegenstelling met andere landen, op Hollands bodem op vreedzame wijze tal van steden. Als regel gold het, dat elke lijfeigene of hoorige, die binnen een stad zijn toevlucht nam, vrij werd, zoo hij na jaar en dag door zijn heer niet was opgeëischt. Groot was de verandering, die reeds hierdoor de toestand van den lijfeigene of hoorige onderging. Van dit oogenblik af betaalde hij geen _schot_ (van schieten, in den zin van bijdragen, geven) en _lot_ (eigenlijk: stuk grond, vandaar: de schatting er voor), d. i. hoofdgeld, meer, want dit geschiedde alleen door de niet-vrijen. Hij mocht, naar welgevallen, een huwelijk aangaan, over zijn goederen beschikken, in één woord: hij kreeg persoonlijke rechten. Als burger deelde hij verder in de voorrechten, waarmede de steden langzamerhand werden begiftigd. Geen andere verplichtingen stonden hier tegenover, dan dat hij (zie boven) eens in 't jaar met zijn medeburgers een vaste som moest opbrengen, binnen de stad blijven wonen en zich, wanneer haar eenig gevaar dreigde, gewapend naar de loopplaats begeven. De band, op die wijze bij de opkomst der steden gelegd, werd later nog nauwer toegehaald, sinds de burgers allerlei bijzondere verbintenissen onder elkander aangingen. Hiertoe behooren hoofdzakelijk _de gilden_, d. i. vereenigingen van lieden, die hetzelfde bedrijf of handwerk uitoefenen, met verbod aan anderen om dit te doen.

Is het vreemd, dat Floris door zijn tegenstanders _der keerlen God_, d. i. de afgod der stedelingen en boeren, werd genoemd? Niet alleen door rechtstreeksche begunstiging, ook door het fnuiken van den adel bevorderde hij hun belangen. Op verzoek van een paar steden en edelen uit het Sticht deed hij de heeren ~Gijsbrecht van Amstel~ en ~Herman van Woerden~, zijn leenmannen, den oorlog aan. Die oorlog liep ten nadeele der beide heeren af. Gijsbrecht deed in 1285 afstand van een deel der goederen, die hij van den bisschop in leen had, o. a. van Muiden, welke op Floris overgingen, die hierdoor een vazal van Utrecht werd. Dezelfde bepaling werd op de heerlijkheid Woerden toegepast. Verder deden beiden afstand van hun alodiën, waar ook gelegen, ten behoeve van Floris, die ze hun als leenen teruggaf.