Beknopte geschiedenis van het vaderland

Part 19

Chapter 193,681 wordsPublic domain

Veel aanstoot gaf een koninklijk besluit van het jaar 1819, houdende dat, te beginnen met 1823, in de provinciën Limburg, Oost- en West-Vlaanderen, Antwerpen en Zuid-Brabant de Nederlandsche taal voor de bij uitsluiting geldende in openbare aangelegenheden werd verklaard. Ofschoon in de genoemde gewesten het Nederduitsch de taal des volks was, maakte het besluit daarom een ongunstigen indruk, omdat de hoogere standen zich dagelijks van het Fransch bedienden. Een andere grieve der Belgen was, dat nog geen vijfde deel van de officieren van het leger tot hun natie behoorde. Zij bedachten evenwel niet, dat dit ten deele hieruit voortkwam, dat in de eerste jaren van 't bestaan van 't rijk het getal der Nederlandsche officieren, die hun diensten aan den koning aanboden, veel grooter was, dan dat der Belgen, en dat deze verhouding langen tijd ongeveer dezelfde moest blijven. Eindelijk beklaagden de Belgen zich erover, dat de schuldenlast van Noord-Nederland voor de helft op het Zuiden was overgebracht. Geenszins overwogen zij, dat tegenover den schuldenlast groote voordeelen stonden, die zij krachtens de vereeniging deelachtig, werden, als de zeemacht en de rijke koloniën.

Doch geen dezer grieven woog in 't oog der Belgen zelven zwaarder, geen maatregel der regeering wekte meer hun verbittering, dan 's konings besluiten aangaande het onderwijs, bij hen vooral zoo nauw verwant aan den godsdienst, en inzonderheid dat nopens het collegium philosophicum. Ten einde het voorbereidend onderwijs, inzonderheid van de jonge lieden, die zich aan den geestelijken stand wijdden, aan de kleine seminariën of kweekscholen der over 't geheel niet zeer verlichte geestelijken te onttrekken, riep de koning, bij besluit van den 14den Juni 1825, ter vervanging dier scholen, _het collegium philosophicum_ in 't leven. Het werd te Leuven gevestigd. Twee jaren na de opening mochten geen anderen, dan die hun voorbereidende studiën in het collegium hadden volbracht, als priester worden gewijd. Gelijk een donderslag klonk de mare van dit besluit den geestelijken in de ooren. Vele ouders trachtten het te ontwijken door hun kinderen buiten 's lands te laten onderwijzen; maar ook dit werd tegengegaan. Hevig was de afkeer, dien de meerderheid der inwoners uit het Zuiden tegen het collegium bleef koesteren.

Een van de onmiddellijke gevolgen van 's konings besluit was de aaneensluiting en verbroedering van twee partijen in België, welke tot dusverre tegenover elkander hadden gestaan. Behalve die der geestelijken, waartoe ook vele adellijken behoorden, was n.l. langzamerhand, van een geheel ander standpunt uitgaande, een tweede gekomen, die in vele opzichten Franschgezind was en zich "de liberale" of "vrijzinnige" noemde. Zij wenschte geheele vrijheid van onderwijs en drukpers. Om in haar streven des te beter te slagen, vereenigde zij zich met de partij der ijverige katholieken. Van dit oogenblik af, d. i. sedert het einde van 1828, begonnen zich de voorboden te vertoonen van een geregeld verzet tegen de regeering, blijkbaar in het indienen van een groote menigte verzoekschriften, welke in sterke bewoordingen om opheffing der talrijke bezwaren vroegen. Van denzelfden tijd af stonden in de Tweede Kamer de afgevaardigden uit het Noorden en die van het Zuiden als twee vijandelijke legerbenden in volle wapenrusting tegenover elkander geschaard. Netelig was 's konings toestand. Van den aanvang af was het zijn streven geweest, de samensmelting tusschen de beide deelen des rijks hoe langer hoe meer te bevorderen. Doch bij het nemen van doortastende maatregelen schijnt hij den volksgeest niet genoeg te hebben in 't oog gehouden en ontzien. Hoezeer de besluiten omtrent het onderwijs en de taal in staat waren, de inniger vereeniging in de hand te werken, zij kunnen niet worden vrijgepleit van de blaam, eenigszins voorbarig te zijn en te zeer indruisende tegen de in België heerschende zienswijze. Niet genoeg, meende men, hield Willem I ook in 't oog, dat, uit den aard der zaak het tegengaan van allen invloed der Franschen op het zuidelijke gedeelte van zijn rijk een hoofdzaak voor hem was. Het omgekeerde had plaats, want elke tegenstander der met de richting der katholieke geestelijkheid instemmende Bourbons (_Overzicht_, 9de druk, blz. 234), die uit Frankrijk kwam vlieden, vond in België een toevluchtoord en vaak hulp en steun bij het hof. Zoo stemde de koning de regeering van Frankrijk ongunstig en werkte de unie tusschen de Belgische geestelijken en de liberalen in de hand.

Deze unie had in 1828 plaatst. Zij bestond hierin, dat de beide partijen, op een voorstel, in de dagbladen der geestelijkheid gedaan, zonder voorshands op haar bijzonder belangen te letten, zich tot een gemeenschappelijken strijd tegen de regeering vereenigden. Zoodra die vereeniging was tot stand gekomen, nam de koning een weifelende houding aan tusschen gestrengheid en toegeven. Hiervan gaf hij over 't geheel, ook reeds vroeger, menig bewijs. Zoo sloot hij, om de katholieken tegemoet te komen, die sinds lang een geregeld kerkbestuur wenschen, in 1827 met paus ~Leo~ XII een _concordaat_ (d. i. een verdrag tusschen het hof te Rome en een wereldlijke regeering, waarbij deze haar toestemming geeft tot de regeling der kerkelijke aangelegenheden harer Roomsche onderdanen). Den verzoenenden zin, die hem bezielde, openbaarde Willem I verder door in 1829 de verplichting van 't bijwonen der lessen van 't collegium op te heffen, waardoor het weldra teniet ging. Eveneens trok hij de beperkende bepalingen nopens het gebruik der landstaal in. Dat de koning van den anderen kant volstrekt niet van zins was, zich door de losbandigheid der drukpers te laten overvleugelen, toonden de rechtsgedingen, tegen de Potter en anderen gevoerd wegens pogingen, door hen gedaan om in hun geschriften hun medeburgers op te hitsen ter omverwerping der bestaande regeering. Zij werden veroordeeld tot een zeker aantal jaren ballingschap. Maar de veroordeelingen waren doelloos, want de overtreders der wetten op de pers beschouwde men als slachtoffers.

Den 27-29sten Juli 1830 had in Frankrijk de omwenteling plaats (_Overzicht_, 9de druk, blz. 234), waardoor Karel X van den troon werd gestooten. De tijding werd in België met de grootste opgewondenheid aangehoord. Koning Willem I, in zijn binnenlandsche staatkunde juist het tegendeel van Karel X, werd met hem op één lijn gesteld. Geen maand later, en ook de Belgen toonden, hoe spoedig zij de kunst hadden geleerd, zich te ontslaan van een koning, over wien zij misnoegd waren.

§ 37.

_De opstand van België en het koninkrijk der Nederlanden sedert 1830._

De ontevredenheid, van 1815 dagteekenende, was voortdurend in kracht toegenomen en diep in de gemoederen doorgedrongen. De mijn was geladen, slechts een kleine vonk noodig, om ze te doen springen. Sinds een paar jaren zag men in België reeds naar de uitbarsting uit en werd de aanstaande omwenteling openlijk in de straten van Brussel aangekondigd. Dat er hoofden der beweging waren, lieden van aanzienlijken rang, die de volksmenigte bestuurden, spreekt vanzelf. Doch deze personen hebben niet veel anders gedaan, dan de mijn aansteken. De mijn, die ontvlamde, was het volk zelf. Den 25sten Augustus gaf men in den schouwburg der stad de "Muette de Portici" (_Overzicht_, 9de druk, blz. 141), d. i. den opstand op het tooneel. Van den schouwburg tot de straat was een overgang van een paar uren. Te tien uur des avonds schoolden talrijke volkshoopen samen, die weldra verschillende huizen plunderden en verwoestten en zelfs de woning van den minister van justitie van Maanen in brand staken. Daar het opgeruide grauw toonde smaak in het plunderen te hebben gekregen, begonnen de gezeten lieden voor de openbare veiligheid beducht te worden. Uit deze overweging kwam den 27sten Augustus de oprichting eener gewapende burgermacht voort, die de Brabantsche kleuren aannam en in wier handen 's konings troepen de teugels van 't krijgsgezag over de oproerige stad terstond stelden. Te Luik en in de overige steden van België beleefde men dadelijk een herhaling van dezelfde tooneelen.

De Belgische opstand verraste de regeering van koning Willem I. De gewapende macht, die zich te Brussel bevond, had geen orders, hoe te handelen, en was niet krachtig genoeg. Eerst den 28sten Augustus nam de koning eenige besluiten. Hij begon met de Staten-Generaal buitengewoon te 's Gravenhage bijeen te roepen tegen den 13den September. Een legercorps werd bijeengebracht en kreeg bevel naar Brussel op te trekken. Aan 't hoofd dezer troepen werden 's konings beide zonen geplaatst, de prins van Oranje en prins Frederik, destijds admiraal en generaal over 's rijks krijgsmacht te water en te land. Groot was, bij de nadering van dit leger, de ontsteltenis onder de bevolking der stad. Binnen weinige uren was Brussel als een verschanste legerplaats. Vermits men zich desniettemin niet sterk genoeg achtte, om zich tegen geweld van wapenen te verdedigen, vaardigde men een bezending naar 's prinsen hoofdkwartier af. Deze bezending schilderde in zulke sterke kleuren de bedenkelijke stemming van Brussels bevolking, inzonderheid van het gemeen, dat de prins van Oranje beloofde, den 31sten Augustus, slechts begeleid door zijn staf, te zullen komen.

Op het vastgestelde uur had, dien 31sten Augustus de intocht van den prins van Oranje binnen Brussel plaats. Het moet een indrukwekkend schouwspel zijn geweest, den prins, bijna onverzeld, de straten te zien doorrijden, opgevuld met duizenden manschappen der burgermacht en met een gewapende menigte, die nu eens een doodsch stilzwijgen bewaarde, dan weer in woeste kreten of bedreigingen haar gewaarwordingen lucht gaf. Bij het stadhuis, waarheen de hoofden van den opstand hem geleidden, sloeg de Arabische schimmel, dien de prins bereed, achteruit en kwetste plotseling een der omstanders. De prins, die terstond een ander paard had bestegen, aan het gewoel en getier ziende, dat de volksschare tot dadelijkheden dreigde over te gaan, zette het dier in den galop en baande zich door zijn koene sprongen over de barricaden en versperringen heen een weg naar zijn paleis.

Kort hierna keerde de prins naar 's Gravenhage terug. Tegen de meening van den kroonprins, die op milde beloften en op het herstel der grieven aandrong, gaf de koning aan prins Frederik bevel, om de gehoorzaamheid aan het wettig gezag gewapenderhand te doen terugkeeren en een aanval op Brussel te doen. Doch het gunstige oogenblik was voorbij. Het vuur van den opstand had zich wijd en zijd verbreid. Te lang had de regeering, weifelende tusschen vredelievende gezindheid en de zucht om geweld te gebruiken, gedobberd. Hierbij kwam, dat de aanval op Brussel niet met dat beleid en die doortastende kracht geschiedde, welke de waarborgen zijn van een goeden uitslag. Men wilde de stad vermeesteren; doch men wilde ze tevens zooveel mogelijk sparen en de burgerij geen geweld aandoen. Na een vierdaagsche worsteling, die aan vele wakkere soldaten het leven kostte, trokken de koninklijke troepen den 26sten September uit de stad terug. Het oproer zegevierde.

Weinige dagen na den terugtocht van 's konings troepen uit Brussel werd, den 29sten September, in de Tweede Kamer der Staten-Generaal het besluit genomen, het staatsbestuur te splitsen zonder scheuring van het rijk en de grondwet te herzien. Aan de voornaamste eischen der Belgen had de koning niet willen tegemoet komen. Intusschen nam de strijd meer en meer het karakter aan van een oorlog, niet tegen de kroon, maar tusschen Noord- en Zuid-Nederland. De Belgen konden niet sterker naar een geheele scheiding verlangen, dan de Noord-Nederlanders zelven. Ook in het leger vertoonde zich die verdeeldheid. Geheele afdeelingen, uit Belgen bestaande, vielen af. Terwijl de wettige vertegenwoordigers van het Belgische volk in den Haag ter Staten-Generaal beraadslaagden, bestuurden eenige volksleiders den gang der gebeurtenissen in 't Zuiden. De Potter (zie blz. 194) kwam uit de ballingschap terug, werd met uitbundige toejuiching ontvangen en mede aan 't hoofd van 't voorloopig bestuur te Brussel gesteld. Maar zes weken later was men hem reeds moede en verliet hij, zich er niet veilig rekenende, zijn vaderland voor de tweede maal. Ten einde, zoo mogelijk, de regeeringloosheid tegen te gaan, welke uit dezen staat van zaken dreigde voort te komen, zond Willem I, op verzoek van vele aanzienlijke Belgen, den prins van Oranje voor de tweede maal naar de kampplaats. Hij had in last, het bestuur over de getrouw gebleven gewesten op zich te nemen en de opgestane streken naar vermogen tot rust te brengen. Terstond beloofde de prins aan de Belgen de opheffing van vele hunner grieven. En toen het voorloopig bestuur, te Brussel gevestigd, de natie had opgeroepen om een congres te doen bijeenkomen en Antwerpen er ook deel aan wilde nemen, gaf de prins aan dit verlangen toe. Zoo doende ging hij verder, dan de koning had bedoeld, en werd teruggeroepen.

Terzelfder tijd, in 't midden van October 1830, wendde Willem I zich tot de vijf groote Europeesche mogendheden, Oostenrijk, Frankrijk, Engeland, Pruisen, Rusland, als leden van 't Weener-congres, die zich tot de handhaving van het koninkrijk der Nederlanden hadden verbonden. De gezanten dezer mogendheden openden in 't begin van November hun eerste _conferentie_ (bijeenkomst) _te Londen_. Inmiddels was de prins van Oranje naar het vaderland teruggekeerd en er met groote koelheid ontvangen. De toegevendheid, door hem jegens de Belgen aan den dag gelegd, werd hem in 't Noorden zeer euvel geduid. Na zijn vertrek uit Antwerpen vertoonden zich ook hier en te Maastricht, tot dusver de eenige plaatsen, waar 's konings bewind nog werd geëerbiedigd, meer en meer onrustwekkende verschijnsels. Te Maastricht handhaafde echter de generaal Dibbets het gezag der Nederlandsche regeering. Te Antwerpen daarentegen brak de opstand openlijk uit en viel menig Nederlandsch krijgsman onder de kogels der muitende menigte. ~David Hendrik baron Chassé~, die er het bevel voerde, had de stad wel in staat van beleg verklaard, maar verzette zich in 't eerst niet krachtig tegen de buitensporigheden van 't gemeen. Doch eindelijk, den 27sten October, bedwong hij, ondersteund door de vloot, die onder 't bevel van den schout-bij-nacht ~Koopman~ op de Schelde lag, door een uren lang aangehouden bombardement der stad den overmoed des vijands. Op uitnoodiging der conferentie te Londen stuitte inmiddels een wapenstilstand den verderen gang der vijandelijkheden.

Op deze conferentie bleek het weldra, dat geen der vijf mogendheden genegen was, ten behoeve van het stamhuis van Oranje-Nassau den vrede van Europa op het spel te zetten. Alsof de koning dit had kunnen vermoeden, had hij, niet alleen op die conferentie bouwende, het volk van Noord-Nederland ter verdediging van de onafhankelijkheid des lands te wapen geroepen. De oproeping vond overvloedigen weerklank bij alle standen van 't volk. Langzamerhand stroomden duizenden manschappen naar de zuidelijke grenzen van Noord-Nederland en wachtten er geduldig 's konings bevelen af. Intusschen maakte de conferentie _de protocollen_ van den 20sten en den 27sten Januari 1831 bekend, waarin de geheele scheiding van Nederland en België werd uitgesproken en vastgesteld, dat 16/31 der gemeenschappelijke schuld ten laste van België zou komen. Middelerwijl was _het nationaal congres_ den 10den November 1830 te Brussel bijeengekomen en had, hoewel het zich voor 't behoud van den constitutioneel-monarchalen regeeringsvorm verklaarde, het huis van Oranje-Nassau van den troon uitgesloten. Dit congres verwierp de protocollen van Januari, terwijl Willem I verklaarde ermede in te stemmen.

De Belgen vonden niet spoedig een koning voor den door hen ledig verklaarden troon. Daarom droeg het congres het oppergezag voorloopig op aan een regent, den baron ~Surlet de Chokier~, een rijk grondbezitter, tot dusver president dier vergadering. Eindelijk, den 4den Juni 1831, benoemde het met groote meerderheid van stemmen prins ~Leopold van Saksen-Koburg-Gotha~, een broeder van den regeerenden hertog van Saksen-Koburg-Gotha, tot _koning der Belgen_. Leopold aanvaardde de regeering den 21sten Juli van dat jaar, beloofde de zeer vrijzinnige grondwet, een van de eerste vruchten der werkzaamheid van 't congres, te zullen eerbiedigen en sloot in 1832 een tweede huwelijk met ~Louise~, de oudste dochter van Lodewijk Philips, koning der Franschen. Inmiddels stelde de conferentie in Juni 1831 eene nieuwe protocol, _de achttien artikels_, op, veel gunstiger voor België dan de vorige, waarin zij de rechten van het huis van Oranje-Nassau op Luxemburg voor twijfelachtig verklaarde, België uitzichten op het bezit van Maastricht opende en vaststelde, dat het niet verplicht was, een deel der schuld van het oude Nederland over te nemen. Èn deze wijzigingen, èn het optreden van Leopold als koning brachten Willem I, reeds lang ongeduldig over den langwijligen gang van de beraadslagingen der conferentie, tot het besluit, zijn recht met het zwaard te handhaven. Marschvaardig lag de Nederlandsche krijgsmacht op de grenzen, van geestdrift gloeiende en begeerig om, was het noodig, den heldendood voor het vaderland te sterven. Zij gedacht het voorbeeld van den wakkeren ~Johan Karel Jozef van Speyk~, die in Februari 1831, gedurende den wapenstilstand, met zijn kanonneerboot, welke de wind bij Antwerpen naar 's vijands wal had gedreven, in de lucht vloog, liever dan de vlag te strijken voor hen, die hij als muiters tegen hun wettigen koning aanmerkte, of, wat nog erger was, ze hun prijs te geven.

Was op het eind van 1830 Nederlands leger niet bestand geweest tegen dat van België, thans, in den zomer van 1831, was die verhouding omgekeerd. Het leger van Willem I werd aangevoerd door ~den prins van Oranje~, wien prins Frederik ter zijde stond, en telde nog geen 36,000 man. De Belgische legers, dat van de Schelde en dat van de Maas, waren omtrent 30,000 man groot. Aan 't hoofd van 't eerste stond de generaal ~de Ticken de Terhove~, het bevel over het tweede voerde ~Daine~. Het leger van de Schelde was in de nabijheid van Antwerpen geplaatst, het andere stond in het Limburgsche. Terstond besloot de prins van Oranje tusschen de beide legers door te breken, om daarna elk van hen afzonderlijk aan te vallen. Een goed deel van dit plan werd volvoerd door _den tiendaagschen veldtocht_, 2-12 Augustus 1831. Den 5den Augustus was de doorbreking reeds geschied. Elke dag van dien veldtocht werd door gevechten gekenmerkt. De meestbeteekenende feiten zijn, wat men de slagen bij ~Hasselt~ (den 8sten Augustus) en bij ~Leuven~ (den 12den Augustus) noemt. De eerste dezer ontmoetingen was eigenlijk niets dan één krachtige aanval op het op Hasselt terugtrekkkende leger van Daine, dat dadelijk als een kudde schapen uiteenstoof en geheel werd verstrooid. Het had een slag in den waren zin des woords kunnen worden, indien Daine minder onbekwaam en lafhartig was geweest, en zoo niet de prins van Oranje, hoogstwaarschijnlijk België liever willende winnen dan overwinnen, zich ertoe had bepaald, den vijand van zijn minderheid te overtuigen, in plaats van hem te vernietigen. In den slag van Leuven, die van meer beteekenis was, voerde koning Leopold in persoon zijn troepen aan. De Belgen werden er geheel verslagen, weken naar Leuven en hadden zonder eenigen twijfel, wilden zij niet tot den laatsten man toe gedood of gevangen genomen worden, op smadelijke wijze de wapenen moeten nederleggen. Maar nu rukte, op verzoek van Leopold, een Fransch leger onder maarschalk ~Gérard~ België binnen en was de prins verplicht, voor de meerderheid te zwichten. Hij stond eindelijk, op herhaald verzoek van den Britschen gezant te Brussel, een wapenstilstand toe, en de veldtocht nam een einde.

Wederom hervatte de conferentie op 't einde van Augustus 1831 hare beraadslagingen, die in 't midden van October tot een nieuwe schikking, _de vier-en-twintig artikels_, voerden. Bij deze artikelen werd aan België een deel van Luxemburg toegekend, waarvoor het een deel van Limburg moest afstaan. Maastricht bleef aan Nederland voorbehouden. Ten aanzien van de schuld bepaalden zij, dat België met een jaarlijksche rente van 8,400,000 gl. zou worden belast. Reeds den 15den November onderteekende Leopold, door de nederlagen van den tiendaagschen veldtocht ontmoedigd, dit ontwerp-verdrag, hoewel minder gunstig voor de Belgen dan de achttien artikels. Daarentegen weigerde Willem I de onderteekening. Hij was van oordeel, dat nagenoeg geheel Limburg een bestanddeel van Nederland behoorde te blijven en dat, voor 't geval dat hij afstand deed van een gedeelte van Luxemburg, hij hiervoor nog verdere schadeloosstelling moest bekomen. Ook omtrent de schikking nopens de schuld kon hij niet met de conferentie instemmen. Deze verklaring van den koning van Nederland verdroot de conferentie. Twee der vijf mogendheden, Frankrijk en Engeland, sloten den 22sten October 1832 een overeenkomst, ten einde de noodige stappen te doen, om het grondgebied van België door den vijand te doen ontruimen. Ten einde dit doel te bereiken, legden zij, terwijl Willem I daarentegen gebood, de vaartuigen der Engelsche en der Fransche natie te ontzien, embargo op de Nederlandsche schepen en trok een Fransch leger van 90,000 man onder maarschalk Gérard België ten tweeden male binnen. Het rukte tegen de citadel van Antwerpen op, welker puinhoopen Chassé, na een roemrijke verdediging van negentien dagen, bij verdrag aan den vijand overgaf. De schout-bij-nacht Koopman (zie blz. 198), van oordeel zijnde, dat zijn vloot niet in het verdrag was begrepen, haastte zich, ze te vernielen en stelde zich toen met zijn manschappen ter beschikking van Gérard. Evenals de bezetting van de citadel werd de bemanning der vloot als krijgsgevangenen naar Frankrijk gevoerd.

Ook na dit wapenfeit der Franschen bleef de eindschikking met België nog steeds hangende. Willem I volhardde in zijn verzet tegen den voorslag der overmacht. Dit veroorzaakte een langdurig en zeer kostbaar bestand (_status quo_), daar Nederland voortdurend een zeer talrijk leger op de been moest hebben en de onzekerheid der toekomst, ofschoon het embargo in Mei 1833 werd opgeheven, den handel van groote ondernemingen afschrikte. Eindelijk noodzaakte de uitputting des lands den koning toe te geven. Den 14den Maart 1838 gaf hij te kennen, dat hij de voorwaarden der vier-en-twintig artikels inwilligde. Maar nu beweerden de Belgen weder, vermits Nederland zoo laat toetrad en zij zelven, uit hoofde der dreigende houding van hun tegenpartij, kosten hadden gemaakt, niet gehouden te zijn tot betaling van een deel der renten van de schuld. Dit verwekte nieuwe moeilijkheden, die ten laatste door _het eindverdrag_ van den 19den April 1839 uit den weg werden geruimd. Dit verdrag, hetwelk de vier-en-twintig artikels eenigszins wijzigde, bepaalde, dat België een afzonderlijk rijk werd; dat het aandeel van België in de rente der staatsschuld, jaarlijks van den 1sten Januari 1839 af te betalen, 5,000,000 gl. zou zijn; dat het Duitsche verbond en de groothertog de westelijke helft van Luxemburg aan België afstonden; dat België hiervoor afzag van een gedeelte van Limburg, zoodat aan Nederland dat deel bleef, hetwelk aan den rechteroever der Maas ligt, alsmede de stad Maastricht met het omliggend land en het gebied ten n. van een lijn, getrokken van de zuidelijke punt van Noord-Brabant naar de Maas, ten n. van Stevensweert. Deze streek van Limburg heette "hertogdom" en maakte--behoudens Maastricht en Venlo, die alleen tot Nederland bleven behooren,--van nu aan een deel uit, zoowel van het koninkrijk der Nederlanden, als van het Duitsche verbond.