Beknopte geschiedenis van het vaderland

Part 18

Chapter 183,542 wordsPublic domain

Aleer die gelukkige uitkomst was verkregen, had de prins het bewind, hem door de natie opgedragen, aanvaard met het nemen dier maatregelen, welke de tijdsomstandigheden in de eerste plaats vorderden. Zij betroffen de krijgsmacht en de financiëele aangelegenheden, want er was noch geld, noch leger. Hierop maakte de vorst een begin met het vervullen der voorwaarde, waaronder hij de oppermacht had aanvaard. Den 21sten December benoemde hij een commissie ter samenstelling eener grondwet. Haar werd aanbevolen, de schets, door van Hogendorp in de dagen der verdrukking, nog vóór den tocht naar Rusland, opgesteld, tot leiddraad harer beraadslagingen te nemen. De commissie achtte dit geraden en verkoos ~van Hogendorp~ tot voorzitter. Het hoofddoel dezer schets was, zonder onnoodige veranderingen de gebreken van den voormaligen toestand der Republiek te verbeteren. Door sommige zijner medeleden in de commissie werd van Hogendorp evenwel genoopt, ook met veel, dat geheel nieuw was, in te stemmen. Den 2den Maart 1814 was het ontwerp der grondwet gereed. Nu moest het aan het oordeel van het Nederlandsche volk worden onderworpen. Te dien einde werd een lijst van 600 _notabelen_ opgemaakt, d. i. van mannen, zich onderscheidende door deugd, bekwaamheden, geboorte, vermogen of ambtsbetrekkingen. Van de 600 verschenen den 29sten Maart 474 in de Nieuwe kerk te Amsterdam. Een overgroote meerderheid verklaarde zich ten gunste van de grondwet, zoodat zij binnen het tijdbestek van eenige uren verbindende kracht verkreeg. Den 30sten Maart was dezelfde Nieuwe kerk getuige van 's vorsten inhuldiging.

_De_ nieuwe _grondwet_,--een naam, die den vroegeren van "staatsregeling" of "constitutie" verving, _de vijfde_ regeling na 1795, erkende, als hoofdbeginselen, vrijheid van godsdienst, aller gelijkheid voor de wet en de onafhankelijkheid der rechterlijke macht. De verdere inhoud komt hoofdzakelijk hierop neer. Er zijn negen provinciën: Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland, Overijsel, Drente, Groningen, Friesland en Brabant. Tot Holland behooren de eilanden Texel, Vlieland, Terschelling, Wieringen, Urk en Marken; tot Overijsel Schokland; tot Friesland Ameland en Schiermonnikoog; tot Groningen Rottum. Er is één kamer van volksvertegenwoordigers, bestaande uit 55 leden, door de staten der provinciën te benoemen en drie jaren zitting hebbende. De leden der Staten-Generaal stemmen zonder last van de provinciale staten, die hen kiezen, en zonder eenige ruggespraak met hen. De provinciale staten zullen worden samengesteld uit leden der ridderschap en van de stedelijke raden. Deze leden worden gekozen door kiezers, te nemen uit hen, die de hoogste belastingen betalen. De provinciale staten hebben geen deel aan de oppermacht en beheeren de aangelegenheden van hun gewest. Voorzitters dier staten zijn, als 's vorsten commissarissen, de gouverneurs in de verschillende gewesten. Aan alle godsdiensten wordt gelijke bescherming toegezegd. Die van den vorst is de hervormde. In elke provincie is een gerechtshof, en bovendien, is er één hooge raad voor 't geheele rijk.

In Augustus 1814 herkreeg Nederland bij een verdrag, met Engeland gesloten, de volkplantingen, welke het op den 1sten Januari 1803 had bezeten, met uitzondering van de Kaap de goede hoop, Demerary, Essequ[=i]bo en Berbice. Terwijl intusschen het congres van Weenen (_Overzicht_, negende druk, blz. 186) zoo over andere punten, als over de vereeniging van Nederland met België beraadslaagde, landde Napoleon den 1sten Maart 1815 bij Cannes, en het tijdperk van de regeering der honderd dagen nam een aanvang. Den 16den Maart maakte de souvereine vorst aan de Staten-Generaal en aan het gansche volk bekend, dat hij de koninklijke waardigheid over Noord- en Zuid-Nederland, alsmede over Luik aanvaardde. Willems verklaring werd weldra door het congres bekrachtigd. Vier van de hoofdmogendheden van dit congres, Engeland, Oostenrijk, Rusland en Pruisen, sloten met den koning verdragen, waarbij het nieuwe koninkrijk der Nederlanden werd opgericht. Omtrent Luxemburg stelden deze verdragen vast, dat het, als _groothertogdom_, aan Willem werd afgestaan, die van zijn kant afstand deed van de Nassausche vorstendommen (zie blz. 49 en 147), alsmede van hetgeen men in 1803 aan zijn huis had toegekend (zie blz. 172). Luxemburg bleef tevens een der staten van den Duitschen bond uitmaken.

Intusschen waren de Zuidelijke Nederlanden bestemd om het tooneel te zijn, waar Napoleons lot en dat van Europa zouden worden beslist. Ongeveer 160,000 man had de keizer onder de wapens. Tegenover hem stonden twee hoofdlegers der bondgenooten: het eene uit Engelschen en Nederlanders bestaande, onder ~den hertog van Wellington~, en het Pruisische, door den grijzen ~Blücher~ aangevoerd, tesamen groot nagenoeg 230,000 man. Op denzelfden 16den Juni, waarop Blücher den slag van ~Ligny~ verloor, had de ontmoeting bij ~Quatre-Bras~ (een klein gehucht bij een kruisweg) plaats, waar ~de prins van Oranje~ den maarschalk Ney zegevierend terugdrong. Eindelijk werd den 18den Juni de groote veldslag bij ~Waterloo~, een tweede Cannae, geleverd, waarin de plotselinge verschijning eerst van het korps van Bülow en later van de overige afdeelingen van 't leger der Pruisen onder Blücher de zege aan de bondgenooten verzekerde. Hier bekwam de erfprins een wonde, waarvan hij evenwel spoedig genas. Reeds vier dagen daarna was de overwonnene geen keizer meer en sedert den 16den October een bewoner van St. Hel[)e]na, wat hij tot zijn dood bleef.

Te midden van de voorbereidselen, allerwege voor den oorlog gemaakt, benoemde koning ~WILLEM~ I (1815-1840, overl. 1843) een commissie, om de grondwet van 1814 te wijzigen. Terzelfdertijd verleende hij aan zijn oudsten zoon, den kroonprins, den titel "prins van Oranje", gelijk hij zooeven is genoemd, hetgeen weldra de grondwet van 1815 bekrachtigde. Het gekletter der wapenen belette de commissie niet, in Juli 1815 met haar werk gereed zijn. Nu moest dit ontwerp aan de beide afdeelingen van 't koninkrijk ter goed- of afkeuring worden onderworpen. Voor het Noorden was de weg hiertoe gewezen door de grondwet van 1814. Het moest gebeuren door de Staten-Generaal, in dubbelen getale te 's Hage beschreven. De 110 leden namen het ontwerp in Augustus bij eenparigheid aan. In het Zuiden werd het aan een getal van 1603 notabelen ter stemming voorgelegd. Eer deze stemming plaats had, verklaarde zich reeds de invloedrijke Belgische geestelijkheid openlijk en sterk tegen het ontwerp. Zij beweerde, vooral bij monde van ~Maurice Jean Magdeleine de Broglio~, bisschop van Gent, dat geen waar katholiek een grondwet kon bezweren, waarin het beginsel van gelijkstelling van godsdienst was opgenomen. 't Gevolg was, dat de meerderheid van hen, die opkwamen, het ontwerp verwierp. In weerwil van die afkeurende meerderheid in België verklaarde de koning, welke dien uitslag had voorzien, op verschillende gronden, dat de natie de grondwet had aangenomen.

De wijzigingen, bij deze nieuwe _grondwet_, _de zesde_, in die van 1814 gemaakt, kwamen hoofdzakelijk op de volgende punten neer: op de opheffing van 't artikel, waarin was bepaald, dat de koning den hervormden godsdienst moest belijden; op de instelling eener _Eerste kamer_ van 40 tot 60 leden, door den koning voor hun leven te benoemen; op de bepaling, dat _de Tweede kamer_ uit 110 leden zou bestaan en in 't openbaar beraadslagen; op de bepaling, dat de landelijke stand van nu aan werd vertegenwoordigd in de staten, der provinciën; op de toezegging van vrijheid van drukpers; op de bepaling, dat het koninkrijk der Nederlanden uit zeventien gewesten zou bestaan; op het artikel, houdende dat deze grondwet ook op Luxemburg zou toepasselijk zijn, behoudens zijn betrekking tot den bond, weshalve Luxemburg insgelijks zijn vertegenwoordigers zond naar de Staten-Generaal. De zeventien gewesten waren Zuid-Brabant, Limburg, Luik, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Henegouwen, Namen, Antwerpen, gevoegd bij de boven (zie blz. 182) opgetelde negen. Het dáár genoemde Brabant werd thans Noord-Brabant.

§ 36.

_Het koninkrijk der Nederlanden tot den opstand van België._

Tot de vereeniging van Nederland met België had men besloten in 't belang van 't evenwicht van Europa. Verschillende omstandigheden, bovenal de vrees voor Frankrijk, deden, toen men dit besluit nam, over alle bedenkingen heenstappen. Anders zou men waarschijnlijk de tegenwerping van het ongelijksoortige der bevolkingen, die men aan elkander hechtte, zwaarder hebben doen wegen. Twee natiën toch werden bijeengevoegd, van elkander verschillende in karakter, zeden en neigingen, in godsdienst en lotgevallen, ten deele ook in taal en belangen. Hoe uiteenloopend evenwel de beide bestanddeelen van 't koninkrijk der Nederlanden in menig opzicht mochten zijn, dit uiteenloopen schijnt de bewering niet te wettigen, dat de stichting van dit koninkrijk een ondoordacht werk was. Het was niet voor de eerste maal dat de beide volkeren onder één bewind werden vereenigd. Tegen de bijeenvoeging van Nederland en België valt niet meer in te brengen, dan tegen de samenstelling van alle of van de meeste van Europa's staten.

Dat onder de deugden van Willem I werkzaamheid een eerste plaats bekleedde, toonde deze vorst in de vele jaren zijner regeering over het koninkrijk der Nederlanden. Een der eerste wetsontwerpen, door de Staten-Generaal aangenomen, was dat van den 29sten September 1815, waarbij _de ridderorde van den Nederlandschen Leeuw_ werd ingesteld. Reeds vroeger, in April van 't zelfde jaar, had _de Militaire Willemsorde_ het aanzijn gekregen. In 1816 trad de prins van Oranje in het huwelijk met ~Anna Paulowna~, de jongste zuster van Alexander, keizer van Rusland. Uit dit huwelijk sproten o. a.: Willem Alexander Paul Frederik Lodewijk, geboren in 1817; Willem Frederik Hendrik, doorgaans prins Hendrik der Nederlanden geheeten, geboren in 1820, tijdens zijn leven luitenant-admiraal van de vloot en 's konings stedehouder in Luxemburg; Wilhelmina Maria Sophia Louise of prinses Sophia, geboren in 1824, in 1842 getrouwd met Karel Alexander Augustus Jan, sinds 1853 groothertog van Saksen-Weimar-Eisenach. Eenige jaren na zijn broeder, 1825, trouwde 's konings tweede zoon (zie blz. 163), ~prins Frederik der Nederlanden~, met Louise Augusta Wilhelmina Amalia, een dochter van Frederik Willem III, koning van Pruisen.

Intusschen kon de herboren staat, ook na den val van Napoleon, de wapens nog niet geheel laten rusten. De dey van Algiers had zijn zeerooverijen, waardoor de handel in de vorige eeuw reeds zooveel had geleden, hervat. Daarom bombardeerden de Engelsche admiraal, lord ~Exmouth~, en de Nederlandsche vice-admiraal, ~Theodoor Frederik baron van der Capellen~, in Augustus 1816 de stad Algiers. De uitkomst beantwoordde aan het doel. Toen Algiers voor de helft in puin lag en de vloot van den dey was verbrand, ging hij op den dag na het bombardement een verdrag aan, hetwelk de veiligheid der Middellandsche Zee herstelde en waaraan meer dan 1000 Christenslaven hun vrijheid hadden te danken. Terzelfdertijd geraakte het nieuwe koninkrijk in 't bezit zijner Oost- en West-Indische koloniën, die het tot dusverre, door den oorlog op het vasteland verhinderd, niet had kunnen overnemen.

Er verliepen, sedert 1815, weinige jaren, of de onderdanen van Willem I hadden redenen om met hun toestand tevreden te zijn. De akkerbouw geraakte weldra tot aanmerkelijken bloei. Vele handen bleven voor dezen tak van bestaan beschikbaar door de bepalingen der grondwet, die onderscheid maakten tusschen het staande leger en de nationale militie. Het eerste bestond slechts uit vrijwilligers, de laatste deels uit vrijwilligers, deels uit hen, welke de loting hiertoe verplichtte. De militie evenwel kwam maar één maand in 't jaar onder de wapens. Evenals de landbouw, deed de bergbouw belangrijke schreden voorwaarts. Niet zoo gunstig stond het met de fabrieken en manufacturen. Hoe nadeelig de invloed van het continentaal-stelsel in 't algemeen ook was geweest, op 't vasteland had menige fabriek er haar opkomst of meer vertier harer voortbrengselen aan te danken gehad. Deze betrekkelijke voorspoed verdween thans weder met de oorzaak, die hem had doen geboren worden. Intusschen was die tijd van overgang kort. De koophandel en de zeevaart van het koninkrijk der Nederlanden verschaften mettertijd aan de voortbrengselen der fabrieken, welke den kwaden dag verduurden, in een deel van Europa, en bovenal in 's lands koloniën een marktplaats. Behalve de genoemde bedrijven, herleefden die, welke van ouds de bronnen van Nederlands welvaart waren geweest, de handel en de zeevaart. Naast het rijke Amsterdam en zijn mededinger Rotterdam begon Antwerpen, niet langer door sluiting der Schelde of oorlog met Engeland belemmerd, allengs op te komen.

Was dit alles het werk der regeering? Geenszins. Doch deze verdienste had de regeering, dat zij de pogingen der natie in de hand zocht te werken en zich inmiddels zelve van de plichten poogde te kwijten, welke hare roeping haar oplegde. Aan Utrecht schonk zij een veeartsenijschool, aan Seraing (nabij Luik, aan de Maas) een zeer groote fabriek voor machines, die met de beste van dien aard kon wedijveren, welke Engeland bezat. Van haar menschlievendheid gaf de regeering een in 't oog vallend blijk door in 1818, op 't voorbeeld van Engeland, den slavenhandel af te schaffen. Ter bevordering van de gemeenschap, die het vervoer van de voortbrengselen der nijverheid zoozeer vereenvoudigt, liet koning Willem I zich inzonderheid veel gelegen liggen aan de verbetering der groote wegen. Het waren meestal straatwegen, die door zijn toedoen werden aangelegd; maar onder zijn bewind werd ook _de_ eerste _spoorweg_ in Nederland, die van Haarlem naar Amsterdam, den 24sten September 1839 voor het publiek geopend.

Vooral hield Willem zich ijverig bezig met het scheppen of bevorderen van binnenlandsche waterwegen. In dergelijke ondernemingen stelde hij zooveel belang, dat hij er persoonlijk uit eigen middelen deel aan nam. Kort na zijn komst in het vaderland liet hij de haven "het Nieuwe Diep" (ten o. van den Helder) aanleggen. Met die haven stond in verband _het_ groote _Noord-Hollandsche Kanaal_, hetwelk van het Nieuwe Diep tot Amsterdam loopt en voor groote zeeschepen bevaarbaar is. Dit reusachtige werk werd in 1825 voltooid. In 1830 kwam _het Apeldoornsche Kanaal_, van Apeldoorn naar Hattem in den Ysel loopende, tot stand. Reeds vroeger, in 1822, had men een begin gemaakt met het graven van _de Zuid-Willemsvaart_ tusschen 's Hertogenbosch en Maastricht, een even grootsch gewrocht, als het Noord-Hollandsche kanaal, hetwelk mede binnen eenige jaren voor de vaart werd opengesteld. Hierdoor bekwam men een waterweg van Maastricht tot den Helder. Onder de bijzondere personen, die met Willem het aanleggen van kanalen als een hoofdtaak van hun leven beschouwden, moet in de eerste plaats ~baron van Dedem~ worden genoemd (overleden in 1851), de schepper van _de Dedemsvaart_, welke, van Hasselt uit, het geheele Noorden van Overijsel, van 't W. naar 't O., doorsnijdt en met een tak in de Nieuwe Vecht loopt. Naast de vaarten en kanalen waren de indijkingen en inpolderingen een der onderwerpen, waarbij Willem gaarne zijn aandacht bepaalde en welke hij zeer bevorderde. Vooral was het droogmaken van 't Haarlemmermeer een zijner lievelingsplannen. De zaak, reeds zeer vaak (zie b. v. blz. 97) overwogen, kwam in 1838 zoo ver, dat de koning een ontwerp van wet tot droogmaking van dat meer bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal liet indienen; maar het werd met een groote meerderheid van stemmen verworpen.

Het waren evenwel niet alleen de dingen van stoffelijken aard, waarin de koning belang stelde. Terecht begreep hij, dat de natie hoogere belangen had, waarvoor hij in de eerste plaats had te waken. Van die belangen achtte hij het onderwijs het gewichtigste. Veel heeft hij voor deze maatschappelijke instelling gedaan. Men overdrijft niet, wanneer men beweert, dat in België, ten tijde der samenvoeging, het lager onderwijs zoo goed als niet bestond. Volvaardig nam Willem de taak op zich, in dit gemis te voorzien. Hij richtte een paar normaalscholen ter opleiding van onderwijzers en een groot aantal modelscholen op, alles ten koste van de staatskas. Wat de koning voor het hooger-onderwijs deed, toont alleen de vermelding, dat hij het voor het Noorden regelde bij een besluit van den 2den Augustus 1815 en voor het Zuiden bij een besluit van den 25sten September 1816. Nu werden de Hoogescholen van Leiden, Utrecht, Groningen en Leuven tot een nieuw leven geroepen. Te Gent en te Luik verrezen thans voor 't eerst academiën. De hoogescholen van Harderwijk en Franeker, thans rijks-athenaeën geworden, bleven in stand, om later, in 1817 en in 1843, te worden opgeheven. Ten behoeve van het leger en de zeemacht schiep de koning de militaire academie te Breda en het instituut voor de marine te Medemblik (thans te Nieuwe Diep). Een andere van 's konings daden is de regeling der protestantsche kerkgenootschappen sedert in 1816. Meer moeite dan met deze regeling had de regeering van Willem I met de wetgeving. Het duurde tot den 1sten October 1838, eer de Fransche wetten verdrongen en de nieuwe Nederlandsche wetgeving werd ingevoerd.

Nog is niet alles aangeroerd. Willem, die steeds van oordeel was, dat, zoolang er nog iets overbleef te verrichten, niets was verricht, was steeds ijverig in de weer, om armoede te weren en tot werkzaamheid op te wekken. Te dien einde riep hij in 1821 _de Maatschappij van weldadigheid_ in 't leven, die de landbouwende koloniën Frederiksoord en Willemsoord (in 't z.w. van Drente, ten z.w. van Vledder), benevens de bedelaarsgestichten Veenhuizen (in 't n.w. van Drente, ten z.w. van Norg) en Ommerschans (in 't n. van Overijsel, ten n.o. van Zwol) stichtte. De oprichting der eerste was meer in 't bijzonder het werk van den luitenant-generaal ~Johannes van~ ~den Bosch~, die zich vele jaren aan de leiding dezer kolonie geheel toewijdde. Den naam "Frederiksoord" draagt zij naar prins Frederik, 's konings tweeden zoon (zie blz. 186), aan wiens krachtige bescherming zij haar opkomst mede had te danken. Om den handel en die vaart op 's lands buitenlandsche bezittingen aan te moedigen werd in 1824 _de Nederlandsche Handelsmaatschappij_ opgericht. Zoozeer kwijnden toen de handel, de fabrieken, de reederijen en de scheepsbouw, dat de regeering meende te moeten voorgaan, ten einde bij bijzondere personen den uitgedoofden zin door groote ondernemingen te wekken. Nog steeds verkeert deze maatschappij in een zeer bloeienden toestand.

Zooals boven (zie blz. 187) terloops is opgemerkt, duurde het tot 1816, eer de Oost-Indische bezittingen metterdaad uit de handen van Engeland in die van Nederland overgingen. Zij bestonden toen, behalve uit de factorij op Desima, uit Java, de kleine Soenda-eilanden, Sum[=a]tra ten deele, Born[=e]o ten deele, Cel[=e]bes, de Molukken, het tinrijke Banka (ten o. van Sum[=a]tra) en de Riouwsche eilanden (tusschen Malakka en Banka gelegen). Ook behoorde destijds nog tot het gebied van Nederland Malakka (zie blz. 99), hetwelk echter in 1824 bij verdrag aan Engeland kwam tegen den afstand van al hetgeen dit rijk op Sum[=a]tra bezat, alsmede van Billiton, dat, evenals Banka, veel tin voortbrengt en in de nabijheid van dit eiland ligt. Terwijl Daendels (zie blz. 177) werd afgezonden, om als gouverneur-generaal het bewind over de kust van Guin[=e]a op zich te nemen, waar hij weldra stierf, benoemde de koning tot eersten gouverneur-generaal der Oost-Indische bezittingen van het koninkrijk ~Godard Alexander Gerard Philips baron van der Capellen~. Vele waren de moeielijkheden, waarmede hij had te worstelen. Bovenal gevaarlijk voor het Nederlandsche gezag was de opstand van ~Diepo Negoro~, voogd van den minderjarigen sultan van Djokjokarta (zie blz. 143), in 1826, wien het Nederlands krijgsmacht eerst in 1830 gelukte machtig te worden en alzoo den oorlog te eindigen.

In 1830 werd, na een kort tusschenbestuur, ~Johannes van den Bosch~ de opvolger van van der Capellen, die reeds eenigen tijd tevoren was teruggeroepen. Het was van der Capellen niet gelukt, aan het moederland rijke _baten_ uit Oost-Indië te verschaffen, en toch behoefden 's lands financiën dringend een dusdanigen steun. Naar de meening van den nieuwen gouverneur-generaal moesten deze bezittingen veel meer opbrengen. Daarom voerde hij, aanvankelijk alleen op Java, een nieuw _cultuurstelsel_ in, hetwelk de regeering in staat stelde, spoedig en vele Indische voortbrengselen te ontvangen en te gelde te maken. Het mocht van den Bosch gebeuren te ervaren, dat het cultuurstelsel voldeed aan de verwachting, die hij ervan had gekoesterd. Tot 1833 bleef hij aan 't hoofd van 't bestuur in Oost-Indië. Toen keerde hij naar het vaderland terug en stierf er later, door den koning tot den gravenstand verheven, als graaf van den Bosch in 1844. Zijn opvolgers hielden wel de hand aan het cultuurstelsel, maar wijzigden het in menig opzicht.

Groot waren de moeilijkheden, waarmede Willem I uit den aard der zaak had te worstelen, als vorst van een rijk, waarin alle takken van bestuur geheel moesten worden geregeld. Doch de grootste zwarigheden berokkende den koning, van het begin af, de samenvoeging der beide, in 't oog der Belgische geestelijkheid onvereenigbare bestanddeelen des rijks. Deze geestelijkheid, oordeelende, dat de Roomsch katholieke kerk slechts gedoogd, in plaats van, zooals het behoorde, heerschende kerk werd, poogde eerst de grondwet te doen verwerpen en, toen dit haar invoering niet belette, den eed op die grondwet te verbieden. Hierin slaagde zij, zoo niet geheel, althans inzoover, dat de koning er wellicht door werd genoopt, aan de leden der Staten-Generaal te veroorloven, bij den eed zoodanig voorbehoud te nemen, als het geweten hun voorschreef. Van dit oogenblik af was zij voortdurend in de weer, om de regeering van Willem I hinderpalen in den weg te leggen, en aan stof en gelegenheid tot tegenkanting ontbrak het niet. Een zeer gevaarlijk en aanzienlijk tegenstander der regeering was de Broglio (zie blz. 184). Met de overige Belgische bisschoppen gaf hij een geschrift in 't licht over den eed op de grondwet, waarin (zie t. a. p.) de katholieken tegen het afleggen van dien eed werden gewaarschuwd. Hierom, alsmede uit hoofde van ongeoorloofde briefwisseling met den paus veroordeelde het gerechtshof te Brussel hem in 1817 tot deportatie, d. i. tot gedwongen verblijf in een oord van ballingschap. De bisschop was gevlucht. Alzoo werd het vonnis bij verstek gewezen en moest op onteerende wijze ter kennis van het volk worden gebracht. Hoe rechtvaardig ook dit vonnis moge zijn, het was een ongelukkige greep, dat men voor die kennisgeving een dag uitkoos, waarop twee zware misdadigers, tot dwangarbeid voor hun leven veroordeeld, te pronk stonden. Zóó werd de naam van den bisschop, in groote letters aan een paal op het schavot gehecht, tegelijk met de beide booswichten tentoongesteld.