Beknopte geschiedenis van het vaderland

Part 17

Chapter 173,647 wordsPublic domain

Zelfs al zag men deze en andere nadeelige gevolgen van den oorlog voorbij, dan nog had het vaderland geen redenen tot blijdschap. De koophandel, de nijverheid en het vertier beteekenden schier niets; de schuldenlast was ondragelijk. Daarenboven was de vreugde over de staatsregeling van korten duur. De eenheid, die erin heerschte, diende slechts om het uitvoerend bewind met zooveel bezigheden te overladen, dat alles zeer langzaam of in 't geheel niet werd afgedaan. Dit deed wederom aan de noodzakelijkheid van 't vervaardigen eener nieuwe grondwet denken. Middelerwijl zag de eerste consul Napoleon (_Overzicht_, negende druk, blz. 181) met weerzin de oppermacht des volks, die hij in Frankrijk aan ketenen had gelegd, in het kleine gemeenebest gehuldigd. De Bataafsche Republiek, van 't oogenblik harer wording af gedwongen Frankrijk steeds uit de verte te volgen, kon dit ook thans niet nalaten. Met de meerderheid der vijf leden van 't uitvoerend bewind knoopte Napoleon in 't geheim onderhandelingen aan. Wetende, dat zij op den steun van hem kon rekenen, die alreede de machtigste man van geheel Europa begon te worden, liet de meerderheid van 't uitvoerend bewind zich door niets terughouden van de voltrekking van haar voornemen. Den 1sten October 1801 werd het volk een ontwerp ter stemming voorgelegd. De uitslag der stemming was, dat de staatsregeling werd aangenomen. Tot dien uitslag geraakte men door te bepalen, dat het groote aantal van hen, die niet waren opgekomen, moest worden geacht te hebben toegestemd.

_De staatsregeling_ van 1801 naderde meer, dan die haar voorafging, de beginselen van het foederalisme. Zij behield de eenheid, maar gunde meer vrijheid aan de besturen der departementen en der gemeenten. Aan 't hoofd der Republiek stond thans een _staatsbewind_ van twaalf personen met een _wetgevend lichaam_. Groot was het gezag, aan het staatsbewind opgedragen, terwijl de invloed van het wetgevend lichaam werd beperkt. Ook ten opzichte van de verdeeling van het grondgebied kwam deze constitutie terug op de andere. Zij herstelde èn de namen èn de grenzen der voormalige gewesten, waarvan men toen, om het provincialisme te fnuiken, was afgeweken. Het getal der departementen bleef hetzelfde. Zij heetten nu: Holland, Zeeland, Brabant, Overijsel (waartoe Drente tevens grootendeels behoorde), enz. De constitutie, in haar geheel, is een bewijs, dat men tot gematigder gevoelens terugkeerde.

In 1802 werd de Republiek één oogenblik verademing geschonken. Het was na het sluiten van _den algemeenen vrede te Amiëns_ (_Overzicht_, negende druk, blz. 181) in Maart van dat jaar, waar ~Rutger Jan Schimmelpenninck~ de Republiek vertegenwoordigde. Van de verschillende artikels had dat de meeste betrekking op de Republiek, waarin werd bepaald, dat, met uitzondering van Ceylon, Engeland haar al hare volkplantingen teruggaf. Tevens werd, overeenkomstig vroegere bepalingen, vastgesteld, dat de schadeloosstelling voor het huis van Oranje-Nassau niet ten laste zou komen der Republiek. De schadeloosstelling werd weldra gevonden ten koste van Duitschland en bestond uit het voormalige bisdom Fulda (in 't vroegere keurvorstendom Hessen, thans tot Pruisen behoorende) en eenige andere streken. Nimmer heeft echter Willem V het bewind over deze landen aanvaard. Hij bleef als ambteloos burger in Brunswijk, waarheen hij zich bij zijn vertrek uit Engeland (zie blz 164 en 171) had begeven. Zijn oudste zoon, wien hij de genoemde landen afstond, bleef ze ook na den dood zijns vaders, die in 1806 plaats had, besturen. Maar in 1807, bij den vrede van Tilsit, ontnam Napoleon hem, omdat hij voor Pruisen had gestreden, zoowel deze staten, als die, welke hij in Nassau van zijn vader had geërfd.

Op den gesloten vrede vertrouwende, begonnen handel en vertier in 1802 in Nederland weder te herleven; doch wederom was de verademing kort van duur. In Mei 1803 verklaarde Napoleon Groot-Britannië op nieuw den oorlog. Dit rijk legde zich nu dadelijk weder op de herovering toe der pas teruggegeven buitenlandsche bezittingen, die het allengs alle, behalve Java en een paar andere, in zijn macht kreeg. Thans werd geheele uitputting het lot van het fel geteisterde land. Het moest den consul voor de door hem beraamde verovering van Engeland troepen, schepen en millioenen leveren. Hoezeer alle krachten werden ingespannen en de laatste penningen bijeengezocht, wat opgebracht werd voldeed niet. Aan den vorm van 't bestuur weet Napoleon dat, waarvan de oorzaak in het onvermogen was gelegen. Te midden dier nimmer eindigende eischen werd Napoleon keizer (_Overzicht_, negende druk, blz. 181). Nu moest alom, waar Frankrijks stem gold, ook de schaduw van volksregeering voor het eenhoofdig beginsel wijken. In 't begin van 1805 verkreeg Schimmelpenninck, de gezant der Republiek te Parijs, van Napoleon bevel, een nieuwe grondwet op het papier te brengen, waaraan het monarchale beginsel ten grondslag lag. Schimmelpenninck kweet zich van den last. Het ontwerp behaagde Napoleon en werd in April door het volk goedgekeurd. Wederom werden de zwijgenden gerekend het ontwerp te hebben aangenomen.

Deze _derde staatsregeling_, waarvoor die van 1801 plaats maakte, stelde ~Rutger Jan Schimmelpenninck~, onder den naam _raadpensionaris_, met een meer dan vorstelijk gezag bekleed, aan 't hoofd van het Bataafsche gemeenebest. De wetgevende macht werd aan een _wetgevend lichaam_ van 19 leden opgedragen. Den raadpensionaris stond een _staatsraad_ van zeven leden ter zijde. Ten opzichte van de verdeeling van 't grondgebied was de eenige wijziging, in 't jaar 1805 ingevoerd, dat Drente van Overijsel werd afgescheiden en als _landschap_ aan de acht departementen toegevoegd. Zooveel hij vermocht, wendde Schimmelpenninck zijn macht eenig ten algemeenen nutte aan, zooals dan ook de daadwerkelijke regeling van het lager-onderwijs bij de wet van den 3den April 1806 en het invoeren van algemeene in plaats van de vroegere provinciale belastingen gunstig voor zijn bewind getuigen. De invoering dier algemeene belastingen was een zeer gewichtige financiëele omwenteling. Zij waren reeds door de unie (zie blz. 61) voorgeschreven, maar nimmer in 't leven getreden. Groot zijn bovenal Schimmelpennincks verdiensten omtrent het lager-onderwijs. Het algemeene volksonderwijs was een der vruchten van de hervorming. Hierom was het opzicht over de scholen bij de kerk, waaraan het nu werd onttrokken. Eerst door deze wet werd alom de verbetering der scholen en van 't onderwijs krachtdadiger ter hand genomen en doorgezet.

Maar de machtige en alles beheerschende geest van Napoleon duldde ook deze zwakke schaduw van een onafhankelijke republiek maar kort. Een aanleiding tot verandering werd spoedig gevonden. Zij werd gezocht in een verzwakking van 't gezicht van den raadpensionaris. Wat de keizer van Frankrijk wilde was weldra geen geheim meer. Zijn broeder Lodewijk moest koning van Holland worden. Een plechtig gezantschap werd verplicht, den keizer te Parijs te komen verzoeken om datgeen, wat hijzelf, als zijn wil, aan Nederland opdrong. Alzoo volgde in Juni 1806 een _vierde constitutie_. ~LODEWIJK NAPOLEON~ werd _koning van Holland_ tegen erkenning van de oppermacht zijns broeders als hoofd van 't geslacht. Hem werd een _wetgevend lichaam_ van 39, alsmede een _staatsraad_ van 13 leden toegevoegd. Lodewijks streven was in de eerste plaats, een Nederlander te worden. Waar hij als koning zijn eigen weg kon bewandelen, poogde hij het goede tot stand te brengen.

Aan den derden coalitie-krijg, die inmiddels was uitgebarsten (_Overzicht_, negende druk, blz. 182 en boven blz. 172), namen de Nederlandsche krijgslieden in 1806 en 1807 deel. De vrede van Tilsit (_Overzicht_, negende druk, blz. 183), welke aan dien oorlog, voorzoover hij te land werd gevoerd, een einde maakte, vergrootte het grondgebied van den staat, doordien Jever (thans in 't n.w. van 't groothertogdom Oldenburg) en Oost-Friesland, tegen den vollen afstand van Vlissingen en zijn tafel, hetwelk aan Frankrijk kwam, met Holland werden vereenigd. Kort vóór het sluiten van dien vrede, nog in 't zelfde jaar 1807, werd het koninkrijk in tien departementen verdeeld, waarbij Oost-Friesland thans als elfde kwam. Hoewel de derde coalitie-oorlog niet op den bodem van het koninkrijk Holland werd gevoerd, was hij de aanleidende oorzaak van een noodlottig voorval, waardoor de stad Leiden werd getroffen. Op den 12den Januari 1807 sprong een schip, met veel kruit geladen, dat op zijn doorvaart naar Delft de stad aandeed. Na de uitbarsting lag een van de fraaiste gedeelten van Leiden, het Rapenburg, in puinhoopen. Meer dan twee honderd huizen werden omvergeworpen, honderden bovendien beschadigd. Te midden der algemeene ontzetting, eenige uren nadat men den schok te 's Gravenhage had gevoeld, kwam de koning op de plaats zelve van 't ongeluk, om in persoon op alles orde te stellen. Vele bleven door de tijdig aangebrachte hulp behouden, ofschoon het getal van hen, die het leven verloren, nog 152 beliep.

Hoe erg ook, het ongeluk van 't jaar 1807 was tijdelijk. Anders was het gelegen met die rampen, welke een gevolg waren van de onverbreekbare keten, welke het koninkrijk Holland aan Frankrijk verbond. Wrevelig over de nederlaag bij Trafalgar (_Overzicht_, negende druk, blz. 183), verordende Napoleon in 1806 _het continentaal-stelsel_, d. i. de uitsluiting der Engelschen van het vasteland, waardoor hij allen handel met Groot-Britannië verbood en al wat Engelsch was voor goeden buit verklaarde. Het besluit werd in de eerstvolgende jaren nog verscherpt door andere verordeningen, waarin de keizer o. a. het openlijk verbranden van alle Engelsche waren in de van hem afhankelijke staten gelastte. Voor Nederlands handel, in zoover er nog eenige handel was, werd het continentaal-stelsel de doodsteek.

Het was, alsof het Nederland was voorbehouden, de maat te zien volgemeten van alle soorten van onheilen, die een land kunnen treffen. Er ontbrak nog maar een inval aan op het grondgebied van 't koninkrijk, en die inval kwam. Ten einde de heerschappij ter zee te beter te kunnen handhaven, achtte Engeland het geraden, Walcheren in bezit te nemen en Vlissingens alsmede Antwerpens werven en arsenalen te verwoesten. Tegen 't eind van Juli 1809 stak een vloot in zee, de grootste, die Engelands havens immer had verlaten. Binnen weinige dagen waren Walcheren, Schouwen en Duiveland in handen van den vijand. Inmiddels verzuimden de Engelschen Antwerpen aan te tasten, terwijl een talrijk Fransch leger, zich bij het Nederlandsche voegende, niet ophield de Engelschen te bestoken. Meer nadeel nog brachten hun de Zeeuwsche koortsen toe. In 't kort, het doel der landing, aanvankelijk geslaagd, werd niet bereikt, zoodat de vijand op het einde van 't jaar Zeeland weder ontruimde. De onderneming, met zooveel ophef aangekondigd, liep teniet, evenals in 1799.

Reeds sinds lang was Napoleon verbitterd op zijn broeder Lodewijk. Hij, het maaksel zijner hand, matigde zich aan, als zelfstandig vorst te willen regeeren. Dit streed geheelenal met de bedoeling zijn broeders, die Holland alleen een eigen bestaan veroorloofde, onder voorwaarde dat het zich metterdaad als een Fransch wingewest liet behandelen. Voorloopig liet Napoleon zich in Maart 1810 nog tevreden stellen met een verdrag, bij hetwelk geheel Zeeland, Brabant, een gedeelte van Gelderland en een klein deel van Holland aan Frankrijk kwamen, zoodat de Waal de grens van 't koninkrijk in 't z.o. werd. Maar Lodewijk bleef van een onafhankelijk koningschap droomen en den sluikhandel met Engeland gedoogen. Van zijn kant toonde Napoleon duidelijk, wat hij in het schild voerde, door nieuwe troepen te zenden, die in last hadden, de hoofdstad te bezetten, en tolbeambten (_douaniers_), ten einde den sluikhandel te weren. De koning sprak ervan, Amsterdam tot het uiterste te verdedigen. De gansche natie wilde hij te wapen roepen. Doch zijn ministers beweerden, dat zoodanige kamp onmogelijk was. Zoo bleef hem niets anders over, dan afstand te doen van de kroon ten behoeve van zijn tweeden, toen oudsten zoon, Lodewijk Napoleon, onder regentschap der koningin Hortensia. Uit vrees van door de handlangers des keizers te worden belemmerd, verliet Lodewijk in den nacht van den 1sten Juli 1810 heimelijk het paviljoen bij Haarlem, waar hij toen vertoefde, en begaf zich naar Bohemen. Het land, waarover hij vier jaren had geregeerd, zag hij nimmer weder, ofschoon hij nog tot het jaar 1846 leefde. Op zware sommen was zijn bewind het volk te staan gekomen. Daarentegen was voor alles, wat den waterstaat betreft, voor dijken en wegen veel gedaan. Onder de ministers, van wier diensten de koning een tijdlang gebruik maakte, waren mannen van erkende bekwaamheid, b. v. de admiraal ~Karel Hendrik Verhuell~ voor de marine, ~van Maanen~ voor de justitie.

Het laatste punt, waarop, als op een voorwerp der werkdadige belangstelling van koning Lodewijk, de aandacht moet worden gevestigd, zijn de koloniën (zie blz. 165, 166, 168). Bij de grondwet van 1798 was bepaald, dat de Bataafsche Republiek alle bezittingen der gewezen Oost-Indische compagnie en haar schulden tot zich nam. Het oppergezag kwam aan het uitvoerend bewind (zie blz. 169), in 1801 aan het staatsbewind (zie blz. 171). Het bestuur werd in handen gesteld van _den raad der Aziatische bezittingen_. Terzelfdertijd werd dat van West-Indië opgedragen aan den _raad der Amerikaansche koloniën_. Lodewijk, den troon hebbende beklommen, was van oordeel, dat in de Oost-Indische bezittingen een doortastende hervorming moest plaats grijpen. Te dien einde benoemde hij in Januari 1807 ~Daendels~ (zie blz. 164, 170) tot gouverneur-generaal van Indië. Als een tweede Napoleon bracht hij in het bestuur der volkplantingen een geheele omkeering teweeg, weshalve hij door den een als een ware hervormer, door den ander als een willekeurig man en een vriend van harde maatregelen wordt voorgesteld. Het laatste is voorzeker niet volstrekt te loochenen. Maar onbetwistbaar is het, dat onder zijn bewind meer dan één wezenlijke verbetering tot stand kwam.

§ 35.

_Nederland bij het keizerrijk ingelijfd.--Het herkrijgt zijn onafhankelijkheid._

Het koninkrijk Holland verkreeg de regeering niet, die Lodewijk het had toegedacht. Volgens besluit van den 9den Juli 1810 werd het bij Frankrijk ingelijfd. ~Charles François Lebrun, hertog van Plaisance~ (d. i. Piacenza, het oude Placentia, in 't n. van Italië), kwam als _luitenant-generaal_ of _algemeen stedehouder_ in de Nederlanden. Amsterdam werd, na Parijs en Rome, verklaard de derde stad van het keizerrijk te zijn. _Het code Napoleon_, d. i. wetboek Napoleon, werd ingevoerd. Een der artikels van 't besluit stelde een staatsbankroet vast. De renten der publieke schuld zouden niet verder onder de lasten worden gebracht, dan voor een derde; zij werden _getierceerd_. De vroegere departementen werden nu Fransche departementen met _prefecten_ tot bestuurders. Hunne namen waren b. v.: Zuiderzee (d. i. ongeveer het voormalige Noorderkwartier van Holland en Utrecht), Bouches de l' Escaut, d. i. Monden van de Schelde (Zeeland), Ems-Occidental, d. i. Wester-Eems (Groningen en Drente). De burgemeesters werden van nu aan _maires_.

In 1811 werd _de conscriptie_ of gedwongen krijgsdienst ingevoerd. Elk jongeling, den ouderdom van twintig jaren hebbende bereikt, moest zich laten inschrijven. De regeering stelde het aantal vast, hetwelk telkens werd vereischt, en hierop gingen de ingeschrevenen tot de loting over. Ontslagen werd geen soldaat, tenzij ongeschikt voor den dienst. Al dadelijk werd de conscriptie hierdoor verzwaard, dat, bij wijze van terugwerking, het besluit ook werd uitgestrekt tot de laatste drie jaren, en zij, die reeds drie-en-twintig jaren telden, eveneens werden opgeroepen. Op de harde besluiten nopens de conscriptie volgde een harde uitvoering. Vooral maakte zich de prefect van het departement der Zuiderzee, ~de Celles~, door dergelijke handelwijze berucht. Tegen het misbruik der drukpers meende het Fransche bewind met een bijzonderen ijver te moeten waken. De censuur, die nauwlettend toezag, verbande alle vrijheid van schrijven. Het spreekt vanzelf, dat ten aanzien van het continentaal-stelsel alle oogluiking nu ophield. Te Rotterdam, te Groningen en elders zag men, gelijk te Venetië en te Leipzig, dat plechtig en in 't openbaar verbranden van al wat Engelsch fabriekgoed was, somtijds voor een waarde van een half millioen gl. Geen Oost-Indiëvaarders vielen onze havens meer binnen. Ongehoord werd de prijs der koloniale voortbrengselen. Rijtuigen en dienstboden werden bijna alom afgeschaft, buitengoederen voor spotprijzen verkocht. De bevolking van Amsterdam nam bij duizenden af.

Er is meer. De belastingen drukten den landzaat, die geenszins, gelijk tevoren, in ruime verdiensten de middelen vond om ze te betalen. De handel in tabak werd een alleenhandel of _monopolie_ van den staat. Een argwanende en strenge politie beperkte zeer de vrijheid van spreken, want ook in besloten kringen was het zaak, nauwkeurig rond te zien, of zij er ook haar verspieders had. Het openbare onderwijs werd naar dat der Franschen verwrongen. Predikanten en onderwijzers ontvingen een tijdlang geen bezoldiging. Taal en letterkunde dreigde een volkomen verval. Ook de hoogescholen moesten het ontgelden. Slechts Leiden en Groningen bleven in wezen; de overige, zoo zij niet werden opgeheven, werden hoogescholen van den tweeden rang en geraakten aan 't kwijnen. Bij dit alles kwam eindelijk het geheele verlies der koloniën. Nog in 1811 veroverden de Engelschen Java en de overige volkplantingen. Alleen op Desima (zie blz. 99) bleef de Nederlandsche vlag waaien. Zóó was 's lands toestand in de jaren der Fransche overheersching. Na den rampspoedigen overtocht over de Berez[=i]na (_Overzicht_, negende druk, blz. 184) kwam er bij de vele plagen nog een nieuwe. Napoleon stelde _de garde d'honneur_ of eerewacht te paard in. Zij moest strekken, om, bij verzet of opstand, den keizer een genoegzaam aantal gijzelaars in handen te stellen. Het werd als een gunst voorgesteld, in deze lijfwacht te worden opgenomen. Daar ieder de kosten zijner eigen uitrusting moest dragen, trof de maatregel de aanzienlijkste ingezetenen het meest.

Het kwade, dat de inlijving in Frankrijk aan Nederland heeft gebracht, is vaak opgeteekend. Naar evenredigheid is niet zoozeer gewezen op de, hoewel minder in 't oog vallende, lichtzijde dier inlijving, die echter niet geheel ontbreekt. De inlijving leverde dit groote voordeel op, dat zij Nederland op eens een stelsel van algemeene wetgeving deed deelachtig worden, hetwelk het uit zichzelf niet zoo spoedig, wellicht nimmer, had verkregen. De staatkundige en rechts-organisatie, toen ons land geschonken, oefende een beslissenden en duurzamen invloed op den later herboren staat.

Intusschen deed de tocht naar Rusland eenige uitstekende Nederlanders denken, dat het niet meer tot het gebied der onmogelijkheden behoefde te behooren, het vaderland eens van de overheersching der Franschen te bevrijden. Zóó dachten ~Johan Melchior Kemper~, hoogleeraar in de rechten te Leiden, en ~Anton Reinhard Falck~. Zij kwamen met elkander overeen, naar vermogen partij te trekken van de veranderde tijdsomstandigheden ter herstelling van de nationale onafhankelijkheid. Terzelfdertijd begonnen ~Gijsbert Karel van Hogendorp~, een kleinzoon van O. Z. van Haren (zie blz. 167), ~van der Duyn van Maasdam~, ~de graaf van Limburg-Stirum~ en drie andere mannen te 's Gravenhage veelvuldige geheime bijeenkomsten te houden. De staatkundige beginselen, die èn de eerstgenoemden èn de laatsten zich voornamen als richtsnoer te volgen en bij anderen zooveel mogelijk aan te kweeken, waren: een getemperde oppermacht van het huis van Oranje-Nassau en vernietiging der oude partijschappen. Hoewel in geen onmiddellijke betrekking tot het Haagsche zestal staande, waren Kemper en Falck toch niet onbekend met hetgeen dat zestal wilde.

Middelerwijl schreed Napoleon op zijn loopbaan voort. Op de rampen van den tocht naar Rusland volgde de slag bij Leipzig. Nu meenden de Haagsche bondgenooten een stap verder te kunnen gaan en zich van de medewerking van een aantal lieden uit de gezeten standen der maatschappij te moeten verzekeren. Tot dergelijke voorbereidende maatregelen beperkte men zich vooreerst: het uur om te handelen scheen nog niet aangebroken. Anders dacht er het volk te Amsterdam over. Op de nadering der Pruisen en der Russen verlieten de Fransche ambtenaren inderhaast de steden, in 't n.o. van ons land gelegen. Den 14den November 1813 ontruimden de Fransche troepen Amsterdam, om weldra door den gouverneur-generaal te worden gevolgd, en begaven zich naar Utrecht. Op den avond van den 15den geraakte de bevolking van Amsterdam op de been en stak de wachthuizen der Fransche tolbeambten in brand. De rust werd eerst hersteld, toen, op verzoek van de officieren der schutterij, een zeker aantal der aanzienlijkste ingezetenen het bestuur der stad voorloopig op zich nam. De ziel van alles, wat hier gebeurde, was A. R. Falck.

Nu begrepen de Haagsche heeren, om te voorkomen, dat wellicht het volk ook tot oproer en geweld mocht overslaan, te moeten optreden. Op den morgen van den 17den November vertoonden zich de graaf van Stirum en de zonen van van Hogendorp in 't openbaar met de oranjekokarde op den hoed. Het voorbeeld vond weldra bij ieder navolging. Op denzelfden dag aanvaardde de graaf van Stirum, in naam van den prins van Oranje, de betrekking van gouverneur van den Haag. Den 21sten November aanvaardden ~van Hogendorp~ en ~van der Duyn van Maasdam~ het hoog bewind of _Algemeen Bestuur_ tot de komst van den prins van Oranje. Men kan niet zeggen, dat zij, die thans als voorgangers bij den opstand optraden, in 't begin veel medewerking bij het Nederlandsche volk vonden. Amsterdam, van de eene zijde uit Utrecht, van de andere uit Naarden bedreigd, bleef bij de onzijdige houding volharden, die het van den beginne af had aangenomen en die hierop neerkwam, dat men zich noch voor den prins, noch tegen den keizer verklaarde. Den 24sten November kwam hierin een verandering en werd ook hier de leus "Nederland en Oranje" gehuldigd. Na langer of korter aarzeling traden Rotterdam en andere steden van Holland toe. Terzelfdertijd werd Woerden door een deel van het Fransche krijgsvolk, dat te Utrecht in bezetting lag, overvallen en strekte gedurende eenige uren ter prooi aan een roof- en moordzucht, die velen aan de tooneelen van het jaar 1672 (zie blz. 130) herinnerde.

Den 30sten November landde de prins van Oranje, de oudste zoon van Willem V (zie blz. 172), die toen in Engeland vertoefde, hiertoe uitgenoodigd, op den vaderlandschen bodem, te Scheveningen. Den 2den December nam hij, te Amsterdam gekomen, _de souvereiniteit_ over deze landen, hem aangeboden, aan, onder voorbehoud eener grondwet, zoodra mogelijk uit te vaardigen. Middelerwijl volgden de andere gewesten, naarmate de Franschen ze ontruimden, het sein, door Holland gegeven. Voorzoover Zeeland zichzelf niet had bevrijd, deden de Engelschen het in 1814. In Gelderland, Overijsel, Groningen en Friesland deden het Bülow (_Overzicht_, negende druk, blz. 185) en de kozakken vóór of na dit tijdstip. Maanden duurde het intusschen, eer het geheele land door de Franschen werd ontruimd. In 't begin van 1814 waren nog een aantal sterke punten in handen van den vijand. In Mei werd de kroon op het werk der bevrijding gezet. Den 4den dier maand had de ontruiming van het sterke den Helder plaats. Verhuell (zie blz. 176), onverzettelijk vasthoudende aan den eed, eenmaal aan Napoleon gezworen, weigerde standvastig het over te geven en week eerst op een bevel van Lodewijk XVIII (_Overzicht_, negende druk, blz. 186). Het laatste punt, dat de Nederlanders herwonnen, was Delfzijl. Toen het den 23sten Mei in naam van den souvereinen vorst in bezit werd genomen, was de gansche bodem van Nederland aan de Franschen ontrukt.