Beknopte geschiedenis van het vaderland
Part 16
Nu was, in 't oog van den prins, de maat volgemeten. Nog vóór het einde van 't jaar 1785 verliet hij met zijn gezin 's Gravenhage en vestigde zich vooreerst op het Loo, later te Nijmegen. In 1786 waren Elburg en Hattem het tooneel eener andere gebeurtenis. In deze beide steden kwam de gemeente, door een deel der leden van de regeering gesteund, in verzet tegen de staten van Gelderland. Alzoo gelastten die staten den stadhouder, krijgsvolk naar Hattem en Elburg te doen oprukken en bezetting in die steden te leggen. Het geschiedde, en vele regeeringsleden en inwoners dezer steden vluchtten naar Kampen of elders. Kort daarna werden tegen de hoofdpersonen der beweging zware vonnissen geveld. Geweldig was de indruk, dien hetgeen in Gelderland gebeurde op de regenten en op de bevolking der overige gewesten maakte. Op de tijding van het binnenrukken der troepen te Elburg en te Hattem schorsten de staten van Holland den kapitein-generaal van hun gewest in dit ambt en onthieven den raadpensionaris van de verplichting, in gemeenschappelijk overleg met den stadhouder te handelen (zie blz. 133, 134).
Jammerlijk was voorwaar de toestand des vaderlands. Thans zag men het tegendeel van de macht, die de eendracht gaf. Alle gewesten leverden overvloedige voorbeelden van de meest ingewikkelde en netelige burgerschillen op. Zij waren het tooneel van de schromelijkste verwarring. Er was oneenigheid tusschen de Staten-Generaal en de staten van Holland, oneenigheid tusschen deze staten en die van Gelderland. Onbeschrijfelijk waren de haat en de partijschap, die in het anders zoo rustige Nederland alom blaakten. Men wendde zich tegen de personen, in plaats van in de zaken te wraken, hetgeen verkeerd was. Talloos waren de schot- en lasterschriften, de spotprenten en blauwboekjes. Men vergeleek den stadhouder met een Nero en Alva en stelde Philips II boven hem.
Bij alle partijen scheen het een uitgemaakte zaak te zijn, dat de redding van elders moest komen. De patriotten rekenden op Frankrijk; de stadhouderlijke partij wendde haar oogen naar Engeland of Pruisen. Inmiddels droegen de staten van Holland, bezorgd voor de veiligheid van hun gewest, de verdediging hiervan aan vijf regenten uit verschillende steden op, _commissie van defensie_ geheeten, die zich te Woerden vestigde en over het krijgsvolk beschikte. Zij werd in haar bedoelingen ondersteund door een gewapend korps, _vliegend legertje_ genoemd, hetwelk de gansche provincie doortrok, om de stadhoudersgezinde landlieden in toom te houden.
Zoo was dan alles rijp voor een uitbarsting. De lont ontbrak niet, die het kruit zou doen ontvlammen. In Juni 1787 begaf de prinses zich met een klein gevolg uit Nijmegen op reis naar 's Gravenhage. Haar oogmerk was, door haar verschijning te midden van de bevolking dier stad de volksmenigte in geestdrift te doen ontvlammen en 's prinsen vijanden ontzag in te boezemen, ten einde alzoo een omwenteling teweeg te brengen. Ten o. van Gouda lag een sluis, _de Goejanverwellesluis_ genoemd. Bij die sluis gekomen, werd de prinses tegengehouden door eenige manschappen van het vrijkorps van Gouda, dáár op wacht staande. Vervolgens verzocht de commissie van defensie, zich terstond hierheen spoedende, haar, niet dieper in Holland door te dringen. Het geval, op zichzelf van weinig beteekenis, werd door de prinses hoog opgenomen. De koning van Pruisen, Frederik Willem II, liet terstond een schitterende voldoening eischen voor de beleediging, zijn zuster (zie blz. 154), en dus hem, aangedaan. Zij werd niet gegeven. Hierom rukte, op zijn last, ~Karel Willem Ferdinand~, regeerend hertog van Brunswijk-Wolfenbuttel, een neef van Lodewijk Ernst (zie blz. 151), de Nederlanden met een leger van ongeveer 20,000 man binnen. Deze troepen trokken door Gelderland op Utrecht af en bezetteden deze stad. Na korten tegenstand gaf ook Amsterdam zich op zekere voorwaarden over.
In een oogwenk was de omwenteling voltrokken. Binnen den kortst mogelijken tijd gaf men aan alles de vorige gedaante terug. De stadhouder werd door de staten der verschillende gewesten verzocht, zooals bij de vorige omwenteling steeds het geval was geweest, in de steden de wet te verzetten. Raadpensionaris werd in 1787 ~Laurens Pieter van de Spiegel~. Hij was een groot staatsman, die een uitstekende kennis bezat van staatsrecht en geschiedenis, tevens zeer ervaren in het financiewezen. Fel was de wraak, welke de zegevierende partij zich op vele plaatsen tegen de patriotten veroorloofde. In menige stad waren de Pruisen bereidvaardige dienaars dier wraakoefeningen. De patriotten werden in hun persoon aangerand, in hun goederen en bezittingen benadeeld. Niets was er evenwel, dat een volkomen verzoening meer in den weg stond, dan de wijze, waarop een _amnestie_, d. i. algemeene vergetelheid en vergiffenis, werd uitgevaardigd. In sommige provinciën kondigde men er een af, maar met zoovele uitzonderingen, dat zij dien naam niet verdiende. Hiervan was het gevolg, dat de reeks der reeds uitgeweken patriotten nog werd vermeerderd met een groot getal van hen, die door een rechterlijk vonnis werden getroffen of die zich, ook zonder dat, niet veilig rekenden. Duizenden bedroeg het cijfer van hen, die het vaderland verlieten en zich, voor een goed deel, in de Zuidelijke Nederlanden en in Frankrijk vestigden.
§ 33.
_De val der Republiek.--Blik op den toestand des lands._
Eerst in 1788 verlieten de Pruisen, met een vrij grooten buit beladen, de Nederlanden. Op allerlei wijze zocht men den nu herstelden regeeringsvorm voor de stormen des tijds te beveiligen. Zoo sloot de republiek in 1788 een verdedigend verbond met Engeland en met Pruisen, waarbij deze mogendheden het erfstadhouderschap waarborgden. Het ontbrak thans niet aan blijken, die van hooge ingenomenheid met het huis van Oranje-Nassau schenen te getuigen, zoovaak de gelegenheid zich daartoe aanbood, inzonderheid in 1791, toen de erfprins (zie blz. 154) in het huwelijk trad met ~Frederika Louise Wilhelmina~, een dochter van den koning van Pruisen. Op vele plaatsen liet men het dragen der Oranje-versierselen niet aan de inspraak van 't gemoed der burgers over, maar werd zelfs het bevel hiertoe uitgevaardigd. Uit 's prinsen huwelijk sproten in 1792 Willem Frederik George Lodewijk, in 1797 Willem Frederik Karel, in 1809 Marianne.
Desniettemin bleek het welhaast, dat er niets anders was voorgevallen, dan dat een vreemde mogendheid de stadhoudersgezinden had doen zegevieren en dat deze zegepraal de verbanning der patriotten ten gevolge had gehad. De rust--het is waar--was, doch met geweld, hersteld, niet de eendracht. Bij den omkeer der zaken had men geenszins vergeten en vergeven. Tweespalt en partijschap bleven voortwoelen. Vruchteloos poogde van de Spiegel de Republiek op te beuren. De gebreken in 't staatsbestuur waren vele; zij waren verouderd. Slechts in 't financiewezen was het hem mogelijk, eenige hervormingen in te voeren.
Hevig was de schok, dien de omwenteling in een naburig land, in Frankrijk, uitgebarsten (_Overzicht_, negende druk, blz. 174 vlg.), aan de Republiek gaf, duurzaam de gevolgen van dien schok. Een tijdlang slaagde van de Spiegel erin, de Republiek onzijdig te doen blijven, zelfs sedert April 1792, toen Frankrijk reeds in oorlog was met Pruisen en met Oostenrijk en zijn legerbenden alreede naar de Zuidelijke Nederlanden had gezonden. Van hun zijde spaarden de patriotten, die zich in Frankrijk ophielden, geen poging, om de nationale conventie (zie _Overzicht_, negende druk, blz. 177), die alle vorsten voor haar natuurlijke vijanden verklaarde, te nopen, haar beginselen op de Nederlandsche Republiek te gaan toepassen. Op den 1sten Februari 1793 voldeed de conventie aan den wensch der patriotten door den oorlog te verklaren aan den koning van Engeland en aan den stadhouder der Vereenigde Nederlanden. Kort hierna trok Dumouriez, een Fransch generaal, geleid door ~Herman Willem Daendels~ aan 't hoofd der Bataafsche uitgewekenen, de grenzen van Nederland over. Doch na eenige vestingen te hebben veroverd, moesten zij terugtrekken, en de Republiek was nog eenmaal gered.
Maar de verademing was van korten duur. Het ééne vijandelijke leger na het andere stroomde naar de Zuidelijke Nederlanden, die, hoewel zij eerst bij den vrede van Campo Formio (_Overzicht_, negende druk, blz. 180) aan Frankrijk werden afgestaan, reeds sedert November 1792 metterdaad in de macht der conventie waren. Daarentegen zond de koning van Pruisen, zijn beloften brekende, zijn soldaten niet naar de kampplaats. Dus streden Willems zonen, de erfprins ~Willem Frederik~ en ~Frederik~, vruchteloos met moed en beleid aan 't hoofd der Nederlandsche krijgsbenden, die een deel van 't leger der bondgenooten uitmaakten. De slag bij Fleurus in 1794 (_Overzicht_, negende druk, blz. 178) was zoo beslissend, dat in deze oorden de Franschen thans geen weerstand meer hadden te duchten. Toch draalden de Franschen nog een oogenblik, eer zij verder gingen. Na den val van het schrikbewind (_Overzicht_, negende druk, blz. 177) helde de regeering van Frankrijk tot den vrede over. Doch Daendels en de overige patriotten spoorden steeds tot de overkomst aan. Zoo trok dan in December 1794 en Januari 1795 de Fransche generaal ~Pichegru~, wederom door de patriotten onder Daendels geleid, over de bevrozen rivieren en stroomen de Nederlanden binnen. Daar de nationale conventie had verklaard, dat zij zich in geen verdrag met de Republiek wilde inlaten, eer de stadhouder zich had verwijderd, scheepte Willem V zich den 18den Januari met zijn gezin naar Engeland in, waar hij tot 1800 vertoefde. Alzoo bleef de wederwerking op hetgeen het jaar 1787 had zien gebeuren niet achter. Thans, acht jaren na hun verbanning, keerden de patriotten terug, op hun beurt door een vreemde mogendheid, door Frankrijk, geleid. Door haren ondergang bezegelde de Republiek de oude spreuk, eendracht maakt macht, tweedracht verstrooit.
Onder de vele bewijzen van de steeds toenemende verzwakking der Republiek gedurende de 18de eeuw is het allengs meer en meer vervallen harer zeemacht een der meest in 't oog loopende. Met het verval der zeemacht hield dat van den handel gelijken tred. Evenals de handel, waren de haringvisscherij en de walvischvangst langzamerhand aan het kwijnen geraakt (zie blz. 141). Wat de Oost-Indische compagnie betreft, zij had eveneens luisterrijker dagen gekend, dan de laatste vijftig à zestig jaren van haar bestaan. Onder haar gouverneurs-generaal in dit tijdperk zijn ~Adriaan Valkenier~ (1737-1741) en ~Gustaaf Willem baron van Imhoff~ een paar van de meest beroemde. Het bewind van Valkenier werd gekenmerkt door _den_ beruchten _moord der Sineezen_ op den 9den October 1740 en volgende dagen. Sinds eenigen tijd hadden sommige maatregelen van 't bewind der compagnie het wantrouwen gewekt van een menigte te Batavia gevestigde Sineezen, die deswege naar 't gebergte en naar de bosschen weken, den omtrek van Batavia onveilig makende. Den 8sten October hadden er in de nabijheid dier stad eenige gevechten tusschen de Nederlanders en de Sineezen plaats, waarin de laatsten werden verslagen. Volgens besluit nu van den raad van Indië (zie blz. 80) werd er den 9den en volgende dagen een ware bloedbruiloft gehouden onder de Sineezen te Batavia, die men verdacht hield van verstandhouding met hen, die buiten waren. Ruim 10,000 Sineezen vielen als de offers dezer vreeselijke wraakneming. Kort na dien moord werd van Imhoff gouverneur-generaal. Hij breidde het gebied der compagnie aanmerkelijk uit (zie blz. 143), en is de stichter van _Buitenzorg_, nu het gewone verblijf van den gouverneur-generaal.
Na van Imhoff ging de Oost-Indische compagnie steeds meer achteruit. Vele waren de oorzaken van haren achteruitgang. Een der voornaamste is, dat zij, reeds vóór het midden der 18de eeuw, elk jaar hare boeken met een tekort van eenige millioenen sloot. In plaats van de uitgaven naar evenredigheid te beperken, ging zij, die niets had uit te deelen, desniettegenstaande met haar uitdeelingen voort. Ofschoon op een lager bedrag neerkomende dan voorheen (zie blz. 144), beliepen die uitdeelingen toch nog 20 tot 12-1/2 ten honderd. Eveneens ging het de West-Indische compagnie. Reeds in de 17de eeuw (zie blz. 144) was men begonnen, voor alle ingezetenen van den staat vrijstelling te verleenen van de vaart op eenige dier plaatsen, waarop het vroegere octrooi (zie blz. 88) de compagnie den alleenhandel toekende. In de 18de eeuw werd dezelfde vergunning verleend ten opzichte van de kust van Guin[=e]a, van Essequ[=i]bo en Demerary. Hoezeer deze maatregelen Nederlands handel in 't algemeen moeten hebben begunstigd, zij konden de nieuwe West-Indische compagnie niet genoegzaam opbeuren.
Nederlands kerkelijke toestand onderging sedert den vrede van Munster (zie blz. 99, 100) geen groote veranderingen. Bij de vele sekten, die werden geduld, kwamen sinds het begin der 18de eeuw nog een paar andere: de Jansenisten en de Herrenhutters. _De Jansenisten_ ontleenden hun naam aan ~Cornelis Janssen~, hoogleeraar te Leuven en later bisschop te Yperen, die in 1638 stierf. Twee jaren na zijn dood kwam een werk van hem uit, _August[=i]nus_ getiteld, hetwelk de leer van dezen kerkvader verklaarde. Rome verbood dit geschrift. Intusschen vonden de begrippen van het Jansenisme bijval bij een aantal der Nederlandsche katholieken, die aldus onderling werden verdeeld. Zij, welke die begrippen waren toegedaan, benoemden in 1723 hun eersten aartsbisschop, wiens zetel te Utrecht was. De _Herrenhutters_ of broedergemeente worden zoo genoemd naar het dorp of vlek Herrnhutt (in 't z.o. van het koninkrijk Saksen, nabij Zittau), waar zij hun eerste gemeente stichtten. Sinds 1746 vestigden de Nederlandsche Herrenhutters zich te Zeist.
In de eerste eeuw van het bestaan der Republiek werden kunsten en wetenschappen hoog gewaardeerd, ook om haarzelven, maar vooral met het praktische doel, om de heerschappij van Nederland over verre zeeën en kusten uit te breiden. Al werd het praktische doel door de nazaten der 18de eeuw meer uit het oog verloren, van die zucht zelve voor vermeerdering van kennis vervreemdden zij niet. Achtereenvolgens verrezen talrijke genootschappen, als zoovele getuigen van den zin voor wetenschappen, die de Nederlanders bezielde. Een ander doel dan deze genootschappen had _de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen_, welke ~Jan Nieuwenhuizen~, Doopsgezind leeraar te Monnikendam, in 1784 stichtte. Op vele plaatsen verbeterde zij het Lager-Onderwijs, bevorderde een zekere verdraagzaamheid in zaken van godsdienst en verspreidde nuttige kennis onder alle standen der samenleving.
In de letterkunde bleef het heerschend karakter gebrek aan kracht en oorspronkelijkheid. Zoetvloeiendheid was het hoofddoel, waarnaar de leden der talrijke dichtergenootschappen streefden, die den lof dezer kringen wilden verwerven. Daarom vonden zij weinig weerklank, wier werken den stempel droegen van dichterlijken gloed en eigen talent. Zoodanige uitzonderingen waren de gebroeders ~Willem~ en ~Onno Zwier van Haren~, die, hoewel op 't gebied der staatkunde werkzaam, menig uur aan de beoefening der dichtkunst wijdden. Willems hoofdwerk, een heldendicht, verheerlijkt _Friso_, den gewaanden eersten koning der Friezen. De jongere broeder schreef een aaneengeschakelde reeks van lierdichten onder den titel _de Geuzen_. In breede trekken schildert dit gedicht de daden der Nederlanders, die in den strijd tegen Spanje den grondslag legden der onafhankelijkheid van hun vaderland.
In het proza dier dagen nemen de vriendinnen ~Elizabeth Bekker~ en ~Agatha Deken~ den eersten rang in. Elizabeth Bekker, eerst getrouwd met den predikant Wolff, woonde en schreef, na den dood van haren echtgenoot, tezamen met Agatha Deken. Zij waren de eersten, die werken in 't licht gaven, welke in meer dan één opzicht den naam "Nederlandsche romans" verdienen. Twee dier werken, _Sara Burgerhart_ en _Willem Leevend_, werden alom gelezen. De vrije wijze, waarop de schrijfsters hare gedachten ook over staatkundige onderwerpen uitten, deed het haar geraden achten, in 1787 met zoovele anderen het vaderland voor een wijl te verlaten. Een tijdgenoot dezer vriendinnen was, althans nog gedurende een aantal jaren, ~Jan Wagenaar~, sedert 1760 eerste klerk ter secretarie van Amsterdam en gestorven in 1773. Zijn hoofdwerk is _de Vaderlandsche historie_, de eerste poging om de verspreide deelen van Nederlands geschiedenis tot een groot geheel te vereenigen.
§ 34.
_De Bataafsche Republiek en het koninkrijk Holland._
Zoo was dan de oude Republiek bezweken, om plaats te maken voor een nieuwen staat. Nauwelijks hadden zich de Fransche bajonetten vertoond, of de oude, afgeleefde vormen bezweken vanzelven. Terwijl een deel van 's lands bevolking, door te dansen rondom de vrijheidsboomen, zijn vreugde aan den dag legde, had er terstond een volledige omkeering in het bewind plaats. In plaats van het voormalige bestuur der Oost-Indische compagnie benoemde een vernieuwde vergadering der Staten-Generaal een _comité_ (raad of afdeeling) _tot de zaken van den Oost-Indischen handel en bezittingen_. Eveneens kwam het beheer van de West-Indiën aan een _comité tot de zaken van de koloniën en bezittingen in Afrika en Amerika_. Verder hadden de Staten-Generaal in de eerste plaats 's lands betrekking tot Frankrijk te regelen. Den 16den Mei 1795 kwam het _Haagsche verdrag_ tot stand. Met 100,000,000 gl., den afstand van Maastricht, Venlo en Staats-Vlaanderen en het toelaten van Fransche bezetting in Vlissingen moest het vaderland den schijn van onafhankelijkheid van Frankrijk en de erkenning als zelfstandige mogendheid, als _Bataafsche Republiek_, betalen. Een der geheime artikels, aan het verdrag toegevoegd, behelsde, dat het Fransche leger, hetwelk van nu aan de bezetting dier Republiek zou uitmaken en dat niet grooter mocht zijn dan 25,000 man, door deze Republiek zou worden bezoldigd, gekleed en gevoed. Zoodra deze troepen in goeden toestand verkeerden, werden zij gedurig door andere vervangen, die slecht waren uitgerust en aan al het noodige gebrek hadden.
Dit verdrag was een duidelijke verklaring der afhankelijkheid van de Bataafsche Republiek ten opzichte van Frankrijk. Een tweede gevolg van de nauwe betrekking tot Frankrijk waren de _assignaten_ (_Overzicht_, negende druk, blz. 175), die weldra alle waarde verloren. Bovendien erfde de nieuwe Republiek dadelijk de vijandschap, die Engeland tegen Frankrijk, haar bondgenoot, voedde. Reeds vóór den 16den Mei, terstond na het binnenrukken der Franschen, legde Groot-Britannië _embargo_ of beslag op Nederlands schepen, om ze later prijs te verklaren. In September verklaarde het aan de Bataafsche Republiek den oorlog. Van dit oogenblik af viel de eene der buitenlandsche bezittingen na de andere in handen der Engelschen, tegen wier meesterschap ter zee niemand was opgewassen. Reeds in 1801 was Java de eenige zijner bezittingen, die Nederland had behouden. Bij al die rampen zijn de gedwongen geldheffingen te voegen, welke de regeerende lichamen der Bataafsche Republiek achtereenvolgens uitschreven.
Het spreekt vanzelf, dat, na de schikking met Frankrijk, de regeling van den regeeringsvorm de eerste taak was, hier te lande te verrichten. Te dien einde hield, den 1sten Maart 1796, een _nationale vergadering_ haar eerste bijeenkomst. Zoodra zij te 's Gravenhage was bijeengekomen, werden de Staten-Generaal ontbonden. De leden der vergadering waren tot twee partijen te brengen, die der _unitarissen_, voorstanders eener volstrekte eenheid, en die der _foederalisten_, welke tot op zekere hoogte een bondgenootschap van zelfstandige staten wilden. Foederalist was o. a. Vitringa. Tot de hevigste unitarissen behoorden Pieter Vreede en Gogel, tot de gematigden onder hen Schimmelpenninck. Deze eerste nationale vergadering slaagde niet in haar plan, weshalve, den 1sten September 1797, een tweede werd geopend. Deze gelukte het evenmin, het werk tot stand te brengen, want den 22sten Januari 1798 waagden de hevigste unitarissen, met name Daendels, een _coup d'état_ of aanslag op hun meest gematigde medeleden. Een aantal van hen lieten zij in hechtenis nemen. De op die wijze gezuiverde vergadering noemde zich _constitueerende vergadering, representeerende het Bataafsche volk_. In Maart had zij het ontwerp eener grondwet afgewerkt. In April had de stemming van 't Bataafsche volk over het ontwerp plaats, dat met een overgroote meerderheid van stemmen werd aangenomen.
De hoofdinhoud dezer _staatsregeling_, den 1sten Mei 1798 afgekondigd, komt hierop neer. De oppermacht berust, in naam van het Bataafsche volk, bij _het vertegenwoordigend lichaam_, waarvan de leden door het volk worden gekozen. Het bestaat uit twee _kamers_. Het draagt de uitvoerende macht op aan _vijf directeuren_, door zijn leden te kiezen, _het uitvoerend bewind_, en behoudt zelf de wetgevende macht. Het grondgebied der Republiek wordt in acht _departementen_ verdeeld. De grenzen van geen dier departementen kwamen overeen met den omtrek eener voormalige provincie. Een daarvan b. v., hetwelk het departement van de Eems heette, bestond uit gedeelten van Friesland, Groningen en Drente. De geldmiddelen van den staat staan onder één beheer en komen in één algemeene kas. Eveneens heeft er een samensmelting der schulden plaats, _amalgame_ geheeten. De kerk wordt van den staat gescheiden. Voorloopig zullen slechts de leeraren en dienaars der hervormde kerk uit 's lands kas worden bezoldigd.
Niemand, die den inhoud dezer constitutie onbevooroordeeld gadeslaat, kan ontkennen, dat men het goede, hetwelk uit den druk der tijden werd geboren, grootendeels aan haar was verschuldigd. Vooreerst werd de pijnbank afgeschaft. Dan werd het Gemeenebest één en ondeelbaar verklaard, zoodat de zeven souvereine gewesten, benevens de Generaliteitslanden en het bondgenootschappelijke Drente van nu af maar één staat vormden. De provinciale naijver en tegenkanting weken langzamerhand voor één toenemende nationale eenheid. Insgelijks hield de druk op der stedelijke aristocratie. Volkomen gelijkstelling van allen voor de wet werd een vaste regel, en alle heerlijke rechten en wat verder van het leenstelsel afkomstig was werden vernietigd.
Intusschen leverde de oorlog zelf, waarin de Bataafsche Republiek, als bondgenoot van Frankrijk, werd medegesleept, niets dan nadeelen op. Gedurende den tweeden coalitie-krijg (_Overzicht_, negende druk, blz. 181) werd Nederland zelf het tooneel der vijandelijkheden. Daar Engeland en Rusland een poging wilden wagen, om de Bataafsche Republiek aan 't oppergezag van Frankrijk te onttrekken, landde in Augustus 1799 een geduchte Engelsch-Russische krijgsmacht onder 't opperbevel van ~Frederik, hertog van York~, nabij de Helder. ~Daendels~, bevelhebber der Bataafsche krijgsmacht, moest wijken. Maar de Fransche generaal ~Brune~, zich met een aanzienlijk leger bij Daendels voegende, bracht den vijand den 19den September bij ~Bergen~ (ten n.w. van Alkmaar) en den 6den October bij ~Castricum~ (ten z.w. van Alkmaar) een nederlaag toe. Dit noodzaakte de Engelschen en de Russen, die bovendien in deze streken geen voldoende huisvesting en levensmiddelen konden vinden en hier te lande weinig blijken van deelneming bespeurden, terug te trekken. Dus keerde ook de erfprins van Oranje, die eenigen tijd te Alkmaar had vertoefd, naar Engeland terug, vanwaar hij zich in 't begin van 1800 met zijn vader naar Brunswijk metterwoon begaf.