Beknopte geschiedenis van het vaderland

Part 14

Chapter 143,706 wordsPublic domain

Intusschen had Lodewijk XIV, Marlborough en Eugenius terecht voor afkeerig van den vrede houdende, zich reeds eenige malen in dien zin tot Heinsius gewend, maar vruchteloos. In 1709 geschiedde de aanvraag om vrede van Lodewijks kant met meer aandrang dan ooit. Doch toen de overwinnaars hun eischen al hooger stelden, werden de onderhandelingen afgebroken. Hierop volgde de slag bij Malplaquet. De onderhandelingen, in 1710 nogmaals te Geertruidenberg hervat, voerden wederom tot niets. Zij werden gestaakt, omdat de bondgenooten hun eischen nog in zoo verre verzwaarden, dat zij vorderden, dat de grijze Lodewijk zelf zijn kleinzoon, des noods met geweld, zou onttronen en dwingen, Spanje te verlaten. Maar plotseling kwam er een wending in den loop der gebeurtenissen. Juist toen de gezichteinder voor Lodewijk met steeds dreigender wolken betrok, brachten twee onverwachte gebeurtenissen hem redding aan. De eene was de vroegtijdige dood van Jozef I, keizer van Duitschland, Leopolds zoon en opvolger, wien zijn eenige broeder, Karel VI, in 1711 opvolgde. Nu drongen de zeemogendheden er niet langer op aan, dat men den beheerscher van zoovele landen nog de Spaansche monarchie zou toevoegen. De andere was de terugroeping van Marlborough en de val van het whig-ministerie, waarvan hij de ziel was. Het voor de whigs in de plaats komende tory-ministerie hield den oorlog voor strijdig met Engelands belangen en knoopte dus onderhandelingen met Frankrijk aan.

Intusschen verloren de Nederlanden nog vóór het einde van den oorlog een hunner veldheeren. Johan Willem Friso, in 1711 uit de legerplaats naar 's Gravenhage willende gaan, om, ter zake van de erfenis van Willem III, een bijeenkomst te houden met zijn mede-erfgenaam, den koning van Pruisen, verdronk in Juli van dat jaar door 't omslaan der schouw of pont aan den Moerdijk (tusschen Willemstad en Geertruidenberg), nog slechts vier-en-twintig jaren oud zijnde. Zijn gemalin, ~Maria Louise~, een dochter van Karel, landgraaf van Hessen-Kassel, bracht kort daarna een zoon ter wereld, Willem Karel Hendrik Friso. In 1712 kwamen de gezanten der oorlogvoerende mogendheden te _Utrecht_ bijeen, om te pogen tot een vrede te geraken. In April 1713 werd _de vrede_ onderteekend, behalve door de gezanten van Karel VI, die eerst in 't volgende jaar (_Overzicht_, 9e druk, blz. 155) een einde maakte aan den oorlog. Philips V behield Spanje en zijn bezittingen buiten Europa. De Nederlanden verwierven een voordeelig verdrag van handel en inkomende rechten. Ook dit moet als een voordeel voor de Republiek worden aangemerkt, dat het groote doel, waarom zij aan den oorlog had deel genomen, bij den vrede werd bereikt, daar de Zuid-Nederlandsche gewesten niet aan Frankrijk, maar aan Oostenrijk kwamen. Alsof dit evenwel niet genoeg ware tegen Frankrijks gevreesde nabijheid, verkreeg zij, om haar tot voormuur tegen de aanvallen van dit rijk te dienen, _de barrière_, die haar het recht gaf, in Namen, Doornik, Meenen, Warneton, Yperen, Veurne en het fort Knokke bezetting te leggen, terwijl mede werd bepaald, dat in de stad Dendermonde gemengd garnizoen, d. i. half Oostenrijksch, half Staatsch, zou liggen. Het verdrag over de barrière kwam den 16den November 1715 tot stand. Het prinsdom Oranje, hetwelk de Staten-Generaal uit de nalatenschap van Willem III aan Frederik Willem I, koning van Pruisen (_Overzicht_, 9e druk, blz. 163), hadden toegekend, ging, tegen schadeloosstelling vanwege den koning van Frankrijk, aan dit rijk over.

§29.

_Blik op den toestand des lands in de laatste helft der 17de en in 't begin der 18de eeuw._

Verbazend was de inspanning, die een staat van zulk een beperkt grondgebied als de Vereenigde Gewesten zich in den nu geëindigden oorlog had getroost ter wille eener zaak, die meer geheel Europa, dan de Nederlanden betrof. Die oorlog vermeerderde de schuld der Republiek met 350 millioen. Aan de dure offers waren de voordeelen, die de vrede schonk, niet geëvenredigd. Maar de wil van Willem III alleen had de buitenlandsche staatkunde der Republiek bestuurd. Voor de leidende gedachte zijns levens, de man te moeten zijn, die zich tegenover Lodewijk XIV stelde, moesten de belangen der Republiek achterstaan. Zoolang Willem III leefde, had ~ANTONIE HEINSIUS~ (zie blz. 135) hem getrouw ter zijde gestaan. Hij was een man van een welwikkend oordeel, onverdroten ijver en bezadigde handelwijze, wiens blik tot de kern der zaken doordrong. Doch nauwelijks had Willem de oogen voor goed gesloten, of Heinsius, zijn denkbeelden naar de omstandigheden wijzigende, voegde zich naar de regeering, gelijk zij toen werd geregeld, en was in allen opzichte een wakker dienaar en voorganger der staten van Holland. Hij werd in den vollen zin des woords de zuil van 't bewind, de hoofdpersoon der Republiek.

Niettegenstaande de schaduwzijde, zoo even aangevoerd, bekleedde de Republiek na den vrede van Utrecht steeds een eervolle plaats onder Europa's aanzienlijke mogendheden. Zij bezat nog een uitgestrekten handel en aanmerkelijke volkplantingen. Nogtans was de handel niet meer, wat hij was geweest. Sinds 1672 was hij gedaald van het hooge standpunt, dat hij vroeger had bestegen. De navigatie-akte van het lange parlement (zie blz. 109 en 119) had hem den eersten knak gegeven. Inzonderheid brachten de oorlogen, geëindigd met de vredes van Nijmegen, Rijswijk en Utrecht, den handel groot nadeel toe. Behalve dat zij den staat tot groote uitgaven dwongen ter bestrijding der krijgskosten, legden zij een zwaren schuldenlast op de schouders der Nederlanders. Het gevolg was de instelling van vele nieuwe belastingen. Een andere oorzaak van het dalen van den Nederlandschen handel is, dat hij de oogen van de meeste der Europeesche volkeren opende, die, de rijkdommen ziende, welke hij aanvoerde, zich op haar beurt op dien tak van bestaan toelegden en allengs op die baan voortschreden. En hoewel nu de handel van Nederland zeer wel naast dien van andere landen kan bestaan, is het van den anderen kant zeker, dat geen natie den haren destijds uitbreidde, dan ten koste van dien der Republiek.

Gelijk de handel, begon ook de haringvisscherij sedert den aanvang der 18de eeuw af te nemen. De walvischvangst was reeds vroeger in verval gekomen. _De Noordsche compagnie_ (zie blz. 43) hield in 1645 op te bestaan. Vele schepen waren in 't ijs blijven steken of hadden zonder gunstig gevolg gevaren. Van het genoemde jaar af werd de walvischvangst door de ontbinding der Noordsche compagnie vrij en leefde, thans door kooplieden, ieder op zichzelf, gaande gehouden, weder eenigermate op. Zeer in 't oog vallend was, sedert den vrede van Munster, de achteruitgang der fabrieken en manufacturen. Zooals bij den handel, was een hoofdoorzaak van dien achteruitgang te zoeken in de zich meer en meer onder de Europeesche volkeren verbreidende zucht, om door eigen fabrieken in hun behoeften te voorzien en de voortbrengselen van die van anderen te kunnen ontberen.

Voor de Oost-Indische compagnie opende zich met den vrede van Munster (zie blz. 99) een tijdperk van verhoogden luister. De eer hiervan komt, voor een goed deel, aan den gouverneur-generaal ~Johan Maatsuiker~ (1653-1678) toe, die langer dan iemand, voor of na hem, over de bezittingen der compagnie het bewind voerde. Op Ceylon eindigde de strijd, onder van Diemen (zie t. a. p.) aangevangen, met de geheele verdrijving der Portugeezen. Ook Negapatnam (op de kust van Coromandel, tegenover Ceylon) werd veroverd. Op Sum[=a]tra werd Palembang (op de z.o. kust) schatplichtig. Bovenal werd Makassar (in 't z.w. van Cel[=e]bes) het tooneel van een roemrijken kamp voor de Nederlandsche compagnie, welker hulp door een der elkander op dat eiland bestrijdende vorsten werd ingeroepen. Cornelis Speelman stond aan 't hoofd van de scheepsmacht der compagnie, die er, eenige jaren achtereen, oorlog voerde. Hij dwong den vorst van Makassar tot een verdrag, waarbij deze vorst zich verplichtte, de Portugeezen en de Engelschen uit zijn gebied te verwijderen en de compagnie den alleenhandel, vrij van tollen, toe te staan.

Één jaar voordat Maatsuiker het bewind aanvaardde, had zich een volkplanting der Nederlanders aan de Kaap de goede hoop gevestigd. De streek zelve was dit volk sedert langer dan een halve eeuw bekend. Menig Nederlandsch schip was de Tafelbaai binnengeloopen, om er ververschingen in te nemen; doch aan een blijvende vestiging had niemand gedacht. Het eerst kwam dit denkbeeld op bij ~Jan van Riebeek~, een scheepsheelmeester, toen hij in 1648 met een vloot uit Indië naar het vaderland terugkeerde. De kamer van zeventienen (zie blz. 79) keurde het ontwerp goed, en in April 1652 stichtte van Riebeek er een volkplanting. Slechts één donkere partij is er in het schitterend tijdperk van Maatsuikers landvoogdij op te merken: zij is het verlies van Form[=o]sa (zie blz. 80). In 't midden der 17de eeuw werd de keizerlijke dynastie, die in Sina regeerde, van den troon gestooten. De Mantsjoe-Tartaren, een volk, ten n.o. van Sina wonende, overstroomden het groote rijk, en hun opperhoofd trok het bewind aan zich. Een der vele Sineezen, die zich tegen hem verklaarden en van het vasteland moesten wijken, was de zeeroover ~Coxinga~, die met een groote vloot de zee onveilig maakte. Weldra zette hij koers naar Form[=o]sa, ten einde dit eiland te veroveren. De Nederlandsche gouverneur van Form[=o]sa, ~Coyet~, verdedigde wakker de sterkte Zelandia met de weinige troepen, die hij had. Den predikant ~Hambroek~, in 's vijands macht gevallen, zond Coxinga erheen, om op een spoedige overgave aan te dringen. Hij ried het tegendeel, weshalve hij, naar Coxinga teruggekeerd, kort daarna, onder voorwendsel dat hij de Formosanen had opgeruid, werd gedood. Eindelijk gaf Coyet, na een langdurig beleg, in 1662 het kasteel op eervolle voorwaarden over.

In Maatsuikers tijd was nog maar een klein deel van Java in 't bezit der Oost-Indische compagnie: Batavia met den naasten omtrek. Van de inheemsche vorsten van dit eiland waren die van Mat[=a]ram (in 't midden van Java) en van Bantam (zie blz. 78) de voornaamste. Een zijner opvolgers was ~Cornelis Speelman~. Voortdurend won, sedert de eerste vestiging (zie blz. 79), het gezag der compagnie veld op Ternate, Tidor en de overige Molukken. In 't laatst der 17de eeuw werd het Noorden van Cel[=e]bes geheelenal afhankelijk van de compagnie, in 1704 de Preanger landen, in 1741 het oostelijk gedeelte van Java, o. a. Soerabaya. In 1755 verdween de naam "Mat[=a]ram" uit de geschiedenis. Hij werd vervangen door die der _vorstenlanden_, _Soerakarta_ en _Djokjokarta_, beide onder 't oppergezag der compagnie staande. Ruim twintig jaren later, in 1778, stond de sultan van Bantam de rechten van opperhoogheid, die hij op de westkust van Borneo had, aan de compagnie af. In al die onderworpen landstreken behielden de inlandsche vorsten, doorgaans onder den titel _regenten_, zoowel als hun stamhuizen, onder de opperheerschappij der compagnie hun rang en recht van opvolging. Hun werd, als leidsman en voogd, een Nederlandsch ambtenaar ter zijde gesteld, die den titel _resident_ voerde. Tevens werd hun, ten bewijze hunner afhankelijkheid, de verplichte levering van deze of gene voortbrengselen van den grond opgelegd.

Het vermeesteren van landen en het bemachtigen van volkeren waren evenwel niet de grootste voordeelen, die de compagnie uit haar ondernemingen trok. Meer waarde hadden de winsten, welke haar de koophandel verschafte. In 1671 verheugde zij haar deelhebbers door een uitdeeling van 65 ten honderd. Bij de waren, welke de Oost-Indische vloten, _retourvloten_ geheeten, Nederland toevoerden, kwam sinds den aanvang der 18de eeuw de Java-koffie, een vrucht, oorspronkelijk in Arabië te huis behoorende.

Al was het niet op groote schaal, toch breidde ook de West-Indische compagnie haar bezittingen langzamerhand uit. Zoo voegde zij bij hetgeen zij had (zie blz. 88) Berbice (in 't n. van Zuid-Amerika, ten w. van Suriname). Hoewel tot de West-Indische compagnie gerekend, was Berbice het bijzonder eigendom van eenige Amsterdamsche kooplieden en stond onder hun beheer. Gelijk Berbice en Suriname, was Essequ[=i]bo (ten w. van Berbice) haar ontstaan aan Zeeuwen verschuldigd. Reeds in het begin der 17de eeuw hadden zij er een volkplanting. Van haar ging de kolonie Demerary (tusschen Berbice en Essequ[=i]bo) uit. Beide stonden alleen onder de kamer Zeeland der West-Indische compagnie. Van Suriname's (zie blz. 119) eigendom stond deze compagnie een deel af aan Amsterdam. In weerwil van deze aanwinsten bleek het, sinds het verlies van Brazilië (zie blz. 92, 93), dat het lot der West-Indische compagnie moest zijn, even spoedig te vervallen, als zij zich had verheven. Weldra was zij niet meer in staat, eenige uitdeeling te doen of slechts eenige p. c. rente te betalen, weshalve de Staten-Generaal ze in 1674 ontbonden. Reeds in 1675 verrees een nieuwe compagnie, waaraan de Staten-Generaal octrooi verleenden. Het getal der _bewindhebbers_ werd op 53 gebracht, de generale vergadering tot op 10 leden verminderd en daarom _de vergadering van tienen_ geheeten. Het ging de nieuwe maatschappij nog ongelukkiger, dan de vorige. Haar uitdeelingen, die schier nimmer het cijfer van 5 ten honderd overschreden, bleven doorgaans lager.

Van de compagnieën keeren wij tot den staat zelf terug. Reeds meermalen is gebleken, dat de soort van eenheid van den gevestigden staat, welke er nog bestond, dikwerf dreigde teniet te gaan door den strijd, dien de staten der gewesten bij herhaling tegen den band der unie voerden. Naast dien strijd ontstond allengs een tweede tusschen de staten der gewesten zelven en de leden, waaruit zij waren samengesteld. Van die leden waren de vroedschappen der steden de talrijkste en de voornaamste. Groot was de macht dezer vroedschappen. De groote macht, waarover de stedelijke overheidspersonen beschikten, deed de begeerte bij hen opkomen haar te behouden en ze op hun verwanten te doen overgaan. Zoo zag men de waardigheid van lid der vroedschap van lieverlede zoo goed als erfelijk worden en onder de hand van die raden uitsluiten al wie niet tot de regeerende familiën behoorde. De gewoonte van 't aangaan van dergelijke overeenkomsten, waarbij de leden van zulke familiën zich verbonden, om elkander, hun verwanten en vrienden op het kussen te helpen, was in 't midden der 18de eeuw vrij algemeen. De overeenkomsten zelven noemde men veelal _correspondentiën_. Naar men meent, zal het eerste verdrag van dien aard reeds in 1652 te Zierikzee zijn gesloten.

De kracht en de oorspronkelijkheid van Nederland verzwakten. Dit zag men ook op het veld der letterkunde en op het gebied der schoone kunsten. Vermaarde schilders kwamen minder voor. Wat de letteren aangaat, er waren schrijvers, verdienstelijke schrijvers zelfs; doch het waren meerendeels navolgers van de grootsche gestalten, waarop vroeger (zie blz. 101 vlg.) werd gewezen. Vondel werd b. v. nagestreefd door ~Antonides van der Goes~, afkomstig uit Goes en in 1684 overleden, die in zijn _Ystroom_ de reeks der Nederlandsche stroomdichters opende. Dit gedicht, dat tot de beschrijvende soort behoort, bezingt den lof van het Y en heeft alzoo den roem van Amsterdam tot onderwerp. Meer en meer oefende de Fransche letterkunde een doodenden invloed op de oorspronkelijkheid der Nederlanders, al verruimde zij van den anderen kant hun denkbeelden. Slechts ~Justus van Effen~ (overleden in 1735) handhaafde in zijn _Hollandsche spectator_ de eischen van een zuiveren en lossen Nederlandschen stijl, tevens de nationale ondeugden en gebreken van zijn tijd bestrijdende.

Zin voor wetenschap bleef den Nederlanders evenwel eigen. In de natuurkunde verwierf o. a. ~Christiaan Huygens~, Constantijns (zie blz. 102) zoon, de uitvinder der slingeruurwerken (overleden in 1695), grooten roem. Een Europeeschen naam had ~Herman Boerhaave~, hoogleeraar in de geneeskunde te Leiden (overleden in 1738), tot wiens lessen honderden studenten uit verschillende landen toestroomden.

§ 30.

_Het stadhouderschap van Willem IV._

In de beide laatste oorlogen had Nederland een overspannen rol gespeeld. Als kampvechter voor Europa's algemeene belangen had het meer gedaan, dan een kleine Republiek op den duur kon volhouden. Van nu aan namen vele regenten in de Zeven Gewesten zich voor, een anderen weg te bewandelen. De overweging, dat men tot dusver te veel had gedaan, voerde thans dikwerf tot het te weinig doen. Het werd van lieverlede het hoofdstreven der Republiek, zich veilig wanende achter haar barrière, zooveel mogelijk het deelnemen aan oorlogen te vermijden. Vanhier, dat de Europeesche mogendheden, geheel anders dan in vroegere tijden, weldra zonder Nederland onderhandelden en bij de samenkomsten harer gezanten niet zelden besluiten namen ten nadeele van Nederlands belangen. In plaats van te hechten aan een rechtmatigen invloed, was men er in 't vervolg in de Republiek op uit, zich binnen een zoo nauw mogelijken kring te beperken. Voor land- en zeemacht droeg de regeering de noodige zorg niet langer, geenszins gedachtig aan het spreekwoord: "zoo gij den vrede wilt, bereid u ten oorlog." Millioenen verloren de Nederlandsche kooplieden door de kaapvaart der Algerijnen, met wier dey de Republiek eerst in 1726 vrede sloot.

Het kon niet anders, of de Republiek moest, in weerwil van haar zoo even aangeduid streven, van tijd tot tijd worden gemengd in vele der verwikkelingen, welke Europa's staatsmannen in de eerste helft der 18de eeuw hadden op te lossen. Zoo teekende zij in 1731 de pragmatieke sanctie (_Overzicht_, negende druk, blz. 164), en wel niet dan onder voorwaarde, dat keizer Karel VI _de Oost-Indische maatschappij_, die hij te Ostende had opgericht, ophief. De Staten-Generaal toch beweerden, dat deze maatschappij geen recht van bestaan had, omdat de keizer de Zuidelijke Nederlanden bezat op den voet, vastgesteld bij den vrede van Munster. Onder de voorwaarden nu van dien vrede was er een (zie blz. 96), waaruit, volgens hen, voortvloeide, dat, vermits de Zuidelijke Nederlanden op het tijdstip van het sluiten van dien vrede niet op de Indiën voeren, zij thans evenmin aan die vaart mochten deel nemen.

In 1720 overleed de raadpensionaris Heinsius. Een zijner opvolgers was, sedert 1727, ~Simon van Slingelandt~. Deze schrandere man schonk eenigermate den ouden duister terug aan het gewichtige ambt, hetwelk, voor een goed deel, zijn glans ontleende aan voorgangers, als Oldenbarnevelt en de Witt. Gedurende de negen jaren, waarin hij de leidsman der staten van Holland was en dit gewest ter Staten-Generaal mede vertegenwoordigde, deed hij vele pogingen, om de gebreken, die zijn heldere blik had doorzien, uit den weg te ruimen. Maar het was hem niet gegeven, zijn denkbeelden tot daden te zien rijpen. De stem der vaderlandsliefde en van het doordringend verstand stiet af op den muur der zelfzucht en eigenbaat. Toen hij in 1736 stierf, zeide de gezant van Portugal te 's Gravenhage: "Nu heeft de Republiek haar hoofd verloren."

Inmiddels was langzamerhand het getal toegenomen der waardigheden, opgedragen aan den spruit uit het huis van Nassau, den zoon van Johan Willem Friso (zie blz. 139), ~Willem Karel Hendrik Friso~. Dadelijk bij zijn geboorte als erfstadhouder van Friesland erkend, werd hij in 1718 stadhouder van Groningen, in 1722 van Drente en van Gelderland. In 1732 werd de zaak der erfenis van Willem III (zie blz. 140) beslecht. Met uitzondering van eenige bezittingen, die aan Frederik Willem I, koning van Pruisen, werden toegewezen, erlangde Willem Karel Hendrik Friso alle heerlijkheden, op Nederlands bodem gelegen. Bij hetzelfde verdrag, hetwelk dit vaststelde, stond de prins het prinsdom Oranje aan den koning van Pruisen af, dat deze vorst trouwens, als zich gerechtigd achtende, reeds in 1713 (zie t. a. p.) aan de Fransche kroon had overgegeven. Den titel behield Willem Karel Hendrik Friso zich echter voor. Kort na deze beschikking, in 1734, trad de stadhouder van Friesland, Groningen, Drente en Gelderland in het huwelijk met ~Anna~, de oudste dochter van George II, koning van Engeland. Eenige jaren later verkreeg hij bij erfenis en verdrag eenige streken van Nassau in Duitschland, Dillenburg en andere.

In weerwil van het streven der Staten-Generaal om zich in de geschillen, die nu en dan tusschen de hoven van Europa opkwamen, onzijdig te houden, was het hun niet mogelijk, zich te onttrekken aan een der Europeesche oorlogen, die in 1740 losbarstte. Nauwelijks was de keizer van Duitschland, Karel VI, gestorven, of zijn dochter, Maria Theresia, had een groot aantal vijanden het hoofd te bieden (_Overzicht_, blz. 164). Onmiddellijk zocht zij hulp bij de mogendheden, die zich hadden verbonden tot het handhaven der pragmatieke sanctie. De Staten-Generaal begonnen met, evenals Engeland, hulpgelden te geven. Vervolgens ondersteunden zij de koningin van Hongarije met krijgsvolk. De koning van Frankrijk, Lodewijk XV, nam dit zeer euvel op en deed in 1747, na de slag van Fontenai (_Overzicht_, blz. 165) te hebben gewonnen, een inval op 't grondgebied der Republiek, allereerst in Staats-Vlaanderen.

Sinds de oorlog was uitgebroken en met vrij ongunstigen uitslag werd gevoerd, kon men overal onder het volk toenemende blijken van ontevredenheid met de regeering bespeuren. Naar gelang de barrière-steden bezweken en de oorlog de grenzen naderde, groeiden de ongerustheid en het misnoegen aan. Het gebulder van 't Fransche geschut voor Sluis (in Staats-Vlaanderen) herinnerde den burgers van 't naburige Veere, dat de prinsen uit het huis van Oranje-Nassau in netelige omstandigheden meermalen de redders van 't land waren geweest. Vanhier een herhaling van het jaar 1672: wederom ging de beweging van Veere uit. Nadat de schutterij dezer stad in April 1747 haren wensch had te kennen gegeven, dat de vroedschap den prins tot stadhouder mocht verkiezen, nam dit lichaam een besluit in dien zin. Eveneens ging het in de overige steden van Zeeland, in de eene met, in de andere zonder opschudding. Den 28sten April werd de prins door de staten van Zeeland als stadhouder aangesteld.

Van Zeeland sloeg--wederom zooals in 1672--de beweging tot Holland over. Het eerst geraakte het volk te Rotterdam en te Delft op de been, 's prinsen bevordering van de vroedschap verlangende. De andere steden volgden, en den 3den Mei 1747 had 's prinsen benoeming door de staten van Holland plaats. Op denzelfden dag, als in Holland, geschiedde de verheffing van den prins te Utrecht. Den 4den Mei droegen de Staten-Generaal hem het kapitein-generaal-admiraalschap over de krijgsmacht van den staat op. Den 10den Mei volgden de staten van Overijsel het voorbeeld van die der andere gewesten. 't Spreekt vanzelf, dat de prins nu tevens zitting nam in den raad van state.

Het scheen, dat er geen einde kwam aan het getal eerbewijzen en blijken van genegenheid, waarmede de stadhouder werd overstelpt. De Staten-Generaal vereerden den prins, van nu aan gewoonlijk ~WILLEM~ IV (1747-1751) geheeten, met het stadhouder- en kapitein-generaalschap over de landen van Overmaas (zie blz. 96) en voegden er welhaast dat over de andere Generaliteitslanden bij. Nog verklaarden de gewesten het stadhouderschap, waarmede de prins was bekleed, _erfelijk_ in zijn nakomelingschap, ook in de vrouwelijke linie. De Staten-Generaal verklaarden het kapitein-generaal-admiraalschap erfelijk in de beide liniën. Bij de tallooze onderscheidingen kwam nog _het opper-directeur-gouverneurschap_ van O. en W. Indië, dat den prins in 1749 door de bewindhebbers der beide compagnieën werd opgedragen. Verre, zeer verre ging het gezag, hetwelk in de handen van Willem IV werd gelegd, dat zijner voorgangers te boven. Zonder den titel werd hij metterdaad souverein. Zien wij, hoe hij die macht aanwendde.