Beknopte geschiedenis van het vaderland
Part 13
Thans hadden de vijanden der gebroeders de baan ruim. Een aantal van hen drongen verwoed den kerker binnen, noodzaakten de de Witten met hen het gebouw te verlaten en brachten hen te midden eener gewapende menigte van 1000 tot 1200 menschen laaghartig om. Hierop mishandelden eenige der burgers en het gemeen, niet tevreden met de gepleegde euveldaad, de doode lichamen op een wijze, te afschuwelijk om te verhalen. Wegens dit misdrijf, een der verfoeielijkste feiten uit de geschiedenis der Nederlanden, de grootste vlek, die op haar bladen is te vinden, heeft men de Hollanders, anders als goedaardig te boek staande, bij het verscheurend gedierte vergeleken. Noch de regeering van den Haag, noch de staten van Holland, destijds vergaderd, durfden de onzalige daad verhinderen. Wel schreven de staten van Holland, van zins schijnende de misdadigers te vervolgen, in dien zin aan den prins van Oranje. Doch Willem meende, dat men in de toenmalige omstandigheden aan geen gestrenge vervolging kon denken van een euveldaad, door menigeen van de meest gezeten burgers bedreven. Vreemd blijft het evenwel, hoe de prins een jaargeld kon toeleggen aan Tichelaar, die de onmiddellijke oorzaak is geweest van het treurige schouwspel, dat hijzelf verfoeide en dat aan het huis van Oranje-Nassau meer nadeel heeft gedaan, dan zijn vrienden immer in staat waren te vergoeden.
Ten zelfden dage, waarop de daad werd gepleegd, verkozen de staten van Holland ~Gaspar Fagel~ tot raadpensionaris. Het was een moeielijke taak, de opvolger te zijn van een man, als Johan de Witt. Onder zijn leiding vervulde Nederland een der eerste rollen in de Europeesche staatkunde. Onvermoeid was de Witt werkzaam voor de verheffing der Republiek, van haar zeemacht en handel. Groote diensten heeft hij aan zijn vaderland bewezen. Van 's mans ervarenis in 't financiewezen is boven (zie blz. 113) melding gemaakt. Alom heerschte, gedurende de jaren van de Witts raadpensionarisschap in Holland, uitnemende welvaart. Hij was het, die Holland en, door middel van Holland, de Vereenigde Gewesten met kracht, grootheid en ver vooruitzienden blik bestuurde. Dat hij zeldzame en uitstekende geestvermogens had, betwijfelt niemand. Van de beide gebroeders was hij de jongste in jaren, de oudste in wijsheid. Was hij uitnemend bekwaam en werkzaam, niet minder lof verdienen zijn onbaatzuchtigheid en eerlijkheid. Kalm was hij en, het meesterschap voerende over eigen gelaat, gewoon tot op den bodem door te dringen van eens anders gemoed. De stuurschheid, die zijn broeder schijnt eigen te zijn geweest, was geenszins een der eigenschappen van den raadpensionaris. Verwijt men hem, dat hij te veel gezag oefende, dit is toe te schrijven niet aan heerschzucht, maar aan zijn schrander vernuft en aan zijn bekwaamheden, die hem een zedelijken invloed gaven, grooter dan de meeste stadhouders hadden. Acht men het verkeerd, dat hij het oog bovenal op Hollands belangen gericht hield, men behoort niet te vergeten, dat hij de eerste ambtenaar van Holland was.
Mocht men meenen, dat de ongelukken van 1672 hem zijn te wijten, de onpartijdige beschouwing der geschiedenis leert, dat hij, zoo hij heeft gedwaald, hierin alleen dwaalde, dat hij niet heeft vooruit gezien, dat Karel II zoo bekrompen en laag was, Engelands belangen veil te hebben ter wille van een handvol Fransch goud.
Het noodlottige uiteinde der gebroeders bleek weldra geen voldoend middel te wezen, om de in beweging geraakte bevolking der steden tot bedaren te brengen. Eensdeels hierom, anderdeels omdat vele der regenten, als aanhangers der staatsgezinde partij, niet aangenaam waren aan den stadhouder, machtigden de staten van Holland den prins, den 27sten Augustus, voorzoover hij het noodig achtte, overal de wet te verzetten. Gelijk in Holland, koos de prins ook in de raden van Zeelands staten nieuwe leden.
Doch het wordt tijd, tot de zaken van den oorlog terug te keeren. In December 1672 viel de vorst in en maakte ~de hertog van Luxembourg~, een van Lodewijks veldheeren, zich gereed, een inval in Holland te doen. Hij overviel Zwammerdam en Bodegraven, welke plaatsen de Franschen tot den grond afbrandden, tevens vele wreedheden tegen de ingezetenen begaande. Inmiddels ging de vorst in regen over, hetgeen Luxembourg noodzaakte op Woerden terug te trekken. Aan den Noordoostkant van Nederland werd het Keulsch-Munstersche leger onder den bisschop van Munster en den keurvorst van Keulen in 1672 gestuit door de stad Groningen. Zes weken belegerden zij de stad. ~Karel van Rabenhaupt~, de bevelhebber der bezetting, leidde de verdediging, wakker bijgestaan door de burgers en de studenten. Een groot gedeelte der stad werd platgeschoten; doch de moed der belegerden herleefde telkens na iederen goed geslaagden uitval. In den nacht tusschen den 27sten en den 28sten Augustus blies de bisschop den aftocht met een verlies van ongeveer 5000 man, terwijl in Groningen slechts omtrent 100 menschen waren doodgeschoten. Den 30sten December liet Rabenhaupt, gebruik makende van de aanwijzing van Meindert van Thijnen, een gewezen koster te Koevorden, tevens een goed ingenieur, deze vesting door Eybergen verrassen. Ook ter zee stond het vrij wel met de aangelegenheden der Republiek. Na den slag bij Solebay (zie blz. 123) ging de Ruiter langs de kusten van ons land kruisen, om de Engelschen de landing te beletten, die zij, opdat Holland van twee zijden werd aangevallen, zich hadden voorgenomen. In zijn streven werd de Ruiter ondersteund door de natuur zelve. Toen de vijandelijke vloot in Juli 1672 in het gezicht van de Helder was, stak er een storm op, die drie dagen zonder ophouden en, met eenige tusschenpoozen, bijna drie weken aanhield. Zoo was het jaar, welks begin zoo rampspoedig was geweest voor Nederland, en inzonderheid het einde, niet teneenenmale van voorspoed verstoken.
Meer geluk bracht het volgende jaar. Een beslissende zege behaalde ~de Ruiter~ den 21sten Augustus bij ~Kijkduin~ (nabij de Helder) op de Fransch-Engelsche vloot onder ~d'Estrées~ en ~prins Robert~ (zie blz. 117). Te land noodzaakte Willem III door een koene onderneming, de verovering van Bonn, in November 1673 de Franschen, ons land te verlaten. In het jaar 1674 was de fortuin Frankrijk nog minder gunstig. De koning van Engeland, door de bedreigingen van 't parlement gedrongen, moest tot _den vrede van Westminster_ (19 Febr. 1674) besluiten, welke dien van Breda bekrachtigde. Dit voorbeeld volgden de bisschop van Munster en de keurvorst van Keulen.
Terwijl het hoofdtooneel van den oorlog thans werd verplaatst naar de Spaansche Nederlanden, waarheen de Franschen aanstonds na de ontruiming van ons land weken, keerden de bevrijde gewesten Utrecht, Gelderland en Overijsel tot het bondgenootschap weder. Ook zij moesten zich laten welgevallen, dat Zijn Hoogheid, op last der Staten-Generaal, de regeering hunner steden veranderde, gelijk dit in Holland en Zeeland was geschied. Hierbij bleef het niet. Nadat Holland en Zeeland het stadhouderschap, gelijk de Staten-Generaal het kapitein-generaal- en admiraalschap, erfelijk hadden verklaard in de mannelijke linie des prinsen van Oranje, volgden Utrecht en Overijsel in 1674, Gelderland in 1675 het gegeven voorbeeld. Aan Hendrik Kasimir II (zie blz. 118) droeg Groningen in 1674 het erfstadhouderschap op. In Gelderland achtte de adel nog niet genoeg te hebben gedaan. Door zijn invloed boden de staten van dit gewest den prins de hoogste macht aan met den titel "hertog van Gelderland en graaf van Zutfen." Deze waardigheid wees de prins evenwel van de hand, toen verscheidene steden van Holland en Zeeland te kennen gaven, dat dit aanbod haar weinig behaagde.
Alzoo, hoofdzakelijk door toedoen van Fagel, een macht hebbende verkregen, grooter wellicht dan die, welke den hertogelijken of graaflijken titel ware toegekend, zette Willem III den strijd tegen de vijanden van zijn vaderland buiten de grenzen van het Gemeenebest voort. In de Zuidelijke Nederlanden leverde hij den slag van Senef (_Overzicht_, 9e druk, blz. 152). Ook naar 't Zuiden, naar de Middellandsche Zee, werd de kamp overgebracht (t. a. p.). In 1676 zond men ~de Ruiter~ naar die wateren. Driemalen leverde de Nederlandsch-Spaansche vloot slag tegen den Franschen admiraal ~du Quesne~: in de tweede ontmoeting, bij den ~Etna~, zegepraalden de onzen, maar verloren den eersten vlootvoogd zijner eeuw.
Sinds lang wenschten Frankrijk en Nederland vrede te sluiten. Tot plaats der bijeenkomst werd Nijmegen bepaald. Van het begin af streefde Frankrijk slechts naar een afzonderlijken vrede met de Staten-Generaal; doch Willem III hield dit lang tegen. Te midden der onderhandelingen ging Willem in 1677 een huwelijk aan met ~Maria~, de oudste dochter van zijn oom, den hertog van York. In den nacht van den 10den tot den 11den Augustus 1678 kwam _de vrede van Nijmegen_ tusschen Frankrijk en de Republiek tot stand. De Nederlanden verloren niets.
§ 28.
_Willem III.--De negenjarige oorlog.--De Spaansche erfopvolgingsoorlog._
Zóó bereikte Lodewijk XIV, trots al zijn vijanden, zoowel door de wapens als door de kunst van 't onderhandelen, althans ten deele, zijn doel. De vrede van Nijmegen versterkte den koning in zijn overmoed. Niets achtte hij, in 't gevoel zijner overmacht, in staat, om hem te beletten, nu ook met vreemde staten even willekeurig te werk te gaan, als hij in zijn rijk zelf jegens zijn onderdanen placht te doen. De reunionskamers (_Overzicht_, 9e druk, blz. 152) toonden dit maar al te zeer. Na de herroeping van 't edict van Nantes vreesde al wat protestant was voor 't overwicht van den vervolger hunner geloofsgenooten. Dit verstrekte keizer Leopold I, het grootste gedeelte van 't Duitsche rijk, Spanje en de Nederlanden tot een krachtigen prikkel, om in 1686 onder elkander verschillende verbonden te sluiten.
Hij, die deze verbonden tot stand bracht en er de ziel van was, was Willem III, van dit oogenblik af de rustelooze bestrijder van den heerschzuchtigen vorst. Gelijk Lodewijk de vertegenwoordiger was van 't volstrekte gezag en van een algeheele staatseenheid, die het katholicisme als middel aanwendde, zoo was hij de vertegenwoordiger en de voorvechter van het staatkundig evenwicht van Europa, die het protestantisme als werktuig bezigde. Voor die taak was de prins van Oranje-Nassau ten volle berekend. Zwak en tenger was hij van lichaam, maar krachtig van geest. Zijn karakter, van nature standvastig, was door den tegenspoed zijner jeugd gestaald. Doorgaans was hij stil en in zichzelf gekeerd. Slechts op den dag van een veldslag was hij levendig en vol vuur: terwijl hij anders steeds langzaam sprak, vlogen hem dan de woorden van de lippen. Als staatsman stond Willem III boven al zijn tijdgenooten. Hij was volkomen bekend met de gesteldheid van Europa's kabinetten, met de roersels en drijfveeren der machthebbers. De taak, die hij als zijn levenstaak aanmerkte, was een volhardend tegenstreven van Frankrijks pogingen, om de heerschappij over Europa te bemachtigen. Al beleefde Willem het geenszins, zijn doel werd mettertijd bereikt. Daarentegen kostte het stelsel van Europeesche staatkunde, dat de plaats innam van de Witts stelsel, hetwelk Neêrlands belangen tot punt van uitgang had, aan de Republiek den eersten rang onder de zeemogendheden. Van Willems tijd af moest zij zich met den tweeden rang tevreden stellen.
Even onvermoeid, als op het gebied der staatkunde, bestreed Willem III zijn vijand op het slagveld. Persoonlijke moed was een zijner gaven; doch onder de groote veldheeren verdient hij, gelijk zijn overgrootvader, niet de plaats, die hem onder de groote staatsmannen toekomt. Intusschen is het onwedersprekelijk, dat hij een aantal bekwame generaals heeft gevormd, die in den Spaanschen erfopvolgingsoorlog menige zege behaalden. Veldslagen gewonnen heeft hij bijna niet. Zijn talenten kwamen vooral uit, wanneer hij, òf op zijn meesterlijke aftochten, òf na de nederlaag onwrikbaar stand houdende, den vijand zooveel ontzag wist in te boezemen, dat hij hem niet verder durfde aantasten.
Het groote gezag, dat Willem in de Nederlanden had, heeft hij gebruikt, ten einde de hinderpalen, die hij nu en dan in de leiding der Republiek op zijn weg ontmoette, op zoodanige wijze uit den weg te ruimen, dat hij de regenten zoo goed als afhankelijk van zich maakte. Onwrikbaar stond hem in zijn pogen de raadpensionaris Fagel ter zijde, wien, evenals aan de latere opvolgers van Johan de Witt, gemeen overleg met den stadhouder tot plicht was gesteld. Vanhier, dat men thans een samenwerking aanschouwde van stadhouder en raadpensionaris, zooals men nimmer had beleefd. In vele opzichten strookte het streven des stadhouders weinig met den aard eener republiek. Vele bewijzen zijn aanwezig, om het verwijt te staven, dat Willem III zich niet ontzag, op willekeurige wijze in te grijpen, wanneer dit met zijn plannen overeenkwam. Vele steden moesten ondervinden, dat de stadhouder zich niet te stipt aan haar voorrechten hield. Hier stelde hij nieuwe leden in de vroedschap, elders zette hij er leden uit.
Onder alles, dat Lodewijk XIV zich zoo ten aanzien van Europa, als van hemzelf veroorloofde, was er niets, dat Willem dieper krenkte, dan het wederrechtelijk in bezit nemen van het prinsdom Oranje (zie blz. 50). 's Prinsen haat tegen Lodewijk deelde de meerderheid der natie, hoog ingenomen met de hervormde leer, vooral sinds haar uit Frankrijk vluchtende broeders, in de naaste jaren vóór 1685 en inzonderheid sedert dit jaar, hier te lande een veilige schuilplaats kwamen zoeken. Zeer edelmoedig ontving men deze vluchtelingen, _réfugiés_, in Nederland.
Lodewijk XIV was destijds niet de eenige vorst, die gevaarlijk werd geacht voor de hervormde kerk. Vele maatregelen van Jakob II, Engelands koning, hadden dezelfde strekking (_Overzicht_, 9e druk, blz. 157). Van 't oogenblik af, dat hij den troon besteeg, hield Willem den blik onafgebroken gevestigd op den toestand van dit rijk. Met vele aanzienlijke Engelschen stond hij in briefwisseling. De vroedschappen der steden van de verschillende provinciën stemden erin toe, den prins met 's lands zee- en landmacht te ondersteunen. Middelerwijl had ~d'Avaux~, Lodewijks gezant in de Nederland, zijn vorst bekend gemaakt met de groote toerustingen der Republiek en hem medegedeeld, dat zij, naar hij vermoedde, op Engeland doelden. Lodewijk draalde niet, Jakob II er een wenk van te geven; maar deze vorst sloeg de waarschuwing in den wind. Toen het ten laatste onwedersprekelijk was, dat de prins Engeland op 't oog had, was het te laat en moest Jakob zijn lot afwachten. In November 1688 legde de vloot, ten aanschouwen eener groote menigte volks, welke zich op de kusten van Engeland en Frankrijk verdrong, in de haven van Torbay (aan de z. kust, ten o. van Plymouth) aan. Onmiddellijk trok Willem naar Londen. Jakob vluchtte naar Frankrijk, en in 1689 werden Willem en Maria als koning en koningin van Groot-Britannië uitgeroepen. Nog voordat Willem de kroon op zijn hoofd zette, verloor hij zijn vriend, den raadpensionaris Fagel, die veel had gedaan, om 's lands regenten gunstig voor het ondersteunen des stadhouders te stemmen. In plaats van Fagel kwam in 1689 ~Antonie Heinsius~.
Tot het welslagen der onderneming droeg dit veel bij, dat Lodewijk in 1688 en 1689 achtereenvolgens aan de boven genoemde bondgenooten (zie blz. 132), alzoo ook aan Nederland, den oorlog verklaarde. Zóó begon de negenjarige oorlog. Tegen zijn verwachting had Lodewijk thans nog één vijand meer te bestrijden, n.l. Engeland. De mogendheden bekrachtigden hun vereeniging in 1690 door _het Weener verbond_. Het leger der Republiek streed met het krijgsvolk der bondgenooten in de Zuidelijke Nederlanden. Hier won ~Luxembourg~ in 1692 op Willem III, opperbevelhebber van de gezamenlijke troepen der bondgenooten, den slag bij ~Steenkerken~ (in 't n. van Henegouwen, ten n.w. van Senef), in 1693 dien bij ~Landen~ en ~Neerwinden~ (in 't n.w. van Luik). Deze nadeelen werden eenigermate vergoed door de schitterende zege, die de Nederlandsch-Engelsche vloot onder ~Almonde~ en ~Russel~ in 1692 bij ~la Hogue~ (in 't n.w. van Normandië, aan 't Kanaal) op den Franschen admiraal ~Tourville~ behaalde. Hoewel de koning van Frankrijk over 't geheel met geluk streed, deden de uitputting zijns lands en nieuwe ontwerpen bij hem begeerte naar rust ontstaan. Zoo sloot hij in 1697 _den vrede van Rijswijk_ (tusschen den Haag en Delft). Lodewijk erkende Willem III als koning van Engeland en stond hem het prinsdom Oranje weer af.
Aan de Republiek bracht het geen voordeel, dat hij, die stadhouder van de meeste harer gewesten was, de eer verwierf, een kroon te mogen dragen, die weldra bleek voor hemzelf een doornenkroon te zijn. Zij ging gebukt onder den druk van 't verbond met Engeland en was binnen kort te vergelijken bij een sloep, voortgesleept door een linieschip. Haar handel leed op nieuw een grooten schok. Dadelijk, in 't begin van den oorlog, werden vele Nederlandsche koopvaardijschepen, die men wegens de geheimhouding, waarmede de toeleg op Engeland werd behandeld, niet had kunnen waarschuwen, in Frankrijk aangehouden. Tevergeefs vleide men zich met de hoop, dat Willem iets zou doen tot intrekking of verzachting van de akte van navigatie. De nadeelen, den handel toegebracht, werden niet vergoed door de ruim zeven millioenen, die Engeland in 1689 en volgende jaren, als schadeloosstelling voor de kosten van den overtocht, aan Nederland betaalde.
Even vóór het einde van den negenjarigen oorlog, in 1696, stierf een van de veldmaarschalken der Republiek, die in den slag bij Landen en Neerwinden wakker had medegestreden, de stadhouder van Groningen, Friesland en Drente, Hendrik Kasimir II (zie blz. 131). Zijn zoon ~Johan Willem Friso~ (1696-1711) volgde hem in Groningen en in Friesland op onder regentschap zijner moeder ~Amalia van Anhalt-Dessau~, een kleindochter van Frederik Hendrik en dochter van Johan George II, vorst van Anhalt-Dessau, terwijl Drente aan Willem III het stadhouderschap opdroeg. Voor 't overige werd de betrekking, waarin Nederland reeds sedert lang tot Rusland stond, in dezen tijd nauwer door een persoonlijk bezoek van Peter, den keizer aller Russen en eersten hervormer zijner natie op groote schaal (_Overzicht_, 9e druk, blz. 160, 161). Eenige dagen hield hij zich in 1697 te Zaandam op en timmerde te Amsterdam op de werf een geheel schip af. Later hervatte de alleenheerscher van het groote rijk het bezoek in 1717. Zonder overdrijving mocht Nederland zich beroemen, op die wijze een gunstigen invloed te oefenen op Ruslands ontkiemende beschaving.
Het werd weldra duidelijk, dat Lodewijk juist geen duurzamen vrede beoogde en welke bedoelingen hij nog in 't schild voerde. Hij wendde zich tot Engeland en tot de Nederlanden, hun voorslaande, zonder den keizer (_Overzicht_, 9e druk, blz. 151) erin te kennen, met hem een verdrag te sluiten, waarin zou worden vastgesteld, op welke wijze de landen der Spaansche kroon te verdeelen bij den dood van den koning van dit rijk, Karel II, die elk oogenblik tegemoet werd gezien. Metterdaad kwamen er achtereenvolgens twee dergelijke verdragen tot stand. Leopold echter sloot zich er niet bij aan, en nog veel minder Karel II zelf, bij wiens dood (den 1sten Nov. 1700) men een testament vond, dat Philips van Anjou, den tweeden zoon van den dauphin, tot eenigen erfgenaam der kroon van Spanje verklaarde. Bij de gewichtige vraag, die deze verdragen trachtten te beslissen, had Willem III, de voorvechter van Europa's vrijheid, alleen het evenwicht der staten en 't behoud der rust van dit werelddeel op het oog. Als hoofd der zeemogendheden, Engeland en de Nederlanden, meende hij, dat het deze staten, bij de groote macht, die èn het huis Habsburg, èn Bourbon bezat, niet onverschillig kon zijn, wie de bezitter der Spaansche monarchie werd. Intusschen begaf zich Philips van Anjou, als koning Philips V, in 1701 naar zijn koninkrijk Spanje.
Keizer Leopold, die den nieuwen koning niet wilde erkennen, rustte zich dadelijk ten oorlog. Weldra vond hij steun bij het _groote_ of _Haagsche verbond_ in 1701, dat hij met Engeland en de Nederlanden sloot en bij hetwelk zich ook Frederik I van Pruisen, het Duitsche rijk, Portugal en Savoye voegden. Willem III was niet bestemd, zelf den oorlog mede te voeren. Eer die krijg nog recht was uitgebroken, leden de bondgenooten in Maart 1702 door zijn overlijden het zwaarste verlies, dat hen kon treffen. Vóór zijn dood had Willem III pogingen aangewend, om den stadhouder van Friesland, Johan Willem Friso, te doen verkiezen tot opvolger in de waardigheden, die hij hier te lande bekleedde. Maar ziende, dat de staten der gewesten hiertoe niet overhelden, had hij zijn bemoeiingen gestaakt. Terstond na Willems dood gaven de staten van Holland in de vergadering der Staten-Generaal te kennen, dat zij het voornemen hadden, de aangelegenheden te laten, zooals zij waren, en de staten der vier overige gewesten, alsmede die van Drente, volgden hun voorbeeld. Men liet de hooge ambten onvervuld, en de zaken der regeering werden in de vijf provinciën teruggebracht op den voet van 1651.
De oorlog, door Lodewijks toedoen ontbrand, werd gevoerd in Italië, Duitschland, de Zuidelijke Nederlanden en Spanje. Het getal van 's konings uitstekende veldheeren was zeer afgenomen. Daarentegen stond aan den kant der bondgenooten een rij van groote mannen: ~John Churchill~, graaf, daarna ~hertog~ van ~Marlborough~ (in Devonshire, in 't z. van Engeland); ~Eugenius van Savoye~, Leopolds veldheer, en Antonie Heinsius. Deze mannen noemt men, wegens hun gemeenschappelijke leiding der zaken, het driemanschap in dezen oorlog. Het aandeel, dat de Nederlanders aan den oorlog namen, bepaalde zich tot de verrichtingen ter zee en in de Spaansche Nederlanden. In 1704 nam de Engelsche admiraal ~Rooke~, bijgestaan door de vloot der Nederlanden onder den luitenant-admiraal ~Callenburgh~, bijna zonder slag of stoot het onneembare, maar toen slecht bewaakte Gibraltar in. Koningin Anna (_Overzicht_, 9e druk, blz. 157) verklaarde, over deze verovering te willen beschikken in gemeenschappelijk overleg met de Staten-Generaal; doch in strijd met deze uitdrukkelijke belofte en in weerwil dat de stad was genomen in naam van aartshertog Karel, Leopolds tweeden zoon, eigende Engeland zich haar stilzwijgend toe.
Wat den oorlog te lande betreft, voegden zich de Nederlandsche troepen bij het leger, dat in de Zuidelijke Nederlanden stond en waarover Marlborough het bevel voerde. Aan 't hoofd van de krijgsbenden der Republiek stond o. a. Johan Willem Friso. Schitterend was de reeks der veldslagen. Marlborough versloeg in 1706 ~Villeroi~ bij ~Ramillies~ (in 't z.o. van Zuid Brabant). Marlborough en Eugenius wonnen in 1708 den slag bij ~Oudenaarde~ (in Oost-Vlaanderen aan de Schelde) op Vendôme en op den jongen ~hertog van Bourgondië~, den oudsten zoon van den dauphin, en in 1709 dien bij ~Malplaquet~ (nabij Mons) op ~Villars~. Hierop werden de Spaansche Nederlanden allengs geheel veroverd.