Beknopte geschiedenis van het vaderland

Part 12

Chapter 123,753 wordsPublic domain

Minder gelukkig liep een later zeegevecht af, in Augustus van 't zelfde jaar nabij ~Duinkerken~ geleverd. De opperbevelhebber de Ruiter moest wijken, maar door vriend en vijand bewonderd. Dat de vloot voor Monk moest afdeinzen, weet de Ruiter aan den luitenant-admiraal ~Cornelis Tromp~, een zoon van Maarten Harpertszoon, die zich met zijn eskader op eenigen afstand van den hoofdslag had gehouden. Tromp schreef dit op zijn beurt aan de hitte van den strijd toe, waarin hijzelf was gewikkeld geweest. Hoe dit zij, de staten van Holland ontsloegen Tromp uit den dienst. Ongelukkig voor dezen staat gaf het wijken der Nederlandsche vloot aan de Engelschen, die haar vervolgden, gelegenheid, om 100 à 150 koopvaardijschepen in het Vlie (tusschen Vlieland en Terschelling) in brand te steken en een gedeelte van Terschelling te verwoesten. Dan de wraak toefde niet, gelijk beneden zal blijken.

Inmiddels had de oorlog zich verder uitgebreid. Door Karel II aangespoord, deed ~Christoffel Bernard van Galen~, bisschop van Munster, in 1665 een inval in Gelderland en bemachtigde eenige plaatsen. Maar ziende, dat Nederland van verschillende zijden, b. v. door Frankrijk, werd gesteund en de hem beloofde gelden uit Engeland niet ontvangende, sloot hij in 1666 met de Republiek _den vrede te Kleef_. Kort tevoren verloor de partij van Oranje een steun in den stadhouder Willem Frederik (zie blz. 94) die in 1664 overleed. Hem verving zijn zoon ~Hendrik Kasimir~ II (1664-1696), onder regentschap zijner moeder, in de drie gewesten. Middelerwijl verlangde Zeeland, gesterkt door eenige steden van Holland, wat het ook reeds vroeger had te kennen gegeven, dat den prins van Oranje de hooge staatsambten zouden worden opgedragen. De meerderheid der staten van Holland echter, van een tegenovergesteld gevoelen zijnde, wist haar meening te doen zegevieren. Nogtans iets willende toegeven, belastten die staten zich in April 1666 met de zorg voor 's prinsen opvoeding. Dus namen zij Willem Hendrik, zooals men het kind noemde, tot _kind van staat_ aan. Zij begonnen met een zuivering van het personeel, dat den prins omringde. Onder hen, aan wie de staten het toezicht op de opvoeding in 't bijzonder opdroegen, bevond zich Johan de Witt. Zelf onderrichtte hij den prins in zaken van regeering.

Tot diegenen, welke uit 's prinsen dienst werden ontslagen, behoorde ~Henri de Fleury de Coulan, heer van Buat~ en ritmeester in dienst van den staat. Sedert eenigen tijd hield hij, met voorkennis en goedvinden der staten van Holland, in 't geheim briefwisseling met leden der regeering van Engeland, onder voorwaarde evenwel, dat hij den inhoud getrouw aan den raadpensionaris mededeelde. Het onderwerp dier brieven was de vrede. Buat nu gaf de Witt de brieven, welke hij ontving, geregeld te lezen. Dit deed hij ook in Augustus 1666. Doch toen liet hij onder die brieven, uit onachtzaamheid, er een, waarop stond "pour vous-même," voor uzelf, en die dus voor hem alleen bestemd was. Hierin werd niet onduidelijk te kennen gegeven, dat de partij des prinsen, zoo zij door Engeland wilde gesteund worden, krachtiger moest optreden. Ternauwernood had de Witt deze letteren gelezen, of hij deelde den inhoud aan de staten van Holland mede, op wier last Buat in hechtenis werd genomen en voor het hof van Holland gedaagd. In het afschrift van een brief, vroeger door Buat aan een van Engelands ministers gericht, trof men verder bij het beslag leggen op zijn papieren, plaatsen aan, die den argwaan tegen hem versterkten. De slotsom was, dat het hof den ritmeester Buat wegens ongeoorloofde briefwisseling met den vijand, d. i. dus wegens hoogverraad of gekwetste majesteit, ter dood veroordeelde. Het vonnis werd voltrokken.

Omtrent twee jaren had nu de zeeoorlog geduurd, toen er met den aanvang van 't jaar 1667 ernstig sprake begon te komen van vrede. Eerlang werd Breda als plaats om te onderhandelen aangewezen. Weldra werden de onderhandelingen begonnen; maar er was weinig voortgang, hoofdzakelijk door de onverschilligheid der Engelschen. Reeds lang had de raadpensionaris het voornemen gehad, Engeland een geduchten slag toe te brengen. Nu kon de verwezenlijking van dat denkbeeld tevens deze nuttige strekking hebben, dat zij den vrede bespoedigde. Eindelijk brak de dag der wrake aan. De vloot--een Hollandsche vloot, want Zeeland had er geen schepen bij en die van Friesland kwamen eerst later--stak in zee. Het bevel voerde de Ruiter. Als gevolmachtigde der Staten-Generaal vergezelde hem ~Cornelis de Witt~, Johans broeder en ruwaard, d. i. baljuw, van het land van Putten (ten o. van Voorn). Den 17den Juni liet Hollands scheepsmacht voor den mond der Theems het anker vallen. Engeland had geen vloot in zee, om haar de vaart te verhinderen. Den 20sten Juni zeilde het eerste Hollandsche smaldeel de Medway of het Kanaal van Rochester op, en op zijn nadering vloden de schepen des vijands. De Engelschen hadden menig schip in de rivier de Medway laten zinken; doch dit belette de Nederlanders niet, meer dan één vaartuig in brand te steken of te veroveren. Treurig zag het bij die zegepraal te Londen uit. De stad sidderde, en aan afdoende maatregelen viel niet te denken. Daarom oefende dan ook _de tocht naar Chattam_ een gunstigen invloed op de onderhandelingen _te Breda_. Den 31sten Juli 1667 werd _de vrede_ gesloten. Hij liet aan elk, wat hij op 't oogenblik van het sluiten des vredes in bezit had, en beperkte de akte van navigatie in zooverre, dat zij niet meer van toepassing zou zijn op de Duitsche waren, die den Rijn af of over land in Nederland waren ingevoerd. Zooals de Republiek dus, ten gevolge der eerste bepaling, Nieuw-Nederland verloor, zoo bleef Suriname (in 't n.o. van Zuid-Amerika) behouden, dat ~Abraham Krijnszoon~ in Februari 1667 in naam der staten van Zeeland had vermeesterd en dat iets later aan de West-Indische compagnie werd verkocht.

§ 26.

_De triple alliantie en de vrede van Aken.--Het begin van den oorlog van 1672._

Gedurende het laatste gedeelte van den zeeoorlog waren de onderhandelingen met Frankrijk (zie blz. 115) slepend gebleven. Intusschen gebeurde, wat men lang had gevreesd. De koning van Frankrijk, meenende, dat de oorlog met Engeland de Republiek zoozeer bezig hield, dat hij haar niet langer behoefde te ontzien, sloeg een anderen weg in, om tot zijn doel te geraken. Philips IV, de koning van Spanje, was in 1665 overleden, een minderjarigen zoon, Karel II, nalatende, die hem opvolgde. Hem wilde Lodewijk thans de Spaansche Nederlanden, als een erfenis zijner gemalin, Maria Theresia, een dochter van Philips IV, ontrukken. In Mei 1667 viel hij plotseling in de Zuidelijke Nederlanden. Binnen eenige weken vermeesterden de Franschen Charleroi, Doornik en vele andere steden. De Nederlanden geraakten door Lodewijks gewelddadige handelwijze in een neteligen toestand. Desniettemin hield de raadpensionaris het roer van den staat met vaste hand. Eerst wist hij tegen 't einde van 1667 een wapenstilstand tusschen de oorlogvoerende partijen tot stand te brengen.

Middelerwijl leidden de overwegingen over de binnenlandsche aangelegenheden tot een uitkomst, die wederom zeer verschillend werd beoordeeld. Bij de beraadslagingen der Staten-Generaal over de versterking der landmacht kwam de vraag op, wien men zou stellen aan 't hoofd der troepen van den staat. De staten van Holland, inziende, dat men er eerlang toe zou moeten komen, den prins van Oranje het kapitein-generaal-admiraalschap op te dragen, inzonderheid indien de Republiek in een oorlog te land mocht worden gewikkeld, en vreezende, dat de vereeniging dier waardigheid met het stadhouderschap op den ouden voet aan den persoon, die ermede werd bekleed, te veel overwicht gaf in den staat, stelden den 5den Augustus 1667 een overeenkomst op, die ongeveer dezelfde bepalingen inhield als de thans vervallen akte van seclusie. Bij deze overeenkomst, met eenparig goedvinden opgemaakt, _het eeuwig edict_, dat Hollands regenten, benevens de raadpensionaris, onderling bezwoeren, werd het stadhouderschap in Holland afgeschaft en verklaard, dat Hollands streven steeds zou zijn, dat het in de overige provinciën werd afgescheiden van het kapitein-generaalschap der unie.

Gedurende den genoemden wapenstilstand begon Karel II, duchtende dat Nederland en Frankrijk ten aanzien der Zuidelijke Nederlanden eendrachtig zouden te werk gaan, te neigen tot krachtdadige tusschenkomst. Te dien einde gaf de koning van Engeland aan ~William Temple~, zijn afgevaardigde te Brussel, last, zich, onder den schijn, alsof hij over Holland naar Londen reisde, te 's Gravenhage op te houden en zich met de Witt te verstaan over een verdrag ter wering van Lodewijk uit de Zuidelijke Nederlanden. Na korte voorloopige beraadslagingen stelden de beide staatslieden binnen vier dagen het verdrag op, bekend onder den naam _triple alliantie_ of drievoudig verbond, hetwelk Engeland en de Nederlanden in Januari 1668 met elkander sloten. Tot dit verdrag trad Zwedens rijksraad, die destijds het bewind voerde voor den minderjarigen Karel XI en hiertoe was omgekocht door Hollands geld, terstond toe, en Spanje in 1669. Dit verdrag, het schrandere gewrocht van Temple's en de Witts broederlijk overleg, bevatte hoofdzakelijk een wederkeerige verbintenis der drie staten, om den vrede tusschen Frankrijk en Spanje indiervoege tot stand te brengen, dat het eerstgenoemde rijk zijn veroveringen of een deel hiervan behield. Lodewijk XIV gaf aan den wensch der drie verbonden staten toe en sloot den vrede van Aken (_Overzicht_, 9e druk, blz. 150).

Hoezeer zijn toorn voor 't oogenblik wetende te bedwingen, was Lodewijk diep gekrenkt door den stouten greep, die zijn overmoed voor een wijl had bedwongen. Zichzelf als den beschermer der Nederlanden, zooals nog kort tevoren tegen den bisschop van Munster, aanmerkende, kon hij de betoonde ondankbaarheid niet vergeven. Met onverbiddelijke wraakgierigheid zwoer hij het verderf dier kramers en visschers, die hem, den grooten koning, in zijn vaart hadden gestuit. Alle stappen, die hij van dit oogenblik af deed, doelden op den val der Republiek. De rijksraad van Zweden, wederom geld noodig hebbende, leende het oor aan Frankrijks voorslagen en beloofde bij een verdrag, in 't begin van 1672 gesloten, tegen betaling eener groote geldsom, een leger op de been te zullen houden, ten einde iederen Duitschen vorst, die de Nederlanden te hulp mocht komen, aan te tasten. Alreede in 1670 sloot Karel II van Engeland, steeds goud behoevende voor zijn verkwistende handelwijze, met Lodewijk _het geheime verdrag van Dover_, waarin hij zich verplichtte, Frankrijk tegen Nederland bij te staan.

Terwijl de Staten-Generaal op die wijze in 't onbepaalde voorgevoel van naderende rampen verkeerden, stelden zij in 1670 eenparig een stuk vast, volgens hetwelk, in overeenstemming met Hollands besluit (zie blz. 120, 121), het kapitein-generaal-admiraalschap voor altijd gescheiden bleef van het stadhouderschap. Dit stuk heet _de harmonie_ of overeenstemming. Vervolgens ging men in December 1671 een verdedigend verbond met Spanje aan. In Februari 1672 benoemden de Staten-Generaal den prins tot kapitein-generaal voor één veldtocht. Door 's prinsen toedoen kwam de keurvorst van Brandenburg (zie blz. 108) er nu eerlang toe, een verdrag met de Republiek te sluiten, waarin hij zich tot het geven van hulp verplichtte. Met den keizer van Duitschland kwam in den loop van hetzelfde jaar een dergelijk verbond tot stand.

Den 7den April verscheen de oorlogsverklaring der beide koningen op één dag. Aan bondgenooten had Frankrijk geen gebrek. Den 18den Mei 1672 verklaarde de bisschop van Munster (zie blz. 117) den Staten-Generaal den oorlog. Fransch geld en Fransche invloed bewogen hem hiertoe, gelijk mede zijn nabuur ~Maximiliaan Hendrik~, keurvorst van Keulen en prins van Luik (zie blz. 96). Den 11den Mei brak Lodewijk ten strijde op. Maastricht werd voorbijgetrokken. Maar Wezel, Emmerik en andere steden, tot het Kleefsche gebied behoorende, waarin de Staten-Generaal bezettingen hadden liggen, vielen, binnen weinige dagen, in Lodewijks handen. Zij bezweken, omdat de vestingwerken waren verwaarloosd, of de bezetting te zwak was, of de noodige voorraad ontbrak, of de burgerij Nederlands regeering niet was toegedaan, of het verraad zijn rol speelde.

Men meende, dat de koning vervolgens zou trachten, den Ysel over te trekken. Doch in plaats hiervan maakte hij een zuidelijke beweging en richtte zich op den Rijn. Bij den Ysel lag het Nederlandsche leger, ruim 14,000 man voetvolk, 7000 ruiters en eenige duizenden gewapende landlieden, ongeschikt tot krijgsdienst. De rivieren waren uitgedroogd. Tegenover die Nederlandsche troepen stond een Frans leger van 118,000 man met 200 stukken geschut; bovendien meer dan 2000 adellijke vrijwilligers, die als gemeenen dienden, in afzonderlijke ruiterbenden ingedeeld. Allen bezielde de tegenwoordheid van hun koning, die het opperbevel aan ~Turenne~ en ~Condé~ had opgedragen. Den 12den Juni 1672 begon het overtrekken bij het tolhuis te Lobith. Tevergeefs beproefde men, de Franschen tot staan te krijgen. De overmacht was te groot, hoewel menig schot der Nederlanders zijn man trof. Vruchteloos hebben lage vleiers het overtrekken van den Rijn tot een schitterend wapenfeit willen verheffen. Evenmin als het nemen der vele kleine sterkten, kan die daad het Fransche leger tot eenigen roem verstrekken.

Wanhopig werd thans 's lands toestand, nu de deur der Vereenigde Nederlanden was geopend en het leger der Republiek op Utrecht terugtrok, om ook hier slechts een paar dagen te toeven en dan nog verder te wijken. Binnen een tiental dagen bezweken de meeste steden van Gelderland en geheel Utrecht. Den 23sten Juni ging de stad Utrecht bij verdrag over. Dan gaf zich nog Naarden over. Eerst Muiden stuitte den zegevierenden marsch des vijands. Gedurenden denzelfden tijd, dien Frankrijk in zijn eigen belang zoo wel besteedde, veroverden de bisschop van Munster en de keurvorst van Keulen een gedeelte van Gelderland, waaruit hen evenwel de Franschen weder verdreven. Hun weg voortzettende, onderwierpen zij vervolgens Overijsel en namen Koevorden in. Een gelukkige tegenstelling tegen dit tafereel van vernedering was Aardenburg (in Staats-Vlaanderen), van welke stad de Franschen werden genoodzaakt met een zwaar verlies af te deinzen. Alleen ter zee bleek Neêrlands meerderheid boven zijn vijanden, want den 7den Juni leverde ~de Ruiter~ bij ~Solebay~ (een inham op de Oostkust van Engeland, ten z. van Soutwold) een slag aan de Fransch-Engelsche vloot, die onder 't bevel stond van den ~hertog van York~ en ~d'Estrées~. Een beslissende zege behaalde geen der beide partijen; maar het voordeel was aan den kant van de Ruiter. De Franschen namen weinig deel aan den strijd, niet ongaarne ziende, dat de beide zeemogendheden elkander zooveel mogelijk afbreuk deden.

In Holland en in Zeeland brachten de ongehoorde voorspoed en de nadering des vijands een buitengewone verslagenheid teweeg. De regenten der Republiek helden tot onderhandelingen met Frankrijk over en zonden te dien einde gezanten tot den koning. Lodewijk deed verregaande eischen. Eer deze voorwaarden nog bekend waren, hadden Amsterdam en Zeeland hun afkeer van 't onderhandelen aan den dag gelegd. Niet minder buitensporig dan de vorderingen van Frankrijk, waren die, welke de koning van Engeland omstreeks denzelfden tijd, op 't einde van Juni, deed.

§ 27.

_Het vervolg van den oorlog van 1672.--De dood der gebroeders de Witt.--De verheffing van Willem III._

De rampen, die het vaderland zoo plotseling troffen, brachten een geheele omkeering in het land teweeg. De staten van Holland beijverden zich, hun gewest, door het doorsteken der dijken, ontoegankelijk te maken voor den vijand. Amsterdam rustte zich op allerlei wijze wakker ter verdediging toe en geleek weldra op een vesting, midden in het water gelegen. Intusschen weet het volk, steeds zoowel het goede als het kwade overdrijvende, de schuld van alle ongelukken aan 's lands regeering en beschuldigde de Witt, met Frankrijk te heulen. Niets was ongerijmder dan deze laatste beschuldiging. Doch nu die kreet van landverraad eenmaal de uiting eener vrij algemeen verbreide meening was, lag de gedachte, dat 's prinsen verheffing in de benarde omstandigheden het eenige redmiddel was, voor de hand. Weldra uitte zich de haat tegen de de Witten door daden. De raadpensionaris, op den avond van den 21sten Juni 1672 uit de vergadering der staten van Holland naar huis gaande, werd nabij het Buitenhof aangerand door vier mannen, die hem verscheiden wonden toebrachten, en, in de meening hem te hebben gedood, de vlucht namen. Van de vier misdadigers, die, door den wijn verhit, de daad bijna terzelfder ure beraamd en gepleegd hadden, werd alleen Jakob van der Graaf, een zoon van een lid van 't hof van Holland, gegrepen. Den 29sten Juni werd hij ter dood gebracht. Velen hadden gepoogd, ook bij de Witt, vergiffenis voor den jeugdigen man te erlangen, doch vruchteloos. Dit deed, evenals de zaak van Buat, den haat tegen den raadpensionaris zeer toenemen.

Te Dordrecht wendde de woede des volks zich tegen den ruwaard, terwijl hij nog op de vloot was. Een hoop volk vloog naar het stadhuis en vernielde de schilderij, dáár ter zijner eer opgehangen. Eenige dagen daarna kwam hij in zijn vaderstad terug, maar moest, wegens ongesteldheid, het bed houden. Ongeveer gelijktijdig met den aanslag van van der Graaf trachtten op een avond vier onverlaten het huis van den ruwaard binnen te dringen en zouden het booze opzet, dat zij in den zin hadden, hebben volvoerd, zoo niet de gewapende macht tusschenbeide ware gekomen. Zelfs stond te Amsterdam het huis van de Ruiter, die zich op de vloot bevond, een weinig later aan een aanval van het grauw bloot, die eveneens door de burgerwacht werd afgewend.

Gedurende des ruwaards ongesteldheid rottede in verscheidene steden van Holland en Zeeland het volk samen met het doel, den prins van Oranje verder te doen bevorderen. Het eerst gebeurde dit te Veere, waar men de wethouderschap dwong, den 21sten Juni de belofte af te leggen, dat zij den prins het stadhouderschap zou aanbieden. Van Veere sloeg de beweging over naar Dordrecht. Den 29sten Juni onderteekenden de leden der vroedschap een geschrift, waarin zij het eeuwig edict herriepen en Willem het stadhouderschap opdroegen. Vermits de ruwaard nog ziek was, begaf zich de secretaris der stad met een kapitein der burgerwacht naar zijn legerstede en hielden hem voor, dat gewapende burgers zijn huis hadden omsingeld, hem, indien hij aarzelde, met den dood dreigende. Slechts met moeite brachten zijn huisgenooten hem ertoe, aan het verzoek te voldoen. Onderteekenende voegde hij er de letters _v. c._ bij, d. i. _vi coactus_, met geweld gedwongen. Maar de Witts gemalin haalde, op aansporing van den secretaris, de pen door deze woorden. Ongeveer op dezelfde wijze als te Veere en te Dordrecht ging het elders. Op de eene plaats kwam het volk uit eigen beweging op de been, op een andere werd het opgeruid.

Het werk, in de stemmende steden voorbereid, werd ter dagvaart voltooid. Den 2den Juli benoemden de staten van Zeeland, in den nacht tusschen den 3den en den 4den die van Holland, na eerst het eeuwig edict te hebben ingetrokken, ~WILLEM~ III (1672-1702) tot stadhouder. Terzelfder tijd benoemden de Staten-Generaal hem tot kapitein-generaal der unie. De verheffing van den prins gaf een geheel andere richting aan de onderhandelingen over den vrede. Thans kwamen de onderhandelingen met Engeland op den voorgrond, die met Frankrijk op den achtergrond, juist het tegendeel van hetgeen men in de laatste weken had gezien. Willem hoopte Karel II te kunnen bewegen, voor zich een einde aan den oorlog te maken en wellicht daarenboven Frankrijk tot een billijken vrede te verplichten. Reeds waren zij het over sommige punten met elkander eens, ook hierover, dat de prins souverein zou worden; maar verder kwam het niet. Karel achtte Willems aanbiedingen onvoldoende en wilde zich niet van zijn bondgenoot laten aftrekken. De prins zag in, dat er geen gunstige voorwaarden waren te bedingen en alzoo de wapens moesten beslissen.

Aleer evenwel de lezer zijn aandacht vestigt op den verderen gang der vijandelijkheden, behoort hij ze nog een oogenblik bij de binnenlandsche aangelegenheden der Republiek te bepalen. Op het tijdstip dat de roekelooze aanslag, boven vermeld, op 't leven van Jan de Witt werd gepleegd, was hij het nog, die aan 't hoofd van 's lands regeering stond. Toen hij genezen was, had de omwenteling plaats gegrepen, die Willem III aan het roer van den staat plaatste. Op dit nieuwe tooneel kon hij, zonder zijn eed (zie blz. 121) te breken en zijn beginselen te verloochenen, niet voegzaam verschijnen, of hij moest er een tweede of derde rol vervullen. Hij vroeg en verkreeg zijn ontslag den 4den Augustus. Doch hij en zijn broeder schenen slechts in het leven te zijn gespaard, om aan nog grievender leed ten doel te staan, dan hun tot dusver was beschoren geweest.

Het eerst trof dit lot den ruwaard. Willem Tichelaar, barbier te Piershil (ten w. van Dordrecht), beschuldigde Cornelis de Witt, een poging te hebben aangewend, om hem tot een aanslag op het leven van den prins van Oranje te bewegen. Tichelaar stond zeer slecht ter faam. Niet alleen had hij meer dan een vergrijp gepleegd; maar hij was ook in 1670, bij vonnis van des ruwaards plaatsvervanger, veroordeeld tot een geldboete en tot verbanning uit het land van Putten. De prins bracht Tichelaars aanklacht ter kennis van het hof van Holland, hetwelk den ruwaard, in strijd met de privilegiën van Dordrecht, gevankelijk naar den Haag, en weldra naar de Gevangenpoort liet voeren en de kennisneming der zaak aan zich trok. Lijnrecht tegenover de aangifte van Tichelaar stond de betuiging van Cornelis de Witt, luidende dat Tichelaar zijn steun had gevraagd voor het ondernemen der bedoelde misdaad, die hij evenwel eerder had aangeduid, dan uitgesproken. De Witts dienaar en zoon, die hadden geluisterd aan de deur van 't vertrek, waarin Tichelaar met den ruwaard vertoefde, bevestigden deze getuigenis grootendeels. Ondervraging en pijnbank leidden tot geen ander gevolg, dan dat Cornelis de Witt bij zijn verklaring volhardde. Zoo weinig vermocht de pijniging op de Witt, dat hij te midden der felste smarten het begin van een van Horatius' fraaiste lierzangen, als op zichzelf toepasselijk, opzeide.

De afloop van 't proces is zeer vreemd. Het vonnis, hetwelk van geen misdaad gewaagde,--iets, dat bijna zonder voorbeeld was,--luidde, dat de Witt werd vervallen verklaard van al zijn ambten, voor immer uit Holland verbannen en tot betaling der kosten van 't geding veroordeeld. Het vonnis werd den 20sten Augustus uitgesproken. Op dien noodlottigen dag werd Tichelaar, die tot dusver mede in hechtenis was gehouden, des morgens ontslagen. Terstond liet hij zich tegenover hen, die hij ontmoette, indezervoege uit, dat zijn eigen ontslag, evenzeer als het, hoewel zachte, vonnis, over de Witt geveld, aantoonde, dat de ruwaard schuldig was. Inmiddels kwam de gewezen raadpensionaris zijn broeder in de gevangenis bezoeken, van zins zijnde hem mede te nemen. Doch dit bleek weldra onmogelijk te zijn. Het duurde niet lang, of de Gevangenpoort, waarop zich de gebroeders bevonden, was door een tallooze menigte saamgeloopen volk omgeven. Tegen den middag schaarde zich tevens de schutterij onder haar vaandels voor de Gevangenpoort en hield er wacht. Kort hierna kwamen de drie afdeelingen ruiterij, die in de stad in garnizoen lagen, aanrijden en vatteden insgelijks in de nabijheid der gevangenis post. Doch toen vervolgens een gerucht werd verspreid, dat de boeren uit den omtrek op weg waren, om zich bij de saamgeschoolde lieden te voegen en hun in hun opzet de behulpzame hand te bieden, kregen twee van de afdeelingen der ruiters bevel, af te trekken en de toegangen tot den Haag te bezetten.