Beknopte geschiedenis van het vaderland

Part 11

Chapter 113,656 wordsPublic domain

Willem II beleefde het einde van 't jaar, waarin de tweedracht zoo fel was uitgebarsten, niet meer. Naar Dieren (nabij Arnhem) vertrokken, waar hij een landgoed had, hield hij zich, in weerwil van 't ongunstige weder van den herfst van dit jaar, zoo onafgebroken met de jacht bezig, dat hij tegen 't eind van October ziek werd en naar den Haag moest worden vervoerd. Reeds den 6den November overleed hij in den jeugdigen ouderdom van ruim vier-en-twintig jaren. Naar alle waarschijnlijkheid voorkwam zijn vroegtijdige dood groote moeielijkheden, die zich aan den gezichteinder begonnen te vertoonen. Behalve dat het lang zou hebben geduurd, eer de bestaande spanning ware verkeerd in een vriendschappelijke verhouding tot Hollands regenten, is het te vermoeden, dat de onbezonnen aanmoediging van een drom vleiers, wien hij het oor leende, den heerschzuchtigen en hartstochtelijken stadhouder mettertijd het spoor had doen bijster worden. De onervaren prins stond op het punt, het zoo even voltooide meesterstuk, te Munster tot stand gebracht, te vernietigen. In overleg met hem had het Fransche hof een ontwerp-verdrag opgesteld, dat de Republiek en Frankrijk in een dubbelen oorlog zou hebben gewikkeld met Spanje en met Engeland. De Stuarts zouden door de beide bondgenooten op den troon worden hersteld. Maar de plotselinge dood van den prins deed het ontwerp in duigen vallen. In hem ontviel der Republiek een man, die ontegenzeggelijk groote gaven had en den staat aanmerkelijke diensten had kunnen bewijzen. Ware hem een langer leven gegund geweest, hij zou zijn vermaarde voorzaten in vele opzichten hebben kunnen evenaren, want hij was onvermoeid, dapper, ondernemend en milddadig.

§ 24.

_De groote vergadering.--De eerste Engelsche zeeoorlog._

De mare van 's prinsen dood verwekte, toen zij door 't gansche land weerklonk, naarmate van ieders gezindheid, verschillende aandoeningen van droefheid of blijdschap. Den 14den November, acht dagen na 's prinsen dood, werd Willem Hendrik, de zoon van Willem II, geboren. De staten van Holland, intusschen bijeengekomen, deden een bezending aan hun medeleden in de unie, om hun voor te stellen, de staten der bijzondere gewesten te 's Gravenhage te beschrijven, ten einde op de unie, de religie en de militie te besluiten. Dit duidt aan, dat de staten van Holland zich onwrikbaar hadden voorgenomen, de regeering op een vasten voet te brengen, ten welken einde zij de toestemming der andere gewesten behoefden en wenschten, dat de staten dier provinciën een aanmerkelijk getal afgevaardigden naar den Haag zouden zenden. Thans immers, nu de tachtigjarige oorlog voor goed was geëindigd, scheen het noodzakelijk, een vasten regeeringsvorm aan de Republiek te geven. Middelerwijl werd de voogdij over den jongen prins opgedragen, ter ééne zijde, aan de prinses-weduwe (zie blz. 95), en ter andere aan de prinses-grootmoeder (zie blz. 89) en aan den keurvorst van Brandenburg gezamenlijk. Deze keurvorst was Frederik Willem, getrouwd met de oudste dochter van Frederik Hendrik, ~Louise Henriëtte~. Terwijl vervolgens de staten van de meeste gewesten de rechten, die de stadhouder tot dusver had gehad, aan zichzelven trokken of aan de steden toekenden, benoemden Groningen en Drente Willem Frederik (zie blz. 94) in 1650 tot stadhouder.

Den 18den Januari 1651 opende de raadpensionaris Cats _de groote vergadering_ of die der Algemeene Staten, alwaar ruim 300 personen tegenwoordig waren. Hoofdzakelijk kwam de rede van den raadpensionaris hierop neer, dat, vermits de Republiek, door 't overlijden van Willem II en bij ontstentenis van een prins uit het huis van Oranje-Nassau, in staat om stadhouder en kapitein-generaal te zijn, zich in een toestand bevond, hoedanigen zij nimmer had gekend, er moest worden beraadslaagd over _de unie_, _de religie_ en _de militie_. Ten aanzien van de religie verklaarde men zich te houden aan den hervormden godsdienst, zooals hij was vastgesteld op de synode van Dordrecht, en de andere sekten oogluikend te willen toelaten. De vaststelling van het punt der unie leverde groote bezwaren op. De grootste moeilijkheid bestond hierin, een geschikt middel te vinden, ten einde de geschillen van één gewest of tusschen onderscheiden gewesten bij te leggen. De verscheidenheid der meeningen over dit punt liep hierop uit, dat er niets werd vastgesteld. Het spreekt vanzelf, dat het derde punt, dat over de militie, waaromtrent in de beide laatste jaren zooveel was voorgevallen, inzonderheid de aandacht der vergadering bezig hield. Men kwam tot deze uitkomst, dat, naast den Staten-Generaal, aan de staten der gewesten meer gezag en grooter bevoegdheid op het stuk van 't krijgswezen werd toegekend, dan tot hiertoe het geval was geweest. Alles, wat op de groote vergadering was besloten, werd aangemerkt als een grondwet van den staat. Hetgeen omtrent de beide eerste punten was beslist bracht de regeering op zoodanigen voet, dat Holland veel meer invloed kreeg op de Vereenigde Nederlanden, dan het tevoren had gehad. Kort nadat de groote vergadering was uiteengegaan, legde Cats het ambt van raadpensionaris neer. In zijn plaats benoemden de staten van Holland nog in 1651 ten tweeden male (zie blz. 90) ~Adriaan Pauw~.

Hetgeen in 1649 hier te lande ten opzichte van de gezanten der Engelsche Republiek (zie blz. 103) was voorgevallen werd door het parlement zeer euvel opgenomen. De dood van den prins gaf het parlement grond om te meenen, dat er in de denkwijze der zeven gewesten ten aanzien van Engeland een omkeering had plaats gegrepen. Het zond dus in 1651 een plechtig gezantschap naar dezen staat, hetwelk terstond gehoor verwierf in de groote vergadering. De bezending had in last, een verbond met de Staten-Generaal te sluiten, nauwer dan immer tusschen de beide staten had bestaan. Hoe de aard van dit verbond zou zijn, werd voorshands niet nader verklaard. De Staten-Generaal toonden weinig geneigdheid, aan den voorslag te voldoen. Alzoo riep het parlement nog in den zomer van 't zelfde jaar zijn gezantschap terug. Wat Holland had gevreesd en van den beginne af had trachten te voorkomen gebeurde. In Oct. 1651 vaardigde de Engelsche Republiek _de akte van navigatie_ uit, die een zwaren slag toebracht aan de vrachtvaart en aan den tusschenhandel der Nederlanders (zie blz. 98). Deze akte toch bepaalde, dat de vaartuigen van vreemde natiën geen andere voorbrengsels dan die van hun eigen land in de Britsche havens mochten invoeren. Groot was het nadeel, door deze akte aan Nederlands vrachtvaart, haringvangst en visscherij in 't algemeen toegebracht. Nog grooter werd het, daar ook andere natiën, even ijverzuchtig op den bloei der Republiek als de Engelsche, het voorbeeld van dit volk gingen navolgen. Toen voorzeker moest het getal der Nederlandsche vrachtschepen, hetwelk in 1651 meer dan elf duizend bedroeg, wel dalen.

Bij de onderhandelingen, vervolgens aangeknoopt tusschen de Britsche en de Nederlandsche Republiek over een verbond van vriendschap en koophandel, kwamen de Engelschen met hooge eischen voor den dag, b. v. met dien van 't recht eener volstrekte heerschappij over de zeeën van Groot-Britannië, verlangende, dat ieder dit door het strijken der vlag voor de Engelsche oorlogschepen erkende. Ook werd hetgeen ongeveer dertig jaren geleden op Amboina (zie blz. 79, 80) was voorgevallen op nieuw opgehaald. Intusschen waren de Engelsche oorlogschepen zelfs begonnen, eenige vaartuigen der Nederlanders te nemen. Uit dien hoofde werd de luitenant-admiraal ~Maarten Harpertsz. Tromp~ in 1652 met een groote vloot in zee gezonden. Den 29sten Mei stiet hij op den Engelschen admiraal ~Blake~, die op de hoogte van ~Dover~ kruiste. Hier werden zijn schepen handgemeen met de vloot van Blake, die, omdat Tromp hem niet spoedig genoeg groette, het sein gaf tot het gevecht. De nacht scheidde de kampenden, en de beide admiralen verweten elkander de vredebreuk. De onderhandelingen, nogmaals aangeknoopt, leidden tot niets, en _de eerste zeeoorlog_ met Engeland was metterdaad verklaard.

~Michiel Adriaansz. de Ruiter~ sloeg den Engelschen vice-admiraal ~Askue~ in 1652 bij ~Plymouth~ (in 't z.w. van Engeland). Niet minder krachtig handhaafde Tromp, toen op het toppunt van zijn roem, de eer der Nederlandsche vlag, zoowel in _den_ onbeslisten _driedaagschen zeeslag_ bij ~Portland~ (een schiereiland in 't z. van Engeland, ten w. van Dorchester) in Febr. 1653 tegen Blake en bij ~ter Heijde~ (ten z. van Scheveningen), waar hijzelf sneuvelde (10 Aug.) en waar de zege eveneens twijfelachtig was, tegen Monk (zie _Overzicht_, 9de druk, blz. 148), als in vele andere ontmoetingen. De oorlog met Engeland kwam de schatkist der Republiek op zulke zware offers te staan en de handel verliep zoozeer, dat de rampen van den tachtigjarigen oorlog geringer schenen dan die van dezen krijg. Amsterdam kwijnde. De Republiek was geenszins opgewassen tegen Engeland. Niet minder dan in Nederland gevoelde men in Engeland de gevolgen der stremming van handel en zeevaart, en Cromwell zag in, dat zijn gezag licht aan 't wankelen kon worden gebracht, zoo hem de fortuin eens tegenliep. Bovendien duchtte hij, dat, indien de oorlog den prins van Oranje in Nederland op het kussen mocht brengen, deze verheffing die van Karel II in de hand kon werken.

Hier te lande wenschte Holland, hetwelk, naar gewoonte, de zwaarste lasten voor den oorlog droeg en voor de achterlijk blijvende gewesten de penningen wederom moest voorschieten, bovenal den vrede. De staten van dit gewest droegen, na den dood van Pauw (zie blz. 109), in 1653 het raadpensionarisschap op aan ~JOHAN DE WITT~. Hij was de tweede zoon van Jakob de Witt, twee jaren jonger dan zijn broeder Cornelis. Zonder de andere provinciën te hebben geraadpleegd, wendde Holland zich, in Maart 1653, tot het parlement, om te pogen eenig uitzicht op den vrede te verkrijgen. Het gevolg was, dat een paar maanden later een gezantschap der Staten-Generaal naar Londen vertrok. Een of twee dezer gezanten hielden geheime briefwisseling met de Witt. Dit gaf aanleiding tot het vermoeden, dat de Witt en zij, die in Holland met hem eenstemmig dachten, van zins waren, met Engeland een verdrag te doen tot stand komen, nadeelig voor de belangen van het huis van Oranje-Nassau.

In November 1653 werden de Nederlandsche gezanten in kennis gesteld van een ontwerp van vrede, uitgaande van de Engelsche Republiek. Het ontwerp bevatte o. a. de vordering, dat de Staten-Generaal, noch de staten der gewesten den prins van Oranje of een zijner nakomelingen immer zouden aanstellen tot kapitein-generaal en admiraal of stadhouder. Tegen dit punt kwamen de afgevaardigden terstond in verzet. Doch in 't zelfde jaar werd Cromwell protector van Groot-Britannië. Hij stond vast op het stuk der uitsluiting van den prins, zeggende van oordeel te zijn, dat, indien de zoon van Willem II tot hooge waardigheden mocht komen, hieruit geschillen zouden voortspruiten tusschen Engeland en Nederland en alzoo de vrede zou worden verstoord. De Staten-Generaal waren hiervan ten eenen male afkeerig. Van zijn kant gaf Cromwell te verstaan, dat hij er genoegen in zoude nemen, indien slechts de staten van Holland hem omtrent die uitsluiting den noodigen waarborg gaven. Dit werd nu de aangelegenheid, waarover een paar gezanten der Republiek met de Witt in 't geheim brieven wisselden en die aan de Staten-Generaal en aan 't meerendeel der staten van Holland onbekend bleef.

Den 23sten April 1654 werd het vredesverdrag door de Staten-Generaal bekrachtigd, den 30sten door Cromwell. Zóó kwam _de vrede van Westminster_ tot stand. Hij bepaalde hoofdzakelijk, dat de Nederlanders, in de Britsche wateren één of meer Engelsche oorlogschepen ontmoetende, steeds de vlag zouden strijken en dat recht zou worden gedaan wegens het op Amboina gebeurde. Overeenkomstig dit laatste punt betaalde men een aanzienlijke som aan de erfgenamen der op Amboina terecht gestelden. Den 3den April koesterde de Witt nog de hoop, dat Cromwell ten aanzien van de uitsluiting van inzicht mocht veranderen. Niet alsof hij de verheffing van den prins wenschte. Het tegendeel staat vast. Een diepen indruk had 's vaders gevangenneming op den zoon gemaakt. En dat de tijd bij hem en bij zijn partij dien indruk niet wegnam, dit belette, zoo het voor 't overige mogelijk ware geweest, reeds de naam _Loevesteinsche factie_, welken de staatsgezinde partij (zie blz. 89) sedert dien tijd bij haar tegenstanders droeg. In weerwil hiervan heeft men in familiewrok niet in de eerste plaats het beginsel te zoeken van de Witts vooringenomenheid tegen het huis van Oranje-Nassau. Die vooringenomenheid stond bij hem in verband met de vaste overtuiging, dat de souvereiniteit der staten in aanhoudend gevaar was, indien de Republiek steeds een dienaar in naam, een meester in 't wezen der zaak had, die het opperbevel voerde over een staand leger en als stadhouder veler gewesten een zoo veelzijdigen invloed kon uitoefenen. De raadpensionaris was van meening, dat slechts in tijd van oorlog een kapitein-generaal een onmisbaar dienaar der Republiek was.

Maar al was de Witt geen voorstander van de belangen van 't huis van Oranje-Nassau, het kon hem niet anders dan onaangenaam zijn, dat het besluit der tegenwerking van den prins door een vreemde mogendheid, als volstrekte voorwaarde voor 't behoud des vredes, aan Holland werd afgeperst. Vermits intusschen Cromwells onherroepelijke wil was, een verklaring der staten van Holland over de uitsluiting, met zijn wensch overeenstemmende, onmiddellijk na het teekenen van het vredesverdrag in handen te hebben en hij de instandhouding van den nauwelijks gesloten vrede hiervan afhankelijk stelde, werd de zaak den 28sten April en in de eerste dagen van Mei in de vergadering der staten van Holland overwogen. Veertien leden stemden er ten slotte voor. Alzoo werd _de akte van seclusie_ of uitsluiting naar Engeland gezonden. Zij behelsde, dat de staten van Holland den prins van Oranje of een zijner nakomelingen nimmer tot stadhouder verkiezen, noch, zooveel hun stem aanging, gedoogen zouden, dat hij ooit tot kapitein-generaal der unie werd aangesteld. Ongeveer terzelfder tijd dat de akte aan Cromwell werd ter hand gesteld, lekte het geheim in de Republiek uit en ontstond te dier zake van alle zijden in 't land een groote verbolgenheid. Daarom schreef de Witt een meesterlijk vertoog, een uitvoerige verdediging der akte en van de wijze, waarop zij was verleend, die, met goedvinden van de meeste leden, op naam der staten van Holland werd uitgegeven.

§ 25.

_De Staat onder de leiding van de Witt.--De bemoeiingen der Republiek met den oorlog in 't Noorden van Europa.--De tweede Engelsche zeeoorlog._

Als eerste vruchten van den gesloten vrede, werden welvaart en algemeene tevredenheid in Nederland geplukt. Die vrede opende weder de bronnen van handel, scheepvaart en nijverheid. De vrees, dat de akte van seclusie duurzame onlusten zou doen geboren worden, bleek ongegrond te zijn. Van zijn kant vestigde de Witt, daar de Republiek thans op een goeden voet stond met Engeland en de eendracht in 't land zelf hoe langer hoe meer veld won, al zijn aandacht op de binnenlandsche aangelegenheden en bovenal op het financiewezen. Dit was een tak, die dringend regeling vereischte, iets, waartoe den raadpensionaris zijn uitnemende bekwaamheden in dit deel der huishouding van den staat bij uitstek te stade kwamen. Aan de Witts verstandige beginselen in het beheer der geldmiddelen, echt Hollandsche spaarzaamheid in het besteden der penningen en een voortdurend streven naar vermindering der hoofdschuld, had de staat het te danken, dat hij later, onder kostbare oorlogen, zijn krediet kon handhaven. De lessen, geput uit den nauwelijks geëindigden oorlog, versmaadde de Witt geenszins. In dien krijg was de meerderheid der Engelsche vloot boven de Nederlandsche helder aan den dag gekomen. Daarom was de verbetering van het zeewezen het doelwit, waarop hij den blik aanhoudend gericht hield. Aan alles, dat te dien einde werd voorgesteld, zette hij kracht en leven bij.

De waardigheid en de belangen der Republiek wist de raadpensionaris met eere te verdedigen tegen het buitenland. Toen in 1655 een oorlog losbarstte tusschen Zweden en Polen (_Overzicht_, 9e druk, blz. 149) en het weldra duidelijk werd, dat de koning van Zweden, Karel X Gustaaf, naar de opperheerschappij over de Oostzee streefde, waren de Staten-Generaal terstond bedacht op de belangen van den Nederlandschen handel (zie blz. 98). ~Jakob van Wassenaar-Obdam~ (ten w. van Hoorn) stevende, als luitenant-admiraal van Holland, naar de Oostzee, om de koopvaardijschepen der Republiek en Dantzig, dat door de Zweden werd belegerd, te ontzetten. Dit geschiedde in 1656. En toen Frederik III, koning van Denemarken, als bondgenoot van Polen aan den oorlog deel nam, stond Nederland hem zoowel anderszins als met zijn vloot bij. Wassenaar behaalde in 1658, nabij het slot ~Kroonenburg~, een zege op ~Wrangel~, bevelhebber der Zweedsche vloot. In 1659 landde Hollands vice-admiraal ~de Ruiter~ op het eiland Funen en veroverde Nijborg. Hem viel de eer ten deel, door den koning van Denemarken met een gouden keten, alsmede met een jaarwedde van 2000 gl. begiftigd en in den adelstand verheven te worden.

Het beklimmen in 1660 van den troon van Groot-Britannië door Karel II bracht geen innige verhouding teweeg tusschen dit rijk en Nederland. Op het bericht zijner verheffing reisde Karel van Breda, waar hij destijds vertoefde, naar Holland, om zich te Scheveningen in te schepen. Afscheid nemende, beval hij de belangen van den jongen prins van Oranje-Nassau ernstig aan de Staten-Generaal en aan de staten van Holland aan. Voortshands had deze aanbeveling geen andere uitwerking, dan dat de staten van Holland in 't laatst van September 1660 de akte van seclusie, die met den dood van Cromwell haar beteekenis verloor, introkken. Den koning van Engeland deden zij hierdoor geen bijzonder groot genoegen. Hij toch achtte de akte door dien dood zelven te zijn vervallen.

Intusschen beseffende, dat de Republiek niet bestand was tegen de vereenigde macht der rijken Frankrijk en Engeland, meende de Witt, dat men bij Engeland steun moest zoeken tegen de overmacht van Frankrijk, bij Frankrijk tegen die van Engeland. Op dit beginsel berustten de beide verdragen, die Nederland in 1662 sloot, het eene met Engeland, het andere met Frankrijk. Het verdrag met Engeland, aan de beide staten de verplichting opleggende, elkander in geval van oorlog bij te staan, kwam in September van dat jaar tot stand. Reeds vroeger, in April, was het verwerend verbond met Frankrijk gesloten, waarin werd vastgesteld, dat elk der bondgenooten, in geval een van hen in oorlog geraakte, den anderen bijstaan en zonder hem geen vrede sluiten zoude.

Zóó meende de Witt zijn doel te hebben bereikt, den staat te hebben beveiligd tegen mogelijke aanvallen op het vasteland, ten einde zich op zee tegenover Engeland te kunnen doen gelden, hetzij zonder, hetzij met geweld. Één moeielijkheid was er bij dit stelsel der buitenlandsche politiek, en die moeielijkheid ontging de Witts scherpzienden blik in geenen deele. Met den aanvang der regeering van Lodewijk XIV was Frankrijk de eerste mogendheid van Europa geworden. Het was voor de Witt geen geheim, dat de inlijving der Spaansche Nederlanden een der hoofdplannen was van Lodewijks buitenlandsche staatkunde. Maar ook was het zijn vaste overtuiging, dat men Frankrijk wel tot vriend, maar niet tot nabuur moest hebben (zie bladz. 103). Kon de Republiek dit laatste niet beletten, dan stond haar eigen zekerheid op het spel. Weldra werd er tusschen den graaf ~d'Estrades~, den gezant van Frankrijk te 's Gravenhage, en de Witt een onderhandeling aangeknoopt omtrent een verdeeling of vrijmaking der Zuidelijke Nederlanden, geheel overeenkomende met het oogmerk, dat Frankrijk en de Nederlanden voorheen hadden gekoesterd (zie bladz. 93). Nog waren de Staten-Generaal bezig, hierover met Lodewijk te onderhandelen, toen de koning in 1664 plotseling de zekerheid meende te hebben verkregen, dat de Republiek niet bij machte zou zijn, zich tegen de inlijving dier gewesten te verzetten. Daarom hield hij het voor overbodig, den buit met een ander te deelen. Terwijl Lodewijk zich met deze overdenking bezig hield, kwam het hem zeer gelegen, dat de Republiek weldra met Engeland in oorlog geraakte. Zoo werd Nederland verplicht, zich steeds nauwer aan Frankrijk aan te sluiten, en kon hijzelf gelegenheid vinden, zijn plannen omtrent de Zuidelijke Nederlanden in rust te volvoeren, zoodra zich hiertoe de gelegenheid aanbood.

In weerwil van de banden, die Engeland aan Nederland schenen te hechten, als gelijkheid van afstamming, godsdienst en zeden, bestond er tusschen de inwoners dier beide rijken een nationale haat. De oorzaak der verwijdering lag vooral in den strijd der belangen. Engeland zocht zijn macht te vestigen op dezelfde grondslagen, als Nederland, op den handel en de zeevaart. Wat Karel II betreft, hij kon het der Republiek niet vergeven, dat zij gedurende de jaren zijner ballingschap het gevaar zorgvuldig had ontweken, om zijnentwil Cromwell eenigen aanstoot te geven. Bovenal nam hij het euvel, dat de Witt, zooals hij zeide, zijn neef geen recht deed wedervaren. Deze gronden verklaren, hoe de krijg losbarstte, dien men _den tweeden Engelschen zeeoorlog_ noemt en die een dier merkwaardige zeeoorlogen is, welke de zeventiende eeuw boven alle tijdperken der oude en der nieuwe geschiedenis onderscheiden. De naijver op den nog altijd grooteren handel en de uitgebreider scheepvaart van Holland en Zeeland maakte hem voor de Engelschen tot een nationalen strijd, en hun aanvallen en veroveringen gingen de oorlogsverklaring reeds een jaar vooraf. In 1664 vermeesterden zij Nieuw-Nederland met Nieuw-Amsterdam (zie blz. 88), hetwelk sinds New-York heet, en namen vele Nederlandsche koopvaardijschepen in beslag, waarvoor de Ruiter weldra op de kust Guin[=e]a weerwraak nam.

Ongelukkig was voor Nederland het begin: Den 13den Juni 1665 leed de vloot van dezen staat een zware nederlaag op de hoogte van ~Lowesthoff~ (op de kust van Engeland, ten z. van Yarmouth), haar door ~den hertog van York~ toegebracht. De luitenant-admiraal ~Kortenaar~ sneuvelde; de opperbevelhebber der vloot, de luitenant-admiraal van ~Wassenaar-Obdam~ (zie blz. 114), vloog met zijn schip in de lucht; vele schepen werden genomen, lafhartigen namen de vlucht, en met moeite dekte men den terugtocht. In weinige weken--zoodanig was de veerkracht dier tijden--was de vloot hersteld en weder uitgeloopen. Maar eerst in 't volgende jaar herstelde een schitterende overwinning, den gekrenkten roem onzer zeemacht. Een geduchte vloot van meer dan 100 zeilen, met over de 21,000 koppen bemand, onder ~de Ruiters~ opperbevel liep in 't begin van Juni uit. Den 11den raakte zij bij ~Foreland~ (ten n.o. van Dover) slaags met de Engelschen, die bijna even sterk waren, onder prins ~Robert~, een zoon van paltsgraaf Frederik, den gewezen koning van Bohemen (zie blz. 89), en ~Monk, hertog van Albemarle~; den 12den des morgens begon de strijd op nieuw; den 13den werd hij hervat en eerst op den 14den Juni 1666 beslist, toen de Engelschen de wijk namen. Zwaar gehavend, doch met 3000 gevangenen, onder welke de vice-admiraal Ayscue, en met zes veroverde schepen, keerde de Nederlandsche vloot naar hare havens terug. Deze _vierdaagsche zeeslag_ is ook in de latere geschiedenis eenig gebleven, gelijk hij het in de vroegere was.