Beknopte geschiedenis van het vaderland
Part 10
Bij dien vrede erkende de koning van Spanje in art. 1 de Vereenigde Nederlanden als vrije en onafhankelijke landen. Art. 3 en 5 bepaalden, dat de Staten-Generaal hun veroveringen in Brabant, Limburg en Vlaanderen, alsmede in de vreemde werelddeelen behielden. Nog bevatte art. 5 de voorwaarde, dat de Spanjaarden zich zouden beperken tot de vaart op Oost-Indië, gelijk zij toen was, zonder zich verder te mogen uitbreiden. Art. 14 schreef voor, dat de Schelde en de kanalen, welke met die rivier in gemeenschap stonden, vanwege de Staten-Generaal zouden worden gesloten gehouden.
De vrede van Munster was in allen opzichte een eervolle vrede voor de Republiek. Met luister omstraald, trad zij in de rij van Europa's mogendheden op. Aan grondgebied won zij Staats-Vlaanderen, Staats-Brabant, waartoe ook de stad en omtrek van Maastricht behoorde, en Staats-Limburg of de landen van Overmaas. Gelijk Drente, drong Staats-Brabant er thans op aan, als achtste gewest tot de Generaliteit te worden toegelaten. Het werd geweigerd. De Staten-Generaal voerden het bewind over de pas verworven landen, _de Generaliteitslanden_ geheeten. Zonderling was het gelegen met de regeering van Maastricht. Deze regeering was tweeheerig, d. i. de Staten-Generaal, als verbeeldende den hertog van Brabant, oefenden er gemeenschappelijk met den prins-bisschop van Luik (zie blz. 11) het gezag.
Voor de Zuidelijke Nederlanden was geen artikel van den vrede nadeeliger of meer vernederend dan het 14de. Volgens dit artikel mocht geen schip de Schelde op- of afvaren, zonder dat er inkomende of uitgaande rechten werden betaald en dat de lading der schepen, uit zee komende, in Nederlandsche binnenschepen werd gebracht. Dit alles was een bekrachtiging van een oud gebruik, dat Nederland sedert 1604 (zie blz. 76) ten opzichte van Engeland had doen gelden. Van nu af werd dus aan alle zeeschepen de pas afgesneden om Antwerpen te naderen en tevens een winstgevende vrachtvaart voor Noord-Nederlanders geopend. Bij Lillo lag, ten minste in tijd van vrede, slechts één wachtschip van de Nederlandsche vloot, _de uitlegger_ genoemd, om ervoor te waken, dat het artikel werd nagekomen. Ten overvloede liet men schuiten met zware steenen in de rivier zinken, ten einde ze voor diepgaande schepen onbevaarbaar te maken.
Nog op andere wijze, dan door het oorlogszwaard, nam gedurende den tachtigjarigen oorlog de omvang van 't grondgebied der Republiek toe. Zoowel in Friesland, als inzonderheid in Holland kreeg men door indijkingen veel land. Hier won men in de eerste jaren der 17de eeuw de Beemster, de Purmer, de Wormer. Doch het Haarlemmermeer insgelijks droog te maken ried Leeghwater vruchteloos in een geschrift, getiteld het "Haarlemmermeerboek."
Zoo trad dan ons vaderland, krachtig naar buiten en van binnen, onder de mogendheden van Europa op. Geschiedde dit eerst in 1648, reeds veel vroeger had het met het buitenland betrekkingen aangeknoopt, deels van staatkundigen aard, deels ter wille van den handel. Aan het doorzicht en aan de wakkerheid van den onsterfelijken landsadvocaat hadden de Vereenigde Nederlanden het te danken, dat zij alom in Europa met eere en achting werden bejegend.
Geen wonder, Nederland stond ten aanzien van handel en scheepvaart op een hoog standpunt. Vroeger (zie blz. 44) is over dit punt het een en ander opgeteekend, dat thans verdient eenigermate te worden uitgebreid. De handel, die in de eerste plaats allengs voor het grootste gedeelte in handen der Nederlanders kwam, was die op de Levant of op de Middellandsche Zee, de handel, die Venetië groot had gemaakt. De voornaamste handelsplaats in de Levant was Smyrna. Bovendien dreef men handel op Rome, op Venetië en op andere groote steden van Italië en Sicilië, op Alexandrië, Caïro, Constantinopel, enz.
Sinds de handel van Venetië, van Antwerpen en van de hanse geheel verviel of sterk achteruit ging, begon Nederland handelsbetrekkingen met alle rijken van Europa aan te knoopen. Zeer aanmerkelijk was die op Frankrijk. Reeds in 1658 werd de waarde van alles, wat Frankrijk aan Nederland leverde, begroot op omstreeks 36,000,000 gl. Voor den handel, dien Nederland op Frankrijk dreef, behoefde die op het Noorden, d. i. op Rusland, Noorwegen, Zweden, Denemarken en op de havens der Oostzee, niet te wijken. Zooals Nederland alles, wat de natuur in het Zuiden en midden voortbracht, aan de natiën van Noord-Europa leverde, zoo dreef het met die van het Zuiden en het midden handel in de Noordsche waren. Een tijdlang waren Polen en Rusland voor Nederland, wat Sicilië eens voor Rome was, de korenschuur. Bovendien trok de Republiek van de havens der Oostzee al hetgeen zij voor den scheepsbouw en het zeewezen behoefde. De ijver der kooplieden werd niet verlamd door den tol, dien alle schepen, welke de Sond doorvoeren, te Elseneur (op Seeland) moesten betalen. Jaarlijks werd de Oostzee, welker toegang de koning van Denemarken bewaarde, door vier duizend Nederlandsche schepen bevaren.
Niet minder belangrijk was de handel langs den Rijn en op verschillende steden van Duitschland en Zwitserland. De waarde van den handel op den Rijn, die uitsluitend in handen van Nederland was, werd jaarlijks geschat op honderd millioen. Van minder gewicht was die op de Zuidelijke Nederlanden, op Groot-Britannië, Spanje en Portugal. Een geheel eigenaardigen handel dreef Amsterdam op Antwerpen, n.l. in ruwe en geslepen diamanten. Onophoudelijk gaf de handel voedsel aan _de vrachtvaart_. Al vroeg zagen de Nederlanders, niet ongelijk aan de oude Tyriers (_Overzicht_, 9de druk, blz. 11, 12), in, dat zij, een land van kleinen omvang bewonende, in de zee het element hadden te zoeken, waarop zij voor een goed deel hun bestaan moesten vinden. De koopvaardijvloot van het kleine Nederland was in die dagen talrijker, dan de schepen van alle volken van Europa tezamen. In alle havens trof men Nederlandsche vaartuigen aan, en maar zelden hadden zij ballast in. Buitenlandsche handelshuizen gebruikten Nederlandsche schepen en bevrachtten ze met allerlei goederen, om ze b. v. uit Engeland of andere landen naar Frankrijk of elders over te brengen. Verder schonk de handel nieuw leven aan de nijverheid. Beroemd waren de scheepstimmerwerven van Zaandam, de bleekerijen van Haarlem, de boekdrukkerij van Elzevier te Leiden. Bij den buitenlandschen handel, de vrachtvaart en de nijverheid kwam de binnenlandsche handel, die van gewest tot gewest, van stad tot stad werd gedreven. Boven alle handelsplaatsen in 't geheele land stak Amsterdam, de koningin van Nederlands steden, uit. Onder de fraaie gebouwen der stad muntte het nieuwe stadhuis uit, het achtste wonder der wereld, waarvan men den bouw begon in 't gedenkwaardige jaar 1648. Een der bouwmeesters was ~Jakob van Kampen~.
Wie van den wereldhandel der Nederlanders in de 17de eeuw spreekt kan niet zwijgen van de compagnieën. Na het bovenstaande (zie blz. 79 vlg. en 88) moet althans van de Oost-Indische compagnie hier nog eenige melding worden gemaakt. Na in 1622 de landvoogdij te hebben nedergelegd, keerde Coen naar het vaderland terug. Doch in 1627 werd hem die hooge betrekking op nieuw opgedragen. Een zijner merkwaardigste opvolgers was ~Antonie van Diemen~. Door de inheemsche bewoners van Ceylon ingeroepen, veroverde hij in 1638 een fort van dit eiland op de Portugeezen. Eens vasten voet hebbende gezet, breidde de compagnie haar macht ook hier spoedig uit. Eveneens ging Malakka (in 't z.w. van Achter-Indië) in 1641 van Portugal op de Nederlandsche compagnie over. In 't zelfde jaar gelastte de keizer van Japan, dat alle buitenlandsche betrekkingen moesten worden afgebroken, behalve met Sina en met de Nederlandsche compagnie, die hare factorij vestigde op het kleine eiland _Desima_, dat verbonden was met de stad Nangasaki.
Onder de oorzaken, waaraan Nederlands handel zijn bloei had te danken, is mede vermeld (zie blz. 44) de persoonlijke vrijheid welke alle ingezetenen dezer landen genoten. Uit hoofde van die persoonlijke vrijheid, waarvan men hier zeker was, werd de Republiek, van den aanvang af, het toevluchtsoord, waar vele vreemdelingen zich metterwoon nederzetteden, eerst Vlamingen en andere Zuid-Nederlanders, later Franschen, Duitschers, enz. De hervormde kerk--het is waar--was met den staat tot één geheel onafscheidelijk samengegroeid. Zelfs de Roomsch-katholieken, ofschoon nog lang na de invoering der hervorming de meerderheid der bevolking uitmakende, hadden, sinds de vestiging der Republiek, geen volledige vrijheid van eeredienst. Maar evenals alle andere gezindheden hadden ook zij vrijheid van geweten en godsdienstoefening, mits de dienst niet in 't openbaar geschiedde. De overheidsambten intusschen en zelfs de mindere bedieningen kon niemand bekleeden, dan wie de leer der hervormde kerk beleed. Doch onbetwistbaar is het, dat de Republiek niet den minsten gewetensdwang heeft geoefend. Buiten de Roomsch-katholieken was het meerendeel der inwoners van Nederland hervormd. In Holland en Zeeland telde men ook vele leden der Waalsche kerk. Verder had men Doopsgezinden, Remonstranten, Lutherschen en Joden. Was er alzoo voor den vreemdeling veel, dat hem uitnoodigde, zich in deze streken te vestigen, niet alles kan hem hier hebben behaagd. De ingezetenen der Vereenigde Nederlanden toch hadden zware belastingen op te brengen.
Nederland leefde van den handel, doch niet alleen om den handel. Ook om den lauwer in wetenschap en kunst ontstond hier een wedstrijd. Van de zucht voor verbreiding van kennis en voor den bloei der wetenschap, die de landzaten bezielde, leverde in de eerste plaats het stichten van hoogescholen onweerlegbare bewijzen op. Na Leiden verrezen die van Franeker, Groningen, Amsterdam (zie blz. 90), Utrecht en Harderwijk. Het athenaeum van Franeker stichtten Willem Lodewijk (zie blz. 64) en de staten van Friesland in 1585. De universiteit van Groningen werd door de staten van 't gewest gegrondvest in 1614. Dan volgde de academie van Utrecht, met goedvinden der staten door de stad opgericht in 1636. In Gelderland bestond, sedert 1647, Harderwijk als een provinciale academie. Latijnsche scholen waren verder in grooten getale door het land verspreid. Wat het algemeene volks- of lager-onderwijs betreft, dit was een vrucht der hervorming. Daarom stonden overal de scholen onder de leiding der heerschende kerk, evenwel steeds onder toezicht der regeering. In de heerlijkheden--en zij waren vele--had de heer eveneens grooten invloed op de school. Over 't geheel stond het onderwijs op de lagere scholen, staande den ganschen duur der Republiek, op een lagen trap.
Het vernieuwde leven der natie openbaarde zich insgelijks in de letterkunde. Na de tallooze tooneeldichten uit vroegere dagen, waaraan de vele Rederijkerskamers (zie blz. 44) het aanzijn hadden gegeven, kwam er een gansche hervorming in de letteren sedert den grooten omkeer, die tegen het einde der 15de en in 't begin der 16de eeuw in staat en kerk plaats greep. Een der beste prozaschrijvers uit de laatstgenoemde eeuw, tevens een der merkwaardigste mannen van zijn tijd, is ~Philips van Marnix van St. Aldegonde~ (zie blz. 53). In zijn hoofdwerk, _den Bijenkorf der Heilige Roomsche kerk_, gispt hij geestig, ernstig en krachtig de leer en de gebruiken dezer kerk.
Van alle Rederijkerskamers is er geene, die vruchtbaarder werkte voor de opkomst der Nederlandsche letteren, dan de Amsterdamsche kamer "in liefde bloeiende". Mede door haar zijn Hooft en Vondel geworden, wat zij waren. Met Cats en Huygens zijn de beide zooeven genoemde schrijvers de vier, wier namen de gulden eeuw der Nederlandsche letterkunde, den tijd van Frederik Hendrik, vermaard hebben gemaakt. ~Pieter Cornelisz. Hooft~, gestorven in 1647, was drossaart of drost van Muiden. Een zijner treurspelen is _Gerard van Velzen_. Keurig zijn bovenal zijn minnedichten. Meer nog dan als dichter muntte hij uit als geschiedschrijver. Zijn hoofdwerk, als zoodanig, is _de Nederlandsche historiën_, welker onderwerp is de opstand tegen Spanje, van 1555 tot 1587. Een vreemdeling, zoo men op de geboorteplaats let, maar Nederlander door zijn herkomst (uit Antwerpen) en door zijn woonplaats van zijn kindsheid af (Utrecht en Amsterdam), is ~Joost van den Vondel~ (1587-1670). Hij is de vorst der Nederlandsche dichters. Onder de rijen zijner treurspelen zijn uitnemend verheven lierzangen, als de lofzang der engelen in _den Lucifer_ en die der Amsterdamsche maagden op de huwelijkstrouw in _den Gijsbrecht van Amstel_. Met schier evenveel geluk beoefende hij bijna alle dichtsoorten. De vruchtbaarste stof voor zijn treurspelen leverde hem de bijbel. Een der stukken, hieraan ontleend, is de _Lucifer_.
De derde van het viertal is ~Jakob Cats~ (zie blz. 90). Hij is geboren te Brouwershaven en stierf in 1660, in den ouderdom van drie-en-tachtig jaren. Zijn poëzie is natuurlijk en ongedwongen. Het "leerdicht" was de vorm, die hem het meest aantrok. Groot was de populariteit, die hij bekwam. Geen dichter werd door het Nederlandsche volk zoo gelezen, als hij. Dit is niet vreemd, want zijn gedichten zijn huiselijke gedichten. Bijna twee eeuwen lang was "vader Cats" als de tweede bijbel des huisgezins. Men heeft van hem: _Ouderdom en Buitenleven_, _het huwelijk_, enz.--Veel overeenkomst met het proza van Hooft heeft de poëzie van ~Constantijn Huygens~. Evenals die prozaschrijver is hij hier en daar duister en onverstaanbaar. De verzameling zijner werken, _de Korenbloemen_, bevat punt- en hekeldichten, sneldichten, enz.
Met de ontwikkeling der letteren hield die van sommige kunsten ongeveer gelijken tred, bovenal die der schilderkunst. Had België Rubens, die moeielijk was te evenaren, Nederland kon op vele zijner tijdgenooten bogen, die in het schilderen van huiselijke tafereelen of van voorwerpen, aan de natuur of aan het leven ontleend, een zeldzame hoogte bereikten. De beroemdste der Nederlandsche historieschilders is ~Rembrandt~, geboren te Leiden, die van 1608 tot 1669 leefde. Hij vormde zichzelf zoo goed als geheel. In eigen waarneming, vooral van de weerkaatsing van 't licht, zocht en vond hij zijn kracht. Op geheel eenige wijze leerde hij met licht en bruin te werken. Ook was hij een meester in het schikken der beelden. Vermaard is zijn "nachtwacht."
§ 23.
_Het stadhouderschap van Willem II._
De vrede van Munster was een gewichtige gebeurtenis, zoo voor Europa in 't algemeen, als voor de Republiek in 't bijzonder. Een volledige zegepraal bekroonde de langdurige worsteling der vaderen. Gelijk met den Westphaalschen vrede de toestand van Europa aanmerkelijke wijzigingen onderging, daar, naast de zucht tot uitbreiding van 't grondgebied, de belangen van den handel nu, in plaats van den godsdienst, de voornaamste drijfveer werden van de politiek der kabinetten, zoo nam ook de buitenlandsche staatkunde der Republiek een andere richting. De zienswijze, gedurende de laatste jaren van den oorlog opgekomen, werd een onwrikbare overtuiging van Nederlands staatsmannen (zie blz. 94). Niet Spanje, maar Frankrijk was van nu aan het aanhoudend voorwerp der bezorgdheid van de Republiek. De Zuidelijke Nederlanden werden thans als een beveiligende voormuur tegen Frankrijk aangemerkt. De wrok, dien Frankrijk wegens het sluiten van den vrede tegen Nederland had opgevat, was diep geworteld en bleef bestaan.
Met den anderen nabuur, Groot-Britannië, was de verstandhouding der Republiek, ten tijde van den vrede, ook niet zeer innig. Engelands rust werd door binnenlandsche oneenigheden verstoord. In 1648, toen de vrede tot stand kwam, had de partij van 't parlement niet alleen gezegevierd; doch zij had ook den persoon des konings Karel I (_Overzicht_, 9de druk, blz. 147) in haar macht. Deze uitkomst bracht de Republiek in een moeielijken toestand. Den jongen stadhouder, Willem II, trof het lot zijns schoonvaders diep. De Staten-Generaal erkenden Karel II als koning en weigerden gehoor te geven aan de gezanten der Engelsche Republiek. Eveneens stond Nederland niet op een goeden voet met Portugal (zie blz. 92). Evenmin waren de betrekkingen met Zweden, fier op de rol, die het in den dertigjarigen oorlog had vervuld, en nauw verbonden met Frankrijk, van vriendschappelijken aard. Tusschen Denemarken integendeel en de Republiek heerschte veel welwillendheid. Met den keizer van Duitschland waren in den laatsten tijd geen betrekkingen aangeknoopt; doch, behalve de nabuurschap, moest de verandering van standpunt van Nederland ten opzichte van Spanje ook gunstig werken op de verhouding tot Duitschland.
In tegenspraak met hetgeen de natuurlijke loop der zaken scheen mede te brengen, dat de vrede de voorlooper zou zijn van een tijdperk van rust, moest Nederland het ten tweeden male beleven, dat de buitenlandsche oorlog slechts was geweken, om plaats te maken voor binnenlandsche tweedracht. In 1647 en 1648 was ~WILLEM~ II zijn vader in al zijn bedieningen opgevolgd, ook in het stadhouderschap van Groningen en Drente. Dit opvolgen van den prins greep onder ongunstige voorteekenen plaats. Hoezeer hij van begeerte brandde om den oorlog gaande te houden, had hij zoo duidelijk getoond, dat dit door de staten van Holland zeer euvel werd opgenomen. Hierbij kwam de zaak van koning Karel I, die sedert 1647 een gevangene zijner onderdanen was. Willem zocht in 't volgende jaar de Staten-Generaal te bewegen, zich voor zijn schoonvader in de bres te stellen; maar Holland en Zeeland wilden zich het in macht zoo zeer aangroeiende parlement niet tot vijand maken.
Nog erger oneenigheid ontstond weldra tusschen Willem II en Holland. Het financiewezen dezer provincie bevond zich in een ongunstigen toestand. Daarom waren de staten van dit gewest ernstig bedacht op bezuinigingen, om te verhoeden, dat den ingezetenen zwaardere lasten werden opgelegd. Hiermede kwam de denkwijze van de staten der andere gewesten overeen. Men besefte, dat de besparing van groote sommen niet anders dan op het krijgswezen kon worden gevonden. Doch over het getal der af te danken manschappen rees geschil tusschen de Staten-Generaal en Holland. Nadat een paar afdankingen overeenkomstig de meening van dit gewest, maar niet geheel volgens de zienswijze der Staten-Generaal en van den raad van state, hadden plaats gegrepen, drongen de staten van Holland erop aan, dat men nog vijftig compagnieën vreemdelingen en de helft der ruiterij zou afdanken. Hiertegen waren de Staten-Generaal en de prins. Na vele voorslagen over en weer besloten ten laatste de staten van Holland op Maandag den 30sten Mei 1650 ter Generaliteit niet langer over de zaak te spreken, doch naar eigen goedvinden te handelen. Zoo werden er, op naam der Staten van Holland, brieven van afdanking gezonden aan de kapiteins van een-en-dertig compagnieën voetvolk en van twaalf eskadrons ruiterij, die Holland betaalde.
Van dezen beslissenden stap kennis hebbende gekregen, begaven zich de beide stadhouders en de gansche raad van state naar de buitengewone vergadering der Staten-Generaal, die op Zondag den 5den Juni werd gehouden. Dit college verzochten zij, met hen de hand eraan te houden, dat die voorgenomen afdanking niet plaats greep, en te overwegen, wat in deze gewichtige aangelegenheid verder behoorde te worden gedaan. In weerwil dat vanwege de meeste gewesten slechts een gering aantal leden de vergadering bijwoonde, kwam den 5den Juni 1650 een besluit tot stand, door een zeker aantal dier leden genomen. Hierin bepaalde men, dat aan de kapiteins der troepen tegenbevel zou worden gezonden; dat een aanzienlijke bezending zou rondgaan bij alle leden van de staten van Holland, om hen over te halen, zich van alle afzonderlijke afdanking van krijgsvolk te onthouden; dat de prins werd verzocht, alle zoodanige maatregelen te nemen, waardoor de rust bewaard bleef en de unie werd gehandhaafd.
De prins stelde zichzelf aan 't hoofd der bezending en ging weldra op reis. Zij werd begeleid door ongeveer vier honderd officieren van hoogeren en lageren rang. De eerste stad, die de gemachtigden bezochten, was Dordrecht, waar de oud-burgemeester ~Jakob de Witt~ het woord tot hen voerde en vanwaar zij, zonder de gewenschte belofte te hebben bekomen, weder vertrokken. Nog minder slaagde de bezending in een paar andere steden. Inzonderheid werden te Amsterdam scherpe woorden geuit. Wederom in andere kwam de raad bijeen, hoorde het voorstel aan en gaf eenig antwoord, zonder zich evenwel te verbinden tot hetgeen de bezending verlangde. Na de bezending werden over de hoofdzaak, het stuk der afdanking, weder nieuwe onderhandelingen tusschen de staten van Holland en den prins geopend. Hierbij naderden de beide partijen elkander op zoo korten afstand, dat Holland ten laatste slechts 300 ruiters en ruim 300 voetknechten meer dan Willem II uit den dienst wilde ontslaan. Terwijl echter de een niet voor den ander wilde zwichten, liet de prins den 30sten Juli 1650 Jakob de Witt, oud-burgemeester van Dordrecht, en vijf andere heeren uit Holland, leden der overheid in verschillende steden en tevens van de staten van Holland, aanzeggen, dat hij hen wenschte te spreken. Een der vertrekken van het gebouw te 's Gravenhage, dat "het hof" heette, zijnde binnengetreden, werden zij uit 's prinsen naam in hechtenis genomen. Den 31sten Juli liet de stadhouder de zes heeren naar Loevestein brengen.
Inmiddels waren, onder bevel van Willem Frederik, reeds den 29sten dier maand troepen opgebroken, die in last hadden Amsterdam te bezetten. Het voornemen van den prins was, zonder gewelddadigheid een sterke bezetting te Amsterdam te leggen en dan de vroedschap te veranderen. Een gedeelte van 't krijgsvolk kwam op den bepaalden tijd in de nabijheid van Amsterdam, te Abkoude. Maar een ander gedeelte, des avonds van Hilversum (ten z. van Naarden) opgebroken, geraakte door het onstuimige weder en de duisternis van den nacht aan het dwalen. De Hamburger postbode, op zijn reis naar Amsterdam te midden dier rondzwervende troepen gerakende, bracht op den vroegen morgen van den 30sten Juli te Amsterdam het bericht, dat eenige duizenden ruiters, die ieder toen voor vreemde troepen hield, tegen de stad in aantocht waren. Onverwijld nam Amsterdam alle vereischte maatregelen, om zich in staat van tegenweer te stellen. Den 31sten Juli vertrok de prins van Oranje naar het leger, dat voor Amsterdam lag. Inmiddels had de overheid der stad een paar zeesluizen laten openen en was op die wijze begonnen het land onder water te zetten. Willem II alzoo ziende, dat zijn toeleg was verijdeld, en vreezende, dat zijn soldaten mochten verdrinken, verzocht de Staten-Generaal, hem terug te roepen. Hetzelfde verzoek deden hun de staten van Holland. Eer hieraan echter gevolg werd gegeven, trad de stad, uit bezorgdheid dat de handel, die reeds veel door 't beleg had geleden, mocht verloopen, en ziende, dat zij niet veel steun vond bij de overige steden van Holland, in onderhandeling met den prins. Die onderhandelingen voerden den 3den Augustus tot een verdrag, hetwelk behelsde, dat Amsterdam zich in het twistgeding over 't krijgsvolk zou voegen naar de meening der zes provinciën en dat Zijn Hoogheid de troepen zou doen aftrekken. Nu ontsloeg de prins ook de zes heeren, zonder te reppen van eenige misdaad, waarom zij zouden zijn gevangen genomen.