Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken
Part 9
[44] Dat er ook slaven en lijfeigenen in _Friesland_ zouden geweest zijn, wordt op grond van enkele plaatsen der oude Friesche wetten door sommigen beweerd, doch door anderen tegengesproken, op grond der algemeene volksvrijheid en gelijkheid van alle ingezetenen voor de wet; alsmede, omdat de slavernij haren grond had in het regt van verovering. Aangezien nu de Friezen, althans na KAREL _den groote_, van het zwerven en veroveren hadden afgezien, en zich door eene bijzondere gehechtheid aan hun land kenmerkten, is hier kwalijk aan slavernij te denken, ten zij gevangen genomen Noormannen daarin vielen. Zoo denkt ook HALBERTSMA in zijne _Letterkundige Naoogst_, 1840, I 135, 138.
[45] Zie _Oude Friesche Wetten_ en de Aantt. van P. WIERDSMA, bl. 23, 42, 70, 294, 304.
[46] Ten aanzien van dit, altijd zeer twijfelachtig, onderwerp, en aangaande den aard en oorsprong van het Stederegt, neem ik de vrijheid te verwijzen naar de uitvoerige berigten, medegedeeld in mijne _Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden_, I 8, 33, 274, 298 enz. en de daarbij aangehaalde schrijvers.
Bij gebrek aan stellige narigten zullen wij ons, uit velerlei omstandigheden, zeker met de meeste waarschijnlijkheid mogen voorstellen, dat er op zulk eene wijze in de 12e en 13e eeuw in _Friesland_, tusschen het Flie en de Lauwers, _elf_ Steden zijn ontstaan. Reeds vroeger (bl. 63) hebben wij gesproken over de oudste dier steden, over _Stavoren_, en evenzeer gewaagd van hare gunstige ligging aan den Fliestroom, waardoor hare scheepvaart en handel zich reeds vroeg ontwikkelden, als van de oorzaken, waardoor zij in verval is geraakt. _Dokkum_, aan de tegenovergestelde zijde van dit gewest op eene zeer hooge terp aan de Ee en de Donger, in de nabijheid der Lauwerszee voor scheepvaart en handel niet minder voordeelig gelegen en reeds vroeg door den marteldood van BONIFACIUS algemeen bekend, wordt naar den ouderdom voor de tweede in rang dezer steden gehouden. Aan de westzijde der Ee, waar zij met andere stroomen in de Middelzee viel, was _Leeuwarden_ aan een landhoek op twee breede terpen of werden ontstaan; eene ligging, aan dien breeden zeeboezem, welke visscherij, scheepvaart en handels-verkeer zeer begunstigde, en de spoedige uitbreiding dezer zeeplaats bevorderde. Zoolang zij een dorp was, droeg ze den naam van _Nijehove_, in tegenstelling van het daarbij gelegene en om zijne leerschool beroemde dorp _Oldehove_, waarmede zij aan de westzijde, gelijk met het dorp _Hoek_ aan de oostzijde in 1435 tot ééne grootere stad verbonden en uitgebreid werd, nadat zij, door het opslijken of verlanden van de Middelzee van eene Zee- in eene Landstad was herschapen. Dit zelfde was het geval met _Bolsward_, _Sneek_ en _Ylst_, oorspronkelijk aan de zuidzijde van dien zeeboezem gelegen, doch wier zeehandel en scheepvaart zich nu, na het gelijktijdig ontstaan van de Zuiderzee, verplaatsten naar _Harlingen_, _Workum_ en _Hindeloopen_, die zich eerlang uitbreidden en in bloei toenamen, ook ten gevolge van het verval van _Stavoren_. De opkomst en uitbreiding van _Franeker_, waar reeds vroeg de Grafelijke regtstoel en der Vijf deelen regtspleging werd gehouden, werd vooral bevorderd, doordien een aantal vermogende edelen van _Westergoo_ zich daar vestigde, en te midden der woningen van de nijvere burgers sterke huizen liet bouwen. Gelijktijdig vervielen de zeeplaatsen _Ezonstad_ aan de Lauwerszee, _Uitgong_ aan den mond der Middelzee, waaruit het latere aanzienlijke dorp _Berlikum_ ontsproot, en _Grind_, thans eene zandplaat N. W. van _Harlingen_. Het is echter zeer twijfelachtig of deze plaatsen, gelijk ook het, in eene lage veenachtige streek, afgelegene _Wartena_, eertijds stedelijke regten hebben bezeten: want dat wallen en poorten toen nog geene kenmerken waren van eene stad, hebben al de elf Friesche steden bewezen, dewijl de meeste daarvan eerst in de 14e en 15e eeuw, bij het toenemen van de binnenlandsche oorlogen, zijn versterkt geworden; terwijl _Ylst_, _Workum_ en _Hindeloopen_ zelfs geene wallen en poorten hebben bekomen en onbevestigd zijn gebleven.
In het algemeen beschouwd, is het ontstaan van de Steden in ons vaderland een blijk, hoe een wakker gedeelte der toenmalige bevolking zich den kinderlijken leeftijd ontwassen achtte, en als knaap naar meerdere ontwikkeling en zelfstandigheid streefde; ofschoon het later mede eene der oorzaken werd van die bloedige partijschappen en burgeroorlogen, welke in ons vaderland zoo lang vooruitgang en beschaving hebben tegengehouden.
* * * * *
Groot waren alzoo de veranderingen, welke _Friesland_, vooral gedurende de 13e eeuw, onderging, ten gevolge van een zamenloop van omstandigheden, die echter niet alle regtstreeksche gevolgen waren der kruistogten. De toestand des volks was in vele opzigten verbeterd; de bronnen van bestaan waren vermeerderd; kennis en bekwaamheden werden ontwikkeld, zoodat er voor de algemeene beschaving des volks werkelijk eene betere toekomst scheen aan te breken. Naar wijze wetten en verordeningen, welke nog voorhanden zijn[47], werden, bij jaarlijksche beurtwisseling, de Steden bestuurd door een Olderman, Burgemeesters en Schepenen, gelijk de Grietenijen door een Grietman en zijne Bijzitters of Regters. Aan allen was mede de uitoefening van het regt, zoowel in burgerlijke als in strafzaken, opgedragen, welke vroeger door den Graaf, den Schout of Schelte, den Asega of Aesga en den Frana met de door het volk verkozene regters geschiedde[48]. Toen werden de regtdagen of weerstallen en warven onder den open hemel, veelal op kerkhoven, later in of aan de kerken, gehouden, waarvan de _Wonser-_, _Midlumer-_ en _Donia-weerstallen_ of regtplaatsen nog bij name bekend zijn, even als de _Warkeamers_ nog aan sommige kerken worden gevonden[49]. De straffen voor de misdaden bestonden destijds in vee of in geld, als boete aan den beleedigde en breuk aan den regter en het volk, wegens de overtreding van de wet. Ieder Goo had bovendien een Landraad en Gooregters, die de algemeene belangen behandelden en hoofdmisdaden beregtten. In _Oostergoo_ hielden deze, althans in de 15e eeuw, de landsdagen op de stins _Barrahuis_ onder _Wirdum_, in _Westergoo_ te _Hartwerd_ en later te _Franeker_, en in de _Zevenwouden_ (eerst in het begin der 15e eeuw tot een geheel verbonden) te Rottum[50].
[47] _Oude Friesche Wetten_, afgedrukt in SCHOTANUS, _Beschrijvinge van Frieslandt_, 1664, 23, en later verbeterd, vertaald en met belangrijke aanteekeningen uitgegeven door P. WIERDSMA, Kampen en Leeuwarden, 1782; RICHTHOFEN, _Friesische Rechtsquellen_, enz.
[48] Zie over die wijze van regtspleging, behalve de _O. F. W._, ook het voortreffelijke werk van HALSEMA, bl. 56, 76, 91 en vervolgens, in _Aanteekening 9_ breeder vermeld.
[49] Aanteekeningen op de _Oude Friesche Wetten_, 40, 106, 179, 197.
[50] Zie WORP VAN THABOR, _Kronyk_, IV 2.
Later hielden de voornaamste edelen en geestelijken, met de hoofden der steden en grietenijen Gaarleggers of bijeenkomsten op verschillende plaatsen, om, onafhankelijk van den Landraad, de algemeene of bijzondere belangen te regelen. Tevens vinden wij in de geschiedenis dikwijls Potestaten vermeld, als hoofdbestuurders, opperbevelhebbers of aanvoerders, in de plaats van de vroegere Hertogen of Goograven. Welligt werden zij enkel in tijden van nood of gevaar gekozen en aan het hoofd van den Landraad geplaatst, om de hoogste magt voor een bepaalden tijd uit te oefenen. Omtrent deze personen heerscht er echter veel duisters in onze geschiedenis[51]. Het gansche Staatsbestuur droeg blijken, hoe zeer men de aanleiding tot misbruik van magt vreesde, en de regten des volks trachtte te bewaren tegen de aanmatigingen zoowel van vreemden als van sommige edelen[52]. »De Friesche natie leverde te dezen aanzien een treffend contrast op, met den staat van andere natiën vergeleken. In alle andere landen berustte toen de oppermagt óf in handen van eenen volstrekten Meester, óf zij was tusschen den Vorst en een klein getal wreede en hoogmoedige Edellieden verdeeld. Deze laatsten, welverre van de vrijheid der volken te beschermen, waren als zoo vele dwingelanden, die haar uitdelgden. De inwoners van _Friesland_, niet tevreden dat zij door eene afhankelijkheid, welke inderdaad slechts in naam bestond, aan het Duitsche rijk verbonden waren, en óf door zich zelven óf door hunne vertegenwoordigers invloed op de volksvergaderingen hadden, namen dikwijls het bestier der zaken op zich, en stelden zich staatsligchaamswijze aan het hoofd der openbare verrigtingen. Schoon de algemeene landsdag-vergaderingen voornamelijk uit de afgezondenen der onderscheidene regtsgebieden en plaatsen waren zamengesteld, hadden echter alle inwoners het regt haar bij te wonen. Ook ziet men, tot in de 16e eeuw toe, openbare acten uitgegeven in den naam niet alleen van de Overheden, maar ook van de Gemeente en het gansche ligchaam des Volks"[53].
[51] Aanteekening op de _Oude Friesche Wetten_, 118.
[52] Zie over het vermelde VAN LOON, _Aloude Regeringswijs van Holland_, IV 175; FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ I 423; _Tegenw. Staat_, I 128; VAN HALMAEL, in het _Friesch Jierboeckjen foar 1834_, VII.
[53] _Grondwettige Herstelling van Nederlands Staatswezen_, Amsterdam 1784, I 80, met aanhaling van het _Charterboek_, I 124, 131, en VAN IDSINGA, _Staats-recht der Nederlanden_, 363.
Gelijktijdig was er nog eene andere magt in den Staat en eene niet minder gevreesde regtbank, die der _Geestelijkheid_, wier invloed destijds van veel belang was, als naauw met het wereldlijk gezag verbonden. Wij achten het nuttig, ook daarvan een algemeen overzigt te geven.
18. _De Friesche Geestelijkheid, Kerken en Kloosters in de middeleeuwen._
In der Friezen aard en karakter is het dikwijls opgemerkt, dat zij tegen vreemde personen en nieuwe zaken vaak zeer ingenomen zijn, zoolang zij die niet kennen, doch dat zij later, als derzelver waarde de proef des onderzoeks heeft doorgestaan, daarvan even ijverige voorstanders worden, als zij vroeger tegenstanders waren. Het gezond verstand en de billijkheid (waardoor de Friezen zich steeds hebben onderscheiden) behalen dan de overwinning op een aangeboren afkeer van vreemden, op de gehechtheid aan het oude en op de vrees voor schade bij eene verandering, welke de voorzigtigheid nog niet als eene verbetering heeft leeren kennen.
Omtrent geene zaak is dit krachtiger gebleken, dan ten aanzien van het Christendom. Eeuwen lang streden de Friezen daar tegen, ook om staatkundige redenen, en bleven zij afkeerig van de aanneming der Christelijke leer, zoolang zij haar niet kenden. Maar toen zij haar eenmaal hadden aangenomen en van hare waarde overtuigd waren, werden zij daarvan eerlang even groote voorstanders als weleer tegenstanders. Spoedig echter ging deze overgang niet, en zijn er, om boven vermelde redenen (zie bl. 75), uit de drie eerste eeuwen na de aanneming van die leer geringe sporen van dien ijver bekend. Maar de geschiedenis getuigt en de blijken zijn er nog van over, dat er weinige landen van gelijke uitgestrektheid in _Europa_ bestaan, waarin de vrome zin der ingezetenen uit eigene middelen zoo vele Kerken en Kloosters heeft gesticht en rijkelijk begiftigd, als in deze provincie. Ja, het is geene overdrijving als wij zeggen, dat er in _Friesland_ nagenoeg zoo vele Steden gesticht werden als er maanden-, zoo vele Kloosters als er weken- en zoo vele Dorpen als er dagen in het jaar zijn. Indien dan vreemdelingen in dit noordelijk geweest te vergeefs zoeken naar zulke grootsche en prachtige gewrochten der bouwkunst, als in andere landen door vereenigde krachten werden tot stand gebragt, dan kan nog het _aanzienlijk getal_ torenspitsen onzer steden en dorpen getuigen, dat de vroomheid der vaderen hier zeer vele bewijzen heeft achtergelaten van hunnen ijver voor Christendom en Kerk.
Vermits KAREL _de groote_ bepaald had, dat de ingezetenen van ieder kerspel voor eene kerk en woning van den Pastoor moesten zorgen, zoo werden er in dit gedeelte van _Friesland_ bij de invoering van de Christelijke leer hier en daar reeds kerken gesticht. Het waren toen echter nog slechts van hout opgetrokkene bedehuizen met riet gedekt. Doch in de 11e, 12e en 13e eeuw, toen het bouwen met steen werd ingevoerd, vermeerderde dit getal in groote mate[54]. Daarvoor waren verscheidene redenen en aanleidingen. Toen toch werd de maatschappelijke toestand der gemeenten meer en meer geregeld, bij de toeneming van welvaart en vermogen. De zucht om verdienstelijke werken te doen, waarvoor de Kerk vergeving van zonden had toegezegd, was voor sommigen eene aansporing om zich naar het Heilige land te begeven, en voor anderen een prikkel, om door hunne middelen den opbouw van Kerken en Kloosters te bevorderen. Hier waren het nu vroomheid en godsdienstijver; daar eerzucht en hoogmoed, om iets grooters en schooners te bouwen dan anderen reeds hadden gedaan, en elders zucht naar onafhankelijkheid, gepaard met nijd en onderlinge wedijvering van de edelen, die elkander den voorrang in het offeren op de altaren betwistten, welke het getal kerken en parochiën deden vermeerderen[55].
[54] Ook HALSEMA getuigt bl. 466 en 469, dat de menigvuldige kerken in _Friesland_ door de landzaten of karspellieden, waaronder eenige weinige edelen, en niet door milddadigheid van koningen en vorsten zijn gesticht en met de noodige goederen begiftigd, waarop hun regt gegrond is tot bestelling van die kerken of het benoemen van leeraren en het beheer van die goederen. Zie mede WIERSMA'S Aanteekeningen op de _Oude Friesche Wetten_, 257, en SCHARLENSIS, 33^o.
[55] De Heer EYCK TOT ZUYLICHEM te _Utrecht_ heeft in _de Vrije Fries_, V 163, eene Beschouwing van den Bouwtrant van eenige oude Kerken in _Friesland_ gegeven, waarin hij de gewone, nog onveranderde bouworde onzer dorpskerken zeer merkwaardig noemt, als behoorende tot den Romaanschen of Oud-Gothischen bouwtrant, met ronde koorsluiting, van niet later dan de 11e of 12e eeuw. Opmerkelijk is het, dat de gewone bouworde onzer Kerktorens, met gewoon huisdak tusschen twee brandgevels, hier even algemeen is als in _Denemarken_, en slechts zeldzaam in zuidelijker provinciën wordt gevonden. Vele dier torens hebben den vorm en de zwaarte onzer oude Friesche Stinzen, en schijnen mede gebouwd te zijn met het doel, om door de ingezetenen gebruikt te worden als plaats van toevlugt en bescherming, in tijden van nood en gevaar.
Nagenoeg de zelfde oorzaken en drijfveren werkten gelijktijdig mede, om de stichting en opbouw te bevorderen van een aantal _Kloosters_; van die gestichten in en nabij steden en dorpen, waarin een aantal mannen of vrouwen zich begaven, om zich van de woelige wereld af te zonderen en zich geheel over te geven aan godsdienstige bespiegelingen, gebeden en werken van liefdadigheid. Naarmate de onrust der tijden vermeerderde, ten gevolge der binnenlandsche oorlogen en partijschappen, namen deze kloosters in aantal en vermogen toe, dewijl weerlooze vrouwen en rustige ingezetenen daarin veiligheid en bescherming vonden, en tevens gelegenheid, om zich op wetenschappen en kunsten toe te leggen. Het _St. Bonifaas-klooster_ te _Dokkum_ en dat van _St. Odulphus_ te _Stavoren_ worden hier voor de oudste gehouden. In _Oostergoo_ waren verder de voornaamste: de Abtdijen van _Mariëngaard_ en _Klaarkamp_ onder _Hallum_ en _Rinsumageest_, in 1163 en 1165 gesticht; benevens het _Smallen-eester-_, _Gerkes-_ en _Foswerder-klooster_; terwijl er alleen in en bij de stad _Leeuwarden_ vier zulke gestichten verrezen, waaronder het _Dominikaner-Klooster der Predikheeren_ (1245) (waarvan de nog bestaande Groote kerk de kapel was) tot de aanzienlijkste van dit gewest gerekend werd. In _Westergoo_ bekwamen de Abtdijen van _Lidlum_ bij _Tjummarum_ (1182), _Oldeklooster_ bij _Hartwerd_ (1191), _Ludingakerk_ onder _Achlum_ (1157), benevens de kloosters _Thabor_ onder _Tirns_ (1406) en _Groendijk_ bij _Sneek_, _Monnikebaaijum_ onder _Winsum_ (1188) en meer andere groot aanzien en vermogen; terwijl van de kloosters der _Zevenwouden_ de _Aalsumer-_, _Nesser-_, _Hasker-_ en _Schoter-konventen_ het meest vermaard waren[56].
[56] Waarschijnlijk zal ik onder de Bijlagen eene Lijst van al de Kloosters opnemen. Het aantal verschillende gebouwen, waaruit die gestichten veelal bestonden, is opgenoemd door den Heer VAN LEEUWEN in de Aantt. op _it aade Friesche terp_, bl. 440.
* * * * *
Gedurende de drie à vier eeuwen, dat de meeste dezer kloosters in _Friesland_ bestonden, zijn ze van groot nut, gezag en invloed geweest. Want, vermits kloosters als _Lidlum_ in 1293, zoo men wil, 600 en _Mariëngaard_ 400 inwoners telden, welke doorgaans zeer bekwame Abten of Priors, die soms op buitenlandsche reizen geoefend waren, aan het hoofd hadden, en meest allen door erfenissen en giften aanzienlijke goederen bezaten, zoo waren deze gestichten eene veel vermogende magt in den Staat geworden. Heilzaam werkte die magt, ook buiten het geestelijke, ten behoeve van verschillende maatschappelijke belangen van dien tijd, waaraan zij tevens haar eigen voordeel zocht te verbinden: want de staatkundige en geestelijke betrekkingen, regten en verpligtingen der ingezetenen waren destijds zeer naauw vereenigd en stonden minder op zich zelve als later. Zoo verleenden de kloosters, wegens hunne aanzienlijke grondeigendommen, dikwijls krachtige hulp tot het aanleggen van zeedijken, het graven van vaarten, het verbeteren van wegen, het leggen van sluizen enz.;--zaken, tot wier daarstelling de afzonderlijke krachten der ingezetenen vaak te zwak of te verdeeld waren. Vele dorpen ondersteunden zij tot het bouwen van parochie-kerken; en, terwijl zij hier de verbetering van landerijen, daar de landwinning en elders de afgraving van de hooge veenen bevorderden, zien wij hen voor het algemeen belang vele openbare werken tot stand brengen. Behalve op de wetenschappen en kunsten, welke bijna alleen in deze vreedzame oefenplaatsen bescherming vonden, hadden de kloosterlingen ook veel invloed op de ontwikkeling van de nijverheid, door verbetering van de bouwkunst, van vele handwerken, van den landbouw en van het boter-en kaasmaken, welke, als bronnen van bestaan voor het volk, later zoo belangrijk werden.
Zulk een magtig geestelijk ligchaam in den Staat werd eerlang ook van veel staatkundig belang in de regering des lands. De kloosters werden daarin vertegenwoordigd door bekwame Prelaten, die de belangen van de geestelijkheid en het volk op de landsdagen en gaarleggers deden gelden tegen de aanmatigingen van den adel. Zij voerden de pen, stelden de besluiten en verdragen, en werden dikwijls als afgezanten naar vreemde vorsten gezonden. Sommige kloosters voerden zelfs hevigen strijd tegen aanzienlijke geweldenaars, of namen deel in den binnenlandschen krijg door het ondersteunen van hunne partij of vrienden.
Wanneer wij de bevolking van ieder dier vijftig Friesche kloosters door-een op zestig personen schatten, en bedenken, dat de parochie-kerken der elf steden en 360 dorpen een of meer Hoofdpriesters en vele ook een Vicaris hadden (om van de Prebende-priesters, die bijzondere altaren bedienden, te zwijgen), dan kunnen wij ons een gering denkbeeld vormen van de talrijkheid der toenmalige Friesche geestelijkheid. Wanneer wij bovendien opmerken, dat die kerken en kloosters in het bezit waren van een groot deel der vaste goederen in dit gewest of dat zij renten daarvan trokken[57]; alsmede, dat de meeste dier geestelijke personen zich door meerdere kennis en bekwaamheid onderscheidden, dan is het zeer natuurlijk, dat zij in een tijdvak, waarin het volk meerendeels nog onwetend en onmondig was, groot gezag en invloed konden en moesten uitoefenen. De gansche strekking van het Roomsch Katholijk godsdienst-stelsel droeg mede veel bij, om het volk aan de oppermagt der kerkelijke heerschappij onderworpen te houden. Lang werkte die magt gunstig, doch onmogelijk kon zij duurzaam zijn: want zij moest van zelf ontbonden worden, toen eerlang het volk, zijne kindschheid ontwassen, naar meerder licht streefde, en toen misbruiken het ligchaam der geestelijkheid zelve bevlekt hadden. In weerwil van al de onvolkomenheden der geestelijken en de ongeregeldheden, welke aan het kloosterleven eigen mogen geweest zijn, verdienen echter de geestelijke instellingen dier dagen onzen eerbied en duurzame belangstelling. Onbillijk is het immers, de toenmalige wereld naar onzen maatstaf en naar aanleiding van misbruiken, die zelfs de beste inrigtingen aankleven, te beoordeelen. Wie toch zou het evangelie willen verwerpen, om de vervolgingen, waartoe het aanleiding gaf? En wie ziet niet in de geschiedenis zoowel als in het dagelijksch leven, dat bekrompenheid, onkunde en gebrek aan godsdienst bij een groot deel der bevolking, 't welk enkel voor de zinnen leeft, de oorzaken zijn van dwaling, zonde en misbruik, ook van de heiligste zaken. Immer bestonden er evenwel vele stille vromen, die God en den Heer van ganscher harte liefhadden en dienden; die reinheid van gemoed en veredeling van den onsterfelijken geest hooger waardeerden, dan alle uitwendige praalvertooning. Deze vonden, onder de bestendige stormen van den krijg, in de kloosters een toevlugt en bescherming; zij waren een scherp tegenbeeld van de zinnelijk-dierlijke denkwijze der wereldlingen; zij toonden hen, die slechts naar roof en rijkdom, naar magt en aanzien jaagden, dat er nog iets beters te vinden was dan het vergankelijke. Door zulk een verhevener zin werkten zij weldadig op de wereld, die echter eerlang, uit partijzucht, de deugden en verdiensten der geestelijken vergat, om enkel de ondeugden van sommigen hunner, uitzonderingen op den algemeenen regel, voor de vergetelheid te bewaren. Hoe gebrekkig de kerkleer en hoe weinig verheffend de plegtigheden dier dagen ook waren, toch hielden zij de weldadige vlam der godsdienst levendig, en weerhielden zij het volk, om geheel tot woestheid en onwetendheid te vervallen. »Ja, hadden de middeleeuwen naast de hutten der landbewoners en de kasteelen van den meestal krijgvoerenden adel geene kloosters, als zoo vele wijkplaatsen en oefenperken voor denkende wezens, gekend, dan zou de maatschappij in _Europa_ slechts uit last- en roofdieren hebben bestaan"[58].
[57] De _Beneficiaal-boeken van Friesl._ (Leeuw. 1850) bevatten eene lijst der Inkomsten en Bezittingen van meest alle ~Parochiën~, zoo als die in 1543, op bevel der regering, aangegeven zijn. Het gezamenlijk bedrag van de goederen der ~Kloosters~ zal wel niet minder geweest zijn. Bekend is het, dat Graaf WILLEM III reeds in 1328 allen Kloosteren en Geestelijken in _Holland_, _Zeeland_ en _Friesland_ verbood, meerdere vaste goederen aan te koopen, _Charterb._ I 183. Wij betwijfelen het echter, dat zij in _Friesland_ ooit, en veelminder destijds reeds, tweederden der landerijen zouden hebben bezeten, zoo als CERISIER, _Tafereel der Nederl. Geschiedenis_, Utrecht 1781, I 411 en _Tegenwoordige Staat_, I 477 melden.
[58] Zoo oordeelt MACAULAY, in zijne voortreffelijke _Geschiedenis van Engeland_, 's Hage 1850, I 9.
* * * * *