Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken

Part 5

Chapter 53,563 wordsPublic domain

Tegen het midden der vijfde eeuw werden de Britten, de oorspronkelijke bewoners van _Brittannië_ of het tegenwoordige _Engeland_, zeer ontrust door de Pikten en Schotten, die het noordelijk deel des lands in bezit genomen hadden. Tegen hunne overmagt niet bestand, hadden zij van hen reeds aanzienlijke verliezen in goed en bloed geleden. Van de Romeinen, die voorheen hen dikwerf tegen die volken beschermd hadden, maar nu van het eiland reeds vertrokken waren, konden zij geen bijstand meer verwachten. Zij zagen dus rond naar andere hulp, en meenden die het best te kunnen vinden bij hunne oostelijke naburen op het vaste land: de _Neder-Saksers_, die toen de Vlaamsche en een gedeelte der Fransche kust bewoonden en aan de scheepvaart en het zeeleven gewoon waren; de _Anglen_ en _Warners_, die zich aan de monden van den Rijn, Maas en Waal gevestigd hadden en de _Friezen_, die het verdere kustland bezaten. Volken, die zich meermalen ter bereiking van hunne bedoelingen verbonden; terwijl de Friezen, als de magtigste dezer stammen, zich daarna over een groot deel van het gebied der eersten uitbreidden.

Als dappere en ondernemende volken bekend, namen zij, vol van strijdlust en tuk op roem en buit, gaarne de gelegenheid waar, om een zwakken nabuur, waarmede zij reeds lang in handelsbetrekking stonden, tegen zijnen sterkeren vijand bijstand t bieden. Welhaast staken zij dan op achttien schepen met hunne weerbare manschap over, onder bevel van twee kloeke krijgshelden, HENGIST en HORS geheeten, en boden der Britten Koning VORTIGERN hunne dienst aan. Spoedig zochten zij diens vijanden op, en mogt het hen in een roemrijken veldslag gelukken, de Pikten en Schotten te overwinnen, door ze deels te verslaan, deels te verdrijven.

Doch dit inroepen van vreemde hulp (altijd zoo hoogst gevaarlijk) kwam den Koning duur te staan. Want die benden der Friezen, Anglen, Warners en Neder-Saksers, belooning eischende voor hunnen bijstand, werden door de vruchtbaarheid des lands zoodanig bekoord, dat zij in het beste gedeelte des rijks zich met der woon vestigden en eerst hunne vrouwen en kinderen en daarna nog velen hunner landgenooten tot zich lieten overkomen. Jaren lang duurde deze verhuizing van het vaste land naar het eiland voort. Eindelijk ontstond er tusschen hen en de Britten een hevigen strijd, waarin zij de zege mogten behalen. Nu werd de Koning gevangen genomen, vele aanzienlijken verloren het leven, de overigen namen de vlugt, en HENGIST, weldra bezitter van geheel _Kent_, werd tot Koning verheven, onder wien deze stammen zich hier verder vestigden en uitbreidden. De oude Britsche volksstam vestigde zich deels diep in de gebergten van _Wallis_, deels in het tegenwoordige _Brétagne_ in _Frankrijk_, waar hunne oorspronkelijke taal en zeden nog het langst bewaard bleven. Want de Angelsaksische en Friesche taal, zeden en gebruiken werden, met den veranderden volksnaam, in _Engeland_ ingevoerd. Hoezeer ze in latere tijden veranderd en door vreemde woorden en vormen verbasterd zijn, is derzelver overeenstemming met de taal, de zeden en gebruiken der Friezen nog in onze dagen een bewijs van de vroegere onderlinge vermenging dezer volken, ten gevolge van dezen togt in het midden der vijfde eeuw. (Zie _Aanteekening 5_.)

9. _De strijd der Friezen tegen de Franken._

Sedert de verdrijving van de Romeinen en den ondergang van het Westersche keizerrijk waren de in _Gallië_ gevestigde _Franken_ magtig geworden. Eerlang bleek het, dat de veroveringszucht der Romeinen nu op hen was overgegaan. Zij konden niet dulden, dat de Friezen en Saksers zich over hunne vroegere landstreken hadden uitgebreid. Hunne heerschzucht had nieuw voedsel bekomen sedert hun Koning KLOVIS de Christelijke godsdienst had aangenomen (496): want de zucht, om deze leer te verspreiden en onder de heidensche volken voort te planten, werd nu voor hem en zijne opvolgers een voorwendsel bij hunne krijgstogten ter uitbreiding van hun gebied. Zij werden daartoe aangespoord door eene magtige Geestelijkheid, die hen ondersteunde, in de hoop dat zij het Westersche keizerrijk in nieuwe kracht zouden herstellen, en de eenheid en luister der Kerk bevorderen. Eerst dwongen zij de Friezen, zich tot den Rijn terug te trekken; daarna wilden zij hen noodzaken de Christelijke godsdienst aan te nemen, en eindelijk, wraak nemende wegens de door hen geledene nederlagen, trachtten zij Friezen en Saksers beide geheel te overwinnen en aan het Frankische gezag te onderwerpen.

Die twee strijdbare volken sloegen nu met eene edele vrijheidszucht somtijds de handen in-een, tot onderlinge hulp en tegenstand. Met afwisselende kans werd die bloedige strijd gestreden. En met welk eene dapperheid zij hunne vrijheid en godsdienst verdedigden en dikwijls geduchte legers wederstonden--dit blijkt uit de langdurigheid van dien krijg, daar beide volken eerst na verloop van ruim drie eeuwen voor de overmagt bezweken. Vandaar, dat zij door hun gedrag in dien oorlog grooten roem bij andere volken verwierven.

»Die strijd gedurende zoo vele eeuwen gestreden tusschen Franken en Friezen, tusschen Christendom en Heidendom, gevoerd door het zwaard der vorsten en het woord der geestelijken, geëindigd door de zegepraal des Christendoms en de kracht van KAREL _den groote_, maar niet tot oneer der overwonnenen,--die strijd verdient wel onze belangstelling, om zijne belangrijkheid en zijn invloed op de volgende geschiedenis des vaderlands. Het is een schoon schouwspel, te zien hoe een edel en dapper volk kampte en streed voor zijne zelfstandigheid en, hoe het, ook na die worsteling, haar wist te bewaren en te handhaven."[16]

[16] _De strijd der Friezen en Franken. Eene voorlezing door_ Jhr. Mr. B. J. L. DE GEER, Utrecht 1850, bl. 6.

De voornaamste bijzonderheden van dien strijd willen wij mededeelen bij de vermelding van

10. _De pogingen der Franken ter invoering van de Christelijke Godsdienst in Friesland. (630-800)_

In een geheel ander licht doet zich de strijd der Friezen tegen de Franken voor, als wij dien meer uit een godsdienstig dan staatkundig oogpunt beschouwen; als wij in de veroveringszucht der Franken een middel zien, hetwelk Gods wijsheid bezigde, om de Friezen aan de duisternis des heidendoms te onttrekken en hen in den zegen des Christendoms te doen deelen. Schijnbaar zouden zij die leer des evangelies, welke liefde en vrede verkondigt en de beschaving aller volken bedoelt, spoediger hebben aangenomen, als zij hun niet was opgedrongen door trotsche vijanden, die, met het zwaard in de vuist, hen van hunne dierbaarste panden, van vrijheid en godsdienst te gelijk wilden berooven. Groot waren deze beletselen bij de ruwheid en onkunde, welke nog algemeen heerschten. Neen, het verwondert ons niet, dat het toen reeds verbasterde Christendom zoo weinig ingang kon vinden bij een fier en krachtig volk, nog bezield door het Germaansch beginsel van liefde voor godsdienst en vrijheid, van haat tegen vreemde overheersching, en dat het zoo lang het uiterste beproefde, om zijne zelfstandigheid te bewaren.

Rustig en vrij toch leefden de Friezen tusschen Schelde en Wezer in de 6e eeuw, door hunne vorsten naar eigene instellingen en gewoonten bestuurd, door hunne dapperheid geacht en door toenemend handelsverkeer verbonden met hunne naburen,--totdat de aanvallen der Franken hen opriepen ter verdediging van den vaderlandschen grond. De minst bevolkte en afgelegene zuidelijke streken konden dezer overmagt op den duur niet weêrstaan. Na langen strijd werden zij ingenomen, en der Friezen gebied tot den Rijn bepaald. Van toen af stelden de Franken pogingen in het werk, om het Christendom bij de Friezen in te voeren. Het was hun Koning DAGOBERT I, die ten jare 630 te _Wiltenburg_ of _Utrecht_ eene eerste Christenkerk liet bouwen. Deze voormalige Romeinsche legerplaats, aan Rijn en Vecht zoo gunstig voor den handel gelegen, werd nu het middelpunt, zoowel van den strijd als van de verspreiding der nieuwe leer.

De Geestelijkheid, die ten doel had, om in het westen van _Europa_ door de Franken een Christelijken Staat te stichten, zond nu weldra den ijverigen prediker ELIGIUS herwaarts, om onder de heidensche Friezen het evangelie te verkondigen. Hij werd daarin niet verhinderd door den vreedzamen Koning der Friezen ADGILD I, die zelfs den bisschop WILFRIED, op deze kusten gestrand, in bescherming nam tegen den Frankischen vorst EBROIN, en hem toeliet hier te onderwijzen en te doopen. Aan hem bleek het, dat vele Friezen minder afkeerig waren van het Christendom dan van de Franken.

Een geheel andere geest bezielde zijn zoon en opvolger RADBOUD I. Den Franken vijandig, maakte hij van de zwakheid der opvolgers van DAGOBERT gebruik, om de verlorene landstreken te herwinnen en _Utrecht_ weder te bemagtigen. De daar gestichte St. Thomaskapel werd verwoest, en der Friezen vrijheid, grondbezit en godsdienst in luister hersteld (680).

Eerst na verloop van twaalf jaren kwam echter PEPYN _van Herstal_ met een magtig Frankisch leger herwaarts, om dat verlies te herstellen. Dit gelukte hem, daar hij de landen bezuiden den Rijn weder veroverde, en, na hardnekkigen tegenstand, RADBOUD eene nederlaag toebragt bij _Dorestad_, het latere _Wijk bij Duurstede_, toenmaals de stapelplaats van den Frieschen handel (692). Hij dwong RADBOUD, zich te onderwerpen en de vrije prediking van het evangelie te gedoogen. Daartoe ondersteunde en beschermde hij den geloofsverkondiger WILLEBRORD, in _Engeland_ geboren, doch van afkomst aan de Friezen verwant en met hunne taal bekend[17]. Deze toch scheen zeer geschikt, hier de nieuwe leer voort te planten. Daarom werd hij in 696 te _Rome_ tot Aartsbisschop der Friezen gewijd. Eerst nadat de tegenstand van RADBOUD andermaal door PEPYN was overwonnen (697), gelukte het WILLEBRORD, te _Utrecht_ op nieuw eene kerk te bouwen, die later de zetel van dit Bisdom werd. IJverige pogingen werden er nu aangewend, om door onderwijs en prediking en door het stichten van bedehuizen op sommige plaatsen, van _Vlaardingen_ af tot _Heilo_ toe, het Christelijk geloof uit te breiden. Zij bleven echter meest tot den omtrek van _Utrecht_ bepaald, dewijl de ontoegankelijkheid der afgelegene noordelijke streken van _Friesland_ de algemeene verbreiding moeijelijker maakte.

[17] De stam- en taalverwantschap der Engelschen en Friezen begunstigde zeer de pogingen dier Evangelie-predikers uit _Engeland_, waar het Christendom reeds vroeg ingang vond en de zucht algemeen was, om het ook onder de Heidensche volken uit te breiden. Zie ook _Aanteekening 5_.

* * * * *

Die algemeene invoering was ook vooreerst nog niet mogelijk, zoolang de onverzettelijke RADBOUD het Christendom zoo vijandig bleef. Naauwelijks was PEPYN in 714 gestorven, of hij vat de wapenen tegen der Franken gezag weder op, verdrijft hunne zendelingen uit zijn gebied, en verwoest de kerken, of geeft ze der voorouderlijke godsdienst terug (716). Hij trekt voort tot _Utrecht_ en verjaagt daar WILLEBRORD en zijne geestelijken, die de vlugt nemen naar _Trier_. Ook _Dorestad_ valt in zijne handen, en, daardoor weder meester van den Rijn, waagt hij het zelfs met zijn leger langs dien stroom naar _Keulen_ op te varen, waar PLECTRUDE, PEPYN'S weduwe, zich bevond. Daar behaalt hij op het Frankische leger onder KAREL MARTEL eene volkomene overwinning, verwoest de omliggende streken en keert met grooten buit beladen naar zijn rijk terug.

»Is het wonder (zegt een geacht geschiedschrijver), dat bij dergelijke tooneelen, waarin de opkomende geslachten telkens eene oefenschool vonden voor onversaagdheid, en vervuld werden met het gevoel van eigene krachten, de geest van heldenmoed en van onafhankelijkheid, den _Frieschen_ landaard zoo bijzonder eigen, bevestigd en versterkt werd? Is het wonder, dat de deugden, aan woeste volken eigen, bij de Friezen lang gepaard bleven met de sporen der aloude ruwheid?"[18] En zulks te meer, omdat de Friezen, te gelijk met de Franken, in de Noormannen en Denen nog woester en gevaarlijker vijanden hadden te bestrijden, waartegen zij eeuwen lang een woedenden krijg voerden.

[18] J. BOSSCHA, _Neêrl. Heldendaden te land_, Leeuw. 1834, I 22.

Reeds in het volgende jaar (717) kwam KAREL herwaarts, om over de geledene nederlaag eene geduchte wraak te nemen. In een hevigen strijd, aan den Rijn bij _Utrecht_, gelukt het hem op zijne beurt de overwinning te behalen op RADBOUD, die op nieuw genoodzaakt wordt het Frankische gezag te erkennen en de verkondiging van het evangelie toe te staan. Hij zelf zou toen beloofd hebben het Christendom aan te nemen. Doch toen de Bisschop WULFRAM hem daartoe te _Medemblik_, zijn zetel, den doop plegtig zou toedienen, en hij op zijne vraag, waar zijne Heidensche voorouders zich bevonden, tot antwoord ontving, dat deze, als ongeloovigen, verdoemd waren, trok hij zijn voet uit de doopvont terug, verklarende, liever met zijn voorgeslacht in Wodans zalig Walhalla dan met den geringen hoop Christenen in den hemel te willen zijn. Kort daarna stierf hij, in 719, hoog bejaard. Met groote standvastigheid en ijver had hij den strijd volgehouden tegen Franken en geestelijken. Geene nederlagen hadden hem ontmoedigd, maar hij was getrouw gebleven aan het doel zijns levens: de verdediging van der Friezen godsdienst en onafhankelijkheid.

Zijn opvolger ADGILD II was even vredelievend als de eerste vorst van dien naam. Terwijl WILLEBRORD de Utrechtsche kerk in luister herstelde en zijne zendelingen overal uitzond, om de leer des kruises te verkondigen, liet hij de vrije prediking toe. Hij kon echter niet verhinderen, dat in het noorden of het hart van _Friesland_, waar het heidendom nog zijne meeste aanhangers telde, eene nieuwe poging werd gedaan tot verdrijving van de Franken en hunne zendelingen. Daarom kwam KAREL MARTEL in 726 en op nieuw in 736 met een leger in dit vroeger minder bezochte gedeelte van het Friesche rijk; in het laatstgenoemde jaar zelfs met eene vloot, welke de Middelzee inviel, aan wier boorden hij een bloedigen slag leverde, waarin ook der Friezen veldheer POPPO sneuvelde, terwijl Koning ADGILD van hartzeer daarover stierf. Door het vernietigen van tempels, godenbeelden en gewijde bosschen zocht men nu in _Oostergoo_ en _Westergoo_ het heidendom te verdelgen, en door prediking de nieuwe leer te planten. Doch te vergeefs: want zulke geweldige middelen waren meer geschikt om den wrok tegen de Franken in de harten des volks te voeden, dan het te winnen voor eene leer, waarvoor het nog onvatbaar was, en van wier hooge waarde en heiligheid het weinig blijken zag in de handelingen zijner vijanden. Dáárom werden de heiligdommen weldra hersteld en de Christenen verdreven. Zij werden daarin ondersteund door den laatsten hunner Koningen RADBOUD II, een even groot voorvechter van het heidendom en tegenstander van de Franken als zijn voorzaat van dien naam. Of deze RADBOUD een Fries was, dan wel een Deensch vorst, die het land met geweld veroverd had, ook om de Franken het voortdringen te beletten, is nog hoogst onzeker. De toestand, waarin het volk nu weder verkeerde, bewoog den edelen Bisschop BONIFACIUS, die reeds zoo lang in _Friesland_ en _Duitschland_ het evangelie had verkondigd, in 755 op nieuw naar het noordelijk gedeelte van het Friesche rijk te trekken. Krachtig door zijn vromen zin en geholpen door vijftig togtgenooten, onderwijst en predikt hij alom, rigt verwoeste kerken weder op en verzamelt en ondersteunt de verstrooide Christenen. Bij _Dokkum_ gekomen, staat hij op nieuw gereed te prediken, toen hij onverhoeds door eene bende heidensche Friezen wordt aangevallen en met de zijnen vermoord. Met christelijke lijdzaamheid offerde hij zich op aan de zaak, waaraan hij zijn leven had gewijd. Doch ook zijn bloed zou het zaad worden, waaruit de bloei der kerk ontsproot.

* * * * *

Het Friesche rijk was destijds verdeeld in drie hoofdstammen. De ~eigenlijke Friezen~, de kern van den ouden volksstam, woonden in het midden, tusschen de rivieren de ~Reker~ of ~Kinhem~ en de ~Eems~. Alle landstreken bezuiden de ~Reker~ (den vroeger vermelden Rijnmond bij _Petten_, benoorden _Alkmaar_), welke de Friezen van tijd tot tijd veroverd hadden, stonden het meest aan de aanvallen der Franken ten doel, en werden het eerst van het Friezen-verbond afgerukt, welligt reeds ten gevolge der veroveringen van PEPYN ~van Herstal~ in 692 en 697, of van KAREL MARTEL in 715.

De meest afgelegene en later aangewonnen landstreken, beoosten de rivier de ~Eems~ (_Oost-Friesland_, _Oldenburg_ enz.), weêrstonden het langst de magt der Franken, doordien zij zich met hunne naburen de Saksers tot tegenstand verbonden hadden, en in de ondernemingen en lotgevallen van dezen deelden.

De ~oorspronkelijke Friezen~, tusschen de ~Reker~ en de ~Eems~ (een gedeelte van _Noord-Holland_, _Friesland_, _Groningen_, _Drenthe_ enz. bewonende), waarover RADBOUD II regeerde, stonden dus op zich zelve tegenover de Franken. Bij de vorderingen, welke de verkondiging van het Christendom van lieverlede gemaakt had, vooral tijdens de prediking van den vromen Bisschop BONIFACIUS, zagen velen hunner in, dat alle tegenstand op den duur vruchteloos zou zijn. Doch hun Koning bleef zich met kracht tegen de evangelieleer verzetten. De moord van BONIFACIUS, zoo men wil op aanstoken van RADBOUD geschied, bragt echter weldra eene groote verandering te weeg: want vele aanzienlijke, reeds bekeerde, Friezen vereenigden zich nu met de Franken, om dien moord te wreken. En toen RADBOUD, om staande te blijven in zijn gezag, de hulp inriep van WITIKIND, het opperhoofd der Saksers, wier woeste benden de Christenen hier gruwelijk vervolgden,--toen werden de Friezen zóó afkeerig van hunnen Koning, dat zij de ~bescherming~ inriepen van den Koning der Franken, op wiens komst RADBOUD naar _Denemarken_ vlugtte en de Saksers naar hun land terugtrokken (775).

Die Koning der Franken was KAREL, eerlang _de groote_ bijgenaamd, wegens zijne voortreffelijke eigenschappen, grootsche ontwerpen en stoute daden, doch vooral wegens zijn voortreffelijk rijksbestuur en zorg voor de uitbreiding van het Christendom. Na den dood van zijn vader PEPYN _de korte_ (768) en van zijn broeder KARLOMAN (771) was hij meester geworden van geheel _Frankrijk_, dat hij vervolgens met het rijk der Longobarden, een gedeelte van _Spanje_, _Beijeren_ enz. vergrootte. Gaarne verleende hij zijne ~bescherming~ aan een volk, dat zijne achting had verworven wegens de dapperheid, waarmede het de aanvallen zijner voorgangers zoo láng had wederstaan, en dat nu eindelijk vrijwillig bereid was, aan een hunner hoofdvoorwaarden, de aanneming van de Christelijke godsdienst, te voldoen. Vanhier, dat hij, bij verdrag als ~Beschermheer~ van dit volk aangenomen, tot hetzelve in eene geheel andere betrekking kwam en het geheel anders behandelde dan volken, welke hij ~overwon~ of ~veroverde~, gelijk het geval was met de Oost-Friezen en Saksers, die hij eerst in 804, na herhaalde en geweldige aanvallen, welke steeds den hevigsten tegenstand ondervonden, aan zijn gezag onderwierp[19]. (Zie ook bl. 47.)

[19] De algemeene bronnen van dit tijdvak zijn natuurlijk de Kronyken van SCHARLENSIS, 1597, WINSEMIUS, 1622 en SCHOTANUS, 1658, alsmede FOEKE SJOERDS, _Friesche Jaarboeken_, 1768, I; _Tegenw. Staat van Friesland_, 1785, I; WAGENAAR, _Vad. Historie_, 1749, I; CERISIER, _Gesch. der Ned._, 1781, I, 24, 29, 82-136; GAILLARD, _Geschied. van_ KAREL _den grooten_, 1785, I 225, II 32 enz.; WESTENDORP, _Jaarboek_, Gron. 1829, 1-97; VAN LEEUWEN'S _Kronyk der vrije Friezen_, 1834, 1-59, benevens de belangrijke Aanteekeningen daarop, enz. Omtrent de bijzondere bronnen van dit laatste gedeelte, zie men _Aanteekening 6_.

De vrucht van dezen langen en bloedigen strijd was alzoo de invoering van het Christendom, het licht der wereld, de bron van ware verlichting en beschaving, hetwelk overal, waar het is doorgedrongen, door de kennis van het Hoogste Wezen en van den Heiland der wereld, eene weldadige verandering in de denkwijze, gezindheden en zeden der volken heeft te weeg gebragt. Was die kennis in den beginne nog gebrekkig; was de eeredienst reeds verbasterd en bleven er lang verkeerde voorstellingen heerschen,--toch vereeren wij deze belangrijke gebeurtenis, welke zoo uitgestrekte gevolgen had, als de grondslag, waarop in volgende eeuwen werd voortgebouwd tot verspreiding van kennis en licht, en tot heiliging van ons geslacht door geloof, hoop en liefde.

TWEEDE TIJDVAK.

HET VRIJE FRIESLAND.

VAN KEIZER KAREL DEN GROOTE TOT HERTOG ALBERT VAN SAKSEN.

_Van omstreeks het jaar 800 tot 1498._

11. _De Friezen tijdens Karel den groote._

Na het eindigen van den strijd met de Franken en de vervanging van het Heidendom door het Christendom, was er een nieuw tijdperk van volksleven en ontwikkeling voor de Friezen aangebroken. Vrede en verzoening tusschen beide volken was daarvan het eerste gevolg. De langdurigheid van dien strijd levert reeds een bewijs op, dat de Friezen destijds talrijk, strijdbaar en vermogend waren. Er zijn vele blijken over, dat er toen onder de ingezetenen welvaart bestond, ten gevolge van landbouw, veeteelt en visscherij, wier voortbrengselen door handel en scheepvaart onder de naburen verspreid werden. _Utrecht_, _Duurstede_, _Tiel_, _Stavoren_, _Dokkum_ en andere plaatsen, aan den uitloop van onderscheidene rivieren op deze noordwestkust van _Europa_ gunstig gelegen, worden als handelsplaatsen vermeld, Reeds vroeg waren de Friezen als stoute zeevaarders vermaard. Ook langs den Rijn dreven zij handel met _Keulen_, en hadden zich mede te _Ments_ gevestigd, Zelfs waren er handwerken of fabrijken, die hier bloeiden, zoo als de lakenweverijen, welke eene zware wollen stof of duffel vervaardigden, nog _Fries_ genoemd, waarvan gekleurde en fraai bewerkte mantels werden gemaakt, die groote vermaardheid hadden en naar onderscheidene landen verzonden werden. Door Keizer KAREL werden op hooge feesten zulke ~Friesche Mantels~ als kostbare geschenken uitgedeeld. (_Aanteekening 7._)

* * * * *

Van de drie hoofdstammen des Frieschen volks mogten alzoo de eigenlijke Friezen, wonende tusschen de ~Reker~ en de ~Eems~, het voorregt smaken, hunne vrijheid en onafhankelijkheid behouden te hebben, en, onder eigene wetten en opperhoofden, hunne eigendommen gerust te bezitten. Dit voorregt, waardoor zij zich _Vrije Friezen_ noemden, genoten zij boven hunne vroegere stamgenooten en naburen bij uitnemendheid. Want deze laatste waren door KAREL overwonnen, en stonden, naar het regt des oorlogs dier dagen, onder de vrije beschikking des Keizers, die onderscheidene gedeelten van dit eigendom opdroeg of wegschonk aan zijne Leenmannen, welke van de diep onderworpene inwoners cijns, schot, lot en heeren-diensten naar goedvinden vorderden. Zij behandelden deze als lijfeigenen en slaven, aan den grond verbonden. De invoering van de instellingen der ~Leenregering~ volgde toch overal, waar de Franken zich vestigden. Zwaar heeft dat ~Leenstelsel~ gedurende vele eeuwen op de meeste volken van _Europa_ gedrukt, en de ontwikkeling van welvaart en kennis verhinderd. Dit lot hebben deze Friezen niet ondergaan; zij zijn in het bezit hunner eigendommen, vrijheden en voorregten gebleven; en deze hadden voor hen hoogere waarde, omdat hunne naburen daarvan verstoken waren. Zij _eerbiedigden_ den Keizer van het Duitsche Rijk wel als Beschermheer, doch zij _gehoorzaamden_ hem niet als gebieder, die het regt had over hun land, personen en eigendommen te beschikken; terwijl zij voor die bescherming jaarlijks gaarne eene geringe schatting aan het Rijk opbragten. Die Vrijheid hebben zij te allen tijde als hun oorspronkelijk volksregt, waarop zij bijzonder gezet waren, gehandhaafd. Met regt kon dus HELMERS hen noemen:

_De Friezen, waardig 't bloed, waaruit zij zijn gesproten, Aan wie de vrijheid met de melk is ingegoten._

* * * * *