Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken

Part 40

Chapter 403,461 wordsPublic domain

Van _Tjerk Hiddes de Vries_ weten wij wel het meest, doch zijn genoemde levensbeschrijver was nog onbekend met vele bijzonderheden, door den Heer _de Jonge_ omtrent hem en zijn geslacht, waaruit vijf zeelieden naam hebben gemaakt, medegedeeld (Zeewezen, II _b_ 216, IV _a_ 458, _b_ 581). Reeds in 1658 voerde hij het bevel over eene der gewapende fluiten of transportschepen, welke de vloot van _Wassenaer_ naar de Sont vergezelden, en onderscheidde hij zich toen door het nemen van drie Zweedsche vaartuigen. In _Schotanus_, Beschrijv. v. Friesl. 261 komt hij voor onder de Vroedschappen van _Harlingen_ in 1664, met bijvoeging van Groot-Schipper, zoodat hij toen welligt niet meer in 's lands dienst was, welke hij in 't volgende jaar, bij 't uitbreken van den tweeden Eng. oorlog, weder zocht. Ik heb meerdere bijzonderheden omtrent hem verzameld, welke ik gaarne wil mededeelen aan iemand, die het leven van dezen voortreffelijken Admiraal op nieuw en naauwgezet wil nasporen en beschrijven. Hier wil ik nog enkel vermelden, dat zijn broeder _Barent_ of _Beern Hiddes de Vries_ met en onder hem bestendig als Kapitein heeft gediend; dat zijns broeders zoon, _Hidde de Vries_, opklom tot Schout bij nacht en zich in 1694 het bevel zag toevertrouwd over een eskader van 14 schepen, toen hij in een hevig gevecht met Jan Bart doodelijk gewond werd. De vijfde zeeman uit dit geslacht was _Tjerk Hiddes de Vries_, in 1708 Luitenant bij de Admiraliteit van _Amsterdam_. Of ook _Ysbrant de Vries_, in 1658 Kapitein op de vloot, tot deze familie behoorde, is onbekend. _Brandt_, 142, 144, 223.

Doch, hoe weinig er bekend is van _Auke Stellingwerf_, dien, verheven tot Luitenant-Admiraal, hooggestemde lofverzen van de Hollandsche dichters _Jeremias de Decker_ en _Heiman Dullaert_ ten deel vielen, dit heeft mijn vriend de Heer Mr. _J. H. Beucker Andreæ_ ondervonden bij zijne vergeefsche poging, om een levensberigt van dezen zeeheld zamen te stellen. Er komen verscheidene personen van dien geslachtsnaam voor. Het Register op de Staats-resol. 767 vermeldt in 1649 een _Andries Stellingwerf_, door de Admiraliteit aangesteld tot Equipagemeester der kustschepen. In het zelfde jaar 1653, dat wij in de Holl. Mercurius, 80, een Kapitein _Frederik Stellingwerff_ op het schip Zevenwouden (gezonken) vinden, werd die _Andries Pieters Stellingwerff_ door Gedeputeerde Staten weder der Admiraliteit tot eenig emplooi gerecommandeerd; en werkelijk vinden wij dezen in 1656 bij _Brandt_, 100, reeds als Kapitein van 't Prinsen wapen. In 1659 schreven Gedeputeerde Staten aan de Gecommitteerden ter Generaliteit, dat het schip van den Kapitein ... _Stellingwerf_, ter repartitie van de Harlinger Admiraliteit staande, onder de ontbodene schepen mogt worden begrepen. En in dat zelfde jaar zien wij bij _Brandt_, 186, 204, Kapitein _Auke Stellingwerff_ vermeld, op den togt tegen _Zweden_ onder _Verburg_, die hem naar den hoek van Schagen zond, om eene koopvaardijvloot te verwachten, welke hij den 3 Maart 1660 naar het vaderland geleidde. Na zijn sneuvelen werd zijn schip, de Zevenwouden, door de Engelschen genomen, doch in het volgende jaar hernomen. _Brandt_, Leven van de Ruiter, 382, 480. In 1676 was een _Jacob Stellingwerf_ 1e Luit. op het schip Oostergoo.

Behalve de genoemde _Hendrik Dirks Brunsveldt_, die in 1659 Kapitein en later Schout bij nacht was (_Brandt_, 160, 190, 212; _de Jonge_, II _a_ 250, 259; Stamboek, II 59), vermeldt _Brandt_, 155, op 1658 ook nog een Kapitein _Adriaan Bruinsveld_, die in dat jaar sneuvelde.--Zoo vinden wij in 1652 een Kapitein _Sipke Fockes_ en in 1665-1673 _Anske Fockes_. _Brandt_, 444. De zelfde noemt bl. 183, 193, 196 ook den Kolonel _Ernst van Aylva_ en den Kapitein _Hemmema_, die in 1659 den togt naar _Zweden_ mede maakten, doch denkelijk bij het krijgsvolk behoorden. De laatste bleef voor _Nijborg_. Bij dezen togt waren 8 compagniën Friezen en 2 eskadrons Friesche ruiterij. _Bosscha_, II 13.--Van den Kapitein _Schelte Wiglema_ meldt _Brandt_, 41, dat hij in 1653 met al zijn volk in de lucht vloog. Zoo men wil, stak hij, tusschen twee Eng. schepen beklemd en geen uitkomst ziende, door overmaat van moed, zelf de lont in 't kruid.--Nog vonden wij als Kapiteins van het Friesche Collegie genoemd: _Reinier Sickema_ of _Sekema_, _Andries Douwes_, _Andriaan Hens Kleintje_, _Jan Jans Vijselaar_, _Jacob Binckes_, _Pieter Feijkes Eijkema_, _Wijtze Beijma_, _Yde Hijlkes Kolaart_, wiens schip Westergoo in 1672 verbrandde; _Hendrik Jans Camp_, van wien _de Jonge_, II _a_ 78, een dapper bedrijf vermeldt, enz.--Verder maakte zich verdienstelijk _Joris Andringa_, die, eerst schrijver op het schip van den Kapt. de Wildt, sedert 1665 het ambt van Secretaris van _de Ruyter_ bediende en het dagregister hield, zoodat wij aan zijne zorg vermoedelijk de naauwkeurige berigten omtrent diens luisterrijkste verrigtingen verschuldigd zijn. _Brandt_ 396, 513, 549, 862, 912; _de Jonge_, III a 315, b 124, 220. In 1675 werd hij Kapitein op het schip Stad en Lande, en onderscheidde zich door moed en bekwaamheid. Door bloedverwantschap en vriendschap was hij aan _de Ruyter_, die hem in een brief Neef _Andringa_ noemt, zeer verbonden.--Bij den togt naar _Chattam_ waren _Simon Poppinga_ en _Meindert Jentjes_, kommandeurs van branders, die voor hun lofwaardig gedrag vereeringen ontvingen. _Brandt_, 583; _de Jonge_, II _b_ 445, en omtrent andere Friezen III _a_ 124, 130, 145, 269, 292, 380.

Ook vervolgens onderscheidden zich nog andere Friesche zeevaarders, van welke wij enkel noemen: _Douwe Harkes_, die in 1665 nabij _Tanger_ met veel dapperheid een Engelsch fregat aantastte en veroverde, en dien het in 1673 gelukte, drie Barbados-en Virginievaarders te _Amsterdam_ op te brengen (_de Jonge_, II _b_ 243, III _a_ 381).--Van _Jacob Binckes_ hebben wij in den tekst gesproken, doch zouden zijn leven gaarne nader afzonderlijk bewerkt zien, vooral, dewijl _de Jonge_ op zoo menigvuldige plaatsen van het 3e dl. daarvan belangrijke berigten heeft medegedeeld.--In 1676 waren verscheidene Friesche schepen (ook _Barend Hiddes de Vries_ als Kapitein en _Jacob Stellingwerf_ als 1e Luit.) bij de vloot, welke de Staten onder _Tromp_ en _Evertsen Denemarken_ te hulp zonden. Deze togt, waarbij zich ook Friesche vrijwilligers bevonden, is uitvoerig beschreven in het zeldzame en zonderlinge vers van _Foppe Foppeszoon Junior_: "Aenmerkelike Voyagie na de Oost-zee enz. By maniere van dagverhaal, in riim, beschreven" enz., met vele lofverzen van dergelijke rijmelaars in 1677 bij _Hero Galama_ te _Harlingen_ gedrukt.--Omtrent _Christoffel Middagten_, mede van _Sexbierum_ geboortig, die tot Kapitein en Schout bij nacht opklom en zich door geschriften over den scheepsbouw, de scheepvaart en verbeterde Zeekaarten loffelijk onderscheidde, heeft _de Jonge_ IV _a_ 485 goede berigten medegedeeld.--In 1678 vinden wij vermeld een stoute Friesche schipper _Barend Fokke_, die toen de reis van _Nederland_ naar _Batavia_ in den, destijds ongehoorden, tijd van 3 maanden en 4 dagen deed, tot geene geringe verwondering van den Gouverneur-Generaal van _Goens_, dien hij door het bezorgen van een pakket brieven daarvan overtuigde. Over _Ceilon_ vertrok hij weder naar het vaderland, zóó spoedig, dat het bijgeloovige volk hem verdacht hield van met den booze in verstandhouding te staan. Opmerkelijk is het, dat, zeker om eene andere reden, ter eere van dezen kloeken zeeman op het eiland: het Kuipertje, nabij _Onrust_, voor de reede van _Batavia_, een standbeeld is opgerigt, hetwelk hem, in steen gehouwen, in zijne Friesche kleedij voorstelde. In 1808 is het door den Engelschen Admiraal _Dourie_ vernield, doch later zijn de stukken daarvan nog gezien door _M. D. Teenstra_, die dit verhaalt achter een vers ter zijner eere in den Frieschen Volks-Almanak, 1846, 171.

Dat de Generaal _Aylva_ na 1672 niet weder als Luit.-Admiraal op de vloot is geweest, scheen mede een gevolg te zijn van de bepaling der in 1673 door de Staten aangenomene Poincten reformatoir, art. 36: "Dat het Admiraelschap van Frieslandt wordt verklaert vacant ende impetrabil te syn, als werdende verstaen niet compatibel te zyn met eenige hooge militaire charge te Lande." Charterb. V 963. Evenwel vermeldt _de Jonge_ IV _a_ 309, dat in 1692 na _Aylva's_ dood door Koning _Willem_ (_?_) in zijne plaats werd benoemd _Frederik Willem_ Graaf _van Bronckhorst Stirum_, Vice-Adm. der Maze, hoewel hij niet in zee ging, omdat _Friesland_ te weinig schepen leverde.

De onderstand van het Friesche Collegie verminderde toch van lieverlede zoodanig, dat het lang werkeloos bleef, en in 1689 slechts 3 schepen: van Kapt. _Hidde de Vries_, Europa, Kapt. _Jentema_, de Windhond en Kapt. _D._ (misschien _B._ of _Barend_) _de Vries_, de Brak, te zamen 470 koppen voerende, bij de vloot voegde. Later en nog in 1744 had het maar twee schepen meer. Zie _Sylvius_, 1689, 203; _de Jonge_, III _b_ 390; IV _a_ 44, 48, 72, 174, 274.

* * * * *

Uit den tijd van het diepste verval onzer lands zeemagt, toen echter de Friezen zoo talrijke koopvaardijschepen en vrachtvaarders in zee hadden; toen, na het uitbreken van den oorlog tusschen _Engeland_ en _Frankrijk_, in 1756, zóó vele onzer koopvaarders prijs genomen werden, dat de Nederl. Jaerboeken van 1758, bl. 923 drie lijsten bevatten van 156 enkel Hollandsche schepen, door de Engelsche kapers geroofd en opgebragt,--vinden wij nog een loffelijk bedrijf vermeld van _Jan Binckes_, Kapitein van 's lands oorlogsschip: Maarssen, die den roemrijken naam van zijn voorzaat _Jacob Binckes_ in eere hield. Tot bescherming van eene koopvaardijvloot naar _Cadix_ gestevend, wilde hij den 27 December 1758 de baai dier stad inzeilen, toen het de Engelsche kapers gelukte, twee der hem aanvertrouwde schepen, gevoerd door de schippers _Pieter Paauw_ en _Wigle Tjerks Zwart_, van het convooi af te snijden, met oogmerk om die te _Gibraltar_ op te brengen. Zoodra ontvangt _Binckes_ geen berigt van deze daad, of hij wendt zijn schip, zet de roovers alléén na, herneemt zijne schepen uit hunne klaauwen en komt daarmede den volgenden dag in de baai van _Cadix_ bij de overigen terug.--Men zie daarover Ned. Jaerboeken, 1758, 562, 1759, 123; Onmiddelijk Vervolg op _Wagenaar_, XXII 420.

_Aant. 24_, op _bladz. 270_.

_De Friezen aan den Rijn, in 1672._

Het gedrag van het regiment van _Aylva_ bij den overtogt van _Lodewijk XIV_ over den Rijn, op den 12 Junij 1672, is in het schoone werk van _Bosscha_, Neêrl. Heldendaden, II 57, wel uitvoerig en naar verdienste voorgesteld, volgens _Valckenier_, 't Verwerd Europa, XV 455 en andere bronnen, doch kort daarna heeft D^o. _O. G. Heldring_ deze gebeurtenis nader onderzocht en toegelicht uit Fransche schrijvers, die in dezen wel het meeste gezag verdienen. Dat zeer belangrijke stuk is, onder den titel van: de Overtogt van Lodewijk XIV. over den Rijn, geplaatst in het 1e dl. van Nijhoff's Bijdragen, 1837, bl. 93. Reeds vroeger heb ik daarvan een uittreksel gegeven in den Friesche Volks-Almanak voor 1840, 96. Beide verhalen zijn op verscheidene punten aangevuld door de berigten in het voortreffelijke werk der Heeren _van Sijpestein_ en _de Bordes_, de verdediging van Nederland in 1672 en 1673, 's Hage 1850, 1e st. 68 env. In Bijlage I, bl. 95 worden daar bovendien de overige hoofd-officieren en kapiteins van dit regiment, uit 8 kompagniën bestaande, met name opgenoemd. Dat al de in den tekst genoemde personen daartoe behoorden, is mij mede gebleken uit de Resolutiën van Gedep. Staten, waarin ik van bijna allen de aanstellingen heb gevonden. De namen verschillen echter eenigzins, als: b. v. _Douwe van Ipema_, _Haje Twernbergen_ en _Twenbergen_, _Bernhardt Hekman_, _Bavius Romeda_. In laatst vermelde Bijlage komen tevens de namen voor van eene menigte Friesche Officieren, die in het leger van den staat dienden.--Zeker behoef ik geene verschooning te vragen, dat ik wegens de belangrijkheid van dit feit hieromtrent uitvoeriger ben geweest dan omtrent andere bijzondere punten, alsmede dat ik al het in 1672 en 1673 voorgevallene breeder heb behandeld dan het overige.

_Aant. 25_, op _bladz. 281, 294_.

_De Burgerwapening in 1672 en 1673_,

ook ten aanzien van _Friesland_ in het vermelde werk van Prof. _Siegenbeek_, 122, 144 eervol vermeld, was destijds van veel belang, en mogt met den gelukkigsten uitslag worden bekroond. Er zijn omtrent het uittrekken der burgers van onderscheidene steden en grietenijën bijzonderheden bewaard, welke ik echter hier niet kan mededeelen. Aangaande de uittogten van 1672 heeft Mr. _A. Telting_ vele medegedeeld in zijne twee bijdragen: Oer B. Bekker, de Fulleniussen, in it Bloedjier 1672, geplaatst in het Friesch Jierboeckjen foar 1835, en Brief van Goslik Colonna, Hopman over eene Compagnie Franeker burgers, aan den Magistraat van _Franeker_, voorkomende in de Vrije Fries, I 70. Nog meerdere bijzonderheden omtrent de snelle oproeping van den derden man in 1673 heb ik gevonden in een hoogst zeldzaam werkje van dien zelfden _Colonna_, getiteld: Journaal ofte Dagh-register van de uyttocht der Burgerlycke Manschap, van de Provintie van Vrieslandt, uytgetogen in den Jaare 1673. Bevattende al 't geene is voor-gevallen van den dagh onses uyt-tocht, als zynde den 16. Augusti 1673. tot den dagh van onse weder-komst, zynde den 5. October des selven jaars. Beschreven door Goslingh Colonna. Te Bolsward by Hans Hanssen Gyselaer, Drucker en Boekv. 1673, 4^o.

De schrijver was toen "Excersiti-meester, Serjant en Sijpel-schrijver van de Burgerij der stadt Franequer," onder den kapt. _Johannis Ennema_, die met 65 koppen in twee ligters over _Sneek_ en _Terhorne_ te _Heerenveen_ aankwamen, te gelijk met de burgers van _Leeuwarden_ en _Sneek_, na het vernemen van ontmoedigende berigten en het ontmoeten van verscheidene "schepen met gevluchte goederen." Nadat zij naar _Joure_ gezonden waren, werd het berigt van het naderen van den vijand spoedig vervangen door dit, dat "de Bisschopsche volkeren wederom waren vertrocken." Den 27 en 29 Aug. hielden de drie regimenten _Oostergoo_, _Westergoo_ en de Steden, bestaande uit 27 compagniën, te _Joure_ eene "magnevyckelycke inspectie" voor Prins _Maurits_, Graaf _Hendrik_, den Generaal _Aylva_ en de Gedeputeerden. Den 4 Sept. vertrokken 12 compagnien over _Heerenveen_ (langs 79 vonders of houten!) naar het retranchement _Gorredijk_, dat hij 1760 treden in omvang bevond. Daar zoo min als op de vorige plaats viel er iets voor, dat inspanning vorderde of vermelding verdient.

Over den uittogt van 1673 is bijzonder uitvoerig de Holl. Mercurius, 153, die zelfs de resolutie van Gedeputeerden tot dadelijke uittrekking bevat, welke niet in het Charterboek voorkomt.

Met een woord herinner ik hier, dat de datums der feiten in de stukken van dien tijd dikwijls 10 dagen verschillen, dewijl de eene schrijver de dagteekening van den ouden en de ander die van den nieuwen stijl volgde. Eerst 1 Jan. 1701 is de laatste in _Friesland_ aangenomen. Volledige verklaringen omtrent dat belangrijk punt bevat de Hist. Verhandeling over den Nieuwen Stijl, van wijlen mijn vriend den Hoogl. Mr. _J. W. de Crane_, geplaatst in Visser en Amersfoordt, Archief, 1827, 2e dl. Bovendien heeft laatstgenoemde geleerde in zijne Letter- en Geschiedkundige Verzameling van eenige Biographische Bijdragen en Berigten, Leeuw. 1841, 63, eene beschrijving gegeven van de Memoriale Annotatien van _Horatius Vitringa_, welk Handschrift, thans bij het Friesch Genootschap bewaard en meermalen door mij aangehaald, mij groote diensten heeft bewezen, ook omdat de voornaamste gedrukte Staatsstukken van dien tijd daarin mede zijn opgenomen.

_Aant. 26_, op _bladz. 350, 351_.

_De toestand der Kerk en des Volks._

A. Al moge het oordeel van Godgeleerden, als boetpredikers, over den zedelijken toestand hunner tijdgenooten eenzijdig en overdreven geacht worden, toch is het een feit, dat in 1648 D^o. _Adr. Hasius_, pred. te Leeuwarden, geliefde te zeggen in een werkje, getiteld: Den Geestelycken Alarm, tot schrick der Godtloosen en troost der Vroomen enz. (ruim 800 bladz. groot): "Sooder oyt een tijdt gheweest is, in dewelcke allerhande sonden en grouwelen d'overhandt genomen hebben, 't is nu sulck een tijdt. Krom en verdraeyt is het gheslachte der menschen, dat wy nu beleven, ja soo verkeert, dat den meesten hoop in het boose gheleghen zijn. De godtloosheydt is by vele soo hoogh geklommen, dat se de toppen van de ware Godtsaligheydt 't eenemael, ghelijck als overdeckt heeft." En dat gaat zoo voort, nog wel in eene Opdragt aan den Stadhouder en de Gedeputeerden. Met even donkere kleuren schetste D^o. _H. Witzius_ in 1669 den toestand der kerk in zijn: Twist des Heeren met zijn Wyngaert. En deze was een man van gezag, waarom hij zes jaren later te _Franeker_ tot Hoogleeraar werd beroepen.

B. Ofschoon een strafwetboek geen bewijs levert van de heerschende ondeugden eener natie, zoo leveren toch de van tijd tot tijd uitgevaardigde plakkaten veeleer blijken van voorzieningen tegen heerschende gebreken en misdrijven.

Van zoodanige plakkaten der Staten van Friesland vermelden wij ten bewijze slechts deze weinige, waarvan sommige herhaaldelijk werden uitgevaardigd: 1619, verhooging der strafbepaling op overspel; 1622, tegen het mesvechten en doodslaan, het ontheiligen van den sabbath enz.; 1629, tegen luije bedelaars, landloopers, vagabonden, deugnieten enz., die 't land zóó onveilig maakten, dat men, toen boevejagten met geweer ontoereikend waren, in 1654 tot oprigting van een Tucht- en Werkhuis voor hen moest besluiten; 1652, tegen het haarplukken en doodslaan; 1654, tegen brandstichters; 1661, tegen 't onbehoorlijk zuipen en slempen op de lijkmaaltijden (zie bladz. 260 hier vóór); 1667, tegen 't ijdel zweren en vloeken; 1671, tegen de ongeregeldheden en kwade gedragingen van knechten en dienstmaagden; 1686, tegen duellen en krakeelen enz.; terwijl de klagten over ergerlijke, kettersche en zedelooze boeken zóó dikwijls herhaald werden, dat niemand sedert 1667 langer een boek mogt uitgeven, tenzij het door de regering of de klassis onderzocht en goedgekeurd ware. Zóó groot was de vrijheid in de republiek, ten gevolge van het misbruik! Zie dit alles breeder in het Charterboek, V 254, 269, 323, 467, 539, 567, 568, 635, 653, 661, 757, 774, 775, 805, 1257.

C. Ten aanzien van het gedrag en de handelwijze der Hervormde Predikanten zie men de berigten van D^o. _Diest Lorgion_, de Hervormde Kerk, 123 en 340, waar de punten van beschuldiging en verbetering der _Franeker_ klassis van 1662 voorkomen, waaruit ik op bl. 382 reeds eenige zinsneden heb medegedeeld.

_Aant. 27_, op _bladz. 447_.

_Besluit._

Hoe ruime stof zou er aanwezig zijn, indien ik hier in bijzonderheden wilde vermelden, hoedanig de Gelukkige Toestand van Friesland, sinds die in 1795 door _Gratama_ werd geschetst (zie bl. 338 hier vóór), thans is toegenomen en verbeterd! Met de bevolking, welke in 1744 slechts 135,000 en in 1796 161,000 zielen bedroeg en thans (1852) tot ruim 251,000 is gestegen, zijn toch de middelen van bestaan en de bronnen van volkswelvaart toegenomen; hebben wij onschatbare voorregten ten aanzien van godsdienstige denkbeelden en van onderwijs en opvoeding ontvangen; mogten wij onze staatkundige en burgerlijke betrekkingen verbeterd zien, en werd de overtuiging gevestigd, dat wij, bij aanwending van verstandelijke kennis en ijver, in den toestand onzer gronden en bezittingen, in de voorwerpen van nijverheid en handel een aantal voorwerpen bezitten, die voor duurzame ontwikkeling en toenemende uitbreiding vatbaar zijn. Doch nadat ik de mij in dit werk gestelde perken reeds verre ben overschreden, moet ik de vermelding daarvan overlaten aan de behandeling van eene Statistieke en Plaatselijke Beschrijving van Friesland. Of ik die, bij wijze van uitbreiding mijner uitverkochte Aardrijkskundige Beschrijving van Friesland, van 1840, eerlang zal kunnen, zal mogen bewerken;--of ik daartoe, bij mijn bestendigen lust en liefde voor dit onderwerp, waarvoor ik zooveel heb verzameld, onder al de menigvuldige zorgen voor beroep, ambt en letterkundige betrekkingen, tijd en krachten zal bezitten;--dit mag ik hopen, doch voorshands niet als een bepaald voornemen doen gelden. Na aan deze, God dank! eindelijk voltooide Geschiedenis zoo lange jaren en zoo ingespannen gewerkt te hebben, zullen de vermelde bewerking van een Beroemd Friesland, en meer nog de groote moeite aan het toezigt op de naauwkeurige uitvoering van den Nieuwe Atlas van Friesland (met zoo veel regt een belangrijk voorwerp van naauwlettende zorg!) mij vooreerst te veel bezig houden, om aan het volbrengen van eene taak te denken, welke met dien Atlas een schoon geheel zou kunnen vormen, de eer en roem onzer heerlijke provincie waardig!

Om deze te bevorderen, en om bij voortduring nuttig te mogen zijn voor mijne landgenooten, wier toegenegenheid ik dankbaar erkenne, daartoe schenke de Algoede mij verder lust, kracht en zegen! Veel, zeer veel blijft er na al het bewerkte nog te verrigten over, om Frieslands geschiedenis en letterkunde zoodanig te behandelen, en uit tot dusverre ontoegankelijke of weinig bekende bronnen voor het algemeen toe te lichten, als de waardigheid vordert van eene provincie en van een volk, wier belangrijkheid ook vreemden meer en meer erkennen, en waaromtrent een beroemd Fransch schrijver mogt getuigen:

Achttien eeuwen hebben den Rijn van loop zien veranderen en de oevers van den Oceaan doen verzwelgen:--het Friesche Volk is staande gebleven, als een historisch gedenkteeken, waardig om zoowel den Franken als Angelsaksers en Scandinaviers gelijke belangstelling in te boezemen.

MALTE-BRUN.

_Eerste Bijlage._

~TIJDREKENKUNDIGE LIJST~ VAN DE VOORNAAMSTE GEBEURTENISSEN DER ~FRIESCHE GESCHIEDENIS~.

EERSTE TIJDVAK.

~OUD FRIESLAND.~

_Van de vroegste tijden tot Karel den groote._

Van het Jaar 11 vóór Chr. tot omstreeks 800 na Christus.

11 jaar vóór onze tijdrekening.

Komst van Drusus in Friesland. De Friezen treden in verbond met de Romeinen.

28 jaar van onze tijdrekening.

Opstand der Friezen tegen Olennius, Landvoogd der Romeinen, wier benden bij het woud Baduhenna geslagen en uit Friesland verdreven worden.

48. Corbulo, in het land der Friezen eene sterkte gesticht hebbende, door Keizer Claudius teruggeroepen.

59. Verritus en Malorix, afgezanten der Friezen, trekken naar Rome, om Keizer Nero over de hun betwiste gronden aan den Rijn te spreken.

69. De Friezen staan de Batavieren bij in den opstand van dezen tegen de Romeinen.

240-455. Trapsgewijze uitbreiding van het land der Friezen, zuidwaarts tot over de Schelde, oostwaarts tot over den Wezer.

250 omstr. De Friezen nemen deel in het Frankische Verbond, doch verlaten het spoedig.

449. Vele Friezen, steken met de Anglen, Saksers enz. over naar Brittannië en vestigen zich in dat land.

463. Begin van der Franken aanvallen op het Friesche rijk.

520 en verv. Invallen der Denen en Noormannen in Friesland.

630. De Franken vestigen zich te Wiltenburg (Utrecht), waar Dagobert I eene kerk sticht, welke in

680 door Koning Radboud I verwoest wordt.

641. Komst van den Evangelie-verkondiger Eligius in Friesland,

677 van Wilfrid, die in

686 gevolgd wordt door Egbert en in

690 door Wigbert en Willebrord.

692. Koning Radboud bij Dorestad door Pepijn van Herstal overwonnen.

696. Stichting van eene nieuwe kerk en het Bisdom Utrecht, door Willebrord.

716. Overwinning van Radboud op Karel Martel bij Keulen.

717, 726 en 736. Karel Martel valt bij herhaling in Friesland tot uitbreiding van het Frankische gezag en ter invoering van het Evangelie.

755. Bonifacius op zijne togten ter verkondiging van het Christelijk geloof te Dokkum met de zijnen vermoord.

775. Karel de groote wordt door de Friezen als Beschermheer aangenomen.

Invoering van het Christendom.

800. Karel de groote, Koning der Franken, als Keizer van het Westen gekroond.

TWEEDE TIJDVAK.

~HET VRIJE FRIESLAND.~

_Van Karel den groote tot Albert van Saksen._