Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken
Part 4
Het gansche noordelijk gedeelte van _Nederland_, hetwelk thans de provinciën _Friesland_, _Groningen_ en _Drenthe_, benevens een deel van _Overijssel_, _Noord-Holland_ en de Zuiderzee uitmaakt, was, bij den aanvang van onze tijdrekening, ~het land der Friezen~. De rivier de Eems aan de oostzijde, en de Reker of Kinhem (bij _Alkmaar_), aan de zuidwestzijde, waren de grenzen van dit land[7]. Daar tusschen bevond zich het groote meer Flevo, met verscheidene grootere en kleinere rivieren, welke uit de hoogere oostelijke en zuidelijke streken door dit lagere land stroomden, om zich uit te storten in de Noordzee. Het waren de IJssel, de Vecht en het Flie, de Middelzee of het Boorndiep, de Lauwers, de Hunse, de Aa, de Fivel en andere stroomen, die alle, meest in noordelijke rigting, den bodem kliefden, vele beken en meren in zich opnamen, en zich een weg gebaand hadden door de duinen. De rij dezer door de natuur tegen de woede des oceaans opgeworpene zeeweringen was daardoor verbroken. De Noordzee had daardoor meer gelegenheid bekomen op deze landen in te breken. Haar geweld sloeg nu eerlang het voorland en daarna een groot deel der duinen zelve weg, waardoor de zeegaten vermeerderd en verbreed werden en de eilanden ontstonden. Zoo had dit land eeuwen lang te strijden met het geweld van stormen en vloeden, die hier groote stukken gronds wegrukten, daar den bodem deden aanwinnen, elders zandruggen en heuvels opwierpen, en de lagere landen met slib overdekten, waardoor de kleigronden zijn ontstaan.
[7] Zie over den loop dier rivieren de hierbij gevoegde _Schets_ en _Aanteekening 1_. Die thans weinig meer bekende en verdwenen rivier de ~Richara~, de ~Reker~ of ~Kinhem~, waarvan _Kennemerland_ zijn naam draagt, welke voor den noordelijksten Rijnmond wordt gehouden, die zich langs _Alkmaar_ bij _Petten_ in de Noordzee stortte, was destijds van veel belang, en verdient hier vooral opgemerkt te worden, dewijl zij als latere grensscheiding in de geschiedenis dikwijls voorkomt. SCHOTANUS, _Beschrijv. end Chronijck_, opdr. en 301, Fran. 1655, noemt haar: "de stroom Alckmaere of Almere, welcke Frieslandt ende Hollandt dies tijdts scheydde." Zie daarover vooral HUYDECOPER op MELIS STOKE, I 515; VAN DEN BERGH, _de Nederl. Wateren_, in NIJHOFF'S _Bijdragen_, VII 208; ACKER STRATINGH, I 197 en OTTEMA, in _de Vrije Fries_, IV 110; W. J. HOFDIJK noemt in zijn _Kennemerland_, 1850, 33: "het _Reeker-wed_, of wadde, (een doorwaadbare, ondiepe waterboezem) die zich van beneden _Koedijk_ tot aan de _Syper_ golf uitstrekte: alzoo eene natuurlijke grens vormende tusschen _West-Friesland_ en 't noordelijkst einde van _Kennemerland_." Zie ook het Jaarboekje: _Holland_, 1851, bl. 175.
De zamenstelling van de tegenwoordige oppervlakte van _Friesland_ levert bij onderzoek nog vele kenmerken op van hare oorspronkelijke vorming. Op een zandbodem rustende, bevat zij vele overblijfselen uit den eeuwenlangen geweldigen strijd van aarde, water en wind, welke na tijden van beroering in rust gekomen schijnen te zijn. Die bezinkingen en laagsgewijze opeenstapelingen getuigen van een woesten water-arbeid en door elkander werking van zand, veen, klei en gemengde stoffen, waarnevens zoo vele sporen zijn van groote watergangen, kolken en meren. Plaatselijke omstandigheden deden hier poelen en lagere streken, elders hooge gronden met kleiruggen ontstaan, waarnaar de stroomen hunne rigting verkregen. Zelfs is het waarschijnlijk, dat het water in _Friesland_ binnen de duinen eertijds boven de eb der Noordzee stond, doch van lieverlede is gedaald na het doorbreken van de duinen en het ontstaan van de eilanden, waardoor de gelegenheid tot afvoer van het uit het zuiden aanstroomende water gunstiger werd. Door die meerdere geulen en uitstroomingen kwam de stand van het binnen- met het buiten-water meer in evenwigt; een grooter gedeelte van den Frieschen grond kwam boven en werd bewoonbaar. Beurtelings gaf en nam zoo de Noordzee, waarmede dit kustland steeds in bestendigen strijd was. Door het dalen van den waterspiegel op Frieslands bodem verkregen de eertijds breede stroomen een grens en wallen, en kwamen de slijkruggen te stade, èn als waterkeeringen tegen de voortdurende overstroomingen, èn als woonplaatsen, welke door het ophoogen tot terpen eerlang de bewoonbaarheid vermeerderden van een land, dat eeuwen later voor het eerst door geregelde, hoewel nog zwakke, zeeweringen werd omgeven[8].
[8] Met genoegen heb ik bij deze globale voorstelling gebruik gemaakt van denkbeelden over den oorspronkelijken toestand der omstreken van _Sneek_, door den Heer J. F. BAKKER, Stedelijk Ontvanger te _Sneek_, onlangs medegedeeld aan de Tweede Afdeeling van het Friesch Genootschap.
3. _De Oude Friezen._
Omstreeks het begin onzer jaartelling werd dit land bewoond door _de Friezen_, welke destijds reeds in twee stammen verdeeld waren, waarvan de _Groote Friezen_ ten oosten en de _Kleine Friezen_ ten westen van den Fliestroom woonden. De eerste hadden de Cauchen ten oosten, de laatste de Frisiabonen, Caninefaten, Batavieren, Marsaten en andere stammen ten zuiden, tot naburen[9]. De gezinnen, familiën en horden, welke dezen Germaanschen volksstam uitmaakten, hadden welligt reeds lang een zwervend herdersleven geleid, vóór zij zich vestigden op deze kustlanden, waar de natuur toen anders nog weinig aanlokkelijks had. Zoo ver het oog reikte, bestond toch de bodem meest uit waterige landen of schorren, welke, allerwege doorsneden met killen, meren en poelen, dagelijks bij elk getij onderliepen. Nog vertoonde het land eene woeste natuur, eene onvruchtbare oppervlakte. Lang bleven de noordelijke, in de nabijheid der zee gelegene, landen zoo laag en moerassig, dat de Friezen met hun vee ze enkel des zomers konden bewonen. Zij waren alzoo verpligt in het najaar de hooger gelegene, min vruchtbare, doch veiliger zandstreken en wouden van _Gaasterland_, _Opsterland_, de _Stellingwerven_ en _Drenthe_ op te zoeken, ten einde daar te overwinteren.
[9] Omtrent de oorden, door die volksstammen bewoond, zie men de vermelde _Schetskaart_.
Doch ten gevolge der veelvuldige overstroomingen van de zee werden de noordelijke landen van tijd tot tijd met een vetten kleibodem overdekt en verhoogd. Die meerdere vruchtbaarheid van den grond boven die der zandstreken lokte hen uit, zich daar meer te vestigen. Aan groote gevaren stelden zij zich echter daarbij bloot, dewijl zij immer met de hooge vloeden der zee hadden te kampen. Daarom wierpen zij op hooge plaatsen, meest in de nabijheid van de kust der Noordzee en der Middelzee, met gemeenschappelijke krachten die talrijke heuvels of terpen op, welke nog in _Friesland_, _Groningen_ en elders onze bewondering verdienen. Op deze wijkplaatsen of vliedbergen, welke van tijd tot tijd verhoogd werden en waarin ze ook de aarden lijkbussen hunner afgestorvenen begroeven[10], sloegen zij hunne woningen op. Nog waren dit slechts hutten van takken, rijswerk en leem zamengesteld. Hunne kleeding bestond nog in eene beestenvacht, welke zij om hunne forsch gebouwde leden heensloegen. Als in een natuurstaat leefden zij hoogst eenvoudig. Eerst waren het vischvangst en jagt, vervolgens veefokkerij en landbouw, welke in hunne weinige behoeften voorzagen, en hun de noodzakelijkste huishoudelijke voorwerpen verschaften. Onder den invloed van goede zeden, werden zij bestuurd door de oudsten der gezinnen en des volks, die tevens voorgangers of priesters waren bij de vereering van de heidensche Goden, aan welke zij op geheiligde plaatsen en in bosschen godsdienstige eer bewezen en de offers hunner dankbaarheid toebragten.
[10] Zie _Oude Friesche Wetten_ in de Aantt. van P. WIERDSMA, 95, en verder bl. 277, 278 en 295 van het 1e dl. mijner _Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden_, waar meerdere bijzonderheden en bronnen zijn vermeld, welke ik hier zeker niet behoef te herhalen.
Zeker was het een krachtig en moedig volk, dat zich, in weerwil van zoo vele moeiten en gevaren, zulk een oord tot eene geschikte woonplaats wist te bereiden. Doch niet zelden ziet men een volk, begaafd met oorspronkelijke deugden, door aanhoudende inspanning zijner vermogens, van de ongenade der natuur wenschelijker vruchten trekken dan van hare liefelijkste weldaden. Reeds hadden zij in dit afgezonderd oord lang gewoond, en waren ze talrijk en magtig geworden, toen eene belangrijke gebeurtenis eene groote verandering in hunnen toestand te weeg bragt. Zij kwamen voor het eerst in aanraking met een vreemd en beschaafd volk.
4. _Der Friezen verbond met- en opstand tegen de Romeinen. (11 jaren voor- en 28 na Christus.)_
Het was den Romeinen niet genoeg, reeds vele volken van het oosten overwonnen- en ook _Gallië_ (_Frankrijk_), _België_, de Batavieren en andere Germaansche stammen aan zich onderworpen te hebben. Met onbegrensde zucht tot uitbreiding van hun gebied, wilden zij, na den Rijnstroom als eene versterkingslinie met legerplaatsen bezet te hebben, ook de rustige volken van het noordelijk _Germanië_ ten onder brengen. Het was hun veldheer DRUSUS, die (11 jaren voor den aanvang onzer tijdrekening) met dat oogmerk den Rijn afzakte, en, met zijne schepen langs het land der Friezen trekkende, dit volk voor het eerst leerde kennen. Hij onderwierp het in zoo verre aan het Romeinsche gezag, dat hij een verbond van vriendschap met hen sloot, waarbij zij beloofden, jaarlijks een zeker getal ossenhuiden aan de Romeinen op te brengen.
Getrouw voldeden de Friezen aan deze belofte, en bleven daardoor in goede verstandhouding met de Romeinen, die, om de zee te vermijden, verscheidene kanalen in dit land groeven ter verbinding van de rivieren, waarover hunne vlooten daarna vele malen door _Friesland_ stevenden. Maar, toen in het jaar 28 van onze jaartelling een wreede landvoogd, OLENNIUS, met de invordering van die schatting belast was, eischte hij eene grootere soort van ossenhuiden, dan zij konden leveren. Tegen zulk eene baatzuchtige handelwijze verzette het volk zich eerst niet. Doch, toen hij voortging hen te kwellen, en zich zelfs van hunne bezittingen, vrouwen en kinderen meester maakte,--toen stonden de Friezen tegen de Romeinen op en begonnen zij den regtvaardigsten strijd. Met al de woede van een getergd volk vielen zij op hunne onderdrukkers aan, versloegen de Romeinsche krijgsknechten, en belegerden hun bevelhebber, die in de sterkte _Flevum_, gevlugt was. Te vergeefs werd dit kasteel door de moedige, doch in de krijgskunst nog onbedrevene Friezen aangevallen. Weldra kwam nu een ander Romeinsch krijgshoofd, APRONIUS, met eene talrijke magt ruiters en keurbenden tot ontzet opdagen. Doch het volk trok ook deze nieuwe vijanden te gemoet, met zulk een gelukkig gevolg, dat zij op verschillende punten deels teruggedreven, deels verslagen werden; terwijl op éénen dag bij een gewijd bosch, _Baduhenna_ geheeten, 900 en op eene andere plaats 400 Romeinen door de handen der getergde Friezen den dood vonden.
Deze nederlaag kostte zoo vele Romeinen, en daaronder vele dappere oversten, het leven, dat de tijding daarvan Keizer TIBERIUS ontzette, hoewel hij de schade ontveinsde, omdat hij het niet durfde wagen de schande zijner wapenen te wreken. De Romeinsche Geschiedschrijver, die deze gebeurtenis verhaalt, voegt er bij: _Sinds dien tijd werd de Friesche naam vermaard onder de Germanen._ (Zie _Aant. 2_.)
Sedert hebben de Romeinen de Friezen ongemoeid gelaten; ook later deden zij geene poging, om zich over deze nederlaag te wreken. Wèl kwam twintig jaren daarna hun veldheer CORBULO hier op nieuw, om eene bezetting in _Friesland_ te leggen, doch spoedig ontving hij van Keizer CLAUDIUS bevel, om over den Rijn, als de grens des rijks, terug te trekken.
Roemrijk was alzoo deze overwinning van een klein en afgelegen volk op de wereld-dwingende Romeinen, die gewoon waren altijd te zegepralen en nooit eene nederlaag te lijden, en die der Friezen naburen, de Cauchen en Batavieren, nog zoo lang al de zwaarte der Romeinsche overheersching deden gevoelen. Het was destijds een even zeldzaam als merkwaardig blijk van heldenmoed en vrijheidsmin, hetwelk den Friezen een eervollen rang bezorgde in de geschiedenis der volken. Indien alle voorvallen uit de vroegste geschiedenis van een volk, gelijk uit de kindsche jaren van een groot man, belangrijk zijn, als middelen ter hunner ontwikkeling en volgende grootheid, dan is dit hier vooral het geval. Vandaar het schoone gezegde van onzen Frieschen dichter WILLEM VAN HAREN:
_O Dapperheid! o Deugd! Tot nog toe zag de zon Geen volk, welks heerschappij zóó zegerijk begon.-- Ziedaar, hoe dat een volk, nog niet verwijfd van zeden, Het onregtvaardig doel zeeghaftig kan weêrstaan Van die de handen durft aan zijne Vrijheid slaan!_[11]
[11] Even als de volgende dichtregelen, uit het vermelde heldendicht _Friso_.
5. _De Gevolgen van der Friezen verkeer met de Romeinen._
Voorzeker is het altijd eene groote ramp voor een volk, zijne onafhankelijkheid te verliezen, en veroverd of verdrukt te worden door eene andere en vreemde natie. Evenwel kunnen zulke rampen in de uitkomst dikwijls in zegeningen verkeeren, als ze in de hand van God middelen zijn tot ontwikkeling en vordering in beschaving. In bestendigen vrede rustig op zich zelf staande, blijft een volk veelal lang in den zelfden toestand, zonder ongemeene inspanning van krachten, welke alleen vooruitgang kan bevorderen. Doch verkeer en strijd met andere volken, die reeds lang hooger stonden in kennis en beschaving, was dikwijls eene leerschool tot verbetering van den maatschappelijken toestand. Daarom is het zoo belangrijk de ~gevolgen~ na te gaan van elke groote gebeurtenis en ook van deze.
Zoolang de Friezen als in den natuurstaat verkeerden, waren hunne behoeften gering en hunne kleeding, woningen en levenswijze zeer eenvoudig. De Romeinen, die eene grootsche stad bewoonden, en ook in het oosten de weelde van onderscheidene volken mogten leeren kennen, hadden veel meerdere behoeften, welke zij ook hier zoo veel mogelijk wilden bevredigd zien. Zij werden dus de leermeesters der Friezen in het verbeteren van hunne woningen, huishoudelijke zaken, kleeding, spijzen enz. Deze voorzagen de Romeinen van levensmiddelen, en ruilden daartegen van hen allerlei voorwerpen in, ook tegen gemunt geld, zoodat er handel ontstond, mede met naburige volksstammen. Want ook het aanleggen van wegen en het verbeteren van de gemeenschap te water leerden zij van de Romeinen, wier talrijke vlooten, herhaalde malen door hun land trekkende, hun een denkbeeld gaven van scheepsbouw en scheepvaart. Vele zaken leerden zij kennen, waarvan zij vroeger geen begrip hadden, vooral ook het ijzer en andere metalen, die spoedig tot de noodzakelijkste behoeften behoorden.
Nadat hun vee een voorwerp van handel was geworden, vond de veefokkerij groote aanmoediging. Doch van uitstekende waarde was de dienst, welke de Romeinen hun bewezen, in het verbeteren en uitbreiden van den akkerbouw, en door hun werktuigen en gereedschappen te verschaffen, om hier koren te bouwen, dat tot dusverre voor de legers veelal uit _Brittannië_ werd gehaald. Dit was van gewigtigen invloed. Doch niet slechts als levensmiddelen en voorwerpen van handel gaven de veldvruchten voordeelen. De bearbeiding van den grond gaf aan meerdere handen werk. Die grond verkreeg grootere waarde. De eigendom werd gevestigd. De bezitter werd meer gebonden aan de hoeve, die hij bebouwde, dan vroeger, toen hij dáár henen trok, waar hij de beste weiden voor zijn vee vond. De gehechtheid aan dien grond en aan het vaderland werd versterkt, zoodat de opofferingen ligter vielen, om dat land eerlang tegen de herhaalde overstroomingen der zee door dijken te beveiligen, waarmede de Romeinen elders reeds een aanvang maakten. In één woord: de eerste aanleiding tot nijverheid en handel, tot welvaart en maatschappelijke vereeniging, tot onderling leven en verkeer, en tot eenige meerdere kennis en beschaving, werd verkregen of bevorderd ten gevolge van het verkeer met de Romeinen. (_Aanteekening 3._)
De ramp, welke de Friezen door het verlies van hunne onafhankelijkheid scheen te treffen, werd hun alzoo tot zegen, en tot eene oorzaak van verbetering en uitbreiding van hunne middelen van bestaan en tot ontwikkeling van hun verstand en bekwaamheden. Zoo leert de geschiedenis dikwijls de waarheid van de woorden des dichters:
_Des Hemels God, schoon Hij der menschen dwaasheên duldt, Laat door het Kwaad somtijds het Goede zijn vervuld, En, spottend met den weg van zwakke stervelingen, Doet uit hun dwaasheid zelf wel nut en heil ontspringen._
6. _Der Friezen Afgezanten te Rome. (59)_
Een opmerkelijk voorval strekt ons ten bewijze, dat de Friezen, ondanks het voorgevallene, goede Bondgenooten van de Romeinen waren gebleven.
Eenige bouwlanden, aan de boorden van den Rijn gelegen, en aan de Romeinsche soldaten ten gebruike afgestaan, waren een tijdlang onbebouwd gebleven en daarom door de Friezen ingenomen en gebruikt geworden. De bevelhebber van _Neder-Germanië_ beval hun echter deze oorden te verlaten. Hieruit ontstond een geschil van zóó veel belang, dat de Friezen het wel der moeite waardig achtten, twee hunner opperhoofden, door de Romeinen VERRITUS en MALORIX genoemd, ten jare 59, tot hen te zenden, ten einde hunne belangen aan Keizer NERO voor te dragen. Zij reisden naar _Rome_; doch vóór zij gehoor bij den Keizer konden bekomen, bragt men hen in den schouwburg van POMPEJUS. De eenvoudige Friezen begrepen weinig of niets van de voor hen vreemde schouwspelen. Onder de menigte toeschouwers bemerkten zij evenwel eenige personen in uitheemsch gewaad, die op de hooge zetels van de Romeinsche Raadsheeren waren gezeten. Op hunne vraag, wie dat waren, ontvingen zij tot antwoord, dat het gezanten waren van volken, die bekend stonden, in dapperheid, trouw en vriendschap jegens de Romeinen uit te munten, en aan wie dáárom deze eer werd bewezen. »Geen volk onder de zon overtreft de Friezen in dapperheid en trouw," antwoordden VERRITUS en MALORIX, en, hunne plaatsen verlatende, zetten zij zich ongenoodigd naast de vermelde gezanten neder. Zij gaven daardoor een blijk van fierheid en volkstrots, zoowel als van zelfstandigheid en eergierigheid; eigenschappen, welke te allen tijde kenmerken van der Friezen aard en karakter zijn gebleven. De wellevende Romeinen merkten daarin opregtheid en loffelijken naijver op; zelfs de wreede Keizer NERO duidde hun deze handelwijze niet ten kwade: want, ofschoon hij hun verlangen, om de in bezit genomene gronden te behouden, niet kon toestaan, schonk hij hun beide het Romeinsche burgerregt, als een uitnemend eerbewijs[12].
[12] TACITUS, _Jaarboeken_, 13, 310. Dat hunne namen in het Friesch GERRIT en MURK waren, zoo als YPEIJ, I 161, wil, is waarschijnlijker dan de meening van WINSEMIUS, 24, dat ze van het geslacht HERMANA en CAMMINGHA zouden geweest zijn. Familienamen en Wapens schijnen hier toch eerst omstreeks den tijd der kruistogten in de 11e eeuw te zijn aangenomen.
7. _Uitbreiding van Friesland. (240-455)_
Het verkeer met de Romeinen had niet enkel der Friezen behoeften vermeerderd, maar ook hunne zucht opgewekt, om hun land te vergrooten. Het vorige verhaal geeft reeds een blijk hoe grooten prijs zij op landbezit stelden ten behoeve van hunnen akkerbouw, en hoeveel moeite zij zich gaven, om hun gebied uit te breiden. Eene groote verandering in den toestand veler volken van _Europa_ gaf eerlang aanleiding, om die zucht voedsel te geven en te bevredigen. Want de Romeinen, nadat zij eenmaal ten top van grootheid en magt waren gestegen, verzwakten onder hunne laatste slechte en heerschzuchtige Keizers, en vielen in den haat der volken, welke zij lang verdrukt hadden. Deze waren intusschen magtiger geworden, en ondersteunden ook elkander, om _Rome_ tegenstand te bieden. Zoo verleenden de Friezen omstreeks den jare 70 hulp aan hunne zuidelijke naburen de Batavieren, hoewel deze niet zoo gelukkig slaagden, als zij vroeger, in de afschudding van het Romeinsche juk. Meer andere stammen trachtten zich allengs van _Rome_ los te scheuren; bovendien vielen ook vele uit het oosten aanrukkende volken op het Romeinsche rijk aan. Eerlang had dit eene algemeene volksverhuizing ten gevolge.
Opmerkelijk was vooral in het midden van de derde eeuw het verbond van een aantal volken, tusschen den ~Rijn~, de ~Noordzee~, de ~Elbe~ en de ~Main~ woonachtig. Onder den naam van _Franken_ of Vrijen was hun doel het herwinnen van hunne onafhankelijkheid, door het verdrijven van de Romeinen uit deze streken; alsmede om zich-zelven te vestigen in hun gebied, vooral in het meer vruchtbare _Gallië_. Dit doel gelukte hun na langen strijd, en de naam van het tegenwoordige _Frankrijk_, dat zij veroverden, draagt daarvan nog getuigenis.
Eerst namen de Friezen deel in dit verbond; doch zij waren te gehecht aan hun eigen land, om dit te verlaten, en zich aan de kansen van een twijfelachtigen strijd te wagen. Liever maakten zij van deze algemeene beweging gebruik tot het uitbreiden van hunne eigene grenzen, waartoe hun zoo gunstige gelegenheid werd aangeboden. »Het vuur der vrijheidsmin ontvlamde de Friezen niet minder dan de Franken. Door deze hun aangeboren zucht voor vrijheid boden zij telkens, wanneer zij door andere volken werden aangevallen, met weergâloozen moed, een onverzettelijken tegenstand, en gebeurde het niet zelden, dat zij, hunne vijanden overmannende, dezelve aan zich cijnsbaar maakten, in de meening van door de aanvallen op hen gedaan, daartoe volkomen regt te hebben. Werkelijk hebben zij in dit tijdperk veroveringen van dien aard op hunne naburen gemaakt, waardoor hunne heerschappij zich allengs tot eene groote uitgestrektheid heeft uitgezet"[13]. Zuidwaarts breidden zij zich alzoo over den ~Rijn~ en de ~Maas~ tot aan het ~Zwin~ of het ~Sincfal~, een zeeboezem in _West-Vlaanderen_, uit[14], en oostwaarts over de ~Eems~ tot den ~Wezer~ of zelfs verder, welke laatste streken door de Cauchen en andere stammen waren verlaten[15]. Evenzoo deden de Saksers, welke de landen ten oosten en zuiden daarvan in bezit namen, en soms in verbond traden met de Friezen. Tusschen de jaren 240 en 455 bekwam het Friesche rijk alzoo eene groote uitgestrektheid langs de kust der ~Noordzee~, bevattende alstoen een gedeelte van het tegenwoordige _Vlaanderen_, _Zeeland_, _Holland_, _Utrecht_, _Gelderland_, _Overijssel_, _Friesland_, _Groningen_, _Drenthe_, _Oost-Friesland_, _Oldenburg_ enz., met de landen, later door de ~Zuiderzee~ ingenomen. Ten gevolge van al die verhuizingen waren er dus in het midden der vijfde eeuw in het noordwestelijk gedeelte van _Europa_ drie magtige vrije volken gevestigd: de _Franken_, de _Friezen_ en de _Saksers_. (_Aanteek. 4._)
[13] YPEIJ, _Geschiedenis der Nederl. Taal_, I 150.
[14] Het ~Zwin~, oudtijds het ~Sincfal~ en later het ~Hazegat~ geheeten, komt in vele oude wetten en geschriften als de toenmalige grens van _Friesland_ voor. Het is de eertijds breedere inham en haven der stad _Sluis_ benoorden _Brugge_, welke _nog_ de grensscheiding tusschen _Nederland_ en _België_, of tusschen het vaste land van _Zeeland_ en _West-Vlaanderen_ uitmaakt. BLOMMAERT in zijne _Aloude Geschiedenis der Belgen_, Gent 1849, 20, en VAN DEN BERGH in NIJHOFF'S _Bijdragen_, VII 282, spreken uitvoerig over dezen grensstroom, die zich tot _Damme_ uitstrekte, en in de 13e eeuw eene der voornaamste havens niet slechts dezer landen, maar van gansch _Midden-Europa_ was. Zie ook ACKER STRATINGH, I 114 en de kaart; DRESSELHUIS, _de Provincie Zeeland_, 76 enz.
[15] Sommige schrijvers zeggen zelfs stellig: "tot over de Elve en dus tot op de grenzen van _Denemarken_." Zie JOH. A LEIDIS _Chronicon_, lib. II cap. 15; VAN LOON, _Aloude Regeeringwijs van Holland_, I 106, enz.
8. _Der Friezen togt naar Brittannië. (449)_