Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken

Part 39

Chapter 393,374 wordsPublic domain

Doch onnaauwkeurige voorstellingen van Friesche zaken bij de Hollandsche geschiedschrijvers zijn zeer algemeen. Zoo vond ik, bij het lezen van een aantal boeken ten behoeve der behandeling van dit werk, mij ook bitter teleurgesteld, dat ik in de beroemde Geschiedenis van het Nederl. Zeewezen, van Jhr. Mr. _J. C. de Jonge_, niets vond van de voor dat tijdvak zoo hoogst belangrijke Zeetogten der Hollandsche Graven naar Friesland; geen woord van de togten van Graaf _Floris V_ in 1286 en 1292 over de pas ontstane en voor de uitbreiding van het zeewezen zoo belangrijke Zuiderzee, bepaaldelijk om _Stavoren_ te winnen; geen woord over den belangrijken zeetogt van _Willem IV_ in 1345 derwaarts, en geen verhaal, maar slechts eene aanhaling van de verbazende toerustingen van _Albrecht van Beijeren_, in 1396 env. waaromtrent er in de Hollandsche en Friesche Charterboeken zoo vele belangrijke stukken en bij de geschiedschrijvers zoo talrijke berigten voorkomen. Voor zoover die mij, als ongeletterde, bekend zijn, heb ik ze opgenoemd in de Geschiedk. Beschrijv. van Leeuwarden, I 55 en 303, en verwijs ik derwaarts, om niet in noodelooze herhalingen te vallen. Later vond ik daarvan eene uitvoerige beschrijving in de Vaderl. Chronyk, Leijd. en Amst. 1784, 296-911 of het einde, waarvan ik echter geen gebruik meer heb kunnen maken. Ik blijf die togten steeds beschouwen als een zeer merkwaardig punt in de geschiedenis van _Holland_ zoowel als van _Friesland_, hetwelk grootelijks verdiende nader te worden opgehelderd. Ook daarom heb ik deze herhaalde togten, door velen dikwijls met elkander verward, bij eene nadere omwerking meer uitgebreid, en zelfs breeder dan het overig gedeelte van dit werk voorgesteld.

_Aant. 14_, op _bladz. 128_.

_De toestand van Friesland in de 15e eeuw_

moge hier donker gekleurd voorkomen,--ieder, die de bijzonderheden daarvan bij onze historieschrijvers wil nagaan, zal mij moeten bijvallen, dat die toestand destijds deerniswaardig was. Ik heb dien ook kortelijk vermeld in de Geschiedk. Beschrijv. I 76, 105 en dáár bij meerdere aangehaalde schrijvers ook gewezen op het belangrijk tafereel, door _Kempo van Martena_ daarvan opgehangen (Charterb. II 3). _Peter_ en _Worp van Thabor's_ Kronyken; de Geschriften van _Jancko Douwama_; _Westendorp_, Jaarboek van Gron. II; _van Halmael's_ Schieringers en Vetkoopers en Ats Bonninga; tallooze plaatsen in het Charterboek en vele andere werken, welke ik zou kunnen aanhalen, mogen het bevestigen.

_Aant. 15_, op _bladz. 135_.

_De Saksische Regering_,

hoe kort die ook duurde, heeft zeker een zeer gunstigen invloed gehad op den staatkundigen, stoffelijken en burgerlijken toestand van _Friesland_. _Het voordeel, hetwelk de Friezen trokken uit de overheersching van Albrecht van Saxen_, is door den Heer _J. D. Ankringa_ opzettelijk aangewezen in eene voorlezing, geplaatst in de Vrije Fries, IV 379. Hij noemt daarin als de voornaamste voordeelen: 1^o. de verdrijving van kwaadwillige vijanden, bijzonder van de hatelijke Groningers; 2^o. de orde en regelmaat van bestuur en het daaruit voor ieder voortspruitend ongestoorde genot van zijne bezittingen, vooral door de invoering van den Provincialen Raad en Geregtshof, waardoor de behandeling van zaken en de regtspleging op een goeden voet gebragt werden; 3^o. eene betere beveiliging van de zee, door het verbeteren van de sluizen en zeeweringen te bevelen, waardoor de overstroomingen later zijn verminderd, en 4^o. vermeerdering van vruchtbare landerijen, door het bedijken van _het Bildt_.--Het breidelen en vernietigen van de partijschappen der Schieringers en Vetkoopers, waardoor er rust en eenheid onder de Friezen ontstond, en het vereenigen der drie, vroeger op zich zelven staande en elkander vaak vijandige, Gooën, als _Oostergoo_, _Westergoo_ en _Zevenwouden_ tot één geheel, door één belang verbonden, voeg ik daarbij, als voordeelen van niet minder gewigt. In de Geschiedk. Beschrijv. I 105-136 heb ik de mij bekende schrijvers over dit tijdvak opgenoemd. Thans ben ik bijna geheel _Martena's_ Landboek gevolgd.--Uit al het vorenstaande blijkt, dat de regten en vrijheden des volks in vele opzigten door den Saks werden geëerbiedigd, en dat het eigenlijk te veel gezegd is, wanneer men het Saksische _bestuur_ eene overheersching noemt, en de vrijheid der Friezen als verloren beschouwt. Dit denkbeeld is mede reeds bestreden door _Stellingwerf_ in het aangeh. zeldzame Polityck Discours, bl. 24. De verdere ontwikkeling hiervan zou te dezer plaatse tot te groote uitvoerigheid leiden, doch verdiende weleens nader in het licht te worden gesteld. Wanneer het volk werkelijk was overwonnen geweest, had de Saks ook de magt gehad om het Leenstelsel hier in te voeren. Doch in den Keizerlijken giftbrief was zijn gezag als Erf-Potestaat of Gubernator beperkt, en bleven de Friezen, onder de bescherming des rijks, in het bezit van hunne vroegere voorregten, welke daarin erkend werden. Zie Charterb. I 786 env.

_Aant. 16_, op _bladz. 146_.

_Groote Pier._

Veel is over dezen merkwaardigen man geschreven, zonder dat er nog van hem eene volledige levensbeschrijving is bewerkt. Ik hoop daartoe nieuwe bijdragen en oogpunten te hebben geleverd, na vroeger in het Mengelwerk der Leeuw. Cour. van 1834, N^o. 20, hierover iets te hebben gegeven. Voor hem, die dit onderwerp nader zou willen behandelen, verwijs ik (buiten de in de noten aangehaalde) naar de volgende schrijvers: _Scharlensis_, 113; _Winsemius_, 421; _Schotanus_, 567, 607 env.; _Sybe Jarichs_, Corte Chronyck in de Analecta van Brouërius van Nidek, 461; _Eggerik Beninga_, Hist. van Oostfriesl. in Matthæus, Analecta, IV 550; _Foeke Sjoerds_, Beschrijv. I 818; Levensb. van verm. Mannen, I 45; _Kok_, Vad. Woordb. XIV 16; _Halma_, Toneel der V. Ned. 382; Neêrl. Heldendaden ter Zee, I 92; _Napjus_, Sneek, 40; _Gabbema_, Leeuw. 336, 342; _van Leeuwen_, Kronyk, 152, 435; _Greidanus_, Naaml. der Franek. Pred. 64; benevens eene verh. in de Prov. Friesche Cour. 1851, N^o. 6 env. het uitvoerigste en beste stuk over dit onderwerp.

De krijgsbedrijven van _Groote Pier_ heb ik met opzet eenigzins uitvoeriger behandeld, omdat het algemeen gevoelen over dezen persoon zoo onbestemd of liever zoo ongunstig is, vooral bij Hollandsche schrijvers. De door mij zoo hoog geachte Jhr. Mr. _de Bosch Kemper_ noemt hem in zijn voortreffelijk werk: Geschiedk. Onderzoek naar de Armoede in ons vaderland, Haarlem 1851, bl. 69, nog: "de Geldersche Zeeroover _Groote Pier_." Even verkeerd is de voorstelling van den Heer _D. R. Erdbrink_ te Enkhuizen, in het Leeskabinet voor Mei 1852, ook als hij meent, dat _Pier_ de Saksische Zwarte Hoop, groot 3 à 4000 man, in 1517 op zijne vloot van _de Lemmer_ naar _Noord-Holland_ zou hebben overgevoerd.

_Aant. 17_, op _bladz. 155_.

_Worp van Thabor's Kronyk_

bestond tot dusverre alleen in Handschrift, en wel in verscheidene ex. op verschillende plaatsen. Dr. _J. G. Ottema_ heeft van alle bekende ex. een uitvoerig verslag gegeven in de Vrije Fries, III 105, waarna het Friesch Genootschap de drie eerste, in het latijn geschrevene, boeken in 1847 heeft uitgegeven, onder den titel van Worperi Tyaerda ex Renismageest, Chronicorum Frisiae libri tres. Het vierde boek, in het nederduitsch van dien tijd geschreven, is in 1850 en 1851 gevolgd onder den titel van: Kronijken van Friesland, bevattende de geschiedenis van de vijftiende eeuw. De door mij gegevene uittreksels zijn genomen uit het 1e boek, volgens eene vertaling van den Hoogleeraar _P. J. Veth_, die in den elfden jaarg. van de Gids, bl. 552, een aanprijzend verslag van deze belangrijke Kronyk heeft gegeven. Van den schrijver is weinig meer bekend, dan dat hij zich naar zijne geboorteplaats _Rinsumageest Worp van der Geest_ noemt, en eerst Monnik, daarna Supprior, vervolgens Procurator en in 1523 Prior was van het bekende klooster _Thabor_, onder _Tirns_ nabij _Sneek_, waarin hij in 1538 is overleden. Men verwarre zijn werk echter niet met de Kronyk of Historie van Vriesland, door _Peter Jacobsz. van Thabor_ of _Petrus Thaborita_, door _Visser_ en _Amersfoordt_ uitgegeven in het Archief voor Vaderlandsche, en inzonderheid Vriesche Geschiedenis, Oudheid-en Taalkunde, Leeuw. 1824-28, 3 st., welk niet minder belangrijk werk ik ook veelmalen heb geraadpleegd.

Eene dergelijke, doch uitvoeriger, algemeene beschrijving van _Friesland_, van omstreeks eene halve eeuw later, bevat het eerste boek van _Ubbo Emmius_, Rerum Frisicarum Historia, waarvan de eerste druk is van Franeker, 1596. Eene andere, kortere algemeene beschrijving van _Friesland_ is in 1616 gegeven door Do. _J. Bogerman_, destijds Predikant te _Leeuwarden_, in de opdragt van zijn werkje: Praxis verae poenitentiae, door Dr. _J. G. Ottema_ vertaald medegedeeld in de Vrije Fries, II 215. Al deze beschrijvingen zijn, even als zoo vele verzen van _Starter_ van dien tijd, hooggestemde lofredenen op dit land, hetwelk _Bogerman_, wegens overvloed van ligchamelijke en geestelijke zegeningen, (toen reeds) _een dal van vettigheid_ noemde.

_Aant. 17 (moest zijn 18)_, op _bladz. 159_.

_De beroemde Friezen_,

uit omstreeks het midden der 16e eeuw, in den tekst vermeld, waarbij ik nog vele andere had kunnen voegen, komen bijna allen, met min of meer uitvoerige levensschetsen, voor in het werkje van _Suffridus Petrus_, de Scriptoribvs Frisiæ, geschreven en voor het eerst uitgegeven te Keulen in 1593. Voorzeker baart het groot getal personen, in de tien laatste decaden van dit werkje vermeld, verwondering, in vergelijking met het getal beoefenaren der wetenschappen, welke andere provinciën des vaderlands, zelfs _Holland_, tot 1593 hadden opgeleverd.

_Aant. 19_, op _bladz. 166_.

_De Geschiedenis der Kerkhervorming in Friesland_

is in 1842, voortreffelijk bewerkt, uitgegeven door _E. J. Diest Lorgion_, waar meer uitvoerige berigten, dan ik hier en vervolgens kon mededeelen, worden gevonden. Vele oorzaken en aanleidingen van de reformatie in dit gewest zijn mede uit allerlei bronnen nagespoord en grondig behandeld in het uitmuntende werk: Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland, door _S. Blaupot ten Cate_, Leeuw. 1839, alsmede in het belangrijk werk: De Doopsgezinden en hunne herkomst, van _J. H. Halbertsma_, Dev. 1843. Nog andere wetenswaardige berigten omtrent dit tijdvak en de latere geschiedenis van de Lutherschen in _Friesland_ en te _Leeuwarden_ komen voor in de Bijdragen tot de geschiedenis der Evang.-Luthersche Kerk in de Nederl. verzam. door _J. C. Schultz Jacobi_ en _F. J. Domela Nieuwenhuis_, Utr. 1844, 5e stuk, bl. 166. Wie dus omtrent de voorvallen van dit merkwaardige tijdperk nader wenscht ingelicht te worden, zal daartoe in genoemde werken ruime gelegenheid vinden.

_Aant. 20_, op _bladz. 118_.

_De Verbondene Edelen._

De hoofdbron der geschiedenis van dit onderwerp is en blijft nog steeds het belangrijke werk van den Hoogl. _J. W. te Water_, Historie van het Verbond en de Smeekschriften der Ned. Edelen, Middelb. 1776-96, 4 st. waarvan de Geschiedenis der Watergeuzen, van Do. _A. P. van Groningen_ een waardige tegenhanger is. Ik acht mij echter verpligt, hier bijzonder te vermelden, dat het eerste werk voor geene provincie van meer gewigt en belang is dan voor _Friesland_. Eensdeels, omdat het getal Edelen, welke daarin met kortere of langere levensschetsen vermeld zijn, uit deze provincie daarin vier maal grooter is dan van de overige 16 provinciën, en alzoo blijk levert zoowel van de talrijkheid als de vrijheidszucht van den toenmaligen Frieschen Adel;--anderdeels, omdat de berigten aangaande de geslachten en verrigtingen dezer bondgenooten daarin het meest uitvoerig zijn behandeld, ten gevolge der talrijke mededeelingen, welke de schrijver mogt ontvangen van de Heeren _Ulbe_ en _Eduard Marius van Burmania_, welke van zoo veel belang waren, dat hij dáárom zijn werk aan laatstgenoemden Oudheidkundige uit dankbaarheid opdroeg, terwijl die hulp in de opdragt eervol wordt vermeld.

Na ruim twintig jaren tijdsverloop herinner ik mij thans nog met veel genoegen, dat mijn edele begunstiger en vriend wijlen Jhr. _I. Æbinga van Humalda_ mij in 1828 met dit werk bekend maakte, en dat ik toen, na herhaalde lezing, van die 108 Friesche Verbondene Edelen biographische Tabellen vervaardigd- en met vele bijzonderheden uit andere schrijvers en geslachtlijsten aangevuld heb. Uit vrees van nog niet in staat te zijn iets goeds te kunnen leveren, kon ik toen niet bewilligen in het aanbod van Do. _J. H. Halbertsma_, om deze tabellen voor mij uit te geven.

Doch _Friesland_ heeft nog eene andere betrekking op dit onderwerp, welke ik hier mede gaarne herinner, omdat het een der sieraden onzer Nederlandsche letterkunde geldt. Nog vóór _te Water_ dit onderwerp historisch toelichtte, heeft Jhr. _Onno Zwier van Haren_, in zijne afzondering te _Wolvega_, de verdiensten dier Edelen en bijzonder der Watergeuzen, door de dichtkunst verheerlijkt. In een ruwen vorm verschenen in 1769 voor het eerst zijne verzen: Aan het Vaderland, later en vooral in 1776 veel vermeerderd en verbeterd herdrukt onder den titel van: de Geuzen. Na zoo herhaalde lezing van dit heerlijk dichtstuk, door zulke belangrijke aanteekeningen toegelicht, zou ik zeer wenschen, dat het, vooral in _Friesland_, meer algemeen bekend ware. Wetenschap en kunst zijn daarin vereenigd en met zoo vele streelende vaderlandsche herinneringen vereenzelvigd, dat het verstand en hart, gevoel en smaak te zamen goed doet. Ik heb daarover, in verband met het leven des vereerden dichters, meer uitvoerig gehandeld in den Friesche Volks-Almanak voor 1837, 50.

_Aant. 21_, op _bladz. 222_.

_De Friesche Staatstwisten_,

welke, na de vroeger in den tekst reeds vermelde geschillen, bijzonder tusschen de Landen en Steden, over het bekomen van den vierden stem in den staat, vooral sedert 1593, gevoerd zijn, vindt men vrij uitvoerig medegedeeld in de volgende werken: _Winsemius_, Chronique, 820, 828, 847-871, 891, 898;--_van Reijd_, Ned. Oorlogen, 200, 410, 418;--_van den Sande_, Ned. Hist. ten vervolge op _van Reijd_, 29, 57, 69, 98, 121, 162, 173, 178, 186, 197, 205;--Charterboek, V 164, 274, 278, 333, 341, 358, 367;--Register op de Staats-resolutiën, 411, 478, 511, 695;--_van Aitzema_, Saken van Staet en Oorlogh, 4^o. II 116, 211, 626, 633, 643, 800; III 160, 265, 344, 348, 522; 63, 81; 10, 292, 520, 528;--_Kok_, Vad. Woordenb. XVI 594; benevens vele stukken in het Provinciaal en Stedelijk Archief van _Leeuwarden_.

Al deze en meerdere schrijvers over dit onderwerp zijn door mij gelezen, met oogmerk, om die gebeurtenissen te behandelen. Doch, daar ze voor eene beknopte behandeling niet vatbaar waren, en eene uitvoerige voorstelling van oorzaken, verband en gevolgen mijn bestek ver te buiten zou gaan, zoo heb ik daarvan _moeten_ afzien, en deze gebeurtenissen enkel met een woord vermeld op de Tijdrekenk. Lijst. Bij eene uitvoeriger behandeling van de Friesche Geschiedenis zullen ze alle in het licht gesteld moeten worden.

* * * * *

In al die onlusten zien wij mede telkens den strijd herhalen tusschen de vrienden van behoud en vooruitgang, en tusschen de democraten en de aristocraten dier dagen; een strijd, welke in elke eeuw op eene andere wijze vernieuwd wordt, zoolang het volk het besef zijner regten en krachten behoudt en, niet door vrede of weelde ontzenuwd, inslaapt of doof wordt voor zijn belang. In weerwil van al de goede eigenschappen van den vervolgens door mij geschetsten Regeringsvorm van _Friesland_, en ondanks eene algemeene verkiesbaarheid en alzoo een democratisch beginsel de grondslag daarvan scheen uit te maken, heeft de welwikkende en geleerde _Ulrik Huber_ aangewezen, dat de Aristocratie zich in _Friesland_ van de teugels van het bewind had verzekerd. (Zie _Huber_, Hedend. Rechtsgeleerth. Leeuw. 1699, II 11, 53 env., en _Vreede_, Geschied- en Letterk. Herinneringen, Gor. 1836, II 65.) En was dit wonder? "In een land, waarin van ondenkelijke tijden af de oorspronkelijke oppermagt werd bezeten door de Edelen en Eigenerfden, dat is, de bezitters van onroerende goederen, die het regt van stemmen in gemeene zaken hadden," kon het niet anders, of de adel en de aanzienlijken moesten in het bezit geraken van de oppermagt, van ambten en bedieningen. De aard van het Stemregt leidde daartoe. Dat daarvan dikwijls misbruik is gemaakt, is zeer natuurlijk bij al het aanlokkelijke van magtsuitoefening en vaak kwalijk geplaatste eerzucht bij onverstandigen. Maar met dat al is het mijne innige overtuiging, op geschiedenis en overlevering gegrond, dat die Aristocratie, of de regering van den adel en de aanzienlijken, voor _Friesland_ in de vorige eeuwen van oneindig meer voordeel dan nadeel is geweest. Zij, die door aanzienlijk grondbezit het meeste belang hadden bij het welzijn van den staat, en daardoor ook het meeste aanspraak hadden op het bestuur daarvan; zij stonden door stand, opvoeding, onderwijs en bekwaamheden in verstandelijke en zedelijke kracht ook meestal veel hooger dan het volk of wel de burgerstand dier dagen, welke toen minder ontwikkeld was dan tegenwoordig. En zeker zullen de laatste, die thans meerdere staats-burgerlijke regten hebben verkregen, onbillijk handelen, als zij hunne verpligting aan 's lands vroegere overheden en de adellijke en aanzienlijke familiën niet dankbaar erkennen. Het is dus onkunde of kwade trouw, wanneer men thans laag valt op of smadelijk spreekt van een uitvloeisel der vroegere staatsgesteldheid, welke, ja soms is misbruikt geworden, doch die in 't algemeen heilzaam voor het belang des volks is geweest.

_Aant. 22_, op _bladz. 246_.

_De Regeringsvorm van Friesland, tijdens de republiek_

is door mij voorgesteld, zoo als zij omstreeks den jare 1770 bestond, om niet telkens de kleine wijzigingen te vermelden, welke daarin sedert 1580 hadden plaats gehad. De voornaamste schrijvers over dit onderwerp heb ik in de noten bij ieder onderdeel medegedeeld, doch acht het van belang, hier nog eenige andere te vermelden, welke deswege nader kunnen geraadpleegd worden. In zijn ganschen omvang is dit onderwerp behandeld in _U. Huber_, Heedendaegse Rechts-geleertheyt, soo elders, als in Frieslandt gebruikelijk, 2e dr. Leeuw. 1699, I 418, II 10 env. alsmede in de weinig bekende Dissertatie van _E. H. Bergsma_, de antiqua et hodierna Frisiorum Regiminis forma, Fran. 1779. Nog minder bekend is de eenvoudige en heldere voorstelling, welke de voortreffelijke _P. Wierdsma_ daarvan heeft gegeven in de beschrijving van deze provincie, welke hij bezorgde ten behoeve der Nieuwe Aardrijksbeschrijving, door _W. E. de Perponcher_, Utr. 1784, welke in het eerste deel bl. 303 is opgenomen. (De reden daarvan heb ik vermeld in de Nasporingen omtrent de Middelzee, bl. 52.) Ook in _Knoop_, Teg. Staat of Hist. Beschrijv. van Friesl. Leeuw. 1763, bl. 328, en in _Busching_, Nieuwe Geographie, verbeterd door _W. A. Bachiene_, Amst. 1775, IV 1191 komen uitvoerige beschrijvingen daarvan voor, die ieder op zich zelve belangrijke bijzonderheden bevatten. Zeer zonderling en hooggestemd is de beschrijving van _Frieslands_ staatsbestuur van Mr. _Romijn de Hooghe_, in zijn Spiegel van Staat, Amst. 1706. Het Groot Placaat- en Charterboek van Vriesland, door de zorg van den Baron _G. F. thoe Schwartzenberg_, op last der Staten, in 1768 begonnen en in 1795 in het 6e deel met den jare 1705 geëindigd, bevat een onwaardeerbare schat van historische en staatsstukken over alle deelen van dit gewest. Eene Verzameling van Placaten, Reglementen en andere Stukken, door de Staten van Vriesland geëmaneerd, is in 1748 begonnen, telt tot 1795 6 deelen in 4^o. en is van toen af tot in 1810 voortgezet in 14 deelen. Ook deze bron heb ik veel gebruikt.

In de laatste helft der vorige eeuw begon men zich mede meer toe te leggen op de ~Staatshuishoudkunde~ en ~Statistiek~ dezer provincie. In de genoemde werken van _Knoop_, _Foeke_ _Sjoerds_, de Tegenw. Staat enz. zijn daarover bereids belangrijke bijdragen gegeven. Ook _Nicolaas Ypey_, Hoogleeraar in de Wiskunst en Vestingbouw te _Franeker_, die in Waterstaatszaken dikwijls door Gedeputeerde Staten geraadpleegd werd, gaf van zijne bedrevenheid in die vakken blijken in zijne Verhandelingen over den uitvoer van het Hooi (in 1781 bekroond en met die van _Eelke Alta_ en _Sjoerd Meinerts_ te _Harlingen_ uitgegeven) en over de Quotae, Harl. 1784. Zeer belangrijk is mede het werkje van den lateren Hoogleeraar _Seerp Gratama_, de gelukkige Toestand van Friesland betoogd, Harl. 1795. Uit deze thans weinig meer voorkomende geschriften wil ik de volgende bijzonderheden, tot kenschetsing van dit tijdvak, mededeelen.

De Bevolking van _Friesland_ is geheel onbekend vóór den jare 1715, en werd in 1744 en op nieuw in 1748 opgemaakt. De opgave van 1744 was 135,133 personen, verdeeld in 36,947 huisgezinnen, onder welke men 4,600 insolvente en 3,535 gealimenteerde telde. Latere zekere opgaven tot 1795 gaan niet boven de 140,000 zielen.--In 1779 was het getal der aangegevene koeijen 73,589, der rieren 23,519 en der paarden 23,359. De uitvoer daarvan bestond in 1778 in: 7,732 koeijen, 245 ossen, 29 bullen, 1048 kalvers, 2001 paarden, 205 enters (eenjarigen) en 400 veulens, namelijk, voor zoover daarvan passagiegeld was betaald. De waarde van elke verkochte koe stelde _Ypey_ in gewone tijden op [f]40--, een vierendeel boter op [f]16--, een schippond kaas op [f]6--, eene leverweide hooi op [f]12--, een pondemate nieuw gras op [f]4--, de mest van eene koe in 't jaar op [f]3.50. In de voorspoedige jaren van 1765 tot 1779 klom de prijs der boter tot [f]21--, der kaas tot [f]12--, van eene koe tot [f]60--. Bovendien noemt hij de verzending van Tonnevleesch naar buiten aanzienlijk. In 1762 werden er op de Lands Wagen aangegeven 83,200 vierdevaten boter. Hij begroot daarentegen de som, welke aan schattingen en renten, voor kleeding, levensmiddelen, dranken en allerlei soort van waren ~uit~ _Friesland_ naar buiten ging, op [f]3,800,000, buiten het bedrag van het hout, uit de Oostzee en elders aangevoerd.--Belangrijk zijn mede zijne berigten over de toenmalige Vrachtvaart, waarover wij ook op bl. 337 bijzonderheden hebben medegedeeld, en waarbij wij nu nog wenschen te voegen, dat in de merkwaardige Propositie van Prins _Willem IV_, tot verbetering van den Koophandel der republiek, van 1751, dit opmerkelijk gezegde voorkomt, dat toen reeds "geene Provincie van ons land meer reederijen had van Smakken, Koffen en Galjoots, en waar meer dergelijke vaartuigen te huis behoorden dan in _Friesland_, zonder nog eenige handel van belang te hebben."

_Aant. 23_, op _bladz. 257_.

_De Friesche Zeehelden_,

welke, sedert den eersten Engelschen oorlog, bij _Brandt_, _Aitzema_, Holl. Mercurius en _de Jonge_ in het bijzonder vermeld worden, zijn, in vergelijking van vele Hollandsche en Zeeuwsche zeelieden, door hunne tijdgenooten zoo weinig opgemerkt, dat er van niemand hunner volkomene levensberigten tot ons zijn gekomen. Van weinigen weten wij iets meer dan hun naam en een of ander kloek bedrijf, zonder van hunne geboorte- of woonplaats en verder lot kennis te dragen; terwijl de onzekerheid vergroot wordt, doordien verscheidene dezer zeelieden den zelfden geslachtsnaam en een anderen voornaam dragen.