Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken

Part 38

Chapter 383,400 wordsPublic domain

Noyt is u moedich volck trouplichtich niet besweecken: Noyt is u Crijghers hert verflaut te ruch gheweecken, Maer hebt de tieranny Ollenus wederstaen: Doen ghy t' Romeynsche volck so machtich gingt verslaen, Apronius slaet, hun volck ten roove van de Vogh'len En het Romeynsche rot begroet met Is're Cogh'len.(!)

Mr. _A. van Halmael Jr._ heeft deze gebeurtenis meer dichterlijk voorgesteld in zijn treurspel: Adel en Ida, of de bevrijding van Friesland, Leeuwarden 1831. In het voorberigt hiervan komen eenige ophelderingen daaromtrent voor, en mede in zijn Beknopt Overzigt van de Friesche Geschiedenis, waarvan het eerste gedeelte voorkomt achter _van Leeuwen's_ uitgave van it aade Friesche Terp, bl. 289, 298, 300, en vertaald in het Friesch Jierboeckjen, foar 1831 en vervolgens.

_Aant. 3_, op _bladz. 18_.

_Oude Handels-geschiedenis._

Ofschoon de Geschiedschrijvers veelal de groote gebeurtenissen of feiten vermelden, is het echter zeer belangrijk, uit veelvuldige bijzonderheden na te gaan, hoedanig de innerlijke maatschappelijke toestand was van een volk in verschillende tijden. Omtrent dit duistere tijdperk is zulks vooral gedaan door den Heer Mr. _J. Dirks_, in zijne bekroonde verhandeling: Geschiedkundig Onderzoek van den Koophandel der Friezen, van de vroegste tijden tot aan den dood van Karel den Grooten, Utrecht 1846. Bij de lezing van dit hoogst belangrijke geschrift staat men verbaasd over den rijkdom van bijzonderheden, welke de Schrijver met uitstekende vlijt uit de bronnen heeft opgespoord. Dit laatste is in zulk een werk van veel belang: vooral, omdat er, bijzonder bij de Hollandsche geschiedschrijvers, die over Friesland en de Friezen hebben geschreven, zoo vele onnaauwkeurige voorstellingen, verkeerde denkbeelden en ongegronde beweringen bestaan, welke het doen betreuren, dat zij, die over de geschiedenis van Nederland schrijven, zoo weinig kennis dragen van die der provinciën, inzonderheid van Friesland.

_Aant. 4_, op _bladz. 23_.

_De Oude Grenzen van Friesland._

Een niet minder belangrijk geschiedkundig onderzoek, naar de uitbreiding en grenzen van _Friesland_ in verschillende tijdperken, heeft in de laatste jaren licht verspreid over dit onderwerp. Ik bedoel de te _Groningen_ in 1834 bekroonde verhandeling van den Heer Mr. _J. van Doorninck_, later Archivarius van _Overijssel_, Commentatio de Frisiae Terminis, waarvan de Heer _I. A. Nijhoff_ een uitvoerig verslag heeft gegeven in zijne Bijdragen voor vaderl. geschiedenis en oudheidkunde, I Aank. 57. Lezenswaardig zijn ook de mededeelingen van _Karl Türk_ in zijn werkje: Altfrisland und Dänemark, Parchim 1835.

_Aant. 5_, op _bladz. 25_.

_De verovering van Brittannië_

door de Friezen en andere volken en de gevolgen daarvan zijn zeer uitvoerig behandeld door den Hoogleeraar _A. Ypey_ in zijne Geschiedenis der Ned. Taal, I^e dl. 1812, 174 en II^e dl. 1832, 152; een werk, ook in andere opzigten voor de Friesche geschiedenis en letterkunde van zeer veel belang. De overeenkomst van het Friesch met het Engelsch is met proeven aangewezen in het eerste deel van den Tegenw. Staat van Friesl. Harl. 1785, bl. 156. Bekend is het gezegde:

_Boetter, Brea in griene Tsies Is goed Ingelsch in eak goed Friesch._

Als eene latere proeve dier taalverwantschap, ook tusschen het tegenwoordige Friesch en Engelsch, deelen wij mede Dr. _Bowring's_ vertaling der opdragt van _Posthumus'_ Keapman fen Venetien in Julius Cesar fen _Shakspeare_, voorkomende in zijne schets der Friesche Letterkunde, geplaatst in de Westminster Review, 1829, N^o. 23 en vertaald in de Leeuw. Cour. 1830, N^o. 66:

_Lyk az Gods sinne swiet uus wrâd oerschijnt;_ Like as God's sun sweetly our world o'ershines;

_Her warmtme in ljeacht in groed in libben schinkt;_ Her warmth and light and growth and life sends;

_Lijk az de mijlde rein elke eker fijnt:_ Like as the mild rain each acre finds:

_So dogt eak dat, wat ijn uus, minsken, tinkt._ So does eke that, what in us, men, thinks.

_Dij sprankel fen Gods fjoer, ijn uus lein, jouwt_ That sparkle of God's fire, in us laid, gives

_Oeral eak ljeacht in FREUGDE oon Adams team._ O'erall eke light and JOIJ on Adam's train.

_Wer dij wenn't, hulken, oaf paleisen, bouwt,_ Where they dwelt, hulk (cottage) or palaces build,

_In fen wat folk hij iz, ho hij him neam._ And of what folk he is, how he him (self) names.

Bij deze vergelijking (voegt _Bowring_ er achter) zal men hebben opgemerkt, dat er van de twee-en-vijftig woorden een-en-vijftig in het Engelsch bewaard en slechts weinig veranderd zijn geworden; terwijl alleen het woord _freugde_ voor een van Normanschen oorsprong heeft moeten wijken.--Doch ook in zijne schoone Brieven over Friesland (1829) en Iets over de Friesche Letterkunde spreekt _Bowring_ bij herhaling van der Friezen verwantschap en overeenkomst met den Angel-Saxischen stam, als van eene natie, "wier voorvaderen onze voorvaderen waren, wier taal en zeden eene zeer sterke overeenkomst hebben met de onze." Die overeenkomst in taal en volkskarakter haalden hem allereerst tot een onderzoek over. Bij iederen tred vond hij nieuwe punten van gelijkheid, zoodat hij zich had kunnen verbeelden te verkeeren onder Angel-Saxen van een meer gevorderden trap van verstandelijke beschaving. "Spreekwijzen, (zegt hij) als verouderd Engelsch, klonken telkens in onze ooren, en wij konden niet nalaten eene verwonderlijke overeenkomst tusschen hen en onze voorouders te ontdekken. Hunne taal, zeer veel overeenkomende met die, welke in Engeland gesproken werd, vele honderden van jaren voor dat _Shakespeare_ schreef; hun ligchaamsgestalte, hun schrandere en wijsgeerige geest, hunne ontwijfelbare betrekking met het beste deel van den Engelschen volksstam--dit alles boezemde mij belang in." Zie ook _Wagenaar_, Vad. Hist. I 289; _Cerisier_, Gesch. der Ned. I 80; _Molhuysen_ in _Nijhoff's_ Bijdragen, VI 244, VII 180, 184, en de door _van Leeuwen_ opgenoemde schrijvers in zijne Aantt. op de Kronyk, bl. 332.

_Aant. 6_, op _bladz. 34_.

_Der Friezen strijd tegen de Franken._

Omtrent dit onderwerp, alsmede de invoering en vestiging van de Christelijke godsdienst in deze landen zijn insgelijks in den jongsten tijd onderscheidene uitmuntende geschriften in het licht verschenen en door mij geraadpleegd. De bij het Kon. Ned. Instituut bekroonde verhandelingen van Prof. _H. J. Royaards_ en Do. _E. J. Diest Lorgion_ bevatten vele merkwaardige berigten, welke uit de overgeblevene bronnen geput zijn, even als de vroeger aangehaalde voorlezing van Jhr. Mr. _B. J. L. de Geer_, de strijd der Friezen en Franken, waarvan ik dikwijls gebruik gemaakt heb. Zie ook de fraaije voorlezing van Do. _A. Winkler Prins_, over _Radbout I_, geplaatst in de Vrije Fries, V 97, en _van Loon_, Aloude Regeeringwijs van Holland, Leiden 1744, I 110 en verv. II 5 en verv. Daar ook deze schrijver op eerstgenoemde plaats verklaart, dat Holland "tot in de elfde eeuwe toe, altyd VRIESLAND is genaamd geworden," is het een aangenaam verschijnsel van onzen tijd, dat in de geleerde en grondig bewerkte verhandelingen van _Royaards_ en _van Asch van Wijck_ bij herhaling gewezen wordt op het hoog belang der geschiedenis van Friesland ~voor~ of ~als~ de geschiedenis van Nederland in de tien eerste eeuwen onzer tijdrekening; een belang, dat zoovele Hollandsche Geschiedschrijvers schijnen te miskennen, als ze van de _Friezen_ naauwelijks gewagen en van de hooggevierde _Batavieren_, de vermeende stamvaders der Nederlanders, al te ligtvaardig overspringen op de Franken en de Hollandsche Graven. Dáárom heb ik eene wederlegging van dit verkeerde denkbeeld, uit het werk van Prof. _Royaards_, tegenover den titel geplaatst, opdat ook deze mijne Geschiedenis niet beschouwd zou worden als slechts ééne provincie betreffende en daarin met die van andere gewesten gelijkstaande.

_Aant. 7_, op _bladz. 36_.

_Handelsverkeer._

Uitvoerige bijzonderheden omtrent het onderwerp der vorige Aant. en vooral omtrent den toenmaligen toestand des volks en des handels en het vervaardigen van die Mantels vindt men in _Dirks_, Koophandel der Friezen, doch vooral in de Geschiedkundige Beschouwing van het oude Handelsverkeer der stad Utrecht, van den voortreffelijken Burgemeester dier stad, Jhr. Mr. _H. M. A. J. van Asch van Wijck_, wiens ijver en belangstelling mijne nasporingen in het Utrechtsche Archief in 1837 zoo aangenaam en nuttig maakten.

_Aant. 8_, op _bladz. 38_.

_Aard der Friesche Vrijheid._

De aanhef der Oude Friesche Wetten (met vele onschatbare aanteekeningen door _P. Wierdsma_ in 1782 uitgegeven), blz. 1, 13, 109, 119 enz. vermeldt die hulp ter verovering van Rome, en Mr. _Dirks_ heeft die togten tegen de Wilten en Avaren historisch toegelicht in de Vrije Fries, V 29. De voorstelling van den aard der Friesche vrijheid, door mij gevolgd, waarbij onderscheid is gemaakt tusschen de verschillende deelen van het Friesche rijk en tusschen _Karel_ als ~beschermheer~ van de Friezen en als ~veroveraar~ van de West- en Oost-Friezen, is duidelijk uiteengezet en met bewijzen gestaafd in de schoone Verhandeling over de Benaming van Vrije Friezen, door den Heer _L. H. W. van Aylva Baron Rengers_, in de Vrije Fries, V 193; een hoogst belangrijk stuk, dat wij alle beoefenaars van de geschiedenis zeer aanbevelen.

Ten aanzien van der Friezen vrijheid ook omtrent geestelijke zaken, het stichten van Kerken enz. heeft de Heer Mr. _W. W. Buma_ grondige bewijzen bijeengebragt in: het Regt der Friesche Herv. Floreenpligtigen op het verkiezen van Predikanten enz. toegelicht en verdedigd, Leeuw. 1849, bl. 14, 33. Bij al deze beschouwingen omtrent den oorsprong en den aard der Friesche Vrijheid verlieze men niet uit het oog, dat de toestand van onderscheidene omliggende landen en de daaruit voortgevloeide instellingen naauw zamenhangen met de toenmalige regten van het bijna algemeen ingevoerde Leenstelsel (eene uitvinding der dwingelandij), van erfelijk geworden Graven of Leenmannen, van lijfeigenschap en van heerlijke regten, wier _niet-bestaan_ in _Friesland_ reeds een negatief voorregt opleverde. De staatkundige en personeele vrijheid, welke alle volken van nature bezitten, werd hen door verovering ontnomen,--den Friezen werd zij ~gelaten~. Daarom noemt _Halsema_, bl. 44 als de hoofdkenmerken dezer vrijheid: "een vrije persoonlijke staat en daaraan verknocht vrij bezit of bestuur van goederen, in tegenoverstelling der Lijfeigenschap, benevens aandeel en gezag in de regering des lands." _Bosscha_, Neerl. Heldend. I 20 zegt: "Hunne burgerlijke vrijheid echter verloren zij niet; want zij behielden het zwaard, het teeken der eer." Het denkbeeld van vrijheid kan dus bezwaarlijk alleen en op zich zelf beschouwd worden, maar is betrekkelijk, en dikwijls alleen geldig bij wijze van vergelijking met eene vroegere overheersching of met de overheersching, waaronder naburen zuchten. De oorsprong van der Friezen regt en van hunnen exeptioneelen toestand komt vooral hierop neder: dat zij, bij de aanneming van _Karel den groote_ (die hen, volgens de Oude Fr. Wetten, bl. 13, "in zijne ~bescherming~ nam, opdat zij den Noordman mogten ontkomen") "zich aan geene territoriaal verovering, waarbij zij en al hun have het eigendom der Franken zouden geworden zijn, onderworpen hebben." Op dit door de groote gevolgen zoo belangrijke punt wordt door den Heer _Rengers_ bijzonder gedrukt. Het is ook vermeld bij _van Doorninck_ en _Nijhoff_, Bijdragen, I 66, boven aangehaald. De hoofdbepalingen der vrijheid zijn medegedeeld door _Foeke Sjoerds_, Alg. Beschrijv. I 391, volgens _Emmius_, 71 en de Oudheden en Gestichten, I 22. Met regt konden de Friesche Staten alzoo in eene Deductie van 1674 betuigen: "want is 'er ooit een natie onder de sonne geweest, die jalours van hare vryheid geweest is, so is het de Vriessche natie geweest, die Aborigenes genaemt worden, als die haer eygen name en woonplaets nimmermeer hebben verandert." Charterboek, V 1037.

_Aant. 9_, op _bladz. 52, 55_.

_Het verbond der zeven Zeelanden._

Een hoogst belangrijk overzigt van den staat, den regeringsvorm, de wetten en betrekkingen van Friesland, tijdens het verbond der Zeelanden, bevat (om niet te gewagen van den schat van kennis, welke daarover is ten toon gespreid in de Voorreden der twee eerste deelen van het Vriesch Charterboek) de Verhandeling van Mr. _D. F. J. van Halsema_, als inleiding van het door hem daarbij uitgegevene Hunsingoër Landregt van 1252, voorkomende in het 2e deel der Verhandelingen van het Groninger Genootschap: pro excolendo jure patrio, Gron. 1778;--een voortreffelijk werk, dat ik reeds voor jaren herhaaldelijk bestudeerd heb, doch waaruit ik voor mijn tegenwoordig doel weinig kon overnemen, dewijl ik mij tot de hoofdtrekken der Friesche geschiedenis bepalen- en, om uitvoerigheid te vermijden, tot mijn leedwezen vele bijzonderheden achterwege laten moest. Ik verzoek, dat men dit bij de beoordeeling wel in het oog houde, opdat men mij dáárom niet van oppervlakkigheid of onvolledigheid beschuldige. Over de juiste grenzen van ieder dezer Zeelanden, wier omvang door mij slechts in hoofdpunten is opgegeven, is steeds veel verschil geweest. Dit zal er ook altijd blijven bestaan, omdat deze in onderscheidene tijdperken uiteenliepen, en omdat wij uit die tijden zelve deswege geene naauwkeurige opgaven bezitten. Men zie daarover de Vrije Fries, IV 20 en 254; Tegenw. Staat van Friesland, I 46, enz.--_Westendorp_, Jaarboek van en voor de prov. Groningen, 1829, I 133 en 211 brengt de Zeelanden eerst tot 13e eeuw; even vreemd laat hij _Friesland_ na 912 nog tot het Sincfal uitstrekken, zonder al het vroeger voorgevallene in aanmerking te nemen. Nog in 1430 werd het Verbond der gemeene Friezen, van het Flie tot over de Jade en de stad Bremen, vernieuwd (Charterb. I 494). Daarin bepalen zij nog: onderling te "willen mit der hulpe Gades Almechtig fry, Freesch, de eene mit den anderen bystandich wesen, und beschermen unse Over-Olderen vaders recht, van Coninck _Carolo_ beschreven recht, und by der gemeenen Freesen Lantrecht und frydommen tho ewigen tyden to blyven; und mit lyff und guet alle Duytsche Heeren buiten den Lande tho holden" enz. Hierin is de gansche bedoeling van het verbond der Zeelanden te zamengevat.

_Aant. 10_, op _bladz. 59 en 60_.

_Veranderde Toestand des lands, de Zuiderzee enz._

Als latere bronnen der geschiedenis van de veranderingen des bodems en der watervloeden verwijzen wij hier naar de Inleiding van _van Leeuwen's_ Tafereel van den Watervloed, Leeuw. 1826; _F. Arends_, Nat. Geschiedenis van de Kusten der Noordzee, met Aanteekeningen van Dr. _R. Westerhoff_, Gron. 1835, 2 dln., waarvan een derde deel de Geschiedenis der Watervloeden bevat; Mr. _J. Scheltema_, drie verhandelingen over de Geschiedenis der Zuiderzee, over de Veranderingen der kusten en Aanwijzing van bijdragen daartoe, in zijn Geschied- en Letterkundig Mengelwerk, Utr. 1836, VI^e dl. 2e st. bl. 55, 103, 137; Dr. _Acker Stratingh_, Aloude Staat, waarvan het eerste deel de Bodem en de Wateren bevat; maar vooral naar de Redevoering over het ontstaan der Zuiderzee, van Dr. _J. G. Ottema_, met kaart, in de Vrije Fries, IV 183, een vervolg op zijne, in Aant. 1 vermelde, Verhandeling over den Loop der Rivieren enz. Daarin zijn vele verspreide berigten met zoo veel kennis en schranderheid tot een geheel gebragt, dat ik dit voortreffelijk stuk zeer aanbeveel, ter bekoming van naauwkeuriger denkbeelden dan ik daarvan heb kunnen geven, wegens de bekrompenheid van mijn plan, hetwelk mij dikwijls hinderlijk is geweest in de juiste en volledige voorstelling. Wie evenwel aan mijne te korte aanwijzingen niet genoeg heeft, kan in de opgenoemde bijzondere behandelingen van dit onderwerp ruime stof voor zijn weetlust vinden. Omtrent de Geschiedenis van de Middelzee verwijs ik naar de Nasporingen, in 1834 met mijne vrienden _Brouwer_ en _van Peijma_ door mij uitgegeven.

_Aant. 11_, op _bladz. 74_.

_De Friezen in de Kruistogten._

Al de berigten der Kronykschrijvers omtrent der Friezen aandeel in de Kruistogten zijn het eerst bijeengebragt door den Oost-Frieschen geschiedschrijver _T. D. Wiarda_ (1786). De Heer _J. van Leeuwen_ gaf daarvan eene vertaling achter zijne vermelde uitgave van it aade Friesche Terp, bl. 365. Doch naderhand (1842) heeft Mr. _J. Dirks_ deze berigten kritisch onderzocht, en vergeleken met latere, ook buitenlandsche bronnen, en daarvan in de Vrije Fries, II 135 en 221, onder den titel van: Noord-Nederland en de Kruistogten, een verhaal of Schetsen gegeven, inzonderheid _volgens de berigten van ooggetuigen en tijdgenooten_. Deze voortreffelijke verhandeling, welke van vlijt en bekwaamheid evenzeer getuigenis geeft, ben ik in mijne korte voorstelling hoofdzakelijk gevolgd. Evenzoo zijn belangrijk stuk: de Friezen voor Aken, in het 5e dl. van het zelfde tijdschrift, bl. 53. Het verhaal van Roorda met den Moor vond ik in de verzameling Genealogiën, onder den naam van het Handschrift Doys beschreven op bl. V der Voorrede van het Stamboek van den Frieschen Adel, der Heeren _Hettema_ en _van Halmael_.

_Aant. 12_, op _bladz. 98_.

_De Schieringers en Vetkoopers._

Over den aard en oorsprong dezer Partijschappen is veel geschreven, zonder dat echter iemand in staat was, daarvan zekere en naauwkeurige berigten te kunnen mededeelen. Ik heb de vrijheid genomen daarover mijne denkbeelden mede te deelen en daarvan een overzigt te geven in algemeene trekken, dewijl toch de bijzonderheden, voor mijn doel te uitvoerig, in onze kronyken kunnen nageslagen worden. In 1829 is er eene vrij dorre kronykmatige Geschiedenis van de onlusten tusschen de Schieringers en Vetkoopers door _A. v. H._ uitgegeven. Dit werk wordt dikwijls verkeerdelijk toegeschreven aan Mr. A. _van Halmael Jr._, die grondiger en meer wijsgeerige beschouwingen over dit zelfde onderwerp heeft medegedeeld in de belangrijke Narede van zijn voortreffelijk treurspel: Ats Bonninga, Leeuw. 1828, en in zijne rom.-dram. tafereelen: de Schieringers en de Vetkoopers, Leeuw. 1841, waarin op bl. 25 eene duidelijke ontwikkeling van den oorsprong dezer partijschappen voorkomt. Belangrijk is ook de verhandeling van den Heer _P. Burggraaff_ over den oorsprong en de namen dier partijen, voorkomende in het Tijdschrift voor Onderwijzers, Gron. 1833, I 34.--Echter stelt _Jancko Douwama_ in zijne Geschriften (van 1830-49 uitgegeven door het Friesch Genootschap), bl. 20, dat de naam ~Schieringers~ _sprekers_ beteekent tegen de _rijken_, door hen ~Vetkoopers~ genoemd; terwijl hij beweert, dat de oorsprong der partijschap gelegen was in de poging der armen, om, in navolging van de partijen in _Holland_, de rijken te bewegen, om hun goed met hen te deelen, zóó, "dat de arme vast met de rijcke in de kiste begosten to tasten." Deze meening van een edelman, die ongaarne tegen den adel zou getuigen, lijdt echter bedenking. Met veel meer waarschijnlijkheid mag men uit al de omstandigheden opmaken, dat het de vrijheidszucht van het in welvaart toenemende volk tegen de heerschzuchtige aanmatigingen van den adel en de heerschappen, ook in de steden, was, welke de beroerten ontstaan en, onder allerlei vormen en bijkomende omstandigheden, voortduren deed. Misschien had een naijver tusschen _Oostergoo_ en _Westergoo_ daarin ook een aandeel, en werd het vuur bestendig aangeblazen door de onlusten in _Groningen_, door de heerschzuchtige Oost-Friesche edelen en de Hollandsche Graven, die allen nu deze dan gene partij met hunne hulp ondersteunden. Zie slechts _Worp van Thabor_, Kronyk, IV 4, 19, 31, 33 enz. enz.

In het begin moge het veeleer een strijd van de demokraten of liberalen dier dagen geweest zijn tegen de aristokraten (welke wij ook later onder andere vormen hebben zien herhalen), dan het uitvloeisel van een communismus, waartegen het gezond verstand der Friezen zeker zou opgekomen zijn,--later werd het enkel een strijd tusschen heerschzuchtige edelen en hunnen aanhang, en tegen het gezag der Groningers en de vreemde hulpbenden van elders. De Donia-oorlog en de twist om Bolsward hielden de partijen bestendig tegen elkander in het harnas, en bragten de gemeene zaak eindelijk ten val, doch tevens redding aan voor het algemeen belang der ingezetenen. Het denkbeeld van _J. Douwama_ verdient dus weinig gezag, aangezien het geen krijg was, waarin het de armen te doen was, om buit te maken en zich met het veroverde te verrijken. Ook ná dat de oorzaak des geschils verdwenen was, duurden toch de vijandschappen voort, en werden ze erfelijke veeten, hatelijk, laag en onverzoenbaar. _Huber_, Hed. Rechtsgeleertheyt, II 3, noemde het een krijg, "bijna van alle tegen alle, huis tegen huis, geslacht tegen geslacht, met onderling geweld, rooven en bloedvergieten." Als bijkomende omstandigheid kan het echter zijn invloed hebben uitgeoefend, vooral in die dagen van ruwheid en domheid der lagere standen.--"Die Vetkooper-Partei war die der Aristokratie," zegt Dr. _von Langenn_, Hertog Albrecht der Beherzte, 238, zeer eenvoudig, en bevestigt mijne boven medegedeelde meening.

_Aant. 13_, op _bladz. 121_.

_De Aanvallen der Hollandsche Graven._

Uit het verschil van staatkundigen toestand en van beider betrekking tot het keizerrijk tusschen de vrije Friezen benoorden en de door de Franken veroverde Friezen of Hollanders bezuiden de Reker of de Kinhem (op bladz. 10, 37, 50, 78 en 99 hier vóór uiteengezet), laat het zich gereedelijk verklaren, dat de Graven van _Holland_, met dit Graafschap, als rijksleen, door de Keizers verleid, geen regt hadden op West-Friesland, het eerste der Zeven vrije Friesche Zeelanden, die geene leenen kenden en ook aan het Duitsche rijk niet dienstpligtig of hofhoorig waren, maar den Keizer alleen eerbiedigden als beschermheer tegen de omringende leenmannen, veelal kleine dwingelanden. Doch dit onderscheid en de aard van dezen verschillenden toestand, ten gevolge waarvan de Hollandsche Graven evenmin regt hadden op het tegenwoordige _Friesland_, is door weinige Hollandsche geschiedschrijvers in het oog gehouden. Terwijl _Melis Stoke_ met volkomene waarheid kon zeggen:

_Zyt des seecker en ghewis, Dat het Graefschap van Hollant is Een stuck van Frieslant ghenomen,_

spreken zij van de Friezen, althans West-Friezen, steeds, als ware Friesland van Holland afgenomen, en als waren deze opstandelingen, die beteugeld, wederspannigen, die getuchtigd en bedwongen moesten worden. In dat geval hadden zij mede reeds vroeger onder de heerschappij dier Graven moeten geweest zijn, en moest er een feit bestaan, dat zij zich aan die heerschappij hadden onttrokken. Doch het tegendeel is waar. Het privilegie van den Roomsch-Koning Graaf _Willem II_, van 1248, en die der latere Keizers hebben althans de oude volksvoorregten der Friezen bevestigd, en tevens vroegere regten van anderen op hun land (zoo die al bestonden) vernietigd; ja zelfs hebben zij de Hollandsche Graven verboden de Friezen te "molesteren." Zie Charterb. I 94, 399, 593-596; _Stellingwerf_, Politycq Discours nopende den Staet van Frieslandt, Fran. 1617, 19. De vraag: _Of de Graven van Holland, regtens, ooit Heeren van Friesland waren_, is dus ook ontkennend beantwoord door Mr. _A. van Halmael Jr._ in een stuk in 't Mengelwerk der Leeuw. Courant van 25 Junij 1833; alsmede in de Voorrede van zijn treurspel: Radboud de tweede, Leeuw. 1839, welke stukken met de hem zoo eigene grondigheid zijn behandeld.