Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken

Part 37

Chapter 373,476 wordsPublic domain

Loodzwaar drukte van toen af de ijzeren hand des dwingelands op het kwijnende vaderland, tot de diepste onderwerping aan zijne willekeur gedoemd. Nogtans had _Friesland_ het voorregt, in den Prefekt JAN GIJSBERT VERSTOLK een bestuurder te vinden, wiens wijsheid en gematigdheid vele bezwaren der Fransche regering verzachtte, en die daarvoor belooning vond in de algemeene hoogachting, in stede van den haat en den vloek, welke elders op de hardvochtige en wreede handlangers des tirans rustten. Wel kwamen er onder dit en het vorige bestuur vele verbeteringen tot stand, welke wij duurzaam als heilzame vruchten der verovering zullen vereeren; doch zij konden destijds niet opwegen tegen de smartelijke verliezen, verbazende opofferingen van goed en bloed en grievende vernederingen, die de natie moest dulden en ondergaan. Het volksbestaan uitgewischt en ons land tot een wingewest van _Frankrijk_ verlaagd--vele bronnen van volksbestaan vernietigd, door den handel aan kluisters te leggen en de havens te sluiten--het volk zonder gezag of invloed op het staatsbestuur--door den dwang van politie en censuur verstoken van de vrijheid van spreken en schrijven--door knellende belastingen, heffingen en inkwartieringen uitgezogen--de jongelingen zonder uitzondering als op de slagtbank voor de krijgsdienst geprest tot een bloedigen oorlog, waarin gansch _Europa_ deelde,--de inkomsten van duizenden ingezetenen en gestichten tot op een derde verminderd--'s lands taal en zeden verguisd en het hooger onderwijs, ook door de vernietiging van Frieslands beroemde Hoogeschool, ingekrompen,--ja, bezit en eigendom zelfs afhankelijk gesteld van de willekeur der Fransche gezagvoerders:--ziedaar eenige der vele bijna ondragelijke bezwaren en kwellingen, waaronder de landzaat gebukt ging.

Zóó ver moest het komen, om de Nederlanders de droeve gevolgen hunner vroegere partijschappen te doen betreuren; om hen, terwijl al het dierbaarste hen naar buiten ontviel, tot zich zelve te doen inkeeren; om hen in godsdienst en zedelijkheid de bron te doen zoeken van inwendigen vrede, van kracht en moed onder vernedering en lijden, en om hen, bij de stijgende magt en dwang des overmoedigen geweldenaars, te vervullen met haat jegens hunne onderdrukkers en met hoop, neen, met het zekerste vertrouwen op de toekomst. Immers, zulk eene algemeene verfoeide dwinglandij, zulk een misbruik van gezag ~kon~ niet duurzaam zijn. Gods Wijsheid en Liefde had onze vaderen tot zóó verre beproefd en gelouterd, toen Zijne Almagt den man des bloeds, na eene uiterste krachtinspanning, in de velden van _Rusland_ een perk stelde en vernederde, en voor de lang verdrukte tolken den gewenschten dageraad van den dag der verlossing, des vredes en der onafhankelijkheid deed gloren. Nooit mogen de Nederlanders deze staats-omwenteling en hare oorzaken en gevolgen vergeten![373]

[373] Hoe belangrijk ook, duldt mijn bestek niet, hier stil te staan bij den invloed dezer omwenteling op de hoogere belangen des volks. Ik verwijs deswege liever naar de voortreffelijke verhandeling van den Hoogleeraar KEMPER, _over den Invloed der Staatkundige Gebeurtenissen en der Godsdienstige en Wijsgeerige begrippen, sedert ruim 25 jaren, op de ware verlichting in het godsdienstige en zedelijke bij de volken van Europa_, door Teijlers stichting bekroond en in 1820 ook afzonderlijk uitgeven.

ZESDE TIJDVAK.

HET NIEUWE FRIESLAND, ONDER DE KONINKLIJKE REGERING.

VAN DE HERSTELLING VAN NEDERLAND TOT OP DE NIEUWE REGELING VAN HET GEMEENTEWEZEN.

_Van den jare 1813 tot 1851._

44. _Bevrijding en Vestiging van den Nederlandschen Staat. 1813-1816._

De heerschzucht van NAPOLÉON had te veel gewaagd, toen hij, na een groot deel van _Europa_ veroverd te hebben, ook het magtige _Rusland_ aanviel. Zoodra liep de krijgskans hem niet tegen, of de lang door hem verdrukte volken sloegen de handen met _Rusland_ in-een, om hem te vernederen en zich zelve tot vorigen rang te herstellen. Terwijl de tijding van zijne nederlagen de Fransche ambtenaren in _Nederland_ met schrik en schroom vervulde, zoodat zij op zelfbehoud bedacht waren, werd te _'s Gravenhage_ door GIJSBERT KAREL VAN HOGENDORP, (den kleinzoon van ONNO ZWIER VAN HAREN) en zijne vaderlandlievende vrienden het plan gevormd, eene omwenteling te bewerken en den _Prins van Oranje_, die zich in _Engeland_ bevond, het gezag aan te bieden.

Inmiddels zond de Russische overste Baron ROSEN een aantal kozakken naar _Friesland_, die den 16 November 1813 te _Leeuwarden_ aankwamen. Nu werd de vlugt der Franschen algemeen. Ook de Prefekt VERSTOLK verliet deze provincie, waarna de Raad van Prefekture aan HECTOR VAN SMINIA de waarneming van dat ambt opdroeg en zelf het gezag bleef bekleeden, in afwachting van het welslagen der vrijheidlievende oogmerken in _Holland_ (25 Nov.). Na eene pijnlijke onzekerheid van eenige dagen, schonken eindelijk de gelukkige uitslag dier pogingen, de spoedige overkomst van den Prins van _Oranje_ en de proclamatiën, eerst in zijn naam en daarna door hem uitgevaardigd, de zekerheid, dat de Franschen bijna geheel verdreven waren, dat het hatelijk juk der dwingelandij was afgeschud en dat de verbrokene banden tusschen _Nederland_ en het Huis van _Oranje_ op nieuw geknoopt waren, om de vrijheid en onafhankelijkheid des vaderlands te herstellen. Onbeschrijfelijk groot was hier, gelijk alom, de blijdschap over deze heugelijke gebeurtenis, welke op den 10 December te _Leeuwarden_ en elders, bij 's Prinsen uitroeping tot Souverein Vorst, met groote vreugdebedrijven- en twee dagen later in alle kerken dezer provincie godsdienstig en dankbaar werd gevierd.

Kort te voren waren namens den Prins en het Algemeen Bestuur der _Vereenigde Nederlanden_ ENNIUS HARMEN BERGSMA, lid van het Keizerlijk Geregtshof te _'s Gravenhage_, en HECTOR VAN SMINIA, waarnemend Prefekt, benoemd tot _Commissarissen-Generaal_ ter organisatie van het Departement _Friesland_, tot bereiking van welk doel zij in ieder der drie Arrondissementen een Commissaris aanstelden. De Maires werden afgeschaft en voorloopig in de steden door Burgemeesteren en Vroedschappen en op het land door Schouten vervangen.[374] Algemeen was de geestdrift, om mede te werken tot herstel van het herrezene vaderland. Aanzienlijke giften in geld, goud en zilver werden daartoe geofferd. Eene menigte personen nam dienst en trok uit, om de Franschen, die zich nog in _Delfzijl_, _Koevorden_, _Gorinchem_, _Naarden_ en elders genesteld hadden, te verdrijven.

[374] De Administratie van het Departement _Friesland_ was in 1813 zamengesteld uit: een Prefekt met 4 Raden van Prefekture en een Secretaris Generaal; 3 Onder-Prefekten in de Arrondissementen, die ieder 11 Raden hadden, terwijl de Algemeene Raad van het Departement uit 16 personen bestond. In elk Arrondissement waren nog Kantons-vergaderingen, met een President aan het hoofd. De 11 Steden en 82 Gemeenten, waarin het Departement was verdeeld, werden door een Maire, een of meer Adjunct-Maires en, naar gelang harer grootte, door 30, 20 of 10 Municipale Raden bestuurd.

Nadat in Maart 1814 een getal van 52 der aanzienlijkste ingezetenen of Notabelen van _Friesland_ naar _Amsterdam_ waren genoodigd tot beoordeeling van het Ontwerp van _Grondwet_, werd deze aangenomen, en den 30 Maart WILLEM FREDERIK, _Prins van Oranje_, als _Souverein Vorst der Vereenigde Nederlanden_ plegtig gehuldigd. Het voorloopig bestuur der Commissarissen-Generaal werd den 6 April opgeheven door de benoeming van Jhr. IDSERT ÆBINGA VAN HUMALDA tot _Gouverneur van Friesland_. Het besluit van den 9 Maart 1815 herstelde de aloude verdeeling van dit gewest in 30 of nu met de eilanden in 32 Grietenijen, onder het bestuur van een Grietman, Assessoren en Leden van den Raad. Het bestuur der Steden werd zamengesteld uit eenen Raad met vier of drie Burgemeesteren aan het hoofd.

Vele bepalingen van die staatsregeling voor 9 provinciën, welke nu weder bestuurd werden door Staten, die voor de wetgeving 55 leden der Staten-Generaal en voor het dagelijksch bestuur een Collegie van Gedeputeerden benoemden, ontvingen echter spoedig eene wijziging, ten gevolge onzer vereeniging met _België_ en de nieuwe Grondwet van 1815, bij de vestiging van het _Koningrijk der Nederlanden_, met WILLEM _den eerste_ als Koning aan het hoofd.

Die uitbreiding van grondgebied, deze verheffing van onzen Staat tot een Koningrijk, bij de herleving van handel, scheepvaart en nijverheid en de herstelling van vele vroeger gesloopte betrekkingen en inrigtingen, schenen voor de welvaart en het geluk van _Nederland_ eene schoone toekomst te doen aanbreken. Ook in _Friesland_ werd de vroegere hoogeschool te _Franeker_ in een Rijks-Athenæum hersteld; werden de betrekkingen tusschen het volk en zijne vroegere bestuurders vernieuwd, en ontsprongen er uit landbouw, veeteelt en handel bronnen van volksvlijt en voorspoed, welke een nieuw leven verspreidden; terwijl de ijver van het Algemeen en Provinciaal Bestuur, en niet minder van de Plaatselijke Besturen, om herstellingen en verbeteringen aan te brengen, op de ontwikkeling van alle standen en de bevordering van lang verwaarloosde belangen van gunstigen invloed was.

45. _De jongste lotgevallen van Friesland. 1816-1851._

De blijde vooruitzigten, welke de vestiging van een onafhankelijk volksbestaan geopend hadden, werden echter eerlang door tegenspoeden getemperd. Nadat van 1816 tot 1824 bestendige afwisseling van buitengemeen natte en drooge zomers schaarschheid en duurte en daarna sterke daling van de prijzen der voortbrengselen van den landbouw ten gevolge hadden, trof _Friesland_ den 5 Februarij 1825 met andere gewesten eene geduchte ramp. Hevige en aanhoudende stormen deden op verscheidene plaatsen dijkbreuken ontstaan, en binnen weinige uren was tweederde gedeelte dezer bloeijende provincie overstroomd, en schenen menschen, vee en bezittingen aan de woede der golven prijsgegeven te zijn. De som der algemeene schade en verliezen, daardoor te weeg gebragt, werd op niet minder dan 3 millioen Gulden geschat. Heerlijk blonk echter toen ook, naast menig edelmoedig bedrijf tot redding en hulpbetoon, de algemeene en bijzondere weldadigheid onzer landgenooten uit, daar eene som van ruim 360,000 Gld. werd bijeengebragt, om de schade, door behoeftige personen geleden, welke op ruim 680,000 Gld. werd begroot, voor een deel te vergoeden[375]. In gelijke mate mogt _Friesland_ de bewijzen der milddadigheid onzer landgenooten ontvangen, toen in den volgenden jare, 1826, dit gewest door eene heerschende ziekte en buitengewone sterfte werd geteisterd, ten gevolge waarvan ruim 20,000 nooddruftigen ondersteuning behoefden uit het fonds van onderstand, hetwelk, uit eene som van bijna 110,000 Gld. en eene menigte kleeding- en liggingsstukken bestaande, tot leniging van dien nood was bijeengebragt[376].

[375] Zie over dit onderwerp het belangrijke werk van den Heer J. VAN LEEUWEN, _Geschiedkundig Tafereel van den Watervloed en de Overstroomingen in Friesland, in 1825_, en bijzonder Bijlage F, benevens het _Rapport der Commissie voor de Noodlijdenden_.

[376] Volgens het _Algemeen Verslag en Verantwoording van de Provinciale Commissie van Onderstand_.

Intusschen was de hoogbejaarde Jhr. ÆBINGA VAN HUMALDA, de edele vriend en voorstander van kunsten en wetenschappen, in November 1826 als Gouverneur dezer provincie vervangen door Jhr. JAN ADRIAAN VAN ZUIJLEN VAN NIJEVELT, die eerlang aller hoogachting mogt verwerven door zijne deugden en verdiensten ten aanzien der bevordering van Frieslands belangen, bijzonder van den Waterstaat van dit gewest. De hoop, dat rustige dagen van welvaart nu de geleden rampen zouden vervangen, werd spoedig verijdeld door de gevolgen der Belgische omwenteling, welke van 1830 tot 1834 zware offers eischten. De algemeene geestdrift voor Koning en Vaderland bragt die opofferingen nogtans gaarne en getrouw, en mogten ook de duizenden, als soldaten en schutters uitgetrokkene Friesche jongelieden en mannen vele blijken geven van krijgshaftigheid, van onbezweken trouw en moed, waardoor onder het leger de Friesche naam met eere werd gehandhaafd.

Bijna bestendige welvaart begunstigde vervolgens de uitvoering van belangrijke provinciale en plaatselijke werken van algemeen nut. Sedert 1827 werden de hoofdwegen met vele zijtakken naar de voornaamste steden en dorpen bestraat of bepuind, waardoor de gemeenschap te land, vooral in den winter, evenzeer werd bevorderd als die te water door het uitdiepen en verbeteren van vele kanalen voor de scheepvaart en de afstrooming[377]. De kadastrale meting van deze provincie, in 1812 en op nieuw in 1825 aangevangen, had sedert 1834 eene meer regelmatige verdeeling van de Grondbelasting ten gevolge[378]. Het _Friesch Genootschap voor Geschied-, Oudheid- en Taalkunde_, in 1828 opgerigt, verzamelde de krachten van alle beoefenaars en voorstanders dezer belangrijke onderwerpen tot meerdere toelichting en openbaarmaking van de bronnen onzer historische kennis; terwijl landbouw en veeteelt, handel, fabrijkwezen en nijverheid met rustigen gang voorwaarts streefden.

[377] Zie de meeste dezer werken opgenoemd in mijne _Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden_, II 278 env. Het laatste gedeelte van dat werk bevat zeer vele bijzonderheden omtrent de merkwaardige verbeteringen en aanbouwingen, welke Frieslands Hoofdstad vooral in dit tijdvak onderging.

[378] Zie A. VAN TONDEREN, _Beschouwing van de Kadastrale Uitkomsten in Vriesland_, Leeuw. 1842, voorr. VI en bl. 17. De vermindering der hoofdsom van _Friesland_ was slechts [f]277,000, schoon deze [f]400,000 had moeten zijn, welk bedrag deze provincie sedert 1806 elk jaar te veel had betaald, zonder daarvoor ooit vergoeding te hebben ontvangen.

In 1840, merkwaardig door de herziening van de Grondwet en de troonsopvolging van Koning WILLEM II, overleed de algemeen betreurde Gouverneur VAN ZUIJLEN VAN NIJEVELT. Van zijn opvolger MAURITS PICO DIDERIK _Baron_ VAN SYTZAMA, die zoo lang als volksvertegenwoordiger achting had verworven, verwachtte men nu veel goeds voor de belangen van dit gewest. En inderdaad heeft hij die, naar zijne inzigten, met den meesten ijver voorgestaan, onder afwisseling van voor- en tegenspoed: want de opheffing van het Rijks-Athenæum te _Franeker_ (1843), het ontstaan van de longziekte onder het rundvee (1842 en 1845) en de gevolgen van den bij herhaling mislukten aardappeloogst, welke met duurte en schaarschheid van levensmiddelen en naar aanleiding daarvan, met verontrustende volksbewegingen gepaard gingen (1847), waren even smartelijke verschijnselen des tijds, als de Tentoonstelling der voorwerpen van Friesche Nijverheid en Kunst, in 1844 te _Leeuwarden_ gehouden, en de toeneming van den uitvoer der voortbrengselen van den Frieschen landbouw en veeteelt, door de geopende stoomvaart op _Engeland_ (1846), verblijdende waren.

Het jaar 1848 opende eene nieuwe rij van belangrijke gebeurtenissen. Dat _Nederland_, te midden der toenmaals, ten gevolge der Fransche omwenteling, zoo fel bewogen volken, rustig bleef, had het vooral te danken aan het kloek besluit van Koning WILLEM II tot onbekrompene herziening van onze grondwettige instellingen. In dat zelfde jaar kwam deze tot stand, om de ontwikkeling van een nieuw staatkundig volksleven voor te bereiden. Doch de Koning, die _Friesland_, na het overlijden van den Baron VAN SYTZAMA, Jhr. Mr JAN ERNST VAN PANHUIJS tot Gouverneur had geschonken (3 Nov. 1848), beleefde dit niet. Reeds den 17 Maart 1849 werd hij aan het vaderland ontrukt, en den 12 Mei opgevolgd door zijn zoon Koning WILLEM III. 't Was onder dezen, dat de bepalingen der Grondwet in het leven traden, ten aanzien der regtstreeksche verkiezingen van leden voor de Generale en Provinciale Staten (1849 en 50) en van de Gemeentebesturen (1851), en dat andere wettelijke bepalingen en andere personen invloed verkregen op het bestuur. Bij de invoering van de Gemeentewet, op den 5 Julij 1851, werd tevens de aloude benaming van Grietenijen voor de plattelands-besturen in _Friesland_ vervangen door die van Gemeenten, onder het bestuur van een Burgemeester, Wethouders en leden van den Raad. (Zie _Aanteek. 27_.)

* * * * *

Met die belangrijke gebeurtenis sluit ik deze _Beknopte Geschiedenis van Friesland, in Hoofdtrekken_, met dankzegging aan God, die mij krachten schonk, deze taak naar vermogen te volbrengen. Het terugzigt op dit tijdvak, zoowel als op de vroegere, is voorzeker verblijdende, omdat wij, als de uitkomst van zoo velerlei wisselingen en lotgevallen, met dankbaarheid mogen opmerken, hoe alles, onder de aanbiddelijke leiding der Voorzienigheid, mogt medewerken, om de staatkundige, godsdienstige, verstandelijke en burgerlijke voorregten des volks van lieverlede te vermeerderen, ten einde zijne opvoeding en vorming, naar gelang zijner vatbaarheid, meer en meer te voltooijen. Bij het bezit van zoo vele voorregten en het genot van algemeene welvaart, die iederen burger thans vergunnen, de genoegens des levens hier ongestoord te genieten en aan de bevordering van het bijzondere en algemeene welzijn mede te werken, rust er op het volk voorzeker eene dure verpligting, om zich die onschatbare weldaden waardig te betoonen: om vrede en voorspoed niet enkel tot genot, weelde en gemak, maar met wakkerheid en inspanning duurzaam tot vermeerdering van godsdienstige en zedelijke kracht, tot uitbreiding van zijne verstandelijke vermogens en de heiliging van hart en wandel aan te wenden. Gezond verstand en goede trouw bij wakkerheid en vlijt blijve de Friezen kenmerken. Een volk, dat naar het ~uitwendige~ zoo vele voorregten bezit, als waarin wij Friezen ons mogen verheugen, past het vooral, om, met het oog op de leer der geschiedenis en met verstandige zorg voor de toekomst, zich door ~inwendige~ kracht te sterken, tegen naderend gevaar en leed niet alleen, maar ook tot bestrijding van vele maatschappelijke gebreken en tot verheffing en veredeling van ons geslacht. Indien onze gezigtskring zich evenwel enkel tot de stoffelijke voorregten van dit leven beperkt, en spijs en drank ons, even als de dieren, alleen voldoening kunnen schenken, dan hebben wij hier reeds genoeg, zoo niet te veel, ontvangen. Maar, neen! eene zucht naar toeneming in kennis, in zedelijkheid en godsdienstzin bezielt allen, die overtuigd zijn van hunne roeping, om zich hier te vormen voor déze en dáárdoor voor te bereiden tot eene bétere wereld in het leven der toekomst. Tot die vorming en voorbereiding schenkt God ons gelegenheid en kracht door de verkondiging en beleving van zijn Woord; en voorzeker zal het volksgeluk dáár het meest en het duurzaamst gevestigd zijn, waar Geloof, Liefde en Hoop, niet enkel als Leer, maar als Leven de bezielende beginselen der daden en gezindheden van het onderling verkeer der ingezetenen zijn. Door deze kracht gesterkt, zal de nog gebrekkige maatschappij meer rijpen voor hare bestemming, en zullen alle van lieverlede toegenomene staatkundige en burgerlijke voorregten, welke wij dankbaar erkennen en verstandig genieten zullen, onder den zegen en het welbehagen van den grooten Opvoeder van het menschelijk geslacht, middelen worden, om ons geluk voor tijd en toekomst te verhoogen.

~AANTEEKENINGEN~, OPHELDERINGEN EN BIJVOEGSELS TOT DEZE BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN FRIESLAND.

Komt! oefnen wy de vlerk der weetzucht laag by de aard, Gods hulp zal met ons zijn, zy is 't die ons bewaart. Zijn Wijsheid houdt zich aan den stervling niet verborgen. Zy roept ons: Kom tot my, by avond en by morgen; Zy toont zich wijd en zijd, en biedt de hand ons aan, En noodigt ons, in ernst heur gangen na te gaan. Ja, slaan wy ze ijvrig gâ! en leere ons de ondervinding Ons eigen pad erkennen. Weg, sluier der verblinding! Het weten maakt ons wijs. Het menschelijk Verstand Ziet wel in 't rond, maar 't heeft tot grijpen slechts één hand. Vervul het met iets goeds; het zal niets ijdels zoeken. Maar laat geen ledigheid u 't zorgloos hart verkloeken. Ons weten schildert ons wat goed en kwaad is, voor, En dringt ook in ons hart, ter vruchtbre kennis, door. Het is de Onwetendheid die trotsch maakt en vermetel: Want hoogmoed dringt zich steeds by zelfwaan op den zetel. Aanspraaklijk zijn wy aan ons-zelf; maar ook aan God, Voor al wat invloed heeft op dit en 't eeuwig lot.

BILDERDIJK _naar_ SPIEGHEL.

~AANTEEKENINGEN~.

_Aanteekening 1_, op _bladzijde 10_.

_De Oude Toestand van Friesland._

Vermits de voorstelling van den ~ouden toestand~ van _Friesland_, in den tekst, hoe kort ook, afwijkt van die, welke in vroegere geschriften over dit onderwerp, ook door mij zelven, is voorgedragen, zoo is het noodzakelijk hier aan te wijzen, dat ik daarin meestal gevolgd ben de denkbeelden van Dr. _J. G. Ottema_, in zijne uitmuntende verhandeling, getiteld: Over den loop der Rivieren door het land der Friezen en Batavieren, in het Romeinsche tijdperk, geplaatst in het tijdschrift van ons Friesch Genootschap: de Vrije Fries, IV 105; waarbij is gevoegd eene Kaart (met latijnsche benamingen), welke alles zeer aanschouwelijk maakt. Deze nieuwe voorstelling is met zóó grondige bewijzen gestaafd, dat zij wel verdiende meer algemeen bekend te zijn, en vergeleken te worden met de vermelde voorstelling van Dr. _G. Acker Stratingh_, in zijn Aloude Staat en Geschiedenis van Nederland. Ook om de eerste reden heb ik, met goedvinden en onder opzigt van mijn vriend _Ottema_, eene dergelijke Schetskaart (met nederduitsche benamingen) bij dit werk gevoegd, ter verklaring van de anders al te beknopte beschrijving.

Aangezien ik mij voorgenomen had, in den tekst zoo kort en eenvoudig mogelijk te zijn, zoo heb ik het noodzakelijk geacht, hierbij eenige Aanteekeningen te voegen: vooral, om rekenschap te geven van het gestelde; om de nieuwere bronnen aan te wijzen, en om eere te geven aan hen, die deze denkbeelden het eerst openbaar gemaakt en elders uitvoeriger medegedeeld hebben. Ook voor hen, die de kort behandelde onderwerpen nader willen onderzoeken, kan het nuttig zijn, hier telkens de ~bijzondere~ bronnen aangewezen te zien. Het is echter mijn plan niet, om in deze Aanteekeningen uitbreidingen te geven van het verhaalde of kritische aanmerkingen en toevoegselen daarop, gelijk de Heer _J. van Leeuwen_ heeft gedaan achter den nieuwen druk van it aade Friesche Terp, welk belangrijk werkje ik bij deze zeer aanbeveel aan allen, die uitvoeriger narigten omtrent vele punten wenschen te vernemen. Juist omdat dáár zoovele schrijvers zijn aangehaald en ik gaarne zou zien, dat die ~speciale~ Kronyk nevens mijne ~globale~ voorstelling van de geschiedenis, in ~hoofdtrekken~, gebruikt wierde, om te zamen een voegzaam geheel uit te maken, heb ik dikwijls mijne aanhalingen van algemeene bronnen weggelaten, dewijl men die daar kan vinden, alsmede in mijne Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, in 1846 en 47 in 2 dln. uitgegeven.

_Aant. 2_, op _bladz. 16_.

_Oudste Bronnen._

Het is de Romeinsche Geschiedschrijver _Tacitus_, die aangaande der Romeinen verkeer in _Friesland_ en hunne nederlaag ons de vermelde berigten medegedeeld heeft. Zie _Tacitus_, vert. van Hooft, 4e Jaarb. 182. Aangaande den naam en de ligging van het bosch Baduhenna of Badu-herne (vermoedelijk in Gaasterland) zijn vele gissingen. _Winsemius_, Chronique, 22 verklaart dien naam niet onaardig als een Friesche Wapenkreet: _Ba, du hinne!_ welke als een echo door het bosch klonk! Even zonderling is de vermelding van dit feit in de hoogst zeldzame: Sommiere Memoriale ende Loffelycke Beschryvinghe van de wydtvermaerde Keyserlycke vrye provintie van Vrieslandt, mitsgaders de daden, het leven ende handelinge der vroomdadighe vrye Vriesen. In rijm ghestelt door Jacob Liefs Amstelredammer, 1636: